Beleidsregels bestuurlijke boeten Belastingsamenwerking West-Brabant 2026

Het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant;

 

gelezen:

het voorstel met boven aangehaald onderwerp;

 

gezien:

de beraadslagingen op voornoemde datum;

 

gelet op:

hoofdstuk 5, titel 5.4, van de Algemene wet bestuursrecht, hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 18 van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant.

 

besluit:

vast te stellen de bijgevoegde ‘Beleidsregels bestuurlijke boeten Belastingsamenwerking West-Brabant 2026’.

 

Hoofdstuk I - Algemene bepalingen

§ 1 - Reikwijdte

  • 1.

    In deze regeling is het beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van waterschapsbelastingen en bij de heffing van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten waarop Hoofdstuk VIIIA van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is.

  • 2.

    Op beboetbare feiten die zijn begaan ná de inwerkingtredingsdatum van deze regeling (zie § 21) zijn de beleidsregels van deze regeling van toepassing.

  • 3.

    Op beboetbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtredingsdatum van deze regeling blijven de (oude) beleidsregels van toepassing, zoals deze luidden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit. Indien ter zake van deze feiten op het moment van inwerkingtreding van deze regeling nog geen boete is opgelegd of de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, dan zijn de beleidsregels van deze (nieuwe) regeling van toepassing voor zover deze gunstiger zijn voor belanghebbende.

§ 2 - Begrip belanghebbende

  • 1.

    Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aan wie, op grond van artikel 5:1 tweede en derde lid van de Awb en artikel 67o, eerste lid, van de AWR een boete kan worden opgelegd.

  • 2.

    Bestuurlijke boeten kunnen naar de hoedanigheid als pleger ook aan de medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever worden opgelegd.

  • 3.

    De bepaling van art 67o, derde lid, van de AWR, geldt voor alle in hoofdstuk 3 van dit besluit genoemde vergrijpboeten.

  • 4.

    De wettelijke boetemaxima gelden voor de pleger, de medepleger, de doen pleger, de uitlokker, de feitelijk leidinggever en de opdrachtgever. In geval van beboeting van een medeplichtige bedraagt het wettelijke boetemaximum een derde minder (artikel 67o, derde lid, van de AWR).

  • 5.

    Wordt een vergrijpboete opgelegd aan een medeplichtige dan worden de in hoofdstuk 3 van dit besluit genoemde percentages en – bedragen met een derde verminderd. Daarna vindt toepassing van de paragrafen 7 tot en met 9 van dit besluit plaats.

  • 6.

    §12 is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot het openbaar maken van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 67r van de AWR.

§ 3 - Gelijktijdigheid

De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats.

 

§ 4 – Ambtshalve vermindering

De heffingsambtenaar kan de boetebeschikking op grond van artikel 65 van de AWR ambtshalve verminderen. De beleidsregels ambtshalve vermindering Belastingsamenwerking West-Brabant zijn van overeenkomstige toepassing op boetebeschikkingen.

 

§ 5 – Pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld

  • 1.

    De verzuimboete heeft tot doel het nakomen van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. In het geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: "avas" ) legt de heffingsambtenaar geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. Bij avas wordt geacht dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.

  • 2.

    De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De heffingsambtenaar dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.

  • 3.

    Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Een pleitbaar standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete uit.

§ 6 - Vrijwillige verbetering

  • 1.

    Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de heffingsambtenaar dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.

  • 2.

    Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de heffingsambtenaar in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen.

  • 3.

    Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de heffingsambtenaar aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

  • 4.

    Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.

  • 5.

    Uitsluitend de vrijwillige verbetering voor de vergrijpboete bij aanslagbelastingen heeft een wettelijke basis (artikel 67n AWR: de inkeerregeling).

§ 7 – Straftoemeting

  • 1.

    Bij het opleggen van een boete gaat de heffingsambtenaar uit van de percentages of bedragen vermeld in deze regeling. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de heffingsambtenaar in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze regeling kan worden opgelegd. Deze omstandigheden (zie §8 en §9) vormen het sluitstuk van de behoorlijke straftoemeting bij bestuurlijke boeten. Gelet hierop is de heffingsambtenaar bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. De op grond van § 17 tot en met §20 bepaalde hoogte van de boete kan zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage verlaagd of verhoogd worden. De boete kan echter nooit meer bedragen dan het wettelijk maximum.

  • 2.

    Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het resultaat van deze afweging zal moeten leiden tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.

  • 3.

    De stelplicht en bewijslast van strafverzwarende factoren rust op de heffingsambtenaar; de stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren op belanghebbende. Indien de heffingsambtenaar op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden. De heffingsambtenaar hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is.

  • 4.

    Gedragingen van belanghebbende na het begaan van het beboetbare feit, kunnen ook bij de straftoemeting worden betrokken.

§ 8 - Strafverminderende omstandigheden

  • 1.

    Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren:

    • a.

      Een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van deze regeling op te leggen of opgelegde boete;

    • b.

      Verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.

  • 2.

    Als sprake is van inkeer als bedoeld in artikel 67n, tweede lid van de AWR, dan geldt de inkeer als strafverminderende omstandigheid.

  • 3.

    Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is, dat wil zeggen in verhouding staat tot de ernst van het feit. Indien de heffingsambtenaar zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief.

  • 4.

    De absolute hoogte van de boete vormt op zichzelf geen aanleiding om de boete te matigen.

  • 5.

    Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.

  • 6.

    Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren ook de financiële omstandigheden van de belanghebbende.

  • 7.

    Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden. De heffingsambtenaar dient dus bij het hanteren van deze matigingsgrond kritisch te zijn.

  • 8.

    Slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete kunnen er toe leiden dat de boete belanghebbende onevenredig treft.

  • 9.

    Slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten gedraging kunnen de verwijtbaarheid daarvan verminderen.

  • 10.

    Geen vermindering wegens financiële omstandigheden zal worden verleend, indien belanghebbende deze aan zichzelf te wijten heeft.

