Besluit van het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Cocensus houdende regels omtrent gegevensverstrekking.

Besluit gegevensverstrekking Cocensus 2025

Het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Cocensus,

 

Gelet op:

de Gemeenschappelijke regeling Cocensus 2024;

artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 67 van de Invorderingswet 1990, artikel 40 van de Wet waardering onroerende zaken, artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming;

 

Besluit:

 

Vast te stellen het ‘Besluit gegevensverstrekking Cocensus 2025’:

 

Artikel 1 Geheimhoudingsplicht

Cocensus beschikt door de uitvoering van de belastingwerkzaamheden over (persoons)gegevens.

Op grond van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 67 van de Invorderingswet 1990 geldt ten aanzien van deze gegevens een geheimhoudingsplicht. Als gevolg hiervan mogen gegevens die zijn verkregen in het kader van de belastingwerkzaamheden niet zonder meer worden verstrekt aan andere bestuursorganen.

 

Artikel 2 Gerechtvaardigd belang

Voor de verstrekking van WOZ-waarden van niet-woningen geldt, dat dit slechts mogelijk is binnen

het wettelijke kader van artikel 40 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

 

Artikel 3 Ontheffing geheimhoudingsplicht

De geheimhoudingsplicht geldt niet voor verstrekking aan de in deze regeling genoemde

bestuursorganen voor zover het de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de genoemde

publiekrechtelijke taken betreft:

a. Gegevens die noodzakelijk zijn voor een effectieve en efficiënte samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen, voor zover het een samenwerking betreft van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) of het Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC).

b. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de integriteitstoets (Bibob-toets) door het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

c. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van minimaregelingen zoals bedoeld in de Participatiewet, alsmede het voorbereiden, opstellen en evalueren van het beleidskader dat aan die minimaregelingen – dashboard minima - ten grondslag ligt.

d. Gegevens die noodzakelijk zijn voor onderzoek naar de woningmarkt en volkshuisvesting, zoals bedoeld in de Huisvestingswet 2014 en Woningwet.

e. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het regionaal actieprogramma en de daaruit voortvloeiende regionale woonmonitor.

f. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen en uitvoeren van de omgevingsvisie zoals bedoeld in de Omgevingswet.

g. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar onttrekking van woonruimte aan de woningvoorraad, zoals bedoeld in de Huisvestingswet 2014.

h. Gegevens die noodzakelijk zijn in het belang van een goede gebouwenregistratie zoals bedoeld in de Wet basisregistraties adressen en gebouwen.

i. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de opbrengst van de BIZ-bijdrage ten behoeve van een bedrijveninvesteringszoneplan, zoals bedoeld in de Wet op de bedrijveninvesteringszones.

j. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de draagvlakmeting voorafgaand aan de inwerkingtreding van de verordening waarbij het tarief van de BIZ-bijdrage wordt ingesteld, zoals bedoeld in de Wet op de bedrijveninvesteringszones.

k. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de kostenraming en het kostenplafond in het kader van het kostenverhaal met en zonder tijdvak, zoals bedoeld in de Omgevingswet;

l. Gegevens die noodzakelijk zijn voor de aanschrijving van eigenaren en gebruikers van woningen en gebouwen, zoals bedoeld in het Besluit geluidhinder;

m. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het landelijke afvalstoffenbeleid en het daaruit voortvloeiende grondstoffenplan.

n. Gegevens die noodzakelijk zijn voor milieubeheer en afval- en grondstoffeninzameling, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.

o. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het voorbereiden en vaststellen van belastingverordeningen, begroting en rekening, inclusief accountantscontrole.

p. Gegevens met betrekking tot de te heffen, geheven, in te vorderen en ingevorderde belastingen.

q. Gegevens die noodzakelijk zijn voor het Nationaal isolatieprogramma of Programma Duurzaamheid.

 

Artikel 4 Gegevensverstrekking aan deelnemers van Cocensus

De in artikel 3 bedoelde gegevens worden verstrekt op verzoek van het betreffende bestuursorgaan.

De verstrekking van gegevens vindt plaats op een beveiligde wijze. Het bestuursorgaan dat verzoekt

om gegevens garandeert, dat deze slechts voor het gevraagde doeleinde worden verwerkt en dat na

verwerking van de verstrekte gegevens deze gegevens worden vernietigd en niet opnieuw worden

gebruikt.

