Treasurystatuut Tribuut belastingsamenwerking

1. Treasuryfunctie

1.1 Begripsbepaling

In dit statuut wordt verstaan onder:

  • a.

    belastingsamenwerking: Tribuut belastingsamenwerking;

  • b.

    treasuryfunctie: de uitvoering van alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële posities, financiële stromen en de hieraan verbonden risico’s;

  • c.

    treasuryfunctionaris: degenen die de treasuryfunctie uitvoeren;

  • d.

    risicomanagement: het beheren van financiële risico’s (renterisico’s, kredietrisico’s, koersrisico’s en interne liquiditeitsrisico’s;

  • e.

    financiering: het aantrekken van vreemd vermogen;

  • f.

    geldstromenbeheer: omvat al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren, zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);

  • g.

    saldobeheer: omvat het beheren van de dagelijkse banksaldi;

  • h.

    liquiditeitenbeheer: omvat het beheer van liquiditeiten tot één jaar;

  • i.

    liquiditeitspositie: omvat het totaal van de rekeningcourantsaldi, kasgeld- en daggeldleningen og/ug (og = opgenomen gelden, ug = uitgezette gelden);

  • j.

    renterisicobeheer: het beheersen van risico’s die voortvloeien uit de mogelijkheid dat in de toekomst de rentelasten van het vreemd vermogen hoger respectievelijk dat de renteopbrengsten van activa lager zullen zijn dan een bepaald wenselijk geacht niveau;

  • k.

    kredietrisicobeheer: het beheersen van de risico’s die voortvloeien uit de mogelijkheid op een waardedaling ten gevolge van het niet na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit;

  • l.

    valutarisicobeheer: het beheersen van risico’s die voortvloeien uit de mogelijkheid van waardedaling van een valuta;

  • m.

    liquiditeitsrisicobeheer: het beheersen van risico’s als gevolg van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjareninvesteringsplanning;

  • n.
  • o.
  • p.

    schatkistbankieren: houdt in dat deelnemende instellingen al hun liquide middelen en beleggingen aanhouden in de schatkist bij het ministerie van Financiën en niet langer financiële geldmiddelen en vermogens bij private partijen buiten de schatkist aanhouden. Schatkistbankieren betekent dat de belastingsamenwerking de middelen die zij (tijdelijk) niet nodig heeft voor de uitoefening van haar taken en verantwoordelijkheden – met andere woorden haar (tijdelijke) overtollige middelen – aanhoudt in de schatkist.

  • q.

    Euribor (Euro Interbank Offered Rate): is het benchmarktarief op de geldmarkt waartegen interbancaire termijndeposito's met een vaste looptijd tot en met één jaar in eurobedragen binnen de Europese Economische en Monetaire Unie aangeboden worden door de ene primaire bank aan de andere primaire bank.

1.2 Inleiding

Het Treasurystatuut Tribuut belastingsamenwerking (hierna te noemen: ‘treasurystatuut’) vormt het kader voor de uitvoering van het treasurybeleid, de zogenaamde treasuryfunctie. De treasuryfunctie ondersteunt, als onderdeel van het financieel beleid, de uitvoering van de publieke taken en biedt mede waarborgen voor de financiële continuïteit van Tribuut belastingsamenwerking (hierna te noemen: ’de belastingsamenwerking’) op korte en lange termijn.

De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico's. Voor Tribuut is de treasuryfunctie beperkt, gelet op de omvang van de exploitatie, de beperkte omvang van investeringen en de gemeentelijke bijdragen.

De specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury worden besproken in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken.

Bij de inrichting van het treasuryproces zorgen de vier elementen sturing, uitvoering, verantwoording en toezicht houden voor duidelijkheid en transparantie.