§ 9 - Strafverzwarende omstandigheden

  • 1.

    In bijzondere gevallen kan de op grond van hoofdstuk 3 bepaalde vergrijpboete worden verhoogd. Het verhogen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf is niet toegestaan.

  • 2.

    In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met het aantal malen dat vergrijpen in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden (recidive). Van recidive is sprake indien aan belanghebbende reeds eerder een vergrijpboete of een straf is opgelegd.

  • 3.

    In geval van recidive kan de vergrijpboete bij grove schuld worden verhoogd tot maximaal 50 procent.

  • 4.

    In geval van recidive kan de vergrijpboete bij opzet worden verhoogd tot maximaal 100 procent.

  • 5.

    Met een straf wordt gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering vanwege een transactie ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr).

  • 6.

    Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de heffingsambtenaar opgelegde vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd, een transactie is voldaan, dan wel strafoplegging heeft plaatsgevonden.

  • 7.

    Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd.

  • 8.

    De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van deze regeling op te leggen boete te verhogen tot het wettelijk maximum.

    Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald verhoudingsgewijs omvangrijk is, kan de heffingsambtenaar de vergrijpboete eveneens tot het wettelijk maximum verhogen.

  • 9.

    Daarnaast kan de vergrijpboete ook tot het wettelijk maximum worden verhoogd, als het beboetbare feit samengaat met andere, niet-fiscale overtredingen of delicten.

  • 10.

    Buiten de voorgaande leden kan er aanleiding zijn een vergrijpboete te verhogen, dan wel een vermindering van een vergrijpboete te beperken of na te laten op grond van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende of de wijze waarop, dan wel de omstandigheden waaronder, het feit heeft plaatsgevonden.

§ 10 - Eenvoudige en uitvoerige procedure (artikel 67pa AWR)

  • 1.

    In afdeling 5.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn twee procedures neergelegd:

    • -

      de lichte procedure;

    • -

      de zware procedure.

  • 2.

    Bij het opleggen van een verzuimboete kan worden volstaan met het volgen van de lichte procedure, hetgeen een relatief eenvoudige procedure is voor lichte boeten.

  • 3.

    De zware procedure moet worden gevolgd wanneer het opleggen van een vergrijpboete wordt overwogen.

§ 11 - Mededelingsplicht

  • 1.

    Bij het opleggen van een boete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete, alsmede, indien sprake is van een vergrijpboete, de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.

  • 2.

    Indien een kennisgeving in de zin van § 12 is verzonden waarin de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen zijn opgenomen, waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen, kan in de mededeling worden volstaan met een verwijzing naar de kennisgeving.

§ 12 - Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete (artikel 5:9Awb en 5:53 Awb)

  • 1.

    Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving en hoorplicht vooraf (zie artikel 67pa, eerste lid, van de AWR). Deze paragraaf is dus een extra waarborg bij vergrijpboeten.

  • 2.

    Een kennisgeving is een rapport in de zin van artikel 5:48 van de Awb.

  • 3.

    De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk. Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te doen, is opgenomen om ieder twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten.

  • 4.

    De heffingsambtenaar geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de heffingsambtenaar hiermee rekening, rekening houdende met de termijn genoemd in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. In de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zeer kort zijn.

  • 5.

    Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de heffingsambtenaar gehoord.

  • 6.

    Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan nog wel worden overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.

§ 13 - Recht op inzage (artikel 5:49 Awb)

  • 1.

    Op grond van artikel 5:49 van de Awb stelt de heffingsambtenaar belanghebbende desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

  • 2.

    Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens, verleent de heffingsambtenaar inzage en staat hij toe dat afschriften worden vervaardigd, indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging. Gegevens over derden worden zoveel mogelijk op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden.

§ 14 - Verhoor (artikel 5.10a Awb)

  • 1.

    Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht (artikel 5:10a van de Awb). Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie); dit geldt ook voor het recht op rechtsbijstand (Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135; artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM; artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, IVBPR).

  • 2.

    Belanghebbende dient zelf te verschijnen.

    Met instemming van de heffingsambtenaar kan belanghebbende zich laten vertegenwoordigen.

  • 3.

    De heffingsambtenaar maakt na afloop van het verhoor een verslag waarin hij vermeldt dat de cautie is gegeven. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag. Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens:

    • -

      datum, tijdstip en plaats van verhoor;

    • -

      naam van de verhoorde;

    • -

      naam of namen van degene(n) die verhoort/verhoren;

    • -

      indien bijstand aanwezig is, de namen en hoedanigheden van degenen die bijstand verlenen;

    • -

      indien een tolk aanwezig is, de naam van de tolk en de gebruikte taal;

    • -

      de melding van het gegeven van de cautie en van het recht op rechtsbijstand;

    • -

      doel van het verhoor;

    • -

      verklaring(en) van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor;

    • -

      handtekening van degene(n) die verhoort/verhoren.

§ 15 - Keuze tussen verzuimboete, vergrijpboete of strafvervolging

  • 1.

    In een aantal gevallen kan op een beboetbaar gestelde gedraging (hetzelfde feit) ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete opgelegd worden.

  • 4.

    Indien het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een verzuimboete dan kiest de heffingsambtenaar voor het opleggen van de hogere verzuimboete.

  • 2.

    Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb), tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden (art 67q AWR).

  • 5.

    Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, welke later bekend zijn geworden of niet zijn onderzocht.

  • 3.

    Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb).

  • 6.

    Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete. De heffingsambtenaar dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.

  • 4.

    De mogelijkheid blijft bestaan dat gelijktijdig met de belastingaanslag zowel een verzuimboete als een vergrijpboete wordt opgelegd.

  • 7.

    Deze mogelijkheid doet zich voor indien twee afzonderlijk omschreven beboetbaar gestelde gedragingen zijn geconstateerd.

  • 8.