 

Artikel 5 Ad hoc gegevensverstrekking

Verzoeken om gegevens - die niet limitatief zijn opgesomd in artikel 3 - worden beoordeeld of deze

verstrekt mogen worden.

 

Artikel 5 Inwerkingtreding en citeertitel

a. Dit besluit en de bijbehorende toelichting treden in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking.

b. Het Besluit Gegevensverstrekking Cocensus 2022 wordt ingetrokken.

c. Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Besluit gegevensverstrekking Cocensus 2025’.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van Cocensus van 12 maart 2025.

 

dhr drs. G.G.J. Schipper, directeur van Cocensus

 

dhr C. Schouten, voorzitter van het Dagelijks Bestuur van Cocensus

 

 

 

 

Artikelsgewijze toelichting behorend bij het ‘Besluit gegevensverstrekking Cocensus 2025’

 

Artikel 3, sub a.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor een effectieve en efficiënte samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen, voor zover het een samenwerking betreft van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) of het Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC).

 

De samenwerking tussen de verschillende bestuursorganen in het RIEC-verband is vastgelegd in het RIEC-convenant. De deelnemende gemeenten zijn convenantpartners bij het RIEC. Cocensus beschikt over gegevens die noodzakelijk kunnen zijn voor een effectieve en efficiënte samenwerking tussen de convenantpartners in het kader van de toepassing en handhaving van overheidsregelingen van het RIEC.

 

Cocensus verstrekt daarom aan de deelnemende gemeenten, in de hoedanigheid van convenantpartner van het RIEC, alle (persoons)gegevens die noodzakelijk zijn voor een effectieve en efficiënte samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit en handhavingsknelpunten en ter bevordering van integriteitsbeoordelingen.

 

 

Artikel 3, sub b.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de integriteitstoets (Bibob-toets) door het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, zoals bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

 

Het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur adviseert de deelnemende gemeenten over de implementatie en toepassing van de Wet Bibob. Ook adviseert het Bureau over de mate van gevaar van misbruik van vergunningen, subsidies, aanbestedingen en vastgoedtransacties.

 

In de Wet Bibob is voor een aantal bestuursorganen een wettelijke verplichting tot medewerking neergelegd. De in de betreffende bepaling genoemde bestuursorganen zijn verplicht om desgevraagd alle persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Bibob-toets, te verstrekken aan het Bureau. In de wet worden onder meer de Rijksbelastingdienst (RBD) en de colleges B&W van gemeenten genoemd, voor zover het de verwerking van persoonsgegevens betreft voor de uitvoering van de genoemde wetten. Hoewel de gemeenschappelijke regeling niet is opgenomen in het overzicht van bestuursorganen, beschikt Cocensus wel over (persoons)gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Bibob-toets. Hierbij valt ook te denken aan de WOZ-waarde van een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient. De WOZ-waarde van het pand waarvoor een vergunning is aangevraagd kan het Bureau aanknopingspunten geven om te beoordelen of het aankoopbedrag reëel is in relatie tot de financiering en of hetgeen de vergunningaanvrager heeft opgegeven in de vergunningaanvraag, juist is.

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan het Bureau: WOZ-waarde niet-woning; alle persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Bibob-toets.

 

 

 

 

Artikel 3, sub c.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van minimaregelingen zoals bedoeld in de Participatiewet, alsmede het voorbereiden, opstellen en evalueren van het beleidskader dat aan die minimaregelingen – dashboard minima - ten grondslag ligt.

 

Uit de Participatiewet vloeien belangrijke taken voort voor de deelnemende gemeenten op het gebied van armoedebestrijding. Deze taken omvatten onder meer de uitvoering van de minimaregelingen, maar ook het voorbereiden, opstellen en evalueren van beleid dat aan die minimaregelingen ten grondslag ligt. Om deze taken uit te kunnen voeren hebben deelnemende gemeenten gegevens nodig van Cocensus met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding. Inwoners die kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen hebben gekregen, behoren immers tot de minimadoelgroep.

 

In artikel 64 van de Participatiewet is een wettelijk voorschrift tot bekendmaking van gegevens neergelegd voor verschillende instanties. De in deze niet-limitatieve opsomming genoemde instanties zijn gehouden desgevraagd opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Participatiewet. Cocensus beschikt over gegevens met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding, die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de uit de Participatiewet voortvloeiende publiekrechtelijke taken van de deelnemende gemeenten. De gemeenschappelijke regeling is echter (nog) niet opgenomen in de opsomming.

