Blad gemeenschappelijke regeling van Recreatieschap Twente
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Recreatieschap Twente | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2569 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Recreatieschap Twente | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2569 | beleidsregel |
Nota activeren, waarderen en afschrijven Recreatieschap Twente 2025
Deze beleidsnotitie vloeit voort uit artikel 212 van de Gemeentewet en stelt regels op over de wijze waarop Recreatieschap Twente omgaat met activeren, waarderen en afschrijven van vaste activa en het te voeren rentebeleid. Sinds het Besluit Begroting & Verantwoording (BBV) van kracht is worden er eisen gesteld aan de verantwoordingsplicht van gemeenten en gemeenschappelijke regelingen. De artikelen 59 tot en met 65 van het BBV bevatten regels voor activeren, waarderen en afschrijven van vaste activa. De commissie BBV heeft daarnaast nog een aparte notitie Materiële Vaste Activa gepubliceerd in januari 2020 en een Rentenotitie uit 2018.
In de ‘financiële verordening 2023’ is door Recreatieschap Twente vastgelegd dat de nota activeren, waarderen en afschrijven minimaal 1x in de vier jaar wordt beoordeeld en eventueel geactualiseerd. De beleidsnotitie die in 2018 is opgesteld voor, destijds nog, Regio Twente wordt nu dan ook geactualiseerd en gespecificeerd voor Recreatieschap Twente.
Wijzigingen in deze nota ten opzichte van de nota uit 2018 zijn met name:
Deze gewijzigde nota wordt ter vaststelling voorgelegd aan het bestuur van Recreatieschap Twente. Met vaststelling van deze nota geldt deze met ingang van het boekjaar 2025.
In deze nota wordt ingegaan op het activeren en waarderen van investeringen, de te hanteren afschrijvingsmethode en geldende termijnen, en het rentebeleid. De belangrijkste doelstellingen van deze nota zijn:
In ieder hoofdstuk worden relevante wetsartikelen toegelicht. Alle alinea’s worden afgesloten met beleidskeuzes en uitgangspunten, terug te vinden in de samenvatting en in de ronde tekstvlakken in de nota. Daarnaast zijn in de bijlage relevante begrippen opgenomen ter verduidelijking van deze nota, een tabel met afschrijvingstermijnen en een renteschema.
Recreatieschap Twente hanteert een afschrijvingstabel waarin per soort activa een periode is toegekend die overeenkomt met de technische levensduur (zie bijlage 9.2). Een aantal activa hebben een globalere afschrijftermijn toegekend gekregen i.v.m. het verschil in levensduur wat diverse materialen met zich meebrengen.
3. Samenvatting wettelijk kader
Op het moment dat een desinvestering plaatsvindt (bijvoorbeeld de verkoop van een auto), wordt de boekwinst of het boekverlies in het resultaat van het betreffende jaar verwerkt en niet verrekend met de verkrijgingsprijs van een nieuw actief. Het verrekenen is niet toegestaan op grond van het BBV (art. 62, lid 1).
Activeren is het opnemen van investeringen op de balans. Met actief of activa wordt het betreffende kapitaalgoed bedoeld. De lasten die de investering meebrengt, behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten.
Om praktische reden is ervoor gekozen om kleine investeringen niet te activeren op de balans. Een investering wordt daarom geactiveerd als deze een minimum verkrijgingsprijs van minimaal € 5.000, - en een minimale gebruiksduur van drie jaar heeft. Alle overige investeringen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd, hierop wordt echter niet afgeschreven.
De nieuwe activeringsgrens van €5.000,- is gebaseerd op de noodzaak van het beter en tijdig kunnen identificeren van vervangingsbehoeften om onverwachte kosten in de toekomst te verminderen. Ook stelt een lagere activeringsgrens Recreatieschap Twente in staat om een nauwkeuriger en vollediger beeld te krijgen van de kapitaalinvesteringen, waardoor er beter gebudgetteerd kan worden. Wanneer kleinere uitgaven worden geactiveerd en niet direct als kosten worden geboekt, voorkomt dit een gefragmenteerde weergave van de exploitatierekening. Hierdoor worden de operationele kosten realistischer weergegeven en kunnen afwijkingen beter worden geanalyseerd en beheerd.
Niet alle op de balans tot uitdrukking gebrachte uitgaven zijn een investering. Het verstrekken van bijvoorbeeld een geldlening is geen investering, maar wordt door de balansboeking wel behandeld als een investering.
Vaste activa zijn investeringen in duurzame bezittingen die langer dan één jaar ter beschikking staan van de gemeente of gemeenschappelijke regeling (art. 31 BBV). Vaste activa zijn, conform art. 33 BBV, onder te verdelen in immateriële vaste activa (art. 34 BBV), materiële vaste activa (art. 35 BBV) en financiële vaste activa (art. 36, BBV).
