Blad gemeenschappelijke regeling van Omgevingsdienst Achterhoek
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Omgevingsdienst Achterhoek | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 849 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Omgevingsdienst Achterhoek | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 849 | beleidsregel |
Treasurystatuut 2016 Omgevingsdienst Achterhoek
In de vergadering van het Algemeen Bestuur van 15 december 2016 is ingestemd met de herziene financiële verordening ex artikel 212. In deze verordening is ten aanzien van treasury opgenomen:
Het DB neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de richtlijnen in acht, zoals opgenomen in het treasurystatuut.
Onderliggend treasury-statuut (ook wel financieringsstatuut genoemd) geeft een uit-eenzetting van het treasurybeleid van de OD Achterhoek en geeft een beschrijving van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden in het kader van de treasuryfunctie. Deze beschrijvingen moeten worden opgevat als dwingende richtlijnen. Het doel van dit statuut is om sturing te geven aan de treasuryfunctie en risico’s te beperken.
Dit financieringsstatuut kent de volgende opbouw:
Artikel 1 Doelstellingen treasurybeleid
De doelstellingen van het treasurybeleid van de OD zijn:
Artikel 2 Uitgangspunten risicobeheer treasuryfunctie
Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten voor de treasuryfunctie:
Artikel 7 Verantwoordelijkheden en taken
Artikel 10 Rechtspositie treasurystatuut
Het treasurystatuut is geschreven als uitwerking van artikel 12 uit de “Financiële Ver-ordening 2016 Omgevingsdienst Achterhoek” zoals vastgesteld in de vergadering van het AB op 15 december 2016.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de Omgevings-dienst Achterhoek d.d. 15 december 2016.
De secretaris,
Ir. P.G.M. van Oosterbosch
De voorzitter,
drs. J.H.A. van Oostrum
Memorie van toelichting Treasurystatuut 2016 ODA
In deze memorie van toelichting wordt het wettelijke kader voor de treasuryfunctie van de OD kort beschreven. Onderliggend Treasurystatuut voldoet aan de wettelijke verplichtingen en opgelegde randvoorwaarden.
Het wettelijke kader aangaande treasuryfunctie betreft een drietal wetten namelijk:
In de Gemeentewet staat ten aanzien van treasury het volgende:
In artikel 169, lid 4 is hier wel een beperking op aangebracht. Het college (DB) behoort geen besluiten te nemen aangaande privaatrechtelijke handelingen in-dien de raad (AB) daarom verzoekt of het besluit ingrijpende gevolgen heeft voor de OD. In dit geval moet de raad in staat zijn om vooraf wensen en be-denkingen ter kennis van het college te brengen.
Ad 2: Besluit Begroting en Verantwoording
In het BBV zijn een aantal zaken vermeld ten aanzien van de treasuryfunctie, zijnde:
De Wet fido (Financiering Decentrale Overheden) heeft begin 2001 de Wet filo (Finan-ciering Lagere Overheden) uit 1987 vervangen. In 2006 is de wet geëvalueerd en enigszins aangepast. In december 2013 is vervolgens de regelgeving ten aanzien van de verplichting tot schatkistbankieren toegevoegd.
Daarnaast gelden, als uitvloeisel van de Wet fido:
De regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden die is aangescherpt naar aanleiding van de problemen met de beleggingen in IJsland uit het najaar van 2008. In 2014 zijn deze regels wederom worden aangepast als gevolg van het beleidskader inzake het gebruik van financiële derivaten door (semi)publieke instelling.
De hoofdzaken uit de Wet fido en bijbehorende regelingen zijn:
De OD gaat slechts leningen aan, zet middelen uit of verleent garanties ten be-hoeve van de publieke taak. Decentrale overheden kunnen binnen het wettelijke kader zelf bepalen wat zij tot hun publieke taak rekenen. Wel wordt terughou-dendheid van de decentrale overheden verwacht en zal door de toezichthouder worden gekeken of de OD degelijk motiveert waarom een activiteit tot zijn pu-blieke taak wordt gerekend.
Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctua-ties in de rentelasten van openbare lichamen. De kasgeldlimiet is opgenomen in de Wet fido ter beperking van het bedrag van de vlottende schuld waarover da-gelijks renterisico wordt gelopen. Zo worden grote fluctuaties in de korte rente-lasten vermeden. Bij een derde achtereenvolgende overschrijding wordt de toe-zichthouder op de hoogte gebracht tezamen met een plan om binnen de limiet te blijven in het lopende kwartaal. De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de verplichting om onder de kasgeldlimiet te blijven.
Het renterisico op de vaste schuld van de OD overschrijdt de renterisiconorm niet. Deze norm beoogt de beperking van het bedrag van de vaste schuld waar-over op termijn renterisico wordt gelopen. De renterisiconorm is een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de vaste schuld van de OD bij aanvang van het jaar. De toezichthouder geeft een aanwijzing als hieraan niet wordt voldaan. Ook hier kan de toezichthouder ontheffing verlenen.