    Bij de aanslagbelastingen kan bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete worden opgelegd wegens het niet binnen de termijn doen van aangifte (artikel 67a AWR) en een vergrijpboete wegens de opzettelijke onjuistheid van dezelfde aangifte (artikel 67d AWR).

  • 5.

    Samenloop kan zich tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties voordoen. Artikel 5:44, eerste lid van de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

  • 6.

    Het opleggen van een bestuurlijke boete aan belanghebbende sluit in beginsel strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit.

  • 9.

    Op grond van artikel 243, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna WvSv) blijft het echter mogelijk een zaak te heropenen, indien bij nader inzien blijkt dat zij te ernstig is om bestuurlijk te worden afgedaan. Er moet dan sprake zijn van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het WvSv.

  • 7.

    Het voorgaande lid houdt in dat de heffingsambtenaar het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel vaneen strafrechtelijke vervolging (artikel 5:51 Awb).

    Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, bepaalt de heffingsambtenaar zo spoedig mogelijk of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

§ 16 - Overlijden van de belanghebbende (artikel 5:42 Awb)

Er kan geen boete worden opgelegd indien de belanghebbende is overleden.

Indien de boete op het tijdstip van overlijden van belanghebbende niet is betaald en de boete nog niet onherroepelijk vaststaat vervalt de boete.

Hoofdstuk 2 - Verzuimboeten

§ 17 – Aangifteverzuimboete aanslagbelastingen (artikel 67a van de AWR)

  • 1.

    Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste-, tweede-, derde- of volgend verzuim.

  • 2.

    Van een tweede -, respectievelijk derde of volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de vijf voorgaande belastingjaren éénmaal, respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

  • 3.

    Bij vernietiging van de boete wegens avas telt het verzuim niet mee in de verzuimenreeks.

  • 4.

    De door de heffingsambtenaar op te leggen boete bedraagt:

    • a.

      in geval van een eerste verzuim 5 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 75,- en bedraagt maximaal € 246,-.

    • b.

      in geval van een tweede verzuim 10 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is dan niet lager dan € 150,- en bedraagt maximaal € 492,-.

    • c.

      in geval van een derde verzuim 15 procent van het bedrag van de aanslag, indien sprake is van een derde verzuim. De verzuimboete is dan niet lager dan € 300,- en bedraagt maximaal € 984,-.

    • d.

      in geval van een vierde en volgende verzuim het percentage dat voor een derde verzuim geldt. De verzuimboete is dan niet lager dan € 300,- en niet hoger dan het wettelijk maximumbedrag zoals dat is opgenomen in artikel 67a van de AWR.

  • 5.

    Indien sprake is van het niet doen van aangifte legt de heffingsambtenaar een verzuimboete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag.

    De verzuimboete is dan niet lager dan € 300,- en niet hoger dan het maximumbedrag zoals dat is opgenomen in artikel 67a van de AWR.

  • 6.

    Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.

  • 7.

    Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.

  • 8.

    Onder het bedrag van de aanslag als bedoeld in het vierde en vijfde lid wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen.

  • 9.

    Een ingevolge artikel 67a van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op de in de vorige leden genoemde minimum bedragen.

Hoofdstuk 3 - Vergrijpboeten

§ 18 – Vergrijpboete algemeen

  • 1.

    Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet.

  • 2.

    In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 25 procent van de aanslag, met een minimum van € 300,-.

  • 3.

    In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 50 procent van de aanslag, met een minimum van € 300,-.

  • 4.

    Voor het bepalen van de grondslag van de vergrijpboete wordt, voor zover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijke geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.

  • 5.

    Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat - naar evenredigheid bepaalde - gedeelte.

  • 6.

    Het in het voorgaande lid neergelegde beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.

§ 19 – Vergrijpboete aanslag (artikel 67d van de AWR)

  • 1.

    Indien een aangifte voor een aanslagbelasting, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op.

  • 2.

    Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is niet mogelijk.

  • 3.

    De vergrijpboete wordt berekend over het bedrag van de aanslag, na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen.

  • 4.

    Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie 'opzet' kan worden verbonden.

  • 5.

    Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag.

§ 20 – Vergrijpboete navordering (artikel 67e van de AWR)

  • 1.

    De heffingsambtenaar legt gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op, indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

  • 2.

    Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee, dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

HOOFDSTUK 4 - Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsrecht

§ 21 - Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en zijn van toepassing op aanslagen en op aangiften die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na 1 januari 2026.

  • 2.

    De ‘Beleidsregels bestuurlijke boeten Belastingsamenwerking West-Brabant’ , vastgesteld op 4 november 2011, worden ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van de in lid 1 genoemde datum, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aangiften en aanslagen die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen vóór 1 januari 2026.

§ 22 - Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als: 'Beleidsregels bestuurlijke boeten Belastingsamenwerking West-Brabant 2026’.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking West-Brabant van 28 november 2025.

Het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant;

de secretaris

M.S.A. van Leeuwen

de voorzitter

drs. K. van den Berg

Toelichting op de Beleidsregels bestuurlijke boeten Belastingsamenwerking West-Brabant 2026  

§ 1. Reikwijdte

 

De regeling is van toepassing op boeten die worden opgelegd bij de heffing van:

 

  • -

    gemeentelijke belastingen

  • -

    gemeentelijke heffingen

  • -

    rechten en

  • -

    waterschapsbelastingen.

Het Dagelijks Bestuur stelt met deze regeling het beleid vast waar de heffingsambtenaar zich bij het opleggen van boeten aan moet houden.

 

§ 2. Belanghebbende

 

Het begrip belanghebbende is ruimer dan het begrip in artikel 1:2, eerste lid, Awb. Het is ook van toepassing voordat er een boetebeschikking wordt opgelegd, bijvoorbeeld omdat voorafgaand aan een op te leggen vergrijpboete eerst een kennisgeving van het voornemen wordt verzonden (§ 12). Belanghebbende is degene aan wie een boete kan worden opgelegd. Dat zijn de pleger, medepleger (artikel 5:1, tweede lid, Awb), feitelijk leidinggever of opdrachtgever (artikel 5.1, derde lid, Awb jo. artikel 51, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr)), doen pleger, de uitlokker en de medeplichtige (artikel 67o AWR).

