Blad gemeenschappelijke regeling van Stroomopwaarts MVS
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stroomopwaarts MVS | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 498 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Stroomopwaarts MVS | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 498 | beleidsregel |
Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2025
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 – Begripsbepalingen
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
In deze beleidsregels worden de volgende afkortingen en begrippen gehanteerd:
Hoofdstuk 2 Bestuurlijke boete en waarschuwing
Artikel 2.2 – Bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing
Het dagelijks bestuur maakt gebruik van zijn bevoegdheid om te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht indien:
de belanghebbende onjuiste, onvolledige of geen inlichtingen heeft verstrekt, maar hij binnen een redelijke termijn van zestig dagen vanaf het moment dat de inlichtingen hadden moeten worden verstrekt, alsnog uit eigen beweging de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd.
Artikel 2.4 – Beslissingstermijn bestuurlijke boete
Wanneer het besluit tot het opleggen van de boete wordt genomen later dan 52 weken nadat van de overtreding een rapport is opgemaakt, wordt een rapport opgemaakt van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de besluitvorming op het gegeven moment. Op basis van het rapport wordt beoordeeld wat de gevolgen zijn voor de hoogte van de op te leggen boete.
Artikel 3.1 – Uitzondering op het kunnen volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs
Een belanghebbende in de leeftijd tot 27 jaar wordt geacht uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te kunnen volgen, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, van de wet, behalve als:
Artikel 3.2 – Ontheffing arbeidsverplichtingen
Een ontheffing van de arbeidsverplichtingen of onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste lid, van de IOAZ is gekoppeld aan de verwachte duur van het bestaan van de gronden om ontheffing te verlenen. Het dagelijks bestuur verleent voor maximaal drie jaar een ontheffing.
Voor de beoordeling of sprake is van een commerciële prijs voor kamerhuur in het geval van kostendelers als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onder b en c, van de wet, artikel 5, achtste lid, onder b en c van de IOAW en artikel 5, zevende lid, onder b en c van de IOAZ, wordt gebruik gemaakt van de rekenmethodiek van de Huurcommissie.
Voor de beoordeling of sprake is van een commerciële prijs voor kost en inwoning van een kostganger in het geval van kostendelers, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onder b en c, van de wet, artikel 5, achtste lid, onder b en c van de IOAW en artikel 5, zevende lid, onder b en c van de IOAZ, wordt gebruik gemaakt van de rekenmethodiek van de Huurcommissie, samen met de richtprijzen van het NIBUD, voor de kosten van voeding per persoon per dag.
Artikel 4.3 – Ontbreken van woonkosten of woonlasten
Het dagelijks bestuur maakt gebruik van zijn bevoegdheid om de norm, als bedoeld in artikel 21 van de wet, lager vast te stellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, in de volgende situaties:
Artikel 5.1 – Inkomsten uit kamerverhuur, onderverhuur of het hebben van kostgangers
Wanneer een bijstandsgerechtigde optreedt als kamerverhuurder, onderverhuurder of kostgever zonder dat dit leidt tot toekenning van de kostendelersnorm, worden de inkomsten daaruit in aanmerking genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand conform artikel 19 van de wet in samenhang met paragraaf 3.4 van de wet.
Hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand
Een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden gerekend vanaf de dag waarop de kosten zijn opgekomen.
Het dagelijks bestuur hanteert bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet.
Het vierde lid sub a en b is niet van toepassing wanneer er bijzondere bijstand wordt aangevraagd of wanneer de draagkracht tussentijds wijzigt voor budgetbeheer, budgetbegeleiding en beschermingsbewindvoering. De bijzondere bijstand wordt afgewezen wanneer er geen verhoging van het vtlb is gevraagd.
In afwijking van het eerste lid en met in achtneming van het tweede lid, wordt het inkomen boven 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht in aanmerking genomen wanneer een borgstelling voor een saneringskrediet op grond van artikel 49 van de wet, of bijzondere bijstand in de vorm van een borgstelling op grond van artikel 51 van de wet voor een sociaal krediet bij de Kredietbank Rotterdam is aangevraagd.
Voor de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van de inkomens- en vermogenssituatie in de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend. Indien de situatie in deze maand geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen gedurende de draagkrachtperiode, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende het aan de bedoelde maand voorafgaande kwartaal, half jaar of jaar. Dit is afhankelijk van de vraag welke periode het juiste inzicht geeft in het te verwachten inkomen.
Artikel 6.4 – Draagkrachtperiode
Een vastgestelde draagkracht kan alleen worden gewijzigd, wanneer de persoonlijke of financiële omstandigheden van de belanghebbende ingrijpend gewijzigd zijn. Een ingrijpende wijziging is een stijging of daling van het vastgestelde inkomen en vermogen met 10% of meer over een periode van minimaal 3 maanden.
Artikel 6.6 – Specifieke kostensoorten
Bij de verlening van bijzondere bijstand voor de hieronder vermelde specifieke kostensoorten, gelden de daarbij vermelde bijzondere bepalingen:
Hoofdstuk 7 Individuele inkomenstoeslag
Artikel 7.1 – Uitzicht op inkomensverbetering
Het dagelijks bestuur is van oordeel dat er in ieder geval sprake is van ‘uitzicht op inkomensverbetering’ als de aanvrager van een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36 van de wet, op de peildatum onderwijs volgt of in de referteperiode uit Rijks kas bekostigd onderwijs heeft afgerond waarmee wordt voldaan aan de kwalificatieplicht als bedoeld in de Leerplichtwet 1969.