 

 

Cocensus verstrekt voor dit doel aan de deelnemende gemeenten: BSN van belastingplichtigen die kwijtschelding hebben gekregen in het belastingjaar (kalenderjaar) of in meerdere belastingjaren (kalenderjaren).

 

 

Artikel 3, sub d.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor onderzoek naar de woningmarkt en volkshuisvesting, zoals bedoeld in de Huisvestingswet 2014 en Woningwet.

 

Gemeenten zijn op grond van de Huisvestingswet 2014 en Woningwet gehouden om in het kader van de voorziening in de woningbehoefte onderzoek te verrichten naar volkshuisvesting, teneinde een kwalitatief goed en gedifferentieerd woningaanbod te realiseren dat aansluit op de vraag van zowel huidige als toekomstige inwoners. Daarbij wordt veelal gestreefd naar het levensloop geschikt maken van zowel de bestaande woningvoorraad als nieuwbouw. Om deze doelstellingen te behalen is onder meer een analyse nodig van de huidige woningvoorraad.

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten: een overzicht van de woningen (met uitzondering van recreatiewoningen) met straatnaam, huisnummer, huisnummer toevoeging, postcode, plaats, BAG-id, WOZ-objectnummer, objectsoortcode, CBS-Wijk code, CBS-Buurt code, bouwjaar, gebruiksoppervlakte, huidige WOZ-waarde, toevoeging of de eigenaar en de gebruiker van de woning aan elkaar gelijk zijn, toevoeging of de eigenaar een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is, toevoeging van het aantal woningen in eigendom van de eigenaar binnen de gemeente.

 

 

Artikel 3, sub e.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het regionaal actieprogramma en het opstellen van de daaruit voortvloeiende regionale woonmonitor.

 

De deelnemende gemeenten maken deel uit van één van de zes woningmarktregio’s in de provincie Noord-Holland. Per woningmarktregio zijn tussen de provincie en gemeenten uitgangspunten en acties afgesproken op het gebied van nieuwe woningbouw en de bestaande woningvoorraad. Deze afspraken, doelstellingen en instrumenten zijn vastgelegd in de regionale actieprogramma’s. Eén van die instrumenten is het opstellen van de regionale woonmonitor, die inzicht dient te verschaffen in de bevolkingsontwikkeling, ontwikkelingen in de huidige woningvoorraad, nieuwbouwproductie, verhuizingen en toekomstige ontwikkelingen.

 

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten: een overzicht van woningen (met uitzondering van recreatiewoningen): BAG-id, WOZ-objectnummer, adres en postcode van het WOZ-object, objectsoortcode, objectsoort omschrijving, bouwjaar, gebruiksoppervlakte, WOZ-waarde, subjectnummer eigenaar, subjectnummer gebruiker.

 

 

Artikel 3, sub f.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen en uitvoeren van de omgevingsvisie zoals bedoeld in de Omgevingswet.

 

De nieuwe Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De nieuwe wet verplicht alle gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen, waaruit blijkt met welke instrumenten ze hun klimaat- en energiedoelstellingen willen bereiken. De omgevingsvisie geldt als beleidskader voor het opstellen van omgevingsplannen en heeft betrekking op meerdere beleidsvelden. Ten behoeve van doelstellingen op het gebied van duurzaamheid en energie kunnen gemeenten bijvoorbeeld een energietransitieplan opstellen.

 

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten: een overzicht van woningen: BAG-id; WOZ-objectnummer, adres en postcode van het WOZ-object, objectsoortcode, objectsoort omschrijving, WOZ-waarde, type eigendom (eigenaar is gelijk aan gebruiker/eigenaar is niet gelijk aan gebruiker/leegstand).

 

 

Artikel 3, sub g.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor onderzoek naar onttrekking van woonruimte aan de woningvoorraad, zoals bedoeld in de Huisvestingswet 2014.

 

Gemeenten dienen ingevolge de Huisvestingswet 2014 in een gemeentelijke huisvestingsverordening aan te wijzen welke woonruimte behoort bij de woonruimtevoorraad. Het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad voor een ander doel dan permanente bewoning zonder vergunning is verboden. Voorbeelden van woningonttrekking zijn het gebruiken van de woning als bedrijfsruimte, kortstondig verhuur aan toeristen of langdurig verhuur als hotel.

