Beleidsregels inzake de toepassing van de tabel afvalwatercoëfficiënten bij de zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Belastingsamenwerking West-Brabant

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant;

 

Gelet op artikel 122k Waterschapswet, artikel 7.5 Waterwet, het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 en de verordeningen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing van waterschap Brabantse Delta;

 

BESLUIT:

 

De beleidsregels inzake de toepassing van de tabel afvalwatercoëfficiënten bij de zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing Belastingsamenwerking West-Brabant vast te stellen, luidend als volgt:

Artikel 1 Definities

  • a.

    Afvoeren: brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap.

  • b.

    BVIW: Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009.

  • c.

    Ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater.

  • d.

    Lozen: het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap.

  • e.

    Tabelbedrijf: een bedrijfsruimte waarop de tabel afvalwatercoëfficiënten als bedoeld in artikel 122k Waterschapswet van toepassing is.

  • f.

    Waterschap: waterschap Brabantse Delta.

Artikel 2 Toepassen tabel afvalwatercoëfficiënten en aftrek niet afgevoerd of geloosd ingenomen water

  • 1.

    Indien de vervuilingswaarde voor het zuurstofverbruik wordt vastgesteld met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte in het geheel geen afvalwater wordt afgevoerd of geloosd, wordt de hoeveelheid ingenomen water op nihil gesteld.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing als de hoeveelheid ingenomen water voor een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte wordt geregistreerd met een (tussen)watermeter.

  • 3.

    Indien de vervuilingswaarde voor het zuurstofverbruik wordt vastgesteld met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte een gedeelte van de hoeveelheid ingenomen water niet wordt afgevoerd of geloosd, wordt de volledige hoeveelheid ingenomen water in aanmerking genomen.

  • 4.

    In een situatie als bedoeld in het derde lid kan een heffingplichtige verzoeken om indeling in een andere klasse overeenkomstig de regels zoals opgenomen in het BVIW.

Artikel 3 Koelwater en bronneringswater

  • 1.

    De vervuilingswaarde per m3 ingenomen water voor een bedrijfsruimte of een onderdeel van de bedrijfsruimte wordt, indien uitsluitend water wordt geloosd of afgevoerd dat gebruikt wordt om een proces te koelen (koelwater), alsmede voor het lozen van bronneringwater, gesteld op 0,001. Dit water is voorafgaand, tijdens of na het koelen niet in aanraking gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigde stoffen.

  • 2.

    Voor koelwater dat in aanraking komt met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen en voor bronneringswater, wordt de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water gesteld op de afvalwatercoëfficiënt die geldt voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte waarvan dat koelwater of bronneringswater deel uitmaakt, tenzij voor het koelwater of bronneringswater door middel van afvalwateronderzoek een afzonderlijke afvalwatercoëfficiënt is vastgesteld.

Artikel 4 Herleiding hoeveelheid ingenomen water

  • 1.

    De hoeveelheid in het heffingsjaar ingenomen drinkwater wordt gesteld op de hoeveelheid geleverd drinkwater op de eindafrekening van het drinkwaterbedrijf voor de verbruiksperiode waarvan de meeste dagen in het heffingsjaar vallen.

  • 2.

    In het geval de eindafrekening voor het geleverde drinkwater, als bedoeld in het eerste lid, niet exact over 365 dagen heeft plaatsgevonden, dan wordt de hoeveelheid ingenomen water geëxtrapoleerd of geïnterpoleerd naar 365 dagen.

Artikel 5 Vervuilingswaarde voor persoonlijke verzorging niet begrepen in afvalwatercoëfficiënt bedrijfstak

  • 1.

    Voor de in artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) genoemde bedrijfscategorieën met de aanduiding * geldt voor de hoeveelheid ingenomen water die betrekking heeft op de persoonlijke verzorging van werknemers, een afvalwatercoëfficiënt van 0,023.

  • 2.

    Indien de in het eerste lid bedoelde hoeveelheid ingenomen water die betrekking heeft op de persoonlijke verzorging van werknemers niet is te berekenen aan de hand van meterstanden, wordt de hoeveelheid ingenomen water bepaald op 11 m3 per werknemer (1 fte) /per jaar.

  • 3.

    Dit artikel is van toepassing zolang een tabelbedrijf valt onder het overgangsrecht van artikel 166 Waterschapswet.

Artikel 6 Aftrek ingenomen water woonruimte bij bedrijfsruimte

  • 1.