 

Overtreder in het bestuursrecht is:

 

  • 1.

    degene die de overtreding fysiek verricht en

  • 2.

    degene die zelf de overtreding niet (fysiek) heeft verricht, maar aan wie de overtreding kan worden toegerekend (functioneel daderschap).

Voor de invulling van dat functioneel daderschap sluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State sinds eind mei 2023 aan bij de criteria van de Hoge Raad voor functioneel daderschap in het strafrecht (ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071). Die criteria zijn bij natuurlijke personen de zogenaamde IJzerdraad-criteria (beschikkingsmacht en aanvaarding) en bij rechtspersonen de Drijfmest-criteria (redelijke toerekening: de handeling vindt plaats in de ‘sfeer van de rechtspersoon’). Beschikkingsmacht wil zeggen dat de overtreder de overtreding had moeten kunnen voorkomen. Een handeling vindt plaats in de sfeer van de rechtspersoon als (indicatief, niet cumulatief):

 

  • 1.

    het handelen of nalaten betreft van iemand die werkzaam is voor de rechtspersoon;

  • 2.

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • 3.

    de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • 4.

    de rechtspersoon erover kon beschikken of de gedraging zou plaatsvinden en deze heeft aanvaard of de gewoonte heeft deze te aanvaarden (=‘IJzerdraad-criteria’), bijvoorbeeld het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

(Hoge Raad 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-criteria) en Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-criteria)).

 

Artikel 67o van de AWR breidt het overtredersbegrip uit tot de doen pleger, de uitlokker en de medeplichtige. Deze uitbreiding is ingevoerd per 1 januari 2014 (Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (Stb. 2013, 567), zou aanvankelijk voor vijf jaren gelden, maar is steeds met vijf jaren verlengd, laatstelijk bij het Belastingplan 2024 (Stb. 2023, 499) tot 1 januari 2029. Zij is ontleend aan de artikelen 47 en 48 van het WvSr. De regeling voorziet erin dat aan mensen of bedrijven die anderen bewust helpen bij het niet nakomen van hun fiscale verplichtingen ook een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Hierdoor kan aan dezelfde personen een bestuurlijke boete worden opgelegd als de personen die strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

 

Deelneming

Omschrijving

plegen

het begaan van een delict

medeplegen

twee of meer personen plegen gezamenlijk een delict; er is sprake is van een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

doen plegen

het laten uitvoeren van een delict door een ander; die ander wordt als werktuig gebruikt en handelt zonder ‘opzet, schuld of toerekenbaarheid’.

uitlokken

het aanzetten van een ander door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het begaan van een delict waarvoor de uitgelokte zelf kan worden gestraft; de uitlokker werkt in beginsel zelf niet mee aan de uitvoering van het delict.

medeplichtigheid

het behulpzaam zijn bij het plegen van een misdrijf, dat door een ander wordt begaan, of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf door een ander.

feitelijk leidinggeven

het achterwege laten van maatregelen ter voorkoming van een door een rechtspersoon te begaan delict, hoewel men daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat die gedraging opzettelijk wordt bevorderd.

Bron: Kamerstukken II 2013/2014, 33754, nr. 3, pag. 36.

 

Derde tot en met vijfde lid

 

De maximale hoogte van de bestuurlijke boete die aan de doen pleger en de uitlokker kan worden opgelegd is gelijk aan de bestuurlijke boete die aan de pleger, de medepleger en de feitelijk leidinggever of opdrachtgever kan worden opgelegd. Conform het strafrecht (artikel 52 van het WvSr) is medeplichtigheid aan een verzuim niet beboetbaar en wordt het wettelijk maximum van de bestuurlijke boete voor vergrijpen voor een medeplichtige met een derde verminderd (zie ook artikel 67o, tweede en derde lid, AWR).

 

Zesde lid

 

Dit regelt dat de paragraaf over kennisgeving en hoorplicht (§ 12) van overeenkomstige toepassing zijn op een besluit tot het openbaar maken van een bestuurlijke boete die is opgelegd aan beroepsbeoefenaren (artikel 67r AWR).

 

§ 3 - Gelijktijdigheid

 

De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats.

 

§ 4. Ambtshalve vermindering

 

Ambtshalve vermindering van een boete kan het gevolg zijn van vermindering of teruggaaf van de belasting, als de hoogte van de belastingaanslag mede bepalend is geweest voor de hoogte van de boete. De Beleidsregels ambtshalve vermindering Belastingsamenwerking West-Brabant die het Dagelijks Bestuur heeft vastgesteld, geldt ook voor boetebeschikkingen.

 

§ 5. Pleitbaar standpunt en avas

 

Als belanghebbende een pleitbaar standpunt inneemt, is er geen mogelijkheid om een vergrijpboete op te leggen. Een pleitbaar standpunt sluit opzet of grove schuld uit. Met deze paragraaf sluit een pleitbaar standpunt ook het opleggen van een verzuimboete uit.

 

Bij afwezigheid van alle schuld (avas) legt de heffingsambtenaar ook geen boete op. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het beboetbare feit te voorkomen (Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184; Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844).

 

Het beginsel ‘geen straf zonder schuld’ is neergelegd in artikel 5:41 van de Awb. Bij vergrijpboeten is opzet of grove schuld bestanddeel van de overtreding. De heffingsambtenaar moet opzet of grove schuld overtuigend aantonen. Daarom zal een beroep op avas zich bij vergrijpboeten niet snel voordoen. Bij verzuimboeten is schuld in de zin van verwijtbaarheid geen bestanddeel van de overtreding. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de verwijtbaarheid niet behoeft te bewijzen, maar deze mag veronderstellen als vaststaat dat belanghebbende het verzuim heeft begaan (dat wil zeggen het daderschap staat vast). Ook dan geldt echter ‘geen straf zonder schuld’. Belanghebbende kan aan het opleggen van een boete ontkomen, als hij stelt en aannemelijk maakt dat sprake is van avas. Dit voldoet ook aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM, dat bepaalt dat een ieder voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld (daderschap) wettig is bewezen. Als het daderschap vaststaat, mag schuld in de zin van verwijtbaarheid worden verondersteld, mits tegenbewijs mogelijk is (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, pag. 134 ; memorie van toelichting Vierde tranche Awb). Overigens kan de heffingsambtenaar op grond van de hem bekende feiten en omstandigheden ook ambtshalve avas toepassen.