Het treasurystatuut is een nadere uitwerking van de geldende wetgeving. Bij het opstellen van dit statuut is rekening gehouden met het relevante wettelijke kader in:

 

Het treasurystatuut is voor de belastingsamenwerking beperkt gehouden, omdat de belastingsamenwerking een eenvoudige rol heeft op het gebied van treasury. De behoefte is:

  • 1.

    het aantrekken van geld voor investeringen ten behoeve van de bedrijfsvoering;

  • 2.

    het overbruggen van de mate van bevoorschotting zoals geregeld in de Gemeenschappelijke Regeling Tribuut belastingsamenwerking of bij het offreren van projecten en de voortgang van uitvoering van de projecten en begroting;

  • 3.

    het beheer van de belastinggelden van de deelnemende decentrale overheden.

Voorgaande betekent dat er een langlopende financiering mogelijk is voor investeringen in de bedrijfsvoering en een korte termijn financiering voor de overbrugging van bevoorschotting ten behoeve van uitvoering.

1.3 Doelstellingen van de treasuryfunctie

Bij de belastingsamenwerking gelden de volgende doelstellingen van de treasuryfunctie:

  • 1.

    Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

  • 2.

    Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities;

  • 3.

    Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet Fido en de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut;

  • 4.

    Waarborgen dat de taken en verantwoordelijkheden op het gebied van treasury duidelijk worden geregeld.

 

2. Beleid

De paragraaf financiering in de programmabegroting bevat de plannen voor de treasuryfunctie. Er wordt inzicht gegeven in de uitgangspunten van de treasury-activiteiten.

De paragraaf financiering in de jaarstukken geeft een verslag van de uitvoering van het treasurybeleid in het afgelopen jaar. Daarbij wordt getoetst aan de beleidsvoornemens in de begroting en de bijstellingen van deze voornemens in de wijzigingen van de begroting.

3. Risicobeheer

 

3.1 Uitgangspunten Risicobeheer

Het beheersen en vermijden van risico's staat in het treasurybeleid voorop. In dit verband is het risicomanagement gericht op het inzichtelijk maken van toekomstige risico's en deze te beheersen, te verminderen en te spreiden. Leningen worden niet aangetrokken met het doel deze tegen een hoger rendement uit te zetten.

3.2 Renterisicobeheer

De Wet Fido geeft voor het beheersen van de renterisico's concrete richtlijnen, zijnde de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.

Met betrekking tot het renterisicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • 1.

    De kasgeldlimiet wordt nageleefd conform de Wet Fido;

  • 2.

    De renterisiconorm wordt nageleefd conform de Wet Fido;

  • 3.

    De regels omtrent schatkistbankieren worden nageleefd volgens de Wet Fido en de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden;

  • 4.

    Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie, de liquiditeitsplanning en de rentevisie.

3.3 Kredietrisicobeheer

Het kredietrisico wordt in de eerste plaats beperkt doordat het financieringsbeleid gericht is op het voorkomen van langdurige overschotten.

3.4 Valutarisicobeheer

Valutarisico's worden uitgesloten door alleen leningen te verstrekken, aan te trekken of te garanderen

in euro's.

3.5 Liquiditeitsrisicobeheer

De interne liquiditeitsrisico's wordt beperkt door de treasury- activiteiten te baseren op liquiditeitsplanningen die periodiek worden bijgesteld en zoveel mogelijk synchroon lopen met begroting en jaarstukken.

4. Financiering belastingsamenwerking

 

4.1 Relatiebeheer

Het relatiebeheer wordt zodanig uitgevoerd dat de integriteit van het ambtelijk apparaat niet in het geding komt.

Het beheer van relaties met financiële ondernemingen, waaronder de bankrelaties, valt onder de verantwoordelijkheid van de medewerker die is belast met de uitvoering van de treasuryfunctie.

Onder dit beheer wordt verstaan:

  • 1.

    Het beheer van rekeningen bij verschillende bancaire instellingen;

  • 2.

    Het zorgdragen voor voldoende kredietfaciliteit bij verschillende bancaire instellingen;

  • 3.

    Het beoordelen van bankrelaties en hun bancaire condities op marktconformiteit;

  • 4.

    Het onderhouden van contacten met banken, instellingen en (geld)makelaars ten behoeve van de toegang tot en van kennis over de ontwikkelingen in de financiële markten.