Onder immateriële vaste activa worden investeringen verstaan waar geen tastbare bezittingen tegenover staan. Het BBV kent de volgende immateriële activa: kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen, het saldo van agio en disagio, kosten van onderzoek en ontwikkeling en bijdragen aan activa in eigendom van derden (art. 34 BBV).
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
Kosten verbonden aan het sluiten van nieuwe geldleningen en het saldo van agio en disagio mogen geactiveerd worden tegen nominale waarde. Het activeren van immateriële kosten leidt tot bijkomende (rente-)lasten en daarmee uiteindelijk tot hogere exploitatielasten zonder dat daar een voordeel of een materieel bezit tegenover staat.
|
Voorgesteld wordt de kosten van het sluiten van nieuwe geldleningen en het saldo van agio en disagio niet te activeren en direct ten laste van de exploitatie te brengen. |
Kosten van onderzoek en ontwikkeling
Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden geactiveerd als voldaan is aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 60 BBV:
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Artikel 61 BBV schrijft dat bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
Vanwege het voorzichtigheidsprincipe en het “goed koopmansgebruik” worden de lasten direct ten laste van de exploitatie gebracht en niet geactiveerd. Een andere reden om niet te activeren is omdat het gaat om bezittingen van derden, die niet ons eigendom zijn en waarvan het minder juist voorkomt deze te presenteren op de balans.
Materiële vaste activa zijn investeringen waar tastbare bezittingen tegenover staan waar men over meerdere jaren gebruik van kan maken. Artikel 35 BBV schrijft dat in de balans onder de materiële vaste activa afzonderlijk worden opgenomen:
Investeringen met een economisch nut: deze investeringen zijn verhandelbaar en kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Zoals genoemd in artikel 59 BBV moeten activa met een meerjarig economisch nut worden geactiveerd. Uitzondering hierop vormen kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde.
Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven: investeringen die vallen onder artikel 35 BBV dragen bij aan het genereren van middelen, onder meer door het vragen van rechten, heffingen, leges of prijzen voor de kosten van de investering. Conform artikel 59 BBV moeten deze investeringen geactiveerd worden.
Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut: deze investeringen genereren geen middelen, maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. In notitie 4.1 BBV is bepaald dat investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut moeten worden geactiveerd als deze in het begrotingsjaar 2017 of later gereed komen.
In de balans dient aangegeven te worden welke van de materiële vaste activa in erfpacht zijn uitgegeven.
|
Zowel investeringen met maatschappelijk nut als investeringen met economisch nut worden geactiveerd op de balans (art. 59 BBV). |
Investeringen in ICT hardware vallen volgens de notitie materiële vaste activa onder materiële vaste activa zoals bedoeld in artikel 35 lid 1a BBV. Hierbij worden alle investeringen geactiveerd omdat bij investeringen in ICT hardware het in de praktijk gaat om een lage aanschafwaarde en een hoog volume. Dit zou leiden tot onnodige overschrijding van de lasten van ICT aangezien zowel de afschrijvingen van activa aangeschaft in het verleden als investeringen in hardware in dat geval ten laste worden gebracht van de exploitatie.
De kosten voor klein- en grootschalig onderhoud worden niet geactiveerd op de balans. De kosten voor klein onderhoud zijn regelmatig voorkomend en komen daardoor niet voor activering in aanmerking. De kosten voor groot onderhoud zijn niet levensduur verlengend, maar nodig om de garantie te bieden op een technisch goede en veilige staat tijdens de levensduur (Commissie BBV, 2007). Wanneer een aanpassing leidt tot een significante kwaliteitsverbetering is er geen sprake van onderhoud maar van een investering. In dit geval moet geactiveerd worden.
Vervangingsinvesteringen hebben als doel het vervangen van bestaande investeringen, waarvan de oorspronkelijke hoedanigheid van de voorziening niet wezenlijk verandert. Nieuwe investeringen zijn investeringen die een verandering, aanvulling of uitbreiding betekenen van een bestaande situatie of omgeving. Investeringen worden in het BBV omschreven als het vastleggen van vermogen in een object waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Bij een bestaand actief is sprake van een investering als de gemaakte kosten:
Bovengenoemde investeringen worden wel geactiveerd.
Kosten van levensduur verlengende renovaties en/of (vervangings-)investeringen in de openbare ruimte die het gebied een vernieuwende functie geven (bijv. reconstructies/herinrichtingen) worden geactiveerd en afgeschreven. Hierbij kan gedacht worden aan het vervangen van complete brugdekken. Ze leiden namelijk tot een substantiële levensduurverlenging van het actief als geheel.
Het is niet toegestaan kosten van onderhoud te activeren en vervolgens af te schrijven. Onderhoud is niet levensduur verlengend (stellige uitspraak van de commissie BBV), maar dient om het actief gedurende de levensduur in goede staat te houden en wordt daarom niet geactiveerd.