 

§ 6. Vrijwillige verbetering (artikel 67n)

 

Artikel 67n AWR biedt een ontsnappingsmogelijkheid voor de bestuurlijke vergrijpboeten: de vrijwillige verbetering. De verbetering moet uitdrukkelijk kenbaar worden gemaakt en moet plaatsvinden vóórdat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met de onjuistheid. Van uitdrukkelijk kenbaar maken is in ieder geval sprake als belastingplichtige met een schriftelijke opgave de eerdere aangifte herstelt waardoor de heffingsambtenaar zonder nader onderzoek een juiste aanslag kan opleggen.

 

§ 7. Straftoemeting, § 8. Strafverminderende omstandigheden en § 9. Strafverzwarende omstandigheden

 

Bij de straftoemeting beantwoordt de heffingsambtenaar de volgende vragen:

 

  • 1.

    Voldoet de hoogte van het percentage of bedrag van de boete aan de beleidsregels?

  • 2.

    Is een hogere of lagere boete passend en geboden?

  • 3.

    Heeft de behandeling plaatsgevonden binnen een redelijke termijn?

De heffingsambtenaar wijkt niet af van de percentages of bedragen, die zijn vermeld in de regeling, tenzij hij van oordeel is dat een hogere of lagere boete, passend en geboden is (Hoge Raad 4 december 1991, BNB 1992/221). Het gaat om strafverminderende en strafverzwarende feiten en omstandigheden. Dat betekent dat in bezwaar ook een lagere boete kan worden vastgesteld dan belanghebbende bepleit. Daarnaast speelt nog de behandeling binnen een redelijke termijn een rol. De belanghebbende heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Hij dient niet te lang in onzekerheid te verkeren over de aan hem op te leggen of opgelegde boete. De redelijke termijn vangt aan op het tijdstip waarop de heffingsambtenaar jegens de belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat aan hem wegens bepaald gedrag een boete is of zal worden opgelegd. Voor overschrijding van de redelijke termijn in het strafrecht heeft de strafkamer van de Hoge Raad vuistregels opgesteld in het arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, voor gevallen waarin een fiscale bestuurlijke boete in het geding is en de berechting in de cassatieprocedure niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden het volgende beslist:

 

“4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:

 

  • 1.

    met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;

  • 2.

    met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;

een en ander met dien verstande dat:

 

  • -

    de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2.500, en

  • -

    geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1.000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.

     

    4.2.4. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.”

Bij overschrijding van de redelijke termijn moet de heffingsambtenaar dienovereenkomstig handelen.

 

Strafvermindering kan zowel plaatsvinden bij verzuimboetes als bij vergrijpboetes. Strafverzwaring vindt alleen plaats bij vergrijpboetes. In § 7, onder 3 wordt uitgelegd wat onder wanverhouding tussen ernst van het feit en op te leggen boete wordt verstaan. De absolute hoogte van de boete vormt op zich geen aanleiding om de boete te matigen (onder 3a). Onder 4 van die paragraaf wordt uitleg gegeven van het begrip verzachtende omstandigheden. Daarnaast kunnen ook financiële omstandigheden tot matiging van de boete leiden.

 

§ 10. Eenvoudige en uitvoerige procedure (artikel 67 pa)

 

In de Awb zijn twee procedures voor bestuurlijke boeten neergelegd: een eenvoudige voor de lichtere boeten (hierna: lichte procedure, artikelen 5:48 – 5:52 Awb) en een meer uitvoerige voor zwaardere boeten (hierna: zware procedure, artikel 5:53 Awb).

 

De lichte procedure wordt gevolgd bij het opleggen van een verzuimboete (artikel 67pa, eerste lid, AWR). De zware procedure wordt gevolgd als een vergrijpboete wordt overwogen. Voor de zware procedure gelden extra eisen:

 

  • -

    het opmaken van een rapport of proces-verbaal (artikel 5:48 Awb) is verplicht;

  • -

    de overtreder moet altijd in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen (artikel 5:53 Awb);

  • -

    het bestuursorgaan moet binnen dertien weken na het opmaken van het rapport beslissen over het opleggen van de bestuurlijke boete (artikel 5:51 Awb).

Artikel 10:3, vierde lid, van de Awb bepaalt dat er bij de zware procedure geen mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete mag worden verleend aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt. Bij het opleggen van een vergrijpboete is dat echter wel mogelijk (artikel 67pb AWR). De behandelend ambtenaar die krachtens mandaat belast is met de heffing en die ook de overtreding constateert, kan dus ook de bestuurlijke boete opleggen. In de praktijk vindt bij het opleggen van een vergrijpboete door deze behandelend ambtenaar verplichte afstemming met de heffingsambtenaar plaats. Hiermee wordt betrokkenheid van een deskundige (derde) bij het opleggen van boeten, de achtergrond van artikel 10:3 Awb, zeker gesteld.

 

Als er geen rapport is opgemaakt (kan enkel bij de lichte procedure), regelt de wet geen beslistermijn. In dat geval geldt de redelijke termijn. De beslistermijn is een termijn van orde. Overschrijding van deze termijn heeft dus niet tot gevolg dat de boetebevoegdheid komt te vervallen. De verwachting is dat de rechter hiermee wel rekening zal houden bij de bepaling van de hoogte van de boete. Houdt de beslissing van de heffingsambtenaar in dat hij geen boete zal opleggen, dan moet hij dat schriftelijk aan de belastingplichtige laten weten (artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, Awb). Na een dergelijke beslissing staat het de heffingsambtenaar niet meer vrij om voor hetzelfde feit alsnog een boete op te leggen (artikel 5:53 Awb). Ook strafrechtelijke vervolging is in beginsel uitgesloten (artikel 243, tweede lid, Sv).