Artikel 7.2 – Geen uitzicht op inkomensverbetering
Een belanghebbende wordt geacht in ieder geval geen uitzicht op inkomensverbetering te hebben als:
Hoofdstuk 8 Terug- en invordering
De artikelen 8.4 en 8.5 zijn niet van toepassing op vorderingen die ontstaan zijn op of na 1 januari 2013, waarbij tot de terugvordering is besloten op grond van het schenden van de inlichtingenplicht.
Artikel 8.2 – Afzien van (volledige) terugvordering wegens dringende redenen
Van dringende redenen, als bedoeld in artikel 58 lid 8 van de wet, artikel 25 IOAW en artikel 25 IOAZ, is sprake als volledige of gedeeltelijke terugvordering voor de belanghebbende, gelet op bijzondere omstandigheden in het individuele geval, leidt tot onaanvaardbare gevolgen op financieel en sociaal-maatschappelijk gebied. Bij de beoordeling dienen zowel de gevolgen van de herziening of terugvordering als de oorzaken daarvan in beschouwing te worden genomen, inclusief de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene en de eventuele rol van de uitvoeringsinstantie in het ontstaan van de situatie.
Artikel 8.3 – Afzien van terug- en invordering bij schuldregeling
Artikel 8.4 – Afzien van invordering na het voldoen aan de betalingsverplichting
Het dagelijks bestuur kan een op basis van het eerste lid genomen besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering of invordering intrekken, wanneer op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
Wanneer duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan, verleent het dagelijks bestuur ambtshalve of naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende uitstel van betaling of treft het dagelijks bestuur een betalingsregeling.
Artikel 8.8 – Betalingsverplichting en heronderzoek
Wanneer het dagelijks bestuur de vordering ter executie overdraagt aan een derde die beroepsmatig belast is met de invordering, kan het dagelijks bestuur de door deze derde gemaakte kosten volledig doorrekenen aan belanghebbende en ook de vordering verhogen met de van toepassing zijnde wettelijke rente.
Aldus vastgesteld in het dagelijks bestuur Stroomopwaarts van 20 februari 2025
De voorzitter,
S.B. Kuiper
De secretaris,
N.C. van der Wekken
Hoofdstuk 2 Bestuurlijke Boete
De geldende regelgeving met betrekking tot de boete is opgenomen in artikel 18a van de wet, artikel 20a IOAW, artikel 20a IOAZ en in het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Hierin zijn de gradaties met betrekking tot verwijtbaarheid terug te vinden zoals opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. In deze beleidsregels worden de zaken geregeld die de wetgever aan het dagelijks bestuur heeft overgelaten.
Artikel 2.1 – Bestuurlijke boete bij schenden inlichtingenplicht
Bij een schending van de inlichtingenplicht wordt er beoordeeld of er te veel bijstand is verleend. Indien een belanghebbende ten onrechte of te veel bijstand heeft ontvangen, volgt een herziening dan wel intrekking en terugvordering van het recht op bijstand. Tevens wordt beoordeeld of een waarschuwing of een boete moet worden opgelegd.
Artikel 2.2 – Bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing
Artikel 2.2 lid 1, sub c: De termijn van zestig dagen loopt vanaf het moment dat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt. Er is geen sprake van een zelfmelder als het dagelijks bestuur de overtreding al had geconstateerd of belanghebbende de verplichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht.
Artikel 2.3 – Lichte en zware procedure bestuurlijke boete
Bij een verwijtbare schending van de inlichtingenplicht moet een waarschuwing of boete worden overwogen. Voordat er een bestuurlijke boete wordt opgelegd moet zorgvuldig onderzoek worden verricht, waarbij bepaalde procedurele stappen en vormvereisten belangrijk zijn. In de Awb is de mogelijkheid opgenomen om een lichte procedure te volgen bij een benadelingsbedrag onder de € 340,- en een zware procedure bij een benadelingsbedrag boven de € 340,-. In de lichte procedure kan dan sneller een boete worden opgelegd, omdat er kan worden afgezien van een zienswijzegesprek. De consulent die de overtreding heeft geconstateerd kan na het opmaken van het rapport direct een besluit boete versturen aan de belanghebbende. De mogelijkheid van de belanghebbende blijft bestaan om in bezwaar en beroep te gaan en om gehoord te worden.
Artikel 2.4 – Beslissingstermijn bestuurlijke boete
Het dagelijks bestuur moet binnen dertien weken na dagtekening van het rapport van de overtreding beslissen over het al dan niet opleggen van een bestuurlijke boete. Deze beslistermijn is geen fatale termijn, maar een termijn van orde. In geval van overschrijding kan dit blijkens de memorie van toelichting1 van de Awb aanleiding zijn om de boete lager vast te stellen of te matigen. Door de beslistermijnen op te nemen in dit artikel kan bij overschrijding van deze termijnen de boete worden gematigd.
Artikel 3.2 – Ontheffing arbeidsverplichtingen
Een ontheffing van arbeidsverplichtingen kan alleen tijdelijk worden verleend als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Deze dringende redenen moeten verband houden met de individuele omstandigheden van de persoon of het gezin. De individuele situatie is dus doorslaggevend. In de beoordeling kunnen zowel financiële als niet-financiële omstandigheden worden meegewogen. Volgens de jurisprudentie zijn deze dringende redenen slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties. Het moet gaan om incidentele gevallen waarbij iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is.