Bij klein onderhoud gaat het om reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen die noodzakelijk zijn om het object blijvend naar behoren te laten functioneren of haar representativiteit te laten behouden. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste of het lopende planjaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. Klein onderhoud komt dus jaarlijks terug en wordt daarom uit de jaarlijkse exploitatiebudgetten bekostigd.
Lasten van groot onderhoud ontstaan na een langere periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard als gevolg van slijtage, dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht.
Groot onderhoud betreft zaken die eens in de zoveel jaar moeten gebeuren. Voor de dekking van deze lasten bestaat de keuze uit het vormen van een voorziening of dekking via de exploitatie. Bij de laatste methode is in veel gevallen sprake van onderhoud kapitaalgoederen in de openbare ruimte.
Het is toegestaan om voor de kosten van groot onderhoud een voorziening te vormen en deze aan te vullen op basis van onderhoudsplannen, waarbij de werkelijke kosten onttrokken worden aan de voorziening.
|
Kosten voor klein en groot onderhoud worden niet geactiveerd op de balans. Investeringen in bestaande activa worden wel geactiveerd. |
Activa dat op de grond gebouwd is, kan in aanmerking komen voor sloop, renovatie of verbouwing. Kosten van sloop van een gebouw mogen worden geactiveerd als onderdeel van het nieuwe materiele actief, indien op dezelfde locatie een nieuw gebouw wordt gerealiseerd. Vanuit het voorzichtigheidsbeginsel is ervoor gekozen om geen sloopkosten te activeren. Het slopen van een actief levert in principe geen waardevermeerdering op en leidt niet tot een nieuwe bezitting.
Financiële vaste activa zijn uitgaven aan verbonden partijen zoals kapitaalverstrekkingen aan verbonden partijen, leningen aan openbare lichamen en verbonden partijen, overige langlopende leningen en uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer in ’s Rijks schatkist, in de vorm van Nederlands schuldpapier en overige uitzettingen (art. 36 BBV).
In deze nota worden voor de financiële activa geen verdere bepalingen opgenomen. Er is bij financiële vaste activa geen sprake van afschrijvingstermijnen, maar aflossingstermijnen. Daarnaast is de looptijd afhankelijk van de duur van de afgesloten lening. Het heeft dan ook geen toegevoegde waarde om voor de financiële vaste activa in het activabeleid termijnen op te nemen.
Leningen verstrekt aan derden worden gewaardeerd en op de balans opgenomen tegen de nominale waarde. De belangen in gemeenschappelijke regelingen en deelnemingen worden gewaardeerd tegen de kostprijs.
Activa worden op de balans gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs (art. 63, lid 1 BBV). De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. De vervaardigingsprijs en de verkrijgingsprijs vallen beide onder de noemer ‘historische kostprijs’. De vervaardigingsprijs is van toepassing op zelf vervaardigde activa, de verkrijgingsprijs op een actief dat is verworven.
Bijkomende kosten en rente mogen aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs toegevoegd worden. Verder mag een redelijk deel van de indirecte kosten worden toegevoegd (art. 63, lid 2 BBV). Onder de indirecte kosten vallen de kosten voor programmamanagement, kosten van PIOFACH-diensten of managementondersteuning. Recreatieschap Twente voegt geen indirecte kosten aan de waardering van het actief toe. Het toerekenen van indirecte kosten werkt kostenverhogend omdat er rente over de indirecte kosten wordt berekend.
Reserves in mindering brengen op de boekwaarde van een investering is niet toegestaan. Reserves mogen wel worden gebruikt ter dekking van de jaarlijkse kapitaallasten (Notitie materiële vaste activa, hfdst. 5 BBV.) Bij de waardering van de vaste activa met economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering, indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is. Bij het waarderen van activa moet het toerekening beginsel in acht worden genomen. Dit houdt in dat de gevolgen van transacties (waaronder opbrengsten en kosten) moeten worden verwerkt op het moment dat zij zich voordoen. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde (art. 65 BBV).
In het BBV is bepaald dat alle vaste activa worden geactiveerd voor het bedrag van de investering (art. 62, lid 1), met uitzondering van de in artikel 62 lid 2 en 3 gestelde bepalingen dat:
|
Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs. Er worden geen indirecte kosten of rente aan de waardering van het actief toegerekend. |
6.1 Wettelijk kader afschrijvingen
Het BBV geeft geen sluitend systeem waar afschrijvingen aan moeten voldoen. Wel zijn er een aantal kaders gesteld in artikel 51 en 64, te weten:
Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar (art. 64 lid 2);
Activa wordt jaarlijks afgeschreven volgens een methode die is afgestemd op de verwachte gebruiksduur (art. 64, lid 3 BBV). De meest voorkomende methoden zijn hieronder beschreven.
Bij deze methode zijn de afschrijvingslasten jaarlijks gelijk. De rentekosten nemen jaarlijks af