 

Van onttrekking in de zin van de Huisvestingswet 2014 kan slechts sprake zijn, indien het desbetreffende gebouw bestemd is voor duurzame, permanente bewoning. Dit dient volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeeld te worden aan de hand van objectieve maatstaven, waarbij het feitelijk gebruik van de woning niet doorslaggevend is. Het is dus van belang om te weten of een adres geregistreerd staat als woning.

 

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten een overzicht van woningen: subjectnummer eigenaar; subjectnummer gebruiker, straat, huisnummer, huisnummertoevoeging, postcode, plaats, objectsoortcode, objectsoort omschrijving, bouwjaar, BAG-id, WOZ-waarde . Type eigendom (eigenaar is gelijk aan gebruiker/eigenaar is niet gelijk aan gebruiker/leegstand).

 

 

Artikel 3, sub h.

Gegevens die noodzakelijk zijn in het belang van een goede gebouwenregistratie zoals bedoeld in de Wet basisregistraties adressen en gebouwen.

 

De deelnemende gemeenten zijn bronhouder van de basisregistraties adressen en gebouwen (BAG) en de basisregistratie grootschalige topografie (BGT). Cocensus is bronhouder van de basisregistratie WOZ. Er bestaat samenhang tussen deze basisregistraties. De Waarderingskamer schrijft over het realiseren van samenhang tussen deze basisregistraties in de Waarderingsinstructie 2017, pagina 83 het volgende:

 

“De uitvoering van de Wet WOZ vergt het verwerken van grote hoeveelheden informatie. De WOZ-administratie moet immers steeds een actuele weergave zijn van de werkelijkheid. Diverse basisregistraties uit het stelsel van basisregistraties leveren mutaties die verwerkt moeten worden in de WOZ-administratie en/of signalen over veranderingen in de werkelijkheid die naar verwachting moeten leiden tot mutaties in de WOZ-administratie. Basisregistraties die mutaties leveren die verwerkt moeten worden in de WOZ-administratie of die signalen leveren voor de bijhouding van de WOZ-administratie zijn in ieder geval de Basisregistratie Personen, het Handelsregister, de Basisregistratie Kadaster, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen en de Basisregistratie Grootschalige Topografie.

 

Het gebruik van informatie uit basisregistraties is voor overheden verplicht. Deze verplichting betreft

dus ook het gebruik van de genoemde basisregistraties bij de uitvoering van de Wet WOZ en de koppeling van de WOZ-administratie (Basisregistratie WOZ) aan deze basisregistraties.

Om te waarborgen dat de informatie uit deze basisregistraties op een adequate, consistente en doelmatige wijze wordt gebruikt en verwerkt, is het belangrijk dat de aansluiting van de WOZ-uitvoering

en de WOZ-administratie op deze basisregistraties regelmatig wordt beoordeeld door de gemeente [lees: Cocensus, toevoeging Cocensus].

 

De aansluiting van de WOZ-administratie en WOZ-uitvoering op andere basisregistraties is overigens

geen eenrichtingsverkeer, waarbij de WOZ-uitvoering uitsluitend gebruiker is. Bij koppeling van gegevens, bij verwerking van mutaties en bij uitvoering van WOZ-controles heeft men de plicht de andere basisregistratie te melden, wanneer er mogelijk sprake is van een onjuistheid (terugmelding bij gerede twijfel). En waar de WOZ-uitvoering gebruik maakt van signalen uit andere basisregistraties over mogelijke WOZ-relevante mutaties, leveren de diverse WOZ-activiteiten ook signalen die van belang zijn voor de bijhouding van andere basisregistraties zoals de BAG en de BGT.”

 

Om te waarborgen dat de informatie uit deze basisregistraties op een adequate, consistente en doelmatige wijze wordt gebruikt is het noodzakelijk dat Cocensus, als bronhouder van de WOZ, gegevens uitwisselt met de gemeenten als bronhouder van de BAG en BGT.

 

Cocensus verstrekt voor dit doel aan de deelnemende gemeenten: adres, postcode, objectsoortcode, objectsoort omschrijving, kadastraal perceel, BAG-id, WOZ-objectnummer, bouwjaar, bouwlaag, ontsluiting, objectonderdelen, gebruiksoppervlakte, gebruikscode.