    Indien de vervuilingswaarde voor het zuurstofverbruik voor een bedrijfsruimte wordt vastgesteld met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en in de gemeten hoeveelheid ingenomen water ook het ingenomen water van één of meer woonruimten is begrepen, wordt op de gemeten hoeveelheid ingenomen water in mindering gebracht 44 m3 voor een woonruimte die wordt gebruikt door een eenpersoonshuishouden en 132 m3 voor een woonruimte die wordt gebruikt door een meerpersoonshuishouden.

  • 2.

    Toepassing van het eerste lid kan niet leiden tot een lagere hoeveelheid ingenomen water dan nihil.

Artikel 7 Melkveehouderijen bepaling hoeveelheid (voor)spoelwater

  • 1.

    Voor de in artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) genoemde bedrijfscategorie melkveehouderijen, wordt de hoeveelheid ingenomen water die wordt gebruikt voor de reiniging van melkinstallaties op een jaarlijkse hoeveelheid van 120 m3 gesteld, indien de heffingplichtige deze hoeveelheid niet meet met behulp van een (tussen)watermeter.

  • 2.

    Dit artikel is van toepassing zolang een tabelbedrijf valt onder het overgangsrecht van artikel 166 Waterschapswet.

Artikel 8 Groentewasserijen

  • 1.

    In afwijking van artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) gelden voor groentewasserijen die alleen het eigen geoogste product verwerken (wassen) de volgende afvalwatercoëfficiënten en indeling in klassen:

 

Klasse

Vervuilingswaarde per m3 ingenomen water

A

Indien het afvalwater via een goedwerkende bezinkput/zeefvoorziening wordt afgevoerd of geloosd:

1* Bij recirculatie van het waswater (droog schonen):

Indien het waswater wordt hergebruikt en uitsluitend het naspoelwater wordt afgevoerd of geloosd.

3

0,0025

2* Bij geen recirculatie van het waswater (nat schonen):

Indien het waswater niet wordt hergebruikt en zowel het voor- als het naspoelwater wordt afgevoerd of geloosd.

5

0,0060

B

Indien het waswater niet via een goedwerkende bezinkput/zeefvoorziening wordt afgevoerd of geloosd:

7

0,015

*Deze afvalwatercoëfficiënten zijn inclusief de vervuilingswaarde van het huishoudelijk afvalwater.

 

  • 2.

    Dit artikel is van toepassing zolang een tabelbedrijf valt onder het overgangsrecht van artikel 166 Waterschapswet.

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    Dit besluit is van toepassing op aanslagen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2026.

  • 3.

    De Beleidsregels tabel afvalwatercoëfficiënten BWB, vastgesteld op17 januari 2020, worden ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op aanslagen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing voor tijdvakken die aanvangen voor 1 januari 2026.

  • 4.

    Dit besluit wordt aangehaald als ‘Beleidsregels tabel afvalwatercoëfficiënten BWB 2026’.

Aldus vastgesteld op 28 november 2025.

Het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling

Belastingsamenwerking West-Brabant;

de secretaris,

M.S.A. van Leeuwen

de voorzitter,

drs. K. van den Berg

Plaatsvervangend directeur

Toelichting Beleidsregels tabel afvalwatercoëfficiënten BWB 2026

Inleiding

Bij veel bedrijven wordt voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing het aantal vervuilingseenheden voor de zuurstofbindende stoffen berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k Waterschapswet).

 

In deze beleidsregels is in aanvulling op de verordeningen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing vastgelegd op welke wijze de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) de tabel afvalwatercoëfficiënten toepast.

 

Artikel 1 Definities

Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de beleidsregels voorkomende begrippen, zijn hiervan definities opgenomen in artikel 1. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de definities in de Waterschapswet en Waterwet.

 

Artikel 2 Toepassen tabel afvalwatercoëfficiënten en aftrek niet afgevoerd of geloosd ingenomen water

In artikel 122k Waterschapswet staat de mogelijkheid om het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik op basis van de hoeveelheid ingenomen water te bepalen. Het aantal m3 ingenomen water wordt daartoe vermenigvuldigd met een afvalwatercoëfficiënt volgens één van de 15 klassen van de tabel afvalwatercoëfficiënten. De bedrijfsruimten waarvoor dit geldt, zijn de zogenaamde ‘tabelbedrijven’.

 

De afvalwatercoëfficiënt wordt toegepast op het ingenomen water waarbij geen rekening wordt gehouden met wel ingenomen maar niet afgevoerd of geloosd water. De wettelijke regeling voor tabelbedrijven voorziet niet in een aftrek van niet afgevoerd of geloosd water op het ingenomen water. Op basis van de beleidsregels is dat in uitzonderingsgevallen wel mogelijk.