Om de tijdelijkheid te waarborgen is de duur van de ontheffing gekoppeld aan de verwachte duur van het bestaan van de gronden om iemand ontheffing te verlenen. Er is sprake van maatwerk. Op basis van jurisprudentie is een ontheffing voor de duur van vijf jaar in strijd met de wet (ECLI:NL:CRVB:2016:188). Een periode van drie jaar wordt wel geaccepteerd (ECLI:NL:CRVB:2019:1668).
Artikel 4.1 – Kamerhuur en artikel 4.2 - Kostganger
Deze artikelen regelen wanneer kamerhuur en kostgangerschap als commercieel aangemerkt worden. Er is een koppeling gelegd naar het puntensysteem dat de huurcommissie gebruikt voor het berekenen van de maximale huur van woonruimte. Deze methode van vaststelling is objectief en afgestemd op de waarde die aan woonruimte toegerekend kan worden op grond van oppervlakte, voorzieningen en luxe. Voor deze methodiek is een tool beschikbaar op de website van de Huurcommissie.
Artikel 4.3 – Ontbreken van woonkosten of woonlasten
Het dagelijks bestuur kan de norm, als bedoeld in artikel 21 van de wet, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie. Dit houdt in dat de belanghebbende door zijn specifieke woonsituatie minder kosten maakt dan waarop de standaardnorm gebaseerd is.
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:
bij het niet aanhouden van een woning. Dit betreft personen die geen vaste woning aanhouden, zoals dak- en thuislozen. Bij het niet aanhouden van een woning zijn er geen woonlasten, zoals huur of hypotheek, en vaak ook geen bijkomende kosten zoals gas, water en licht. Het dagelijks bestuur maakt geen onderscheid tussen dak- en thuislozen met of zonder verblijflasten (bijvoorbeeld bij tijdelijk verblijf in opvangcentra). Deze situatie valt onder lid 2 van het artikel, waarin een verlaging van 20% van de gehuwdennorm is vastgesteld;
bij bewoning van een woning waarbij een derde de woonkosten of woonlasten betaalt. In deze situatie draagt een derde (bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, familielid of organisatie) de woonlasten, waardoor de belanghebbende geen financiële verplichtingen heeft voor de woning. Het financiële voordeel van het niet zelf dragen van woonlasten rechtvaardigt een verlaging van de norm. Dit is geregeld in lid 3 van het artikel, waarbij de verlaging eveneens 20% van de gehuwdennorm bedraagt;
bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten verbonden zijn. Dit betreft situaties waarin een belanghebbende een woning bewoont zonder huur- of hypotheekverplichting en zonder dat gas, water, elektriciteit of andere lasten in rekening worden gebracht. Voorbeelden zijn krakers of personen die tijdelijk een woning bewonen zonder formele afspraken of financiële tegenprestatie. Ook hier is een verlaging van 20% van de gehuwdennorm van toepassing, zoals bepaald in lid 3;
bij bewoning van een woning waarvoor gedeeltelijke woonkosten of woonlasten verschuldigd zijn. Dit betreft situaties waarin de belanghebbende wel enige kosten voor de woning draagt, maar deze niet volledig overeenkomen met de gebruikelijke lasten (bijvoorbeeld alleen een bijdrage in de huur, gas, water of licht). In deze situatie wordt een verlaging toegepast van 10% van de gehuwdennorm, zoals geregeld in lid 4 van het artikel.
Flexibiliteit en niet-limitatieve opsomming:
De in het artikel genoemde situaties zijn niet limitatief. Lid 5 biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om in andere situaties waarin lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden vastgesteld, een verlaging toe te passen die is afgestemd op de individuele situatie. De maximale verlaging in dergelijke gevallen bedraagt 20% van de gehuwdennorm.
Lid 3 bepaalt dat de norm wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten en woonlasten zijn verbonden. In de begripsomschrijvingen op pagina 1 van deze beleidsregels is bepaald wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.
Lid 5 geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid te besluiten de verlaging vast te stellen overeenkomstig de individuele situatie waarbij de verlaging maximaal 20% is.
Met de gekozen verlaging van 10-20% van de gehuwdennorm wordt het best aangesloten bij het werkelijke bestedingspatroon.
Artikel 4.4 – Opname in een inrichting
De norm van een persoon die in een inrichting wordt opgenomen, wordt na drie maanden gewijzigd. Vanwege het praktische gegeven dat opnames in een inrichting van (zeer) korte duur kunnen zijn en er, met name in het geval van opname in een psychiatrische inrichting, sprake kan zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar, is het - mede gelet op de administratieve last - niet wenselijk om de norm meteen om te zetten. Dit is zeker het geval als het wegvallen van belangrijke bestaanskosten voor belanghebbende niet of slechts in beperkte mate aan de orde is. Bovendien zou in voorkomende gevallen ook bijzondere bijstandsverlening aan de orde kunnen zijn voor de doorlopende vaste lasten.
Stel iemand wordt op 16 april opgenomen dan wijzigt de norm 17 juli.
Wanneer de opname in een inrichting langer dan 12 maanden duurt, wordt de bijstand blijvend naar de norm verblijf in een inrichting omgezet. Het recht op de bijstandsnorm wordt na 12 maanden in een inrichting beëindigd.