 

 

Artikel 3, sub i.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de opbrengst van de BIZ-bijdrage ten behoeve van het opstellen van een bedrijveninvesteringszoneplan, zoals bedoeld in de Wet op de bedrijveninvesteringszones.

 

Op grond van de Wet op de bedrijveninvesteringszones kunnen gemeenten onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente gelegen onroerende zaken (bedrijveninvesteringszone), die niet in hoofdzaak tot woning dienen. De BIZ-bijdrage is een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

 

De BIZ-bijdrage kan worden geheven van eigenaren en/of gebruikers. De heffingsmaatstaf van de BIZ-bijdrage is de WOZ-waarde. Het tarief van de BIZ-bijdrage kan voor elke bijdrageplichtige gelijk zijn, maar het kan ook vastgesteld worden op een percentage van de WOZ-waardeklasse. Indien het laatstgenoemde geval zich voordoet, dient de gemeente te beschikken over de WOZ-waarden teneinde de opbrengsten van de heffing te meten en het tarief van de BIZ-bijdrage vast te stellen. De opbrengst van de heffing wordt als subsidie verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting.

 

 

Cocensus verstrekt voor dit doel aan de deelnemende gemeenten: geanonimiseerde WOZ-waarden niet-woning per staffel; de totale WOZ-waarde en het aantal WOZ-objecten in de staffel. De WOZ-waarden zijn niet te relateren aan het object.

 

 

Artikel 3, sub j.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de draagvlakmeting voorafgaand aan de inwerkingtreding van de verordening waarbij het tarief van de BIZ-bijdrage wordt ingesteld, zoals bedoeld in de Wet op de bedrijveninvesteringszones.

 

De verordening van de gemeente waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen. Uit de Wet op de bedrijveninvesteringszones volgt dat van voldoende steun sprake is indien:

a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich vóór of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,

b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en

c. de som van de WOZ-waarden van onroerende zaken in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ-waarden in gebruik bij dan wel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.

 

Uit het criterium onder c blijkt dat als de eerste twee drempels onder a en b zijn gehaald, er nog een laatste weging volgt: de bijdrageplichtigen die vóór hebben gestemd, dienen gezamenlijk ook meer dan de helft van de WOZ-waarde te vertegenwoordigen. Voor deze weging is het noodzakelijk dat een bepaalde WOZ-waarde of een bepaalde waardeklasse gekoppeld kan worden aan een voor- of tegenstander van de verordening (zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 917, nr. 2 en 3, p. 13).

 

De verstrekking van de WOZ-waarde van een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient is ingevolge de Wet waardering onroerende zaken toegestaan, indien aangetoond kan worden dat er een gerechtvaardigd belang bestaat bij de verkrijging daarvan. Het gerechtvaardigde belang bestaat in dit geval uit de goede vervulling van de uit de Wet op de bedrijveninvesteringszones voortvloeiende publiekrechtelijke taak van de gemeente.

 

In afwijking van het bovenstaande blijkt reeds van voldoende steun indien voldaan is aan de criteria onder a en b, en de verordening voorziet in een heffing van een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag. Differentiatie naar WOZ-waarde is in dat geval overbodig, waardoor de verstrekking van de WOZ-waarden relevant noch noodzakelijk is.

 

Cocensus verstrekt de volgende gegevens: een overzicht van belastingplichtigen (gebruikers of eigenaren) in het BIZ-gebied, de NAW-gegevens van de eigenaar of de gebruiker, WOZ-waarde, WOZ-objectnummer, straat, huisnummer, huisnummer toevoeging, plaats, objectsoortcode en objectsoort omschrijving.

 

Cocensus verstrekt bij een verlenging van de BIZ ook of er bij het WOZ-object sprake is van een uitsluiting of een vrijstelling.

 

 

 

Artikel 3, sub k.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de kostenraming en het kostenplafond in het kader van het kostenverhaal met en zonder tijdvak, zoals bedoeld in de Omgevingswet.

