Blad gemeenschappelijke regeling van GBLT
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| GBLT | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2838 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| GBLT | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2838 | beleidsregel |
Beleidsregel berekeningswijze zuiverings- en verontreinigingsheffing bedrijfsruimten 2026
Het dagelijks bestuur van GBLT;
gelezen het voorstel van 12 november 2025;
het gewenst is om een beleidsregels vast te stellen omtrent de uitvoering van de zuiverings- en verontreinigingsheffing bij bedrijfsruimten.
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83, 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en
artikel 24, dertiende lid, Gemeenschappelijke Regeling GBLT;
b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregel:
Beleidsregel berekeningswijze zuiverings- en verontreinigingsheffing bedrijfsruimten 2026
In het geval de heffingplichtige in zijn aangifte geen meterstanden vermeldt of niet is uitgenodigd om aangifte te doen en de ambtenaar belast met de heffing ook niet op andere wijze over meterstanden rond de jaarwisseling beschikt, dan bepaalt de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid in het heffingsjaar ingenomen drinkwater aan de hand van de hoeveelheid geleverd drinkwater volgens de eindafrekening van het drinkwaterbedrijf die de heffingplichtige in dat heffingsjaar heeft ontvangen.
Als de eindafrekening, bedoeld in het eerste lid, niet plaatsvindt over een verbruiksperiode die gelijk staat aan het aantal etmalen in het tijdvak waarvoor de aanslag wordt vastgesteld, dan berekent de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water voor dat tijdvak door extrapolatie of interpolatie.
Als de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water bepaalt aan de hand van meterstanden over een verbruiksperiode die niet gelijk staat aan het aantal etmalen in het tijdvak waarvoor de aanslag wordt vastgesteld, dan berekent de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water voor dat tijdvak door extrapolatie of interpolatie.
Indien meting, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de hoeveelheid drinkwater van vee niet mogelijk is, dan accepteert de ambtenaar belast met de heffing in beginsel een in de aangifte geclaimde aftrek van die hoeveelheid, als dit valt binnen de volgende bandbreedtes:
* cijfers zijn afkomstig van het Handboek Varkenshouderij 2015 WUR
Artikel 4. Persoonlijke verzorging werknemers
Indien uitsluitend afvalwater wordt afgevoerd of geloosd afkomstig van persoonlijke verzorging van werknemers, en die hoeveelheid niet door meting kan worden bepaald, dan accepteert de ambtenaar belast met de heffing in beginsel een berekening van 50 liter per medewerker per productiedag per jaar, hetgeen overeen komt met 11 m³ per medewerker per jaar (bij 220 productiedagen).
Indien een (tussen)watermeter, als bedoeld in het eerste lid, ontbreekt, wordt op de hoeveelheid ingenomen water een aftrek toegepast van 48 m³ per bewoner van de betreffende woonruimte(n). Het aantal bewoners wordt bepaald aan de hand van het aantal bewoners op 1 januari van het heffingsjaar waarvoor de belastingaanslag wordt vastgesteld.
De ambtenaar belast met de heffing baseert de aanslag op de hoeveelheid ingenomen water die de heffingplichtige doorgeeft aan het waterschap vanwege zijn verplichtingen die zijn verbonden aan de sanering of bronnering, tenzij de ambtenaar belast met de heffing heffingplichtige uitnodigt om aangifte te doen.
Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op bedrijfsruimte, of onderdelen daarvan, waarop artikel 122k Waterschapswet van toepassing is.
Artikel 8. Intrekking oude beleidsregel
De Beleidsregel berekeningswijze en aftrekposten zuiverings- en verontreinigingsheffing bedrijfsruimten van 28 oktober 2020 wordt ingetrokken, maar blijft van toepassing op aanslagen geheven van tijdvakken tot 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur van GBLT in de vergadering van 12 november 2025.
R.A.C. de Haan
Directeur
B.J. van Vreeswijk
Voorzitter dagelijks bestuur
Paragraaf 1 Bepalen hoeveelheid ingenomen water drinkwater
Dit artikel is zowel van toepassing op heffingplichtigen die aangifte moeten doen als heffingplichtigen die geen aangifte hoeven te doen. Bij laatstgenoemde heffingplichtige bepaalt de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water volledig op basis van gegevens van het drinkwaterbedrijf.
Voor het vaststellen van de belastingaanslag is de hoeveelheid in het heffingsjaar ingenomen water van belang. In veel gevallen worden de meterstanden niet rond de jaarwisseling opgenomen. Vaak worden de meterstanden opgenomen op het moment dat de drinkwaterbedrijf de meterstanden opvraagt. Dit artikel bepaalt de wijze waarop de hoeveelheid ingenomen water wordt bepaald indien meterstanden rond de jaarwisseling ontbreken.