4.2 Geldstromenbeheer

Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op elkaar en de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.

Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank.

4.3 Aantrekken van langlopende financiering

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) te gebruiken. Op deze wijze worden de renterisico's en het renteresultaat geoptimaliseerd;

  • 2.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van langlopende financieringen zijn onder andere onderhandse leningen en obligatieleningen;

  • 3.

    Er worden minimaal drie partijen benaderd voor een offerte.

4.4 Saldo- en liquiditeitenbeheer (Kasbeheer)

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:

  • 1.

    Bij aantrekken van liquiditeiten met een looptijd tot 1 jaar worden bij minimaal 2 instellingen offertes opgevraagd, tenzij de rente lager is dan de betreffende Euribor;

  • 2.

    De toegestane financierings- en beleggingsinstrumenten voor de korte termijn (< 1 jaar) zijn:

    Aan te trekken

    Uit te zetten

    Rekening courant bij banken

    Schatkistbankieren

    Callgeld (daggeld)

     

    Kasgeld

     

5. Administrative organisatie en Interne controle

 

5.1 Uitgangspunten

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:

  • 1.

    De administratieve organisatie en interne controle waarborgen dat:

    • a.

      de uitvoering van de treasuryfunctie conform de gestelde regels plaatsvindt;

    • b.

      de uitvoering rechtmatig en doelmatig is;

    • c.

      de treasuryactiviteiten adequaat kunnen worden uitgevoerd en bijgestuurd;

    • d.

      de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de informatie verzekerd zijn;

  • 2.

    Bevoegdheden zijn via mandaatverlening nader schriftelijk vastgelegd conform artikel 13 [red: dit is nu artikel 29] van de Financiële Verordening Tribuut belastingsamenwerking;

  • 3.

    Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd conform het treasurystatuut van de gemeente Apeldoorn met als belangrijkste voorwaarden:

    • a.

      iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd;

    • b.

      de uitvoering en de controle geschieden door afzonderlijke functionarissen;

  • 4.

    De controller draagt zorg voor minimaal 1 maal per jaar een interne controle van de treasuryfunctie;

  • 5.

    De treasuryfunctionaris houdt te allen tijde alle relevante stukken ter beschikking ter verantwoording van zijn/haar werkzaamheden. De treasuryfunctionaris archiveert alle offertes en de keuzen en overwegingen die tot besluiten in het kader van treasury hebben geleid.

5.2 Verantwoordelijkheden

Het primair bevoegde orgaan tot het aangaan van overeenkomsten tot aangaan en verstrekken van geldleningen is het bestuur van de belastingsamenwerking. Op basis van delegatie wordt deze bevoegdheid overgedragen aan de directeur van de belastingsamenwerking.

De verantwoordelijkheden ten aanzien van treasury zijn:

  • -

    het bestuur:

    stelt de programmabegroting en de jaarrekening en daarmee de financieringsparagraaf vast en stelt het treasurystatuut vast;

  • -

    de directeur:

    is verantwoordelijk voor het treasurybeleid en betalingsverkeer;

    is integraal verantwoordelijk voor de uitvoering van het treasurybeleid en het betalingsverkeer en is namens de belastingsamenwerking opdrachtgever bij uitbesteding;

  • -

    de controller:

    voert de controle uit op de treasuryfunctie;

  • -

    de feitelijke uitvoering van de treasuryfunctie wordt uitbesteed aan de gemeente Apeldoorn.

Het treasurybeleid en elke aanpassing daarvan, moet worden vastgesteld door het bestuur van de belastingsamenwerking.

6. Slotbepalingen

Dit treasurystatuut treedt in werking op de dag volgend op de dag van vaststelling.

7. Citeertitel

Dit statuut wordt aangehaald als 'Treasurystatuut Tribuut belastingsamenwerking'.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van Tribuut belastingsamenwerking op 8 januari 2016,

Dhr. R.A.J. Scholten

Voorzitter

Drs. G.A.G. Eggermont

Secretaris

Naar boven