Toelichting
Tenzij anders is vermeld wordt aangesloten bij de begripsbepaling van de Wmo 2015.
Artikelsgewijze toelichting
Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven, worden hieronder behandeld.
Artikel 2.
Hoogte persoonsgebonden budget (pgb)
In dit artikel is vastgelegd dat het persoonsgebonden budget (pgb) gelijk is aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura, zoals vastgesteld door het Dagelijks Bestuur. Hiermee sluit de hoogte van het pgb direct aan bij de tarieven die gelden voor zorg in natura (ZIN).
De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de door het Dagelijks Bestuur vastgestelde landelijke of sectorale indexen, zodat de pgb-tarieven steeds in de pas lopen met de actuele prijsontwikkeling.
Voor enkele hulpmiddelen – zoals scootmobielen, (elektrische) handbikes en driewielfietsen – geldt een afwijkende berekeningssystematiek, waarbij de kostprijs van aanschaf als uitgangspunt geldt. Deze bepaling voorkomt dat de hoogte van het pgb wordt gekoppeld aan huurprijzen en zorgt dat cliënten voldoende budget ontvangen om een adequaat hulpmiddel aan te schaffen.
Door deze werkwijze wordt geborgd dat pgb- en ZIN-tarieven op een eenduidige wijze worden vastgesteld, dat cliënten een passend budget ontvangen en dat de uitvoering aansluit bij de wettelijke eis van een reële prijs.
Artikel 3.
Gedifferentieerd tarief
In artikel 3 maakt de ISD Bollenstreek onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Er worden twee verdelingen gemaakt
Er geldt een lager tarief voor een persoon die niet werkt via een daartoe gekwalificeerde instelling. Daarbij wordt in de tariefstelling ook nog een onderscheid tussen een opgeleid persoon en een niet opgeleid persoon gemaakt.
Voor een niet opgeleid persoon geldt dat dit (ook) een mantelzorger kan zijn of iemand uit het sociale netwerk van de klant. Uitgangspunt hierbij blijft dat dit waar mogelijk als voorliggende voorziening gezien wordt en om die reden onbetaald verricht wordt.
Voor de pgb tarieven voor een opgeleid persoon die niet werkt via een daartoe gekwalificeerde instelling geldt dat het gangbare praktijk is dat deze circa 20% lager kunnen liggen dan tarieven waarmee vergelijkbare zorg in natura wordt ingekocht. Dat heeft ermee te maken dat er minder overheadkosten hoeven te worden mee berekend.
Het pgb is aan maxima gebonden. Hiermee wordt bewerkstelligd dat niet méér vergoed wordt dan de daadwerkelijke kosten die belanghebbende maakt, voor zover deze lager liggen dan het maximum. Belanghebbende moet in dat kader inzichtelijk maken wat de concrete kosten zijn, voordat het pgb wordt uitbetaald.
Ten aanzien van sub b onder 3 is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder genoemde personen het sociale netwerk inclusief mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor de ISD Bollenstreek van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het Dagelijks bestuur is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het Dagelijks bestuur mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).
Artikel 7.
Duur opleggen eigen bijdrage
Dit artikel regelt de duur waarover de cliënt een eigen bijdrage is verschuldigd. De Wmo 2015 maakt het mogelijk een eigen bijdrage te vragen tot de kostprijs is voldaan. Gekozen is dit op te nemen maar te maximeren tot 7 jaar voor alle woon- en vervoersvoorzieningen, niet in bruikleen, of 10 jaar voor aard- en nagelvaste woningaanpassingen.
Artikel 8.
Geen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s
In een aantal gevallen mag op grond van de geldende regelgeving geen eigen bijdrage worden geheven dan wel wordt dit niet opportuun geacht. Artikel 9 geeft hier nadere invulling aan.
Een eigen bijdrage voor een rolstoel (in natura dan wel met een pgb) is, gezien het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet toegestaan.
Uitzondering daarop vormen de accessoire die het mogelijk maken de rolstoel buitenshuis te gebruiken als zelfstandige vervoersvoorziening (vergelijkbaar met een scootmobiel).
Een elektrische aandrijfsysteem voor een rolstoel of een aankoppelfiets zijn accessoires die bedoeld zijn voor lokaal verplaatsen. In huis is dit soort hulpstuk namelijk niet nodig. De rolstoel verandert daarmee in een vervoersvoorziening, echter voor de rolstoel zelf kan nog steeds geen bijdrage gevraagd worden. Voor het elektrische aandrijfsysteem of de aankoppelfiets wel. Deze zijn namelijk niet onlosmakelijk verbonden met de rolstoel. Zonder deze accessoires functioneert de rolstoel namelijk nog steeds als rolstoel.
De eigen bijdrage is niet van toepassing op duwondersteuning op een rolstoel als bijvoorbeeld de partner of mantelzorger onvoldoende kracht heeft om de rolstoel te duwen. In dit geval wordt de rolstoel met accessoire namelijk geen zelfstandige vervoersvoorziening. De cliënt kan de rolstoel met accessoire niet zelfstandig bedienen.
Ook voor een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte van een wooncomplex wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Van een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte kunnen ook anderen gebruik maken. Deze kunnen daarmee ook ten goede komen van andere personen met een beperking. Om die reden wordt in dat geval bij de individuele belanghebbende geen eigen bijdrage geheven.
Artikel 10.
Primaat van verhuizen
Dit artikel bepaalt bij welk bedrag (wanneer) het primaat van verhuizen beoordeelt dient te worden aan de hand van de in de Uitvoeringsregels genoemde afwegingspunten.
Artikel 12.
Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Dit artikel is een uitwerking van het bepaalde in artikel 10 de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020.
Artikel 14.
Indexering
In dit artikel is vastgelegd dat de jaarlijkse indexatie van tarieven plaatsvindt op basis van de door het Dagelijks Bestuur vastgestelde systematiek. Hiermee is geborgd dat de tarieven binnen de Wmo aansluiten bij de landelijke loon- en prijsontwikkelingen, zoals de Consumentenprijsindex (CPI), de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), de cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (cao VVT) en de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP).
De ISD Bollenstreek voert de indexaties ambtelijk uit binnen deze bestuurlijk vastgestelde kaders en publiceert de geactualiseerde tarieven in het Tarievenoverzicht Wmo ISD Bollenstreek.
Deze werkwijze voorkomt dat voor iedere afzonderlijke indexatie een apart besluit hoeft te worden genomen, terwijl het Dagelijks Bestuur formeel bevoegd blijft tot tariefvaststelling. Beleidsmatige wijzigingen in de indexatiesystematiek worden altijd opnieuw ter besluitvorming aan het DB voorgelegd.
Artikel 16.
Inwerkingtreding; citeertitel
Dit artikel benoemt de citeertitel van dit Besluit en geeft aan wanneer het Uitvoeringsbesluit in werking treedt.
Artikel 17.
Geldigheidsduur
Dit artikel bepaalt dat de geldigheidsduur van dit Uitvoeringsbesluit gelijk loopt aan de duur van de Verordening. Het in de Verordening gestelde met betrekking tot periodieke evaluatie van het gemeentelijke beleid en dientengevolge eventuele bijstelling van de Verordening is eveneens van toepassing op dit Uitvoeringsbesluit.