In het eerste lid staat dat de ambtenaar belast met de heffing uitgaat van de hoeveelheid drinkwater dat in rekening wordt gebracht op de eindafrekening die de heffingplichtige in het heffingsjaar ontvangt. Ter illustratie: de belastingaanslag voor heffingsjaar 2026 gaat uit van de eindafrekening die de heffingplichtige in het kalenderjaar 2026 reeds heeft ontvangen. Door deze beleidskeuze is elke heffingplichtige in staat om tijdig aangifte te doen. De uitnodiging tot het doen van aangifte wordt namelijk meestal aan het begin van het nieuwe heffingsjaar verstuurd, nog voordat het drinkwaterbedrijf in alle gevallen een eindafrekening heeft verstuurd voor het betreffende kalenderjaar. Ook kunnen de aanslagen aan heffingplichtigen die geen aangifte hoeven doen hierdoor voortvarend worden vastgesteld.
Wanneer de verbruiksperiode op de eindafrekening niet exact gelijk is aan het aantal etmalen in het tijdvak waarvoor de aanslag wordt vastgesteld, berekent de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water in het tijdvak door extrapolatie of interpolatie. Dit doet de ambtenaar belast met de heffing ook wanneer de heffingplichtige aangifte doet van meterstanden die niet exact gelijk staan aan het aantal etmalen in het heffingsjaar.
Het is op basis van dit artikel mogelijk dat de belastingaanslag wordt gebaseerd op een hoeveelheid ingenomen water dat voor een groot deel is ingenomen in een ander kalenderjaar dan het heffingsjaar waarvoor de belastingaanslag wordt vastgesteld. Meestal is de hoeveelheid ingenomen water zodanig stabiel dat dit zelden tot problemen leidt. Er kunnen zich (uitzonderings)situaties voordoen, waarbij deze methode kan leiden tot een onjuist of onevenredige hoge of lage belastingaanslag. Bijvoorbeeld:
In dat geval wordt de belastingaanslag in redelijkheid vastgesteld.
In paragraaf 2.4 van de Nota van toelichting bij het Besluit van 22 april 2025, houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 en enkele andere besluiten in verband met het opnemen van een praktische regeling voor de bepaling van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water en enkele technische wijzigingen (Staatsblad 2025, 130) staat het volgende:
“Om te komen tot een afvalwatercoëfficiënt wordt een aantal stappen doorlopen. Allereerst wordt gekeken of er bij het lozen of afvoeren sprake is van huishoudelijk afvalwater. Ook uit een bedrijfsruimte kan namelijk afvalwater geloosd of afgevoerd worden dat naar aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater uit particuliere huishoudens, dat wil zeggen afvalwater overwegend afkomstig van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden. Voor deze gevallen is reeds bekend dat de afvalwatercoëfficiënt 0,023 v.e./m³ is.”
Het komt geregeld voor dat heffingplichtigen uitsluitend huishoudelijk afvalwater afvoeren of lozen, maar ook (grote) hoeveelheden water innemen voor andere doeleinden die zij niet afvoeren of lozen. Denk bijvoorbeeld aan sportclubs met douchegelegenheid en toiletten (huishoudelijk afvalwater) die ook veel water innemen om de sportvelden te besproeien. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater kan niet altijd door een (tussen)watermeter worden bepaald. Een strikte toepassing van artikel 122k Waterschapswet leidt in deze gevallen tot een onevenredig hoge belastingaanslag.
Omdat van huishoudelijk afvalwater bekend is dat afvalwatercoëfficiënt 0,023 v.e./m³ van toepassing is, kan in deze gevallen, door de hoeveelheid ingenomen water te corrigeren voor het deel dat niet wordt afgevoerd of geloosd, op een eenvoudige manier recht gedaan worden aan het principe de vervuiler betaalt. Hierdoor hoeft de heffingplichtige geen aanvraag te doen om de praktische regeling toe te passen of om afvalwateronderzoek uit te voeren.
In alle andere gevallen voorziet het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 vanaf 1 januari 2026 in een mogelijkheid om een individuele afvalwatercoëfficiënt vast te stellen.
In artikel 2, tweede lid, staat dat de heffingplichtige op wie dit artikel van toepassing is, de hoeveelheid water door middel van een (tussen)watermeter, of – indien meting van deze hoeveelheid niet mogelijk is – door een goed controleerbare berekening, moet vaststellen. Indien de heffingplichtige geen (tussen)watermeter plaatst, terwijl dit wel mogelijk is, kan deze geen aanspraak maken op deze regeling. In het geval het plaatsen van een (tussen)watermeter niet mogelijk is, mag de heffingplichtige volstaan met een goed controleerbare berekening. Bijvoorbeeld door het overleggen van een receptuur en inkoopfacturen/verkoopfacturen van de hoeveelheid in dat heffingsjaar geproduceerd product.
In artikel 3 zijn voor drinkwater vee bandbreedtes opgenomen die de ambtenaar belast met de heffing accepteert.