 

Indien uit bijvoorbeeld de aangiftegegevens blijkt dat vanuit een bedrijfsruimte (of een zelfstandig onderdeel daarvan zoals voetbalvelden) in het geheel geen afvoer of lozing plaatsvindt, wordt de hoeveelheid ingenomen water op nihil gesteld. In feite wordt hiermee de hoeveelheid ingenomen water die niet wordt afgevoerd of geloosd, volledig in mindering gebracht op de hoeveelheid ingenomen water. Dit onderdeel van een bedrijfsruimte wordt daardoor niet in de heffing betrokken. Dit is geregeld in het eerste lid.

 

Voorwaarde is wel dat dit onderdeel van een bedrijfsruimte afzonderlijk wordt geregistreerd met een tussenwatermeter. Deze voorwaarde staat in het tweede lid.

 

Deze aftrekregeling geldt niet als van de hoeveelheid ingenomen water slechts een gedeelte niet wordt afgevoerd of geloosd. Er wordt dan helemaal geen aftrek van het ingenomen water toegestaan, ook niet gedeeltelijk. Dit is geregeld in het derde lid.

 

De gebruiker van de betreffende bedrijfsruimte kan in die situatie echter wel verzoeken om indeling in een andere klasse en daarmee toepassing van een andere afvalwatercoëfficiënt op de totale hoeveelheid ingenomen water. Op die manier kan de hoeveelheid ingenomen water die niet wordt afgevoerd of geloosd, worden verdisconteerd in een (lagere) afvalwatercoëfficiënt.

 

Voor indeling in een andere klasse moet de heffingplichtige wel op eigen kosten afvalwateronderzoek doen (tenzij de heffingsambtenaar van het waterschap besluit ambtshalve een afvalwateronderzoek in te stellen). Hij moet hiertoe een verzoek indienen bij de heffingsambtenaar van het waterschap (Postbus 5520, 4801DZ Breda, 076-5641000). De regels die gelden voor het afvalwateronderzoek staan in artikel 5 BVIW (regels voor meting, bemonstering en analyse).

 

Nieuw vanaf 2026 is dat een bedrijf met een geschatte vervuilingswaarde van minder dan 50 vervuilingseenheden of waarbij afvalwateronderzoek praktisch redelijkerwijs niet mogelijk is, geen uitgebreid afvalwateronderzoek hoeft te doen. Een dergelijk bedrijf kan volstaan met een ‘praktische regeling’ van het onderzoek (dit staat in artikel 2 BVIW). Bijvoorbeeld een administratieve benadering, onderzoek met steekmonsters, een vergelijking met andere vergelijkbare bedrijfsruimten of een stoffenbenadering.

 

De heffingsambtenaar van het waterschap zal in de beslissing op het verzoek van het bedrijf de voorwaarden voor het afvalwateronderzoek vermelden.

 

Is er al eerder afvalwateronderzoek gedaan die heeft geleid tot indeling in een klasse, dan kan het zijn dat eventuele niet afgevoerde of geloosde hoeveelheden water, reeds in de vervuilingswaarde per m3 zijn verdisconteerd.

 

Artikel 3 Koelwater en bronneringswater

Vanaf 2026 staat in artikel 4 BVIW dat voor koelwater een afvalwatercoëfficiënt geldt van 0,001. Deze regeling is in het eerste lid overgenomen. Deze afvalwatercoëfficiënt geldt echter alleen als het koelwater voorafgaand, tijdens of na het koelen niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigde stoffen. Is dat wel het geval dan geldt de regeling van het tweede lid. Dan is de afvalwatercoëfficiënt van toepassing die geldt voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte waarvan dat koelwater deel uitmaakt, tenzij voor het koelwater door middel van afvalwateronderzoek een afzonderlijke afvalwatercoëfficiënt is vastgesteld. Het artikel is ook van toepassing op bronneringswater.

 

Artikel 4 Herleiding hoeveelheid ingenomen water

De BWB heeft meestal geen meterstanden ter beschikking maar alleen jaarverbruiken van de drinkwaterbedrijven. De verordeningen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing van het waterschap Brabantse Delta regelen dat als de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld met watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, de heffingsambtenaar BWB die hoeveelheid vaststelt op een door hem nader vast te stellen wijze. Dit regelt artikel 4 van deze beleidsregels.