Lid 3. Wanneer een belanghebbende in een inrichting buiten de MVS-gemeenten is opgenomen, kan het zijn dat hij zijn hoofdverblijf niet meer in een MVS gemeente heeft. Na twaalf maanden wordt iemand in ieder geval geacht zijn hoofdverblijf niet meer in een MVS-gemeente te hebben.
Artikel 5.1 – Inkomsten uit kamerverhuur, onderverhuur of het hebben van kostgangers
Als iemand die geen kostendeler is één of meerdere kamers verhuurt of kostgangers heeft, dan heeft die bijstandsgerechtigde inkomsten die in aanmerking genomen moeten worden. De inkomsten worden berekend naar de werkelijke opbrengst als aan de voorwaarden wordt voldaan. Voor aftrek van kosten is alleen plaats als de bijstandsgerechtigde, bijvoorbeeld via een boekhouding, voldoende onderbouwing of bewijs verstrekt. Als niet aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan, worden de bruto ontvangsten gekort.
Artikel 5.2 – Inkomstenvrijlating
In alle gevallen waarin bijstandsgerechtigden inkomsten uit arbeid hebben, wordt de vrijlating geacht bij te dragen aan de inschakeling in de arbeid. Inkomstenvrijlating wordt daarom toegepast, behalve als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht of medewerkingsverplichting.
Naar aanleiding van het onderzoek “Participatiewet in Balans: uitkomsten beleidsanalyse” van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt een toetsingscriterium genoemd voor wat “uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is”. Minister Schouten is voornemens in deze wet op te nemen dat er per kalenderjaar € 1.200,00 aan giften mag worden ontvangen zonder dat dat gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voor het kalenderjaar 2022 was er sprake van een geharmoniseerd giftenbeleid. Vanaf kalenderjaar 2023 wijkt het college van de gemeente Vlaardingen af met een verhoogd giftenbeleid. Met inwerkingtreding van de wetswijziging die de giftenvrijlating in de wet regelt, is dit artikel niet langer noodzakelijk omdat de wet hierin voorziet.. De maximale hoogte van het giftenbeleid is dan geregeld bij wet. Daarmee vervalt dit artikel.
Hoofdstuk 6 Bijzondere bijstand
Artikel 44 lid 1 van de wet bepaalt dat in principe niet eerder bijstand wordt verleend dan tegen de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor de aanvraag. Dat sluit aan bij het aanvullende karakter van de bijstand. In deze beleidsregels wordt een uitzondering gemaakt voor de bijzondere bijstand.
Aanvragen die worden ingediend binnen 3 maanden na het opkomen van de kosten worden als tijdig aangemerkt.
De termijn gaat lopen op het moment dat de kosten opkomen. Dat is het moment waarop duidelijk is dat de kosten zich zeker voordoen, ook al is op dat moment nog niet duidelijk hoe hoog de kosten zijn.
Voorbeeld: De kosten doen zich voor op 14 augustus. De laatste aanvraagdatum is de daaropvolgende 13 november.
Niet alle maanden hebben evenveel dagen. Toch worden kortere maanden wel als een gehele maand gerekend.
Voorbeeld: De kosten doen zich voor op 30 november. De laatste aanvraagdatum is de daaropvolgende 28 of 29 februari, afhankelijk van of sprake is van een schrikkeljaar of niet.
Kosten van rechtsbijstand en bewindvoering
Voor de kosten van rechtsbijstand en bewindvoering, twee vaak voorkomende kostensoorten die met enige regelmaat discussie oproepen, betekent dit het volgende:
Vanaf het moment dat een cliënt rechtsbijstand inroept van een advocaat staat vast dat er kosten komen, want er is altijd een eigen bijdrage verschuldigd.
De kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand komen op op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2715).
De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van ontvangst door de rechtsbijstandverlener van de afgegeven toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand. Deze datum wordt derhalve aangemerkt als de datum waarop de kosten ontstaan. Met de verzending van de toevoeging staat de noodzakelijkheid voor de kosten van een advocaat alsmede het griffierecht vast.
Griffierecht komt op wanneer de advocaat of belanghebbende het beroep of verzoekschrift indient, omdat de griffier dan griffierecht in rekening brengt (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2016:4343). Als er alleen een aanvraag griffierecht wordt ingediend, wordt in de jurisprudentie uitgegaan van de datum waarop het beroep of verzoekschrift aanhangig is gemaakt. Met de termijn voor terugwerkende kracht van drie maanden betekent dit datum indienen beroep of verzoekschrift (datum aanhangig maken procedure) + drie maanden.
Echter, de praktijk blijkt weerbarstiger. Het griffierecht wordt in de praktijk in rekening gebracht als de procedure aanhangig wordt gemaakt en in sommige situaties pas bij de eerste zitting. Voor de uitvoering is het handig als één aanvraag voor kosten rechtsbijstand en kosten griffierecht tezamen wordt ingediend. Dit kan dan binnen drie maanden na ontvangst van de toevoeging.
Bij bewindvoering staat vast dat er kosten komen op het moment dat de kantonrechter het bewind uitspreekt, de bewindvoerder benoemd en de beloning van de bewindvoerder vaststelt. Bij bewindvoering loopt de termijn van drie maanden dus vanaf de dag van de uitspraak van de kantonrechter.