Persoonlijke verzorging van medewerkers
In sommige gevallen is het van belang om de hoeveelheid ingenomen water voor persoonlijke verzorging van medewerkers te bepalen. Omdat dit niet altijd door meting kan worden bepaald bevat de beleidsregel in artikel 4 vuistregels.
Op grond van artikel 122k Waterschapswet dient de ambtenaar belast met de heffing het aantal vervuilingseenheden te bepalen aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water. De Waterschapswet voorziet niet in een mogelijkheid om rekening te houden met een eventuele correctie op de hoeveelheid ingenomen water, als een deel van het door een bedrijfsruimte ingenomen water wordt verstrekt of doorgeleverd aan een woonruimte.
Dit artikel ziet op de situatie dat met dezelfde watermeter een hoeveelheid ingenomen water voor zowel de bedrijfsruimte als één of meerdere woonruimten gemeten wordt. Denk hier aan een situatie van een winkel (bedrijfsruimte) met een bovenwoning (woonruimte). Om kosten van afvalwateronderzoek, als bedoeld in het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, voor de gebruiker van de bedrijfsruimte te voorkomen bevat dit artikel regels op welke wijze de ambtenaar belast met de heffing rekening houdt met deze situatie.
Het uitgangspunt is dat de hoeveelheid water voor de woonruimte(n) gemeten moet worden. In dat geval corrigeert de ambtenaar belast met de heffing de hoeveelheid ingenomen water met de gemeten hoeveelheid water.
In het geval de hoeveelheid water voor de woonruimte(n) niet wordt gemeten, bepaalt de ambtenaar belast met de heffing deze hoeveelheid aan de hand van het aantal bewoners (48 m³ per bewoner op 1 januari).
De aftrek van 48 m³ is afgeleid uit de ontstaansgeschiedenis van de Waterschapswet. Één vervuilingseenheid geeft de hoeveelheid zuurstof aan die nodig is om het afvalwater dat één persoon gemiddeld op jaarbasis produceert biologisch af te breken. Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik is met de Wet modernisering waterschapsbestel op 29 december 2007 gewijzigd.
In de Nota van Toelichting bij het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 staat:
1 vervuilingseenheid / 0,021 = 47,61 m³ = 48 m³
Het aantal bewoners op 1 januari van het heffingsjaar is bepalend. Dit betekent dat de ambtenaar belast met de heffing alleen kijkt naar het aantal bewoners op 1 januari en geen rekening houdt met eventuele wisselingen in de samenstelling van de bewoning in de loop van het heffingsjaar. De reden om hiervoor een tijdstipbepaling op te nemen is gelegen in doelmatigheid. Het vergt geen complexe berekeningen bij wisselingen in samenstelling van het aantal bewoners. Daar komt bij dat een groot deel van de belastingaanslagen reeds in het heffingsjaar, in plaats van na afloop van het heffingsjaar, definitief worden vastgesteld (forfaitaire bedrijfsruimten). Met een tijdstipbepaling bepaalt de ambtenaar belast met de heffing, voor deze categorie heffingplichtigen, het aantal bewoners op dezelfde wijze, ongeacht het moment waarop de belastingaanslag wordt vastgesteld.
Dit artikel kan leiden tot een berekende hoeveelheid ingenomen water dat negatief is. Omdat zich wel een belastbaar feit voordoet is opgenomen dat de belastingaanslag minimaal één vervuilingseenheid bedraagt.
Paragraaf 3 Bronneringen en saneringen
Deze belastbare feiten kenmerken zich door hun veelal tijdelijke aard en relatief lage vervuilingswaarde per m³ ingenomen water. Een strikte toepassing van artikel 122k Waterschapswet leidt tot een onevenredig hoge belastingaanslag, terwijl het uitvoeren van afvalwateronderzoek of het toepassen van de praktische regeling maar beperkte geldigheid heeft vanwege de veelal tijdelijke aard van het belastbare feit. Op dit moment is er ook weinig informatie beschikbaar om de praktische regeling ambtshalve toe te passen. Daarom is ervoor gekozen om de beleidsregel, zoals die stond in de Beleidsregel berekeningswijze en aftrekposten, te handhaven.
Paragraaf 4 Reikwijdte, inwerkingtreding en citeertitel
Met dit artikel wordt tot uiting gebracht dat deze beleidsregel alleen van toepassing is op zogenaamde tabelbedrijven. Dit zijn heffingplichtigen waar het aantal vervuilingseenheden aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water bepaald wordt. Deze beleidsregel ziet derhalve niet op ‘meetbedrijven’, waar artikel 122g Waterschapswet op van toepassing is.
De beleidsregel is van toepassing op belastingaanslagen die worden opgelegd vanaf heffingsjaar 2026. De Beleidsregel berekeningswijze en aftrekposten die wordt ingetrokken blijft van toepassing op heffingsjaar 2025 en daarvoor gelegen heffingsjaren.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-2838.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.