 

Het eerste lid regelt dat de hoeveelheid in het heffingsjaar ingenomen drinkwater wordt gesteld op de hoeveelheid geleverd drinkwater op de eindafrekening van het drinkwaterbedrijf voor de verbruiksperiode waarvan de meeste dagen in het heffingsjaar vallen. Wanneer die eindafrekening niet precies over 365 dagen heeft plaatsgevonden, extrapoleert of interpoleert de heffingsambtenaar de in rekening gebrachte hoeveelheid naar 365 dagen. Dit volgt uit het tweede lid.

 

Voorbeelden:

  • a.

    De nota heeft betrekking op de periode 23 februari 2025 tot en met 28 februari 2026. Het van het drinkwaterbedrijf ingenomen water in deze periode bedraagt 371 m3. De verbruiksperiode kent 370 dagen. Het ingenomen water voor het heffingsjaar 2025 wordt vastgesteld op 365/370 x 371 m3. De afrekening waarvan de meeste dagen in het heffingsjaar vallen, wordt als nota van dat jaar gehanteerd. De beschikbare gegevens worden herleid tot het kalenderjaar door de afrekening waarvan de meeste dagen in het heffingsjaar vallen te herleiden naar 365 dagen.

  • b.

    De nota heeft betrekking op de periode 1 juli 2025 tot 1 juli 2026. Het van het drinkwaterbedrijf ingenomen water in deze periode bedraagt 1.000 m3. De periode 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 is 184 dagen. De periode 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 is 182 dagen. De nota van het drinkwaterbedrijf wordt gehanteerd en herleid tot het kalenderjaar voor het heffingsjaar 2025 omdat de meeste dagen van deze nota in het jaar 2025 vallen.

  • c.

    Een bedrijf stopt met ingang van 1 april 2026. De nota van het drinkwaterbedrijf heeft betrekking op de periode 26 november 2025 tot en met 31 maart 2026 en bedraagt 500 m3. Het waterverbruik wordt naar tijdsevenredigheid van de heffingsplicht in 2026 herleid. 90 dagen in 2026 van totaal 125 dagen volgens de nota x 500 m3 = 360 m3 ingenomen drinkwater in 2026.

Artikel 5 Vervuilingswaarde voor persoonlijke verzorging niet begrepen in afvalwatercoëfficiënt bedrijfstak

Voor de in artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) genoemde bedrijfscategorieën met de aanduiding * is het afvalwater voor persoonlijke verzorging van werknemers niet begrepen in de afvalwatercoëfficiënt van die bedrijfscategorie. Artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) bepaalt dat daarvoor de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water 0,021 bedraagt. Dit afvalwater valt daarmee in klasse 8 (afvalwatercoëfficiënt 0,023). Deze regeling is overgenomen in het eerste lid.

 

In aanvulling daarop regelt het tweede lid dat als deze hoeveelheid ingenomen water die betrekking heeft op de persoonlijke verzorging van werknemers niet is te berekenen aan de hand van meterstanden, de hoeveelheid ingenomen water wordt bepaald op 11 m3 per werknemer (1 fte) /per jaar).

 

Vanaf 2026 vervalt de indeling van bedrijven op basis van de bedrijfscategorieën genoemd in artikel 2 BVIW. Voor bedrijven die niet in klasse 8 vallen (en dat is het geval bij de bedrijven met een * waarop artikel 5 betrekking heeft) moet het waterschap vóór 2036 op basis van afvalwateronderzoek een nieuwe afvalwatercoëfficiënt bepalen (op basis waarvan indeling in een klasse plaatsvindt). In dat afvalwateronderzoek zal in beginsel ook rekening worden gehouden met het afvalwater voor persoonlijke verzorging van werknemers. Vanaf dat moment verliest artikel 5 zijn betekenis. Artikel 5 blijft echter van toepassing gedurende de overgangsperiode van 10 jaar zolang er voor het tabelbedrijf nog geen afvalwateronderzoek en nieuwe indeling in een klasse heeft plaatsgevonden. Dit is geregeld in het derde lid. Het overgangsrecht van 10 jaar is geregeld in artikel 166 Waterschapswet.

 

Artikel 6 Aftrek ingenomen water woonruimte bij bedrijfsruimte

Indien het waterverbruik van een woonruimte onderdeel uitmaakt van het ingenomen water van een bedrijfsruimte, wordt voor het gebruik van deze woonruimte 44 m3 bij gebruik door een eenpersoonshuishouden en 132 m3 bij gebruik door een meerpersoonshuishouden in mindering gebracht op de hoeveelheid ingenomen water van de bedrijfsruimte. Toepassing van deze aftrek kan niet leiden tot een negatieve hoeveelheid ingenomen water.