 

Het kostenverhaal in de nieuwe Omgevingswet kent twee vormen, kostenverhaal met tijdvak (integrale gebiedsontwikkeling) en kostenverhaal zonder tijdvak (organische gebiedsontwikkeling). In geval van integrale gebiedsontwikkeling is een kostenraming verplicht. Bij organische gebiedsontwikkeling volstaat een kostenplafond. Voor zowel de kostenraming als het kostenplafond geldt dat de inbrengwaarde van de percelen een belangrijk onderdeel is van de kostensoortenlijst. De inbrengwaarde dient aan de hand van objectief bepaalbare maatstaven en de meest actuele gegevens te worden bepaald. De waardering op basis van de WOZ-waarde biedt deze objectieve grondslag.

Huidige regels over kostenverhaal

De regels over kostenverhaal c.q. grondexploitatie zijn onder het huidige recht te vinden in afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en afdeling 6.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er bestaat een onderscheid in publiekrechtelijk kostenverhaal (in een exploitatieplan) en privaatrechtelijk kostenverhaal (door middel van anterieure overeenkomst).

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Publiekrechtelijk kostenverhaal is verplicht als sprake is van een 'aangewezen bouwplan' zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro en artikel 6.2.1 Bro. Aangewezen bouwplannen zijn bijvoorbeeld de bouw van een of meer woningen, hoofdgebouwen of bepaalde uitbreidingen van gebouwen. Daarnaast mogen niet alle kosten via de publiekrechtelijke weg op de initiatiefnemer worden verhaald. De kosten die de overheid publiekrechtelijk mag (en soms moet) verhalen, staan genoemd in de kostensoortenlijst (artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.2.5 Bro).

Privaatrechtelijk kostenverhaal

Privaatrechtelijk kostenverhaal (artikel 6.24 Wro) heeft de voorkeur boven de publiekrechtelijke weg. Bij privaatrechtelijk kostenverhaal, zoals anterieure overeenkomsten, staat de contractvrijheid voorop. In anterieure overeenkomsten kunnen bijvoorbeeld ook financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen worden gevraagd, mits dit is vastgelegd in een structuurvisie.

 

Cocensus verstrekt ten behoeve van de berekening van de inbrengwaarde in het kader van het kostenverhaal met en zonder tijdvak de volgende gegevens: WOZ-waarde van niet-woningen in staffels in het betreffende gebied.

 

 

Artikel 3, sub l.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor de aanschrijving van eigenaren en gebruikers van woningen en gebouwen, zoals bedoeld in het Besluit geluidhinder.

 

Op grond van de Wet geluidhinder stelt het college B&W een geluidsaneringsprogramma op teneinde de geluidsoverlast die veroorzaakt wordt door wegverkeer te verminderen en de geluidsbelasting op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen zoveel mogelijk te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan bronmaatregelen zoals de vermindering van het geluid en overdrachtsmaatregelen zoals het plaatsen van geluidswallen en gevelisolatie. De eigenaren en gebruikers van de woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen dienen op grond van het Besluit geluidhinder schriftelijk op de hoogte gesteld worden dat van overheidswege wordt overwogen om geluidwerende voorzieningen aan te brengen.

 

Cocensus verstrekt ten behoeve van voornoemde aanschrijving de volgende gegevens: NAW-gegevens van eigenaren en gebruikers van de betreffende geluidsaneringsgebieden.

 

 

Artikel 3, sub m.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het landelijk afvalbeheerplan en het opstellen van het daaruit voortvloeiende grondstoffenplan.

 

Op grond van de Wet milieubeheer stelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat ten minste één keer in de zes jaar een landelijk afvalbeheerplan op. In het landelijk afvalbeheerplan worden de doelstellingen en uitgangspunten van het afvalstoffenbeleid beschreven. De deelnemende gemeenten zijn verplicht hiermee rekening te houden. Het programma VANG – Huishoudelijk Afval (Van Afval Naar Grondstoffen) is een uitvoeringsprogramma van het landelijk afvalbeheerplan. Belangrijkste doelstellingen zijn een verbetering van de afvalscheiding en recycling en het terugdringen van de hoeveelheid te verbranden afvalstoffen. De deelnemende gemeenten stellen vervolgens, in overeenstemming met de doelstellingen van het uitvoeringsprogramma, een lokaal grondstoffenplan op.

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten: overzicht van woningen in de gemeenten; BAG-id; WOZ-objectnummer; objectsoortcode; objectsoortcode omschrijving, wanneer sprake is van een uitsluiting of een vrijstelling wordt dit aangegeven bij het betreffende object.