Overtollige liquide middelen moeten, behoudens het drempelbedrag, worden aangehouden bij ’s Rijks schatkist. Het drempelbedrag bedraagt 0,75% van het begrotingstotaal bij decentrale overheden met een begrotingsomvang dat kleiner is dan 500 miljoen euro. Bij een groter begrotingstotaal dan 500 miljoen euro, bedraagt het drempelbedrag 3,75 miljoen euro plus 0,2% over het meerdere dat 500 miljoen euro te boven gaat.
Aangezien vrijwel alle overtollige middelen belegd moeten worden bij ’s Rijks schatkist, zijn de regels ten aanzien van uitzettingen van gering belang gewor-den. Er gelden echter wel eisen voor de tegenpartijen waarmee zaken wordt gedaan, zijnde:
De door deze ondernemingen uitgegeven waardepapieren moeten minimaal over aan AA minusrating beschikken, afgegeven door minimaal twee rating-bureaus. Indien de uitzetting een looptijd heeft van minder dan 3 maanden dan moet over minimaal een A-rating worden beschikt, wederom afgegeven door twee rating-bureaus.
Niet alle artikelen zijn voorzien van een toelichting, in het hierna volgende wordt zover nodig per artikel nog een nadere toelichting verstrekt.
Artikel 2 Uitgangspunten risicobeheer treasuryfunctie
Met de in artikel 2, lid 3 vermelde mantelovereenkomst wordt onder meer bedoeld het contract met de huisbankier waarmee afspraken zijn vastgelegd over daggeld- en kasgeldleningen. Voor dergelijke kortlopende leningen dient in ieder geval een offerte bij de huisbankier opgevraagd te worden. Overigens is de OD niet verplicht deze lenin-gen bij de huisbankier aan te trekken dus kan de treasuryfunctie te allen tijde meer-dere offertes opvragen.
In dit artikel worden al een tweetal verantwoordelijkheden/bevoegdheden benoemd, voor een totaaloverzicht van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden wordt ver-wezen naar artikel 11.
Artikel 3 Richtlijnen en limieten externe financiering
De rente voor vlottende schuld is normaliter lager dan de rente op vaste schuld. Van-daar dat tot maximaal het bedrag van de kasgeldlimiet kort kan worden geleend alvo-rens tot consolidatie wordt overgegaan.
Bij het aantrekken van vaste schuld wordt gekeken naar de bestaande leningenporte-feuille samen met de verwachte financieringsbehoefte die blijkt uit de liquiditeitsplan-ningen van de investeringen. Er wordt bij het aantrekken van langlopende leningen gezorgd voor een spreiding van het renterisico. Dit betekent dat de leningenportefeuil-le een evenwichtig aflossingspatroon kent en het renterisico langjarig binnen de voor-geschreven renterisiconorm blijft.
Onderhandse geldleningen zijn er in diverse vormen:
Een roll-over lening wordt uitgegeven op basis van een variabele rente die elke afge-sproken periode (tussen 1 en 12 maanden) herzien wordt op basis van de dan actuele rentestand. Normaliter behoren deze leningen tot de kortlopende schulden (met loop-tijd van minder dan 1 jaar). Indien echter een cap (zie afgeleide financiële producten) wordt afgesloten, dan wordt het een langlopende geldlening met eenzelfde looptijd als de cap.
In het leningcontract van een onderhandse lening kan de clausule zijn opgenomen dat de mogelijkheid bestaat tot vervroegde aflossing van de restant hoofdsom van de lening. Doorgaans bestaat deze mogelijkheid voor de eerste maal na een looptijd van 10 jaren. Het benutten van deze clausule brengt wel extra kosten met zich mee in de vorm van een boete.
Vervroegde aflossing is interessant op het moment dat de huidig geldende rente lager is dan de rente die nu wordt betaald. Indien de contante waarde van de resterende rentebetalingen van een lening tegen de huidige rente, dus de rente waartegen even-tueel hergefinancierd kan worden, lager is dan de contante waarde tegen de contract-rente dan is vervroegde aflossing interessant. Om de administratieve kosten te dek-ken, wordt als vuistregel gehanteerd dat het voordeel groter moet zijn dan te betalen boete.
Artikel 4 Richtlijnen en limieten uitzettingen
Uitzettingen in de vorm van aandelen zijn niet toegestaan omdat deze in hoge mate gevoelig zijn voor marktbewegingen. Volgens de Wet fido is de aankoop van aandelen de OD slechts toegestaan als aantoonbaar is dat deze worden gekocht in het kader van de publieke taak. Conform artikel 160, lid 2 van de Gemeentewet zal het college alvorens tot aanschaf van aandelen over te gaan, een ontwerpbesluit hierover sturen aan de raad die wensen en bedenkingen kan uiten.
De genoemde randvoorwaarden zijn conform de ministeriële regeling ‘uitzettingen en derivaten decentrale overheden’ behorende bij de Wet fido.
De ratings moeten zijn afgegeven door één van de officiële ratingbureaus (bijvoor-beeld Standard & Poor’s, Moody’s of Fitch IBCA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-849.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.