Beleidsregels Vermogen Werkzaak Rivierenland 2025

Inleiding

Wanneer een inwoner onvoldoende middelen heeft om van te leven, dan kan er recht op bijstand zijn. Onder middelen vallen het inkomen en vermogen. De Participatiewet regelt dat je ook met een klein vermogen recht hebt op bijstaand. Heeft iemand méér vermogen, dan is er geen recht op bijstand. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in hoe zij vaststellen wat het vermogen is. Deze beleidsregels beschrijven hoe Werkzaak Rivierenland omgaat met vermogen en bijstand. In individuele gevallen kunnen we maatwerk toepassen.

 

Wettelijk kader

Artikel 31 van de Participatiewet (Pw)

Artikel 32 Pw

Artikel 34 Pw

Artikel 48 Pw

Artikel 50 Pw

 

Begripsbepalingen

In deze beleidsregels verstaan we onder:

  • a.

    wij: het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland;

  • b.

    de wet: de Participatiewet (Pw);

  • c.

    belanghebbende: degene die een aanvraag doet of en uitkering ontvangt in het kader van de Pw;

  • d.

    vrij te laten vermogen: vermogen tot aan de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de wet;

  • e.

    vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Pw;

  • f.

    co-ouderschap: situatie waarin ouders, die gezag hebben over het kind, na ontbinding van het huwelijk gezamenlijk de verzorging en opvoeding van het kind blijven uitoefenen.

Hoofdstuk 1: Vermogensbestanddelen

Artikel 1: Vrijlating voor lopende uitgaven

Bij de vaststelling van het vermogen aan het begin van de bijstandsperiode laten wij een bedrag vrij voor lopende uitgaven. Dit bedrag is gelijk aan eenmaal de maandnorm waar de belanghebbende recht op heeft, exclusief de vakantietoeslag. Wij trekken dit bedrag af van het saldo van de betaal- en spaarrekening van de belanghebbende.

Artikel 2: Voertuigen

  • 1.

    Wij vinden één auto of motor met een waarde tot € 5.500,00 een algemeen gebruikelijke bezitting. Daarom tellen wij deze waarde niet mee als vermogen.

  • 2.

    Als de belanghebbende meer dan één voertuig bezit (inclusief geschorste voertuigen), dan geldt lid 1 voor het voertuig met de hoogste waarde. De waarde van overige voertuigen tellen wij volledig mee als vermogen.

  • 3.

    Als een auto of motor meer waard is dan het bedrag genoemd in lid 1, dan tellen we het meerdere boven dat bedrag mee als vermogen.

  • 4.

    Als het bezit van een (aangepaste) auto voor de belanghebbende of eventuele gezinsleden om medische redenen noodzakelijk is, dan tellen we de waarde daarvan niet mee als vermogen. De medische noodzaak kan blijken uit een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) of andere objectieve informatie die de belanghebbende aanlevert.

  • 5.

    Wij laten de waarde van een brommer en/of scooter buiten beschouwing met een maximum van één brommer en/of scooter per gezinslid vanaf 16 jaar.

Artikel 3. Caravan, camper en boot

Wij vinden een caravan, camper en boot geen algemeen gebruikelijke bezitting. De waarde hiervan tellen wij daarom volledig mee als vermogen.

Artikel 4. Waardebepaling auto, motor, caravan, camper en boot

Bij de toepassing van artikel 2 en 3 gaan wij uit van de inruilwaarde via een autobedrijf. Voor auto’s gebruiken we daarbij in beginsel de ANWB-koerslijst. Voor een motor, caravan, camper en boot gebruiken we in beginsel een actueel taxatierapport van een dealer of informatie op verkoopsites. Als de belanghebbende voldoende gegevens aanlevert waaruit blijkt dat van een lagere waarde moet worden uitgegaan, dan gaan we uit van die lagere waarde.

Artikel 5. Overige bezittingen in natura

De waarde van de bezitting in natura tellen wij mee als vermogen, tenzij in redelijkheid niet van de belanghebbende kan worden verlangd dat hij de bezitting verkoopt. Dit is in ieder geval zo als het aannemelijk is dat de bezitting van persoonlijke, emotionele betekenis is voor de belanghebbende.