De griffiekosten die in rekening worden gebracht bij het aanvragen van het bewind wordt in de praktijk pas ingediend met de aanvraag bewindvoeringskosten. De datum factuur griffiekosten kan dan ouder zijn dan toegestaan om voor vergoeding van bijzondere bijstand in aanmerking te komen. De griffiekosten staan in verband met de aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en worden toegekend als deze aanvraag tijdig is ingediend, dat wil zeggen binnen drie maanden vanaf de dag van de uitspraak van de kantonrechter.
In enkele gevallen kan er een aparte benoemingsdatum in de beschikking tot onderbewindstelling door de kantonrechter worden opgenomen. Bijvoorbeeld wanneer een bewindvoerder de diensten overneemt van een andere bewindvoerder. Als in de beschikking een benoemingsdatum staat worden de kosten vanaf die datum opgevoerd.
Het dagelijks bestuur heeft op grond van artikel 35 van de wet bij een aanvraag om bijzondere bijstand beleidsvrijheid in de wijze waarop de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld. Voor het dagelijks bestuur betreft dit het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan 110% van een geldende alleenstaande of gehuwdennorm.
Een kostendeler kan zijn vaste lasten delen. Bijzondere bijstand gaat, over het algemeen, om individuele kosten die niet kunnen worden gedeeld en die voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
De uitspraak van 14 februari 2017 van de Centrale Raad van Beroep omtrent draagkracht gaat om een specifiek geval (ECLI:NL:CRVB:2017:541). In deze uitspraak oordeelt de Raad dat het netto-inkomen het uitgangspunt is bij de vaststelling van draagkracht in het kader van de verlening van bijzondere bijstand, ook al ligt hier beslag op. Het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten in kwestie zou immers impliceren dat indirect bijzondere bijstand wordt verstrekt voor schulden.
Volgens de huidige jurisprudentielijn die de Raad hanteert over het vaststellen van de draagkracht, kan er niet over het inkomen worden beschikt als er beslag op ligt (uitspraak van 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:110). Het dagelijks bestuur volgt deze lijn van de Raad. Er is geen draagkracht als er beslag ligt op het inkomen.
In het geval van de MSNP of WSNP wordt het inkomen waarover belanghebbenden door de schuldregeling niet vrij kunnen beschikken niet meegenomen bij het bepalen van de draagkracht. De aard van de schuldregeling brengt met zich mee dat voor het bepalen van de draagkracht, met uitzondering van de gevallen genoemd in lid 6 van deze beleidsregels, wordt uitgegaan van bijstandsniveau. Ook als sprake is van een hoger vtlb wegens hogere lasten en het ontbreken van toeslagen.
De draagkracht wordt niet met de gehele inhouding bestuursrechtelijke premie opgehoogd. Het bovenstaande onder sub a houdt in dat het dagelijks bestuur enkel rekening houdt met het verschil tussen geldende nominale premie en geldende bestuursrechtelijke premie. De draagkracht wordt opgehoogd met de uitkomst van het verschil tussen deze twee bedragen.
Bij zowel de WSNP als de MSNP kan een verhoging van het vtlb worden aangevraagd als de bijzondere bijstand geweigerd wordt in verband met draagkracht.
Middelen waarover een belanghebbende vanwege een uitgesproken schuldsaneringsregeling (WSNP) niet kan beschikken, kunnen niet worden meegenomen in een draagkrachtberekening bij een aanvraag om bijzondere bijstand.
In het vtlb-rapport is opgenomen dat de rechter-commissaris het vtlb kan verhogen in verband met kosten beschermingsbewind als de maatregel noodzakelijk wordt geacht voor een goed verloop van de regeling én als de schuldenaar aantoont dat geen gratis voorziening beschikbaar is en/of de aanvraag voor bijzondere bijstand is afgewezen. Dit betekent dus dat voor een aanpassing vtlb een afwijzing bijzondere bijstand nodig is.
Wanneer een persoon wordt toegelaten tot de WSNP, valt in principe al het inkomen boven de beslagvrije voet in de boedel, overeenkomstig artikel 295 Faillissementswet. De leden twee en drie van dit artikel bepalen dat de schuldenaar van zijn inkomsten de beslagvrije voet mag behouden, evenals een door de rechter-commissaris vastgesteld nominaal bedrag. In het ReCoFa rapport is aangescherpt dat de correctie voor budgetbeheer of beschermingsbewind toegekend kan worden als de maatregel noodzakelijk wordt geacht én als schuldenaar aantoont dat een aanvraag voor bijzondere bijstand is afgewezen.
Voor de aanvraag bijzondere bijstand voor beschermingsbewind en budgetbeheer in het geval van de WSNP wordt uitgegaan van het werkelijke inkomen bij het bepalen van de draagkracht bijzondere bijstand en niet het inkomen waarover iemand feitelijk kan beschikken. Als de bijzondere bijstand dan wordt afgewezen in verband met de aanwezigheid van draagkracht kan de rechter commissaris worden verzocht een correctie toe te passen op het vtlb. Voor de duidelijkheid: dit kost de persoon niets, hij draagt minder af aan de schuldeisers.
Bij een belanghebbende in de MSNP of de WSNP wordt bij de aanvragen bijzondere bijstand beschermingsbewind en budgetbeheer uitgegaan van het werkelijke inkomen bij de bepaling van de draagkracht. Als er draagkracht is wordt bijzondere bijstand voor bewindvoering/budgetbeheer afgewezen. Een belanghebbende die in de WSNP of MSNP zit kan vervolgens bij de rechter-commissaris of schuldhulpverlener om een aanpassing vtlb vragen.