 

 

Artikel 3, sub n.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor milieubeheer en afval- en grondstoffeninzameling, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.

 

Gemeenten zijn op grond van de Wet milieubeheer verplicht om afvalstoffen in te zamelen. Voor de uitvoering van deze publiekrechtelijke taak hebben zij gegevens van belastingplichtigen nodig, om vast te kunnen stellen waar afval moet worden opgehaald of waar ontheffing is verleend.

 

Cocensus verstrekt voor dit doel de volgende gegevens aan de deelnemende gemeenten: BAG-id met WOZ-object; cyclus afvalstoffenheffing, objectsoortcode, objectsoort omschrijving en wanneer sprake is van een uitsluiting of een vrijstelling wordt dit aangegeven bij het betreffende object.

 

 

Artikel 3, sub o.

Gegevens die noodzakelijk zijn voor het voorbereiden en vaststellen van belastingverordeningen, begroting en rekening, inclusief accountantscontrole.

 

De deelnemende gemeenten in de gemeenschappelijke regeling dienen jaarlijks een belastingverordening, begroting en rekening vast te stellen. Ook dient Cocensus jaarlijks een accountantscontrole te laten uitvoeren. De accountant dient te kunnen beschikken over de gegevens die hij op juistheid moet controleren. Om de begroting, rekening of tarieven vast te stellen zijn gegevens over bijvoorbeeld de begrote of gerealiseerde belastingopbrengsten noodzakelijk. Dit zijn gegevens waar alleen Cocensus over beschikt.

 

In beginsel verstrekt Cocensus enkel kengetallen en/of totaalcijfers. Dit zijn dus cijfers die niet tot een natuurlijk persoon, belastingplichtige, belastingschuldige of object te herleiden zijn. In een enkel geval is het noodzakelijk om gegevens te verstrekken die wel tot een natuurlijk persoon, belastingplichtige, belastingschuldige of object zijn te herleiden. Hierbij kan gedacht worden aan een situatie dat een belastingplichtige een dermate groot aandeel heeft in de totale opbrengsten van een belastingsoort dat meer gegevens noodzakelijk zijn.

 

Artikel 3, sub p.

Gegevens met betrekking tot de te heffen, geheven, in te vorderen en ingevorderde belastingen.

 

Cocensus levert, conform de afspraken die neergelegd zijn in de dienstovereenkomst, voortgangs- en bestuursrapportages aan de deelnemende gemeenten met informatie over de voortgang van de belastingwerkzaamheden. Dit omvat cijfermatige gegevens met betrekking tot het aantal af te handelen en afgehandelde bezwaar- en beroepsschriften, kwijtscheldingsverzoeken, WOZ-waarden, overzichten van opgelegde kohieren per belastingsoort, overzichten van verminderingen en jaarprognoses omtrent de opbrengst. De gegevens die voor deze doeleinden worden verstrekt, zijn in beginsel niet herleidbaar tot een natuurlijk persoon, een belastingplichtige, belastingschuldige of object. De geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen resp. Invorderingswet 1990 is niet van toepassing op gegevens die niet herleidbaar zijn tot een individuele belastingplichtige. Het opnemen van deze gegevens in dit besluit is daarom enkel bedoeld voor die uitzonderlijke gevallen waarin wel herleidbare gegevens dienen te worden verstrekt.

 

Lid 2 van dit artikel bepaalt, in overeenstemming met artikel 40, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, dat het waardegegeven van een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, enkel wordt verstrekt indien aangetoond kan worden dat er een gerechtvaardigd belang aanwezig is bij de verkrijging daarvan. Onder gerechtvaardigd belang dient in dit geval te worden verstaan: de goede vervulling van een publiekrechtelijke of wettelijke taak.

 

Artikel 3, sub q.

Gegevens met betrekking tot het Nationaal isolatieprogramma of het Programma Duurzaamheid van overheidswege.

 

Cocensus levert de volgende gegevens aan deelnemende gemeenten zodat zij uitvoering kunnen geven aan het door het rijk aan de gemeenten opgelegde beleid. Een lijst met daarop objecten met een woonbestemming waarvan de gemiddelde WOZ-waarde lager is dan € (in te vullen door gemeente), straatnaam, huisnummer + eventueel huisletter, postcode en woonplaats. eigenaar en gebruiker van het object zijn aan elkaar gelijk.

 

 

Naar boven