Uitvoeringsbeleid Participatiewet in balans fase 1 – 2026 ISD Bollenstreek

Het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek,

 

Gelet op:

 

  • -

    Artikel 5 van de Gemeenschappelijke Regeling ISD Bollenstreek;

  • -

    Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    De wijzigingen in de Participatiewet onder de ‘Participatiewet in balans’;

constaterende dat het wenselijk is om een beleidskader vast te stellen waarin richting gegeven wordt aan de uitvoering,

 

besluit vast te stellen het:

 

“Uitvoeringsbeleid Participatiewet in balans fase 1 – 2026 ISD Bollenstreek”

Visie en kernwaarden

De ISD Bollenstreek gaat bij haar dienstverlening uit van vertrouwen en sluit aan bij de mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde inwoner. De ISD Bollenstreek is in haar dienstverlening stress sensitief, de dienstverlening is erop gericht inwoners in hun eigen kracht te zetten en om administratieve drempels te voorkomen waar mogelijk. Mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben. Werk staat voorop, voor wie dit mogelijk is. Mensen voor wie werken minder haalbaar is, worden geholpen bij participeren of zinvol bijdragen aan de maatschappij.

 

Kernwaarden:

  • -

    Bestaanszekerheid

  • -

    Vertrouwen

  • -

    Maatwerk

  • -

    Rechtszekerheid

  • -

    Rechtsgelijkheid

  • -

    Draagvlak

Thema 1: Zoektermijn jongeren < 27 jaar

In beginsel geldt voor jongeren <27 jaar een zoektermijn, zo is de bedoeling van de wetgever. Op de zoektermijn zijn uitzonderingen mogelijk voor jongeren in knellende situaties. In die situaties kan de jongere meteen zijn aanvraag indienen, zonder eerst naar andere mogelijkheden voor arbeid of scholing te zoeken. Het uitgangspunt van de wetgever blijft, ook na deze versoepeling, onverminderd dat van een naar het oordeel van het college (de ISD) zelfredzame jongere mag worden verwacht dat hij zijn mogelijkheden om via werk of opleiding verder in zijn toekomst te investeren intensief onderzoekt, voordat hij bijstand aanvraagt. Dit draagt bij aan de eigen verantwoordelijkheid.

 

De afweging om van dit uitgangspunt af te wijken is en blijft maatwerk. Om het voor toepassing in de praktijk efficiënter te maken wordt hier een aantal voorbeelden gegeven waarin het voor de hand ligt om af te wijken van de zoektermijn. Deze voorbeelden zijn niet limitatief.

Jongeren die in een kwetsbare situatie zitten, hebben minder kansen om binnen 4 weken werk of scholing te vinden. Het kan gaan om:

  • -

    Jongeren die in een inrichting of in maatschappelijke opvang verblijven of daar recentelijk vandaan komen

  • -

    Jongeren die uit een pleegzorg situatie komen

  • -

    Jongeren met (zware) psychische problemen die al behandeling hebben en waarvan het wegens deze belemmering niet verwacht kan worden om binnen 4 weken aan het werk of naar school te gaan

  • -

    Jongeren die statushouder zijn en zijn begonnen met inburgeren

  • -

    Jongeren die dakloos zijn c.q. niet zijn ingeschreven in de BRP

  • -

    Jongeren die een jeugdzorg of kinderbescherming maatregel hebben of recent hadden

  • -

    Jongeren die in een anderszins kwetsbare positie zitten en niet zelfstandig een werkplek of scholing kunnen zoeken.

Thema 2: Vereenvoudiging aanvraagprocedure

Voor een vereenvoudigde aanvraag geldt in beginsel een termijn van 9 maanden.

 

De termijn van 9 maanden ligt het meest voor de hand, omdat dit aansluit op de WW termijn van 3 maanden na 6 maanden arbeid in loondienst. Er hoeft dan slechts beperkt gegevens te worden opgevraagd en de verwachting is dat dit in de praktijk het makkelijkst uitvoerbaar is. We vragen alleen gegevens op die echt nodig zijn en die we zelf niet kunnen raadplegen.

 

Een termijn van 12 maanden kan in uitzonderingsgevallen mogelijk zijn, bijvoorbeeld als uit het zaaksysteem en de melding blijkt dat iemand geen noemenswaardige wijzigingen in de situatie heeft gehad, waardoor aan de voorwaarden voor bijstand is en als duidelijk aantoonbaar is waar iemand in de afgelopen 12 maanden van heeft geleefd. Het uitgangspunt daarbij is vertrouwen, maar de hoofdregel blijft wel 9 maanden.

 

Voor de vereenvoudigde aanvraag wordt een verkort aanvraagformulier opgesteld waarbij de voornaamste focus is of er wijzigingen zijn sinds de laatste maand waarin er recht op bijstand was. We vragen zo min mogelijk stukken op en alleen stukken die echt nodig zijn.

In de vereenvoudigde aanvraag wordt opgevraagd:

  • -

    bankafschriften van een volledige maand, voorafgaande aan de aanvraag

  • -

    als het identiteitsbewijs niet (meer) bij ons geregistreerd is; een identiteitsbewijs of DigiD.

  • -

    voor een soepele doorstroom naar de arbeidsmarkt is het zinvol om te vragen hoe het solliciteren in de afgelopen maanden is gegaan. Als solliciteren in de afgelopen maanden niet tot een baan heeft geleid, kunnen er bewijzen van sollicitaties en/of reacties van werkgevers worden opgevraagd om mee te kijken waarom het solliciteren niet gelukt is. Aan de hand van deze informatie kunnen we de klant helpen met bijvoorbeeld het inzetten van een sollicitatietraining.

Het kan voorkomen dat er meer bewijsstukken nodig zijn aan de hand van de individuele situatie, dit zal de consulent in die gevallen bij de klant opvragen.

 

Thema 3: Aanvraag met terugwerkende kracht

De ingangsdatum voor een Pw uitkering is als hoofdregel gelijk aan de meldingsdatum. Uitzonderingen daarop zijn mogelijk maar blijven individueel maatwerk. Op maatwerk kan geen beleid gemaakt worden. Wel is een afwegingskader mogelijk, waarbij relevante overwegingen worden benoemd om de consulent handvatten te geven. In de situaties waarbij de overweging met ja (voor punt 3: met “nee”) wordt beantwoord, zal het veelal voor de hand liggen dat dit een grond kan zijn voor een toekenning met terugwerkende kracht.

 

Indien belanghebbende al langer in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert en er onvoldoende bestaanszekerheid was, kunnen onderstaande omstandigheden worden meegewogen in de beoordeling of al dan niet toekenning met terugwerkende kracht mogelijk is:

  • -

    Heeft de belanghebbende zich al eerder gemeld voor een (andere) uitkering?

    Dit kan een indicatie zijn dat belanghebbende niet in staat was de aanvraag te voltooien of bij de juiste instantie aan te vragen. Het kan ook een indicatie zijn dat belanghebbende er alles aan heeft gedaan om inkomen te krijgen.

  • -

    Verkeert de belanghebbende in een nood- of crisissituatie waardoor belanghebbende niet eerder een melding kon doen?

  • -

    Heeft de belanghebbende in de afgelopen maanden geen inkomsten gehad en was er sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor diegene niet in staat was om een aanvraag in te dienen?

    Deze afweging heeft te maken met bestaanszekerheid; de wetgever hecht hier grote waarde aan als indicatie dat afgeweken kan worden van de hoofdregel meldingsdatum is ingangsdatum, tegelijkertijd moet ook bezien worden of er een reden is dat iemand zich niet eerder kon melden. De wetgever geeft hierover in de memorie van toelichting aan dat belangrijk is dat belanghebbende alles op alles heeft gezet om zelf in zijn bestaan te voorzien.

  • -

    Heeft de belanghebbende in de afgelopen 3 maanden aantoonbare aanzienlijke schulden gemaakt (niet verwijtbaar) en was er sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor diegene niet in staat was om een aanvraag in te dienen?

  • -

    Zijn er medische redenen (ongeluk, opname inrichting) als gevolg waarvan de belanghebbende niet eerder een melding kon doen?

  • -

    Zijn er in de periode voorafgaande aan de meldingsdatum impactvolle gebeurtenissen geweest zoals bijvoorbeeld (niet limitatief) ongeluk of overlijden van een nabij familielid waardoor belanghebbende niet kan worden verweten dat er niet eerder melding is gedaan?

Is aan één of meerdere van bovenstaande individuele omstandigheden voldaan, dan ligt het voor de hand dat dit reden is voor toekenning met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden voor de meldingsdatum. Dit moet altijd bezien worden in de individuele omstandigheden van het geval.

 

Thema 4: Zorgbehoefte en mantelzorg

Voor het vaststellen van zorgbehoefte is het goed om eenduidig aan te geven wat daarvoor nodig is. We gaan in eerste instantie uit van een medische verklaring van een behandelend arts of behandelaar.

Een verklaring van een huisarts kan, afhankelijk van de aard en complexiteit van de zorgbehoefte, onvoldoende inzicht geven in de medische situatie. In dat geval kan aanvullende informatie van een behandelend specialist worden gevraagd.

In de verklaring moet herleidbaar zijn dat de zorgbehoefte dusdanig groot is, dat zelfstandig wonen niet meer mogelijk is.

Het gaat hier niet om situaties waarbij twee personen al samenwoonden en er daarna zorgbehoefte is ontstaan, maar om situaties waarbij samenwoning noodzakelijk is vanwege de zorgbehoefte.

 

Voor de definitie van zorgbehoefte verwijst de regering naar de huidige lijn in de jurisprudentie. Een zorgbehoefte wordt aangenomen als de verzorgingsbehoeftige door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis:

  • -

    in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting;

  • -

    duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of,

  • -

    duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

Deze voorwaarden gelden niet cumulatief, maar individueel. De zorgbehoefte kan worden vastgesteld aan de hand van een medische verklaring van een behandelaar of specialist, niet zijnde de huisarts. Zorgbehoefte kan ook aangetoond worden door bijvoorbeeld een bewijsstuk van een behandeling, observaties of een bestaand dossier, of de genoemde opname in een Wlz inrichting.

Als zo’n verklaring niet mogelijk is, kan een medische keuring aangevraagd worden.

 

Afwijking van dit beleid is in individuele situaties mogelijk als er bijzondere omstandigheden zijn die niet evenredig zijn met het beleid te dienen doelen (zie ook artikel 4:84 Awb).

 

Inwerkingtreding beleidsregels

Dit uitvoeringsbeleid treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en wordt aangehaald als

“Uitvoeringsbeleid Participatiewet in balans Fase 1 – 2026 ISD Bollenstreek”

 

Besluit

Het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek heeft op 17 december 2025 het Uitvoeringsbeleid Participatiewet in balans Fase 1 – 2026 ISD Bollenstreek vastgesteld.

D.T.C. Salman

voorzitter

mr. R.J. ‘t Jong

secretaris

Naar boven