 

§ 11. Mededelingsplicht (artikel 5:9 Awb jo. 67g AWR)

 

Deze verplichting berust op artikel 6, derde lid, onderdeel a, EVRM. De (voor bezwaar vatbare) beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt de overtreding en het overtreden voorschrift (artikel 5:9 Awb). In elk individueel geval wordt aan de betrokken belastingplichtige mededeling gedaan van de gronden waarop in dat specifieke geval de oplegging van de boete berust (Hoge Raad 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4953). Een publicatie van het door het Dagelijks Bestuur vastgestelde beleid over het opleggen van bestuurlijke boetes voldoet daar niet aan. De mededeling wordt uiterlijk gedaan op het moment dat de boete wordt opgelegd (artikel 67g AWR jo artikel 5:9 Awb).

 

§ 12. Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete

 

De kennisgeving vooraf en de hoorplicht vooraf vindt alleen plaats als er sprake is van een vergrijpboete (artikel 67pa AWR).

 

Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te doen, is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten. De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de verplichte kennisgeving is de belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de heffingsambtenaar hiermee rekening. De heffingsambtenaar stelt een redelijke termijn voor het betwisten van de gronden in de kennisgeving. In de gevallen waarin direct invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zeer kort zijn.

 

De kennisgeving en hoorplicht gaan verder dan waartoe het EVRM dwingt. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat vergrijpboeten tot aanzienlijke bedragen kunnen oplopen en omdat de heffingsambtenaar het bewijs dient te leveren van opzet of grove schuld. Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven als het verweer van de belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten opleveren voor het vaststellen van opzet of grove schuld. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden als de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.

 

Het horen op grond van artikel 5:53, derde lid, jo 5:50 Awb heeft een geheel ander karakter dan het afnemen van een verhoor als bedoeld in artikel 5:10a Awb. Het verhoor heeft voornamelijk tot doel vraagpunten van de heffingsambtenaar over de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de belanghebbende op te helderen. Het horen heeft echter primair tot doel om de belanghebbende de mogelijkheid te bieden mondeling zijn mening naar voren te brengen en daartoe zonodig nadere informatie te verstrekken. Daarom is het bepaalde in artikel 5:10a, tweede lid, Awb en de daarmee samenhangende paragraaf 14 van de beleidsregels in het geval van horen niet van toepassing.

 

Zie voor het verhoor de toelichting op paragraaf 14.

 

§ 13. Recht op inzage

 

Het recht op inzage is een element van een eerlijke procesgang. De belanghebbende dient in de gelegenheid te worden gesteld zich te kunnen verweren. Het inzagerecht geldt voor de gegevens waarop het voornemen tot het opleggen van de boete berust. Daarbij gaat het om alle gegevens van het fiscale persoonsdossier die van belang zijn voor het opleggen van de boete. Belanghebbende hoeft zijn verzoek om nadere gegevens (onderdeel 2) alleen aannemelijk te maken voor zover dat andere gegevens zijn dan die op grond van artikel 7:4, tweede lid, Awb ter inzage worden gelegd: ‘alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken’. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt het bestuursorgaan er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal (artikel 5:49, tweede lid, Awb).

 

§ 14. Verhoor

 

De heffingsambtenaar kan nog een aantal vraagpunten hebben. De heffingsambtenaar zal meestal kunnen volstaan met een aanvullend feitenonderzoek door het raadplegen van boeken of andere gegevensdragers of het stellen van schriftelijke vragen. Zolang de heffingsambtenaar zich daartoe beperkt, is geen sprake van een verhoor in de zin van artikel 5:10a Awb en is er geen verplichting om degene die wordt gehoord te wijzen op zijn zwijgrecht (cautie). Zie paragraaf 12.

 

In een aantal gevallen kan het echter nodig zijn dat de belanghebbende in persoon verschijnt om mondeling inlichtingen te verstrekken. Een verhoor is een mondelinge ondervraging voor het vergaren van bewijs voor het opleggen van een boete. Voor aanvang van het verhoor deelt de heffingsambtenaar de betrokkene mede dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Ook voor aanvang van het verhoor wijst de heffingsambtenaar de belanghebbende op het zwijgrecht (de cautie) (artikel 5:10a Awb) en op het recht op rechtsbijstand (Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135; artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM; artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, IVBPR). De Hoge Raad haalt laatstgenoemde verplichting en artikelen aan in rechtsoverweging 5.2.1 en overweegt:

 

“5.2.3 Wat betreft het tijdstip waarop informatie over het recht op rechtsbijstand aan de betrokkene moet worden gegeven, geldt in het Nederlandse strafrecht op grond van artikel 27c van het Wetboek van Strafvordering dat dit in elk geval moet gebeuren voorafgaand aan het eerste verhoor van een verdachte. Deze bepaling is niet van toepassing op bestuurlijke beboeting. Met betrekking tot bestuurlijke boetes brengt de hiervoor in 5.2.1 bedoelde verplichting om degene tegen wie een strafvervolging is ingesteld, onmiddellijk te informeren over diens recht op bijstand van een raadsman mee dat de betrokken overheidsinstantie deze persoon onmiddellijk daarvan op de hoogte moet brengen nadat tegen hem een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR is ingesteld. In elk geval dient die informatie te zijn verstrekt voordat degene tegen wie die strafvervolging is ingesteld, voor het eerst met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete wordt verhoord in de zin van artikel 5:10a Awb. Een verplichting daartoe was tot 1 juli 2009 vastgelegd in de tweede volzin van artikel 67l, lid 1, AWR, en geldt na het vervallen van die bepaling nog evenzeer op grond van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.”