Wanneer na verzoek bij de rechter-commissaris of schuldhulpverlener blijkt dat het verzoek tot verhoging van de vtlb wordt afgewezen, dan wordt de afgewezen aanvraag bijzondere bijstand herzien. Voor de herziening wordt aangesloten bij de datum van de afgewezen aanvraag van de bijzondere bijstand.
Borgstelling sociaal krediet en vaststellen noodzaak
Bij de aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een borgstelling voor een sociaal krediet, als bedoeld in artikel 51 van de wet, moeten de volgende vier vragen beantwoord worden:
Bij het afhandelen van aanvragen om bijzondere bijstand in de vorm van een borgstelling voor een sociaal krediet bij de Kredietbank Rotterdam wordt de noodzakelijkheid en de bijzondere omstandigheden aangenomen wanneer de Kredietbank Rotterdam de lening wil verstrekken.
Wanneer de Kredietbank Rotterdam een lening voor een saneringskrediet wil verstrekken wordt aangenomen dat aan de voorwaarden van artikel 49 van de wet is voldaan.
Het vermogen dat met toepassing van artikel 34 van de wet in aanmerking moet worden genomen geldt ook voor niet-bijstandsgerechtigden.
Voor de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van de inkomens- en vermogenssituatie in de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend. Indien de situatie in deze maand geen juist inzicht geeft, wordt gekeken naar de periode die wel het juiste inzicht geeft in het te verwachten inkomen. Naast dat naar een voorafgaande periode wordt gekeken, kan in sommige gevallen ook naar een toekomstige periode worden gekeken. Bijvoorbeeld in het geval van een aankomend verlies van arbeid waardoor er door het verkrijgen van WW-uitkering een terugval in inkomen wordt verwacht.
Artikel 6.4 – Draagkrachtperiode
Het dagelijks bestuur geeft met dit artikel invulling aan artikel 35 lid 1 van de wet, waarbij het begin en de duur moet worden bepaald van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of belanghebbende de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd uit zijn draagkracht kan voldoen.
Artikel 6.6 – Specifieke kostensoorten
Het dagelijks bestuur houdt bij bijstandverlening voor een volledige woninginrichting rekening met duurzame gebruiksgoederen enerzijds en overige inrichtingskosten zoals verf, behang, gordijnen, vloerbedekking en stoffering anderzijds. De bijstand voor overige inrichtingskosten wordt om niet verstrekt (zie CRvB 25-08-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2851). In de praktijk hanteren we de richtprijzen van het NIBUD.
De bijstand voor duurzame gebruiksgoederen is gemaximeerd en wordt verstrekt in de vorm van een geldlening. Een inkomen op bijstandsniveau biedt voldoende ruimte in het inkomen om te reserveren voor de kosten van aanschaf, vervanging en reparatie van duurzame gebruiksgoederen. Of er aanleiding bestaat om de bijstand geheel of gedeeltelijk om niet te verlenen, is afhankelijk van de omstandigheden van belanghebbende.
Elke aanvraag moet op individuele gronden worden beoordeeld. Bij het beoordelen van bijzondere bijstand bij een woninginrichting wordt onderzocht welke duurzame gebruiksgoederen daadwerkelijk noodzakelijk zijn.
Het maximale bedrag is bedoeld voor inwoners die geen duurzame gebruiksgoederen mee hebben kunnen nemen en niet in staat zijn (geweest) om geld te reserveren. Dit zijn onder andere mensen die door hun ex-partner het huis zijn uitgezet zonder iets mee te mogen nemen, mensen die dakloos zijn geweest, mensen wiens vorige huisraad kwijtgeraakt zijn bij een uithuiszetting, statushouders, of soortgelijke gevallen.
Een gezin kan bestaan uit een alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kind(eren) of gehuwden met hun ten laste komende kind(eren).
Een inwoner, die voor het eerst of opnieuw zelfstandig gaat wonen, krijgt bijzondere bijstand voor de eerste huurnota (eerste huur en administratiekosten) in de vorm van een gift. De reden hiervoor is omdat de huur altijd voor de eerste van de maand binnen moet zijn (dus vooraf). De uitkering wordt altijd pas achteraf overgemaakt. Om te voorkomen dat er direct huurachterstanden ontstaan bij aanvang van de uitkering wordt om die reden de bijzondere bijstand om niet verstrekt.
Er is sprake van het voor het eerst zelfstandig, of opnieuw zelfstandig wonen, na het verlaten van een AZC, crisis- of andere woonopvang, verzorgings- of verplegingshuis, psychiatrisch ziekenhuis of detentie.
Deze regeling geldt specifiek voor inwoners die voor het eerst of opnieuw zelfstandig gaan wonen, bijvoorbeeld na het verlaten van een AZC, crisisopvang, andere woonopvang, een verzorgings- of verpleeghuis, een psychiatrisch ziekenhuis, of detentie.
Bij het beoordelen van de individuele omstandigheden, moet de hoogte van de bijzondere bijstand worden vastgesteld op basis van de noodzakelijke kosten. Het uitgangspunt is daarbij dat de norm voor een 21-jarige het bedrag is dat noodzakelijk is om zelfstandig te kunnen wonen. Wanneer blijkt dat de jongere lagere kosten heeft dan een gemiddelde 21-jarige, dan wordt op basis van individuele omstandigheden de bijzondere bijstand lager vastgesteld. Voorbeelden hiervan zijn een extreem lage (kamer)huur of meerdere kostendelers.