 

Artikel 7 Melkveehouderijen bepaling hoeveelheid (voor)spoelwater

In artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026) staan twee afvalwatercoëfficiënten voor de berekening van de vervuilingswaarde van geloosd spoelwater van melkinstallaties. Als het voorspoelwater en spoelwater van de melkinstallatie worden afgevoerd op de riolering of geloosd op oppervlaktewater, dan is afvalwatercoëfficiënt 0,056 (klasse 10) van toepassing. Als het voorspoelwater niet wordt afgevoerd of geloosd, maar separaat wordt verwerkt, dan is de afvalwatercoëfficiënt 0,0094 (klasse 6) van toepassing.

 

Voorspoelwater is het water dat wordt gebruikt voor de eerste reiniging van de melkmachine en de leidingen (exclusief de melktank) en dat dus melkresten bevat. Spoelwater is het overige water dat wordt gebruikt voor de reiniging van de melkinstallatie (inclusief al het water dat is gebruikt voor de reiniging van de melktank). Als de hoeveelheid ingenomen water die is gebruikt voor de reiniging van de melkinstallatie, is gemeten dan is de gemeten hoeveelheid van toepassing. Als de hoeveelheid niet wordt gemeten, wordt door de heffingsambtenaar BWB een hoeveelheid ingenomen water van 120 m3 op jaarbasis gehanteerd.

 

Vanaf 2026 vervalt de indeling van bedrijven op basis van de bedrijfscategorieën genoemd in artikel 2 BVIW. Voor bedrijven die niet in klasse 8 vallen (en dat is het geval bij melkveehouderijen) moet het waterschap vóór 2036 op basis van afvalwateronderzoek een nieuwe afvalwatercoëfficiënt bepalen (op basis waarvan indeling in een klasse plaatsvindt). Vanaf dat moment verliest artikel 7 zijn betekenis. Artikel 7 blijft echter van toepassing gedurende de overgangsperiode van 10 jaar zolang er voor het tabelbedrijf nog geen afvalwateronderzoek en nieuwe indeling in een klasse heeft plaatsgevonden. Dit is geregeld in het tweede lid. Het overgangsrecht van 10 jaar is geregeld in artikel 166 Waterschapswet.

 

Artikel 8 Groentewasserijen

In Brabant is in 2004 door de Brabantse waterschappen onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van tuinbouwbedrijven die enkel het eigen geoogste product verwerken (wassen). Dit onderzoek heeft geleid tot aangepaste afvalwatercoëfficiënten voor groentewasserijen in afwijking van artikel 2 BVIW (zoals dat luidt tot 1 januari 2026). De voor groentewasserijen geldende afvalwatercoëfficiënten en klassen zijn opgenomen in het eerste lid.

 

Deze afvalwatercoëfficiënten hebben betrekking op het wassen van landbouwgewassen. Het schrappen en snijden van landbouwgewassen vallen niet onder de activiteit wassen. Bedrijven die landbouwgewassen schrappen en/of snijden vallen onder de klasse 8 (afvalwatercoëfficiënt 0,023).

 

Vanaf 2026 vervalt de indeling van bedrijven op basis van de bedrijfscategorieën genoemd in artikel 2 BVIW. Voor bedrijven die niet in klasse 8 vallen (en dat is het geval bij groentewasserijen) moet het waterschap vóór 2036 op basis van afvalwateronderzoek een nieuwe afvalwatercoëfficiënt bepalen (op basis waarvan indeling in een klasse plaatsvindt). Vanaf dat moment verliest artikel 8 zijn betekenis. Artikel 8 blijft echter van toepassing gedurende de overgangsperiode van 10 jaar zolang er voor het tabelbedrijf nog geen afvalwateronderzoek en nieuwe indeling in een klasse heeft plaatsgevonden. Dit is geregeld in het tweede lid. Het overgangsrecht van 10 jaar is geregeld in artikel 166 Waterschapswet.

 

Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt de inwerkingtreding en dat de beleidsregels van toepassing zijn op aanslagen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing vanaf belastingjaar 2026. De oude beleidsregels blijven van toepassing op aanslagen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing tot belastingjaar 2026.

 

De beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels tabel afvalwatercoëfficiënten BWB 2026’.

Naar boven