 

Voor de invoering van de vierde tranche van de Awb in 2009, was in artikel 67l, eerste lid, AWR (thans vervallen) uitdrukkelijk geregeld dat verhoor niet eerder plaatsvindt dan dat de heffingsambtenaar de belanghebbende daartoe heeft opgeroepen. Een dergelijke uitdrukkelijke wettelijke grondslag staat niet meer in de wet. Omdat artikel 5:10a Awb het verhoor wel uitdrukkelijk regelt, moet worden aangenomen dat de bevoegdheid voor oproeping voor een verhoor niet is komen te vervallen.

In artikel 67l, eerste lid, AWR stond ook dat in de oproeping moest worden vermeld dat de belanghebbende zich bij het verhoor kon laten bijstaan. Hoewel dit voorschrift is komen te vervallen, kan hieruit dus niet de conclusie worden getrokken dat geen recht op bijstand meer bestaat (zie het hierboven opgenomen citaat). Artikel 2:1 Awb en artikel 41 AWR regelen dat belanghebbende het recht heeft zich in het verkeer met de heffingsambtenaar van bijstand te voorzien of zich te laten vertegenwoordigen.

 

§ 15. Keuze tussen verzuimboete, vergrijpboete of strafvervolging

 

Eerste en derde lid

 

In een aantal gevallen kan op een beboetbaar gestelde gedraging (hetzelfde feit) ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete opgelegd worden. Dit wordt samenloop genoemd; bijvoorbeeld bij aanslagbelastingen indien geen aangifte is gedaan (keuze tussen de artikelen 67a en 67d van de AWR). Onder hetzelfde feit wordt verstaan dezelfde gedraging in materiële zin.

 

Het ‘ne-bis-in-idem-beginsel’ beoogt het herhaald opleggen van bestuurlijke boeten voor dezelfde overtreding, en daarmee dubbele bestraffing, te voorkomen. Daarnaast beoogt het te voorkomen dat iemand voor een tweede maal in een sanctieprocedure wordt betrokken voor dezelfde overtreding. Het niet tijdig doen van de aangifte is niet hetzelfde feit als het onjuist doen van de aangifte. Het niet doen van aangifte en het met opzet niet doen van aangifte is wel hetzelfde feit in materiële zin. De eenmaal opgelegde verzuimboete kan niet worden omgezet in een vergrijpboete en vice versa. Is de boete nog niet opgelegd dan kan na verhoor de keuze nog worden gewijzigd, omdat er meer duidelijkheid is gekomen, bijvoorbeeld dat opzet niet te bewijzen is.

 

Tweede lid

 

Als een verzuimboete is opgelegd kan bij nieuwe bezwaren voor hetzelfde feit een vergrijpboete worden opgelegd (artikel 67q AWR). Als bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan. Deze bezwaren zijn nieuw als zij bekend zijn geworden na het opleggen van de verzuimboete of ten tijde van het opleggen van de verzuimboete niet zijn onderzocht. Het niet bekend of niet onderzocht zijn, is een feitelijk gegeven. Anders dan bijvoorbeeld in het kader van het ambtelijk verzuim bij navordering is niet van belang of de verklaringen en stukken destijds redelijkerwijs bekend of onderzocht hadden kunnen zijn. Met deze regeling wordt volledig aangesloten bij artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering.

 

De enkele omstandigheid dat een tweede boete wordt opgelegd in verband met belastingverplichtingen over een en hetzelfde tijdvak hoeft niet te betekenen dat sprake is van herhaalde beboeting wegens hetzelfde feit. Ook niet doorslaggevend is dat de verschillende boetes worden opgelegd ter zake van overtreding van dezelfde wettelijke norm. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van herhaalde beboeting wegens hetzelfde feit komt het meer aan op de omschrijving van de beboetbare gedraging waarvoor de eerste boete is opgelegd (Hoge Raad 17 september 2010, ECLI:NL:HR:BD3160). Als een feit niet hetzelfde is, is het ne-bis-in-idem beginsel niet aan de orde en staat ook niets anders in de weg aan het opleggen van de tweede boete.

 

Indien het voornemen bestaat om een vergrijpboete op te leggen moet altijd een rapport worden opgemaakt als bedoeld in artikel 5:48 van de Awb. Dit rapport wordt bij de uitnodiging voor het horen aan de overtreder toegezonden of uitgereikt (artikel 5:50 van de Awb). In artikel 67q, derde lid, van de AWR is daaraan toegevoegd dat het rapport ook de nieuwe bezwaren vermeldt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de overtreder vooraf met de nieuwe bezwaren bekend is, en zich dus vooraf tegen het bestaan van nieuwe bezwaren kan verweren. (Kamerstukken II 2011/12 33004, nr. 3, pag. 60/61).

 

Vijfde, zesde en zevende lid

 

Het beginsel van de ‘una via’ in deze paragraaf ziet op de verhouding tussen bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties en specificeert de situaties waarin geen bestuurlijke boete aan de overtreder wordt opgelegd wegens dezelfde gedraging. Dit is het geval als voor een overtreding aan iemand al een strafrechtelijke sanctie is opgelegd. Hem kan dan voor dezelfde overtreding niet ook nog eens een bestuurlijke boete worden opgelegd. Andersom betekent dit ook dat er geen strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd als voor dezelfde overtreding reeds een bestuurlijke boete is opgelegd. Het una-via beginsel betekent dat als de ene weg uiteindelijk niet leidt tot het opleggen van een sanctie, de overheid het niet nogmaals via de andere weg kan proberen. De keuze voor een van beide wegen is definitief.

 

§ 16 - Overlijden van de belanghebbende (artikel 5:42 Awb )

 

Er is voor gekozen om geen boete op te leggen indien de belanghebbende reeds is overleden. Indien de boete op het tijdstip van overlijden van belanghebbende niet is betaald en de boete nog niet onherroepelijk vaststaat vervalt de boete.