Artikel 6.7 – Categoriale bijzondere bijstand
De collectieve aanvullende verzekering ziektekosten (CAV) is er voor inwoners van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam met een laag inkomen. Hierbij is bepaald dat het vermogen wordt meegenomen bij het bepalen of een inwoner in aanmerking komt voor deelname aan de CAV. Tevens geldt een harde grens van een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm waarbij geen draagkrachtberekening wordt uitgevoerd. Met de CAV kunnen DSW-verzekerden (AV-standaard of AV-top) hun zorgverzekering uitbreiden met extra vergoedingen. Kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. In een overeenkomst met DSW Zorgverzekeraar zijn de toepasselijke voorwaarden en condities opgenomen voor deelname aan de collectieve aanvullende verzekering ziektekosten. Informatie over de (polis)voorwaarden en het aanmelden is te vinden op de website van Stroomopwaarts.
Hoofdstuk 7 Individuele inkomenstoeslag
Artikel 7.1 – Uitzicht op inkomensverbetering en artikel 7.2 Geen uitzicht op inkomensverbetering
In artikel 36 van de wet is geregeld dat recht kan bestaan op de individuele inkomenstoeslag als een aanvrager van de toeslag, gelet op de zijn omstandigheden, geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Onder die omstandigheden wordt in ieder geval gerekend, de krachten en bekwaamheden van de aanvrager en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot een inkomensverbetering te komen.
Het dagelijks bestuur, geeft nadere invulling aan deze omstandigheden door in de beleidsregels te beschrijven wanneer in elk geval sprake is van uitzicht op inkomensverbetering en wanneer in elk geval sprake is van geen uitzicht op inkomensverbetering. De opsommingen in de beleidsregels zijn niet limitatief. Het is van belang te onderkennen dat ook in andere situaties sprake kan zijn van al dan niet uitzicht op inkomensverbetering.
Bij de beoordeling van het criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ moet steeds worden uitgegaan van de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Dit vergt een op de persoon toegespitst onderzoek. Het dagelijks bestuur stelt op basis daarvan vast of belanghebbende uitzicht heeft op inkomensverbetering. Bij deze beoordeling wordt in ieder geval rekening gehouden met:
Daarnaast worden voor het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ specifieke termijnen gehanteerd:
Tot slot wordt bij het begrip ‘uitzicht op inkomensverbetering’ ook rekening gehouden met de kwalificatieplicht. De kwalificatieplicht houdt in dat een persoon over een startkwalificatie beschikt, zoals een havo- of vwo-diploma, of een diploma op minimaal mbo-2 niveau.
Bij de beoordeling van de individuele inkomenstoeslag heeft de kostendelersnorm geen invloed op de hoogte van de bijstandsnorm. De toeslag is bedoeld ter reparatie van reserveringscapaciteit binnen het inkomen. Daarnaast hecht het dagelijks bestuur eraan dat de individuele inkomenstoeslag op een zo eenvoudige en effectief mogelijke manier wordt uitgevoerd. Met de huidige formulering wordt recht gedaan aan deze uitgangspunten.
Hoofdstuk 8 Terug- en invordering
Vanwege invoering van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving komen vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan, enkel in de bij wet geregelde situaties (artikel 58 lid 7 van de wet, artikel 25 lid 6 IOAW en artikel 25 lid 6 IOAZ) voor kwijtschelding in aanmerking. De onder bereik genoemde artikelen uit deze beleidsregels over het afzien van invordering na het voldoen aan de betalingsverplichting en het afzien van terugvordering en invordering bij kruimelbedragen gelden niet voor deze vorderingen.
Artikel 8.2 – Afzien van (volledige) terugvordering wegens dringende redenen
Er kunnen zich dringende redenen voordoen welke aanleiding vormen om af te zien van verdere terugvordering. Deze dringende redenen moeten verband houden met de individuele omstandigheden van de persoon of het gezin. De individuele situatie is dus doorslaggevend. In de beoordeling kunnen zowel financiële als niet financiële omstandigheden worden meegewogen. Volgens de jurisprudentie zijn deze dringende redenen gelegen in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties. Het moet gaan om incidentele gevallen waarbij iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Hierbij wordt nog opgemerkt, dat toepassing van de beslagvrije voet voldoende bescherming biedt.
De Centrale Raad van Beroep heeft met de uitspraak “Eerder afzien van herziening of terugvordering van te veel betaalde uitkering en intensievere rechterlijke toetsing” van 18 april 2024 het begrip ‘dringende redenen’ verruimd. Hierbij komt nu ook betekenis toe aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Zie ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Artikel 8.3 – Afzien van terug- en invordering bij schuldregeling
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geeft de gemeente de regierol en de wettelijke zorgplicht op het terrein van de integrale schuldhulpverlening. Daarnaast streeft het dagelijks bestuur naar optimale terugvordering.
Gezien artikel 60c van de wet, artikel 29a IOAW en artikel 29a IOAZ is het eerste lid niet van toepassing als de terugvordering is ontstaan als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht en daarvoor een boete is opgelegd of aangifte is gedaan bij het Openbaar Ministerie. Door het dagelijks bestuur wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de inlichtingenplicht en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. Dit vloeit dwingend voort uit de genoemde wetsartikelen.
Bij een vordering wegens schending inlichtingenplicht waarbij de gemeente niet instemt met een schuldregeling tegen finale kwijting, moet de schuldhulpverlener onderzoeken of een dwangakkoord, en als dat niet lukt WSNP, tot de mogelijkheden behoort. De schuld zonder finale kwijting meenemen in de schuldregeling kan zeer nadelig voor de schuldenaar zijn.
Artikel 8.4 – Afzien van invordering na het voldoen aan de betalingsverplichting
In dit artikel zijn enkele situaties beschreven die aanleiding kunnen zijn om van verdere invordering af te zien. Dit artikel geldt alleen voor terugvorderingen en vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht die ontstaan zijn voor 1 januari 2013. Dit artikel geldt niet voor vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht zoals is aangegeven in artikel 8.1 van deze beleidsregels. Dit artikel geldt ook niet voor leenbijstand.
In lid 1 onderdeel a wordt gesproken over het vijf jaar volledig voldoen aan de betalingsverplichting of tenminste 50% van de hoofdsom van de betreffende vordering te hebben terugbetaald. Indien gedurende één of meerdere maanden de afloscapaciteit € 0 bedraagt, dan worden deze maanden zonder afloscapaciteit voor de vaststelling of aan de aflossingsverplichtingen is voldaan, meegeteld als termijnen die zijn voldaan.
Voorbeeld aflossen naar vermogen/volledig aan de betalingsverplichting hebben voldaan:
In onderdeel b wordt de situatie beschreven dat de belanghebbende niet vijf jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan. Er kan dan toch worden kwijtgescholden als belanghebbende alsnog het achterstallige bedrag heeft betaald en als tenminste 50% van de hoofdsom van de vordering is betaald.
Onderdeel c beschrijft de situatie waarbij vijf jaar geen aflossing heeft plaatsgevonden en er geen zicht bestaat op verdere aflossing van het teruggevorderde bedrag. In die gevallen kan ambtshalve worden afgezien van verdere invordering.
Lid 5 regelt dat in de situatie genoemd in lid 1 onder c kan worden afgezien, zonder dat de belanghebbende daar een verzoek voor hoeft te doen. In de beschreven situatie spelen doelmatigheidsoverwegingen een rol om van verdere invordering af te kunnen zien.
Artikel 8.5 – Afzien van terugvordering en invordering bij kruimelbedragen
Alleen bij het schenden van de inlichtingenplicht door de belanghebbende is het dagelijks bestuur verplicht de ten onrechte verstrekte uitkering terug te vorderen. In alle overige situaties is het terugvorderen van uitkering een bevoegdheid. In dit artikel is vastgelegd, dat het dagelijks bestuur afziet van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag kleiner of gelijk is aan € 50.
Het dagelijks bestuur ziet af van verdere invordering als de restantvordering minder is dan € 300, verdere invorderingsmaatregelen naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet doelmatig zijn en er geen andere vorderingen meer openstaan.
Het restant van de lening kan worden kwijtgescholden op verzoek van de belanghebbende. Een uitzondering hierop geldt wanneer in de beschikking is opgenomen dat het restant van de leenbijstand na 36 maanden wordt kwijtgescholden.
Voor zover belanghebbende na afgifte van het terugvorderingsbesluit een uitkering ontvangt in het kader van de wet, IOAW of IOAZ kan het dagelijks bestuur tot verrekening van de vordering overgaan. Het dagelijks bestuur heeft ervoor gekozen direct tot verrekening van de vordering met de uitkering over te gaan.
Voor vorderingen wegens schending van de inlichtingenplicht ontstaan na 1 januari 2013 en de daarmee samenhangende boete geldt een verrekeningsplicht.
De betalingstermijn bij terug- en invordering is in de drie MVS-gemeenten bij verordening bepaald op dertig dagen en wijkt daarmee af van de termijn van zes weken conform artikel 4:87 lid 1 Algemene wet bestuursrecht. Deze betalingstermijn van dertig dagen is in de werkprocessen en de geautomatiseerde termijnbewaking verweven. Deze betalingstermijn ligt vast in de verordening betalingstermijn sociale zekerheid Gemeente Maassluis 2015, Vlaardingen 2017 en Schiedam 2016.
Uitgangspunt is terugbetaling ineens binnen de betalingstermijn van dertig dagen.
Tijdens een verzoek tot wijziging van de betalingsregeling blijft de betalingsverplichting bestaan. Dat is anders in het geval van uitstel van betaling. Artikel 4:94 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de wederpartij uitstel kan verlenen. Gedurende het uitstel kan het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen. Wel kan worden verrekend, zie artikel 4:93 lid 5 Awb. Is er sprake van een verplichte terugvordering wegens het schenden van de inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 58 lid 1 van de wet dan wel sprake van een bestuurlijke boete, dan gaat het dagelijks bestuur over tot verrekening en is uitstel van betaling niet aan de orde. Is verrekenen echter niet meer mogelijk (omdat geen sprake meer is van een lopende uitkering), dan kan wel uitstel van betaling worden gegeven of een dwangbevel worden uitgevaardigd.
Artikel 8.8 – Betalingsverplichting en heronderzoek
Dit artikel regelt de wijze en hoogte van terugbetaling.
Indien de belanghebbende niet betaalt en niet bereid is tot het treffen van een minnelijke regeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, wordt hij aangemaand om binnen twee weken na ontvangst van de aanmaning te betalen (artikelen 4:97 Awb en 4:112 Awb). Er worden geen aanmaningskosten in rekening gebracht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-498.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.