Artikel 6. Uitvaartverzekering

  • 1.

    Wij laten de waarde van een afkoopbare uitvaartverzekering vrij.

  • 2.

    Een uitvaartverzekering in natura en een niet-afkoopbare uitvaartverzekering tellen wij niet mee als vermogen, omdat de belanghebbende over de waarde daarvan niet kan beschikken.

Hoofdstuk 2. Bijzondere situaties en wijzigingen tijdens bijstandsperiode

Artikel 7. Co-ouderschap

Als er sprake is van co-ouderschap, dan wordt de vermogensgrens van een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 34 lid 3 sub b, van de Participatiewet gehanteerd.

Artikel 8. Wijziging leefvorm

  • 1.

    Bij een wijziging van de leefvorm tijdens de bijstandsverlening wordt het vermogen opnieuw vastgesteld. De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van belanghebbende(n)

  • 2.

    In afwijking van lid 1: in de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er is een vermogen dat meer is dan mag worden vrijgelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijk aanwezige vermogen vastgesteld.

  • 3.

    In afwijking van lid 1: in de situatie dat men van gehuwde alleenstaande wordt, en er is een vermogen dat meer is dan mag worden vrijgelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijk aanwezige vermogen vastgesteld.

Artikel 9. Echtscheiding en verlating

Als er sprake is van een echtscheiding of verlating met een boedelscheiding, dan wordt het vermogen voorlopig vastgesteld en na afronding van de boedelscheiding definitief vastgesteld.

Artikel 10. Nieuw vermogen door erfenis

Als een belanghebbende aanspraak maakt op vermogen uit een erfenis, maken wij geen gebruik van de bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 58 lid 2 sub f Pw. Wij merken de erfenis aan als nieuw vermogen op het moment dat de belanghebbende over de erfenis feitelijk kan beschikken.

Hoofdstuk 3. Vermogen in woning en krediethypotheek

Artikel 11. Krediethypotheek

  • 1.

    Bijstand in de vorm van een lening zoals bedoeld in artikel 50 Pw wordt uitsluitend verstrekt onder de zekerheid van een recht van krediethypotheek.

  • 2.

    De waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van de meest recente WOZ-waarde.

  • 3.

    De krediethypotheek, zoals bedoeld in het eerste lid, vestigen wij over het bedrag wat de vrijlating te boven gaat zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d Pw. Dit is de overwaarde van de woning.

  • 4.

    Gedurende de lopende bijstand, zolang de woning niet verkocht is, geldt er geen aflossingsverplichting voor de afbetaling van de lening.

  • 5.

    Zodra de krediethypotheek is ‘volgelopen’ beoordelen wij aan de hand van de huidige WOZ-waarde of de bijstand om-niet moet worden verstrekt of dat de krediethypotheek moet worden aangepast in verband met waardestijging van de woning.

  • 6.

    De aflossing van de lening kan aanvangen op het moment van beëindiging van de bijstandsuitkering en vindt maandelijks plaats.

  • 7.

    De aflossing bedraagt minimaal 5% van het totale inkomen van belanghebbende totdat de woning is verkocht.

  • 8.

    Bij onderbreking van de bijstand kan de bijstand onder dezelfde krediethypotheek worden voortgezet.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 12. Maatwerkbepaling

Als de toepassing van deze beleidsregels in een individueel geval leidt tot onredelijke gevolgen kunnen wij ten gunste van de werkzoekende afwijken van de beleidsregels.

Artikel 13. Intrekking

  • 1.

    De Beleidsregels vermogen van 15 juni 2020 trekken wij in.

  • 2.

    De Richtlijn krediethypotheek en pandrecht Werkzaak van 16 december 2015 trekken wij in.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de bekendmaking ervan.

Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland op 13 november 2025.

De secretaris,

de heer C.H. van de Wetering

De voorzitter,

mevrouw drs. J.H.A. Sørensen

Naar boven