 

§ 17. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting artikel 67a van de AWR

 

Er is alleen sprake van een verzuim als aan twee eisen is voldaan:

 

  • 1.

    de aangifte is niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn gedaan, en

  • 2.

    er is geen gevolg gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.

Als het aan opzet van de belanghebbende te wijten is dat de aangifte niet is gedaan, vormt dit een vergrijp in de zin van artikel 67d van de AWR (zie paragraaf 26 van de regeling). De heffingsambtenaar moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie paragraaf 15 van de regeling). Wegens het niet tijdig doen van aangifte kan hij uitsluitend een verzuimboete opleggen.

 

In uitzonderlijke gevallen kan een boete worden verhoogd tot € 6.709, zijnde het wettelijk maximum. Een voorbeeld van een uitzonderlijk geval is dat een belanghebbende stelselmatig in verzuim is. De verzuimen moeten dan wel aan belanghebbende zijn meegedeeld (zie Hoge Raad 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7032).

 

De hoogte van de verzuimboete bedraagt 5%, 10% of l 15% van het bedrag van de aanslag, afhankelijk van de verzuimenreeks. Doordat de verzuimenreeks daarbij minimum boetebedragen kent, is het mogelijk dat in een enkel geval het bedrag van de boete hoger is dan het bedrag van de aanslag. Dat kan zich vooral voordoen bij relatief geringe aanslagbedragen zoals die bij de hondenbelasting wel voorkomen. Dit is op zich geen bezwaar. De opvatting dat een verzuimboete wegens het niet of niet-tijdig doen van een aangifte nimmer meer mag belopen dan de belasting die naar aanleiding van die aangifte wordt geheven, is in zijn algemeenheid namelijk onjuist (Hoge Raad 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5791).

 

§ 18. Vergrijpboete algemeen

 

In deze paragraaf wordt een algemene toelichting gegeven op de vergrijpboeten. Voor het opleggen van een vergrijpboete moet onder andere voldaan zijn aan de volgende eisen:

 

  • 1.

    opzet of grove schuld,

  • 2.

    de heffingsambtenaar stelt en bewijst opzet of grove schuld,

  • 3.

    omkering van de bewijslast geldt niet voor de vergrijpboeten.

Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven dan wel betaald. In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 25 procent.

 

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden, dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is. Uit Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 (HIV-arrest) kan worden afgeleid dat de betreffende persoon:

 

  • -

    wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden,

  • -

    die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen), en

  • -

    ervan uitgaat dat het gevolg dan ook zal intreden (zo niet dan is er geen sprake van voorwaardelijk opzet maar van (grove) onachtzaamheid).

Is alleen sprake van die wetenschap, dan kan sprake zijn van bewuste schuld.

 

In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 50 procent.

 

De bewijslast is aanmerkelijk zwaarder dan bij verzuimboeten. De waarborgen van artikel 6, tweede lid, EVRM (onschuldpresumptie) vereisen dat het bewijs dat een beboetbaar feit is begaan alleen dan kan worden aangenomen als dat feit buiten redelijke twijfel is vast komen te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering ‘doen blijken’, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. In geval van twijfel moet belanghebbende het voordeel van die twijfel moet worden gegund (Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 en Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97). Bij twijfel of het bewijs van opzet of grove schuld is rond te krijgen kan de heffingsambtenaar beter, voor zover mogelijk, kiezen voor een verzuimboete.

 

Bij het opleggen van vergrijpboeten houdt de heffingsambtenaar rekening met bijzondere omstandigheden van de paragrafen 6 tot en met 8 over Straftoemeting, strafverminderende omstandigheden en strafverzwarende omstandigheden. Ook wordt rekening gehouden met eventuele vrijwillige verbetering.

 

§ 19. Vergrijpboete aanslag (artikel 67d van de AWR)

 

In de wetsgeschiedenis is nadrukkelijk aangegeven dat de vergrijpboete bij aanslag bedoeld is voor gevallen van opzet, fraude of zwendel. Het gaat daarbij om ernstige gevallen als omschreven in onder meer de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van enkele wetten in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (Kamerstukken I, 1997/98, nr. 24 800, nr. 154b). Op grond van artikel 67n AWR wordt geen vergrijpboete opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

 

Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet tijdig doen van aangifte bij de aanslagbelastingen is niet mogelijk.

 

Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag. Bij het vaststellen van de aanslag wordt rekening gehouden met de beschikbare gegevens.

 

§ 20. Vergrijpboete navordering (artikel 67e van de AWR)

 

De vergrijpboete als bedoeld in paragraaf 20 van de regeling kan worden opgelegd als sprake is van opzet of grove schuld.

 

Als het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, wordt de vergrijpboete berekend over het belastingbedrag dat betrekking heeft op de correcties waaraan de kwalificaties ‘opzet’ of ‘grove schuld’ kunnen worden verbonden.

 

§ 21. Inwerkingtreding en overgangsrecht

 

De eerder vastgestelde beleidsregels worden ingetrokken. De nieuwe beleidsregels hebben onmiddellijke werking en zijn van toepassing op na de inwerkingtreding op te leggen of opgelegde bestuurlijke boeten. Zie ook paragraaf 1 over de reikwijdte van de regeling.

 

Op grond van artikel 3:40 Awb kan een beleidsregel eerst in werking treden nadat deze is bekendgemaakt. Beleidsregels zijn niet algemeen verbindende voorschriften; wel zijn zij besluiten van algemene strekking. Voor beide geldt artikel 6 van de Bekendmakingswet. Dit betekent dat de bekendmaking van beleidsregels geschiedt door plaatsing in het elektronisch uitgegeven blad gemeenschappelijke regeling.

 

§ 22. Citeertitel

 

Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde regeling. Het is mogelijk in de citeertitel een jaartal te noemen. Dit is verstandig als er eerder regelingen ter zake van bestuurlijke boeten zijn vastgesteld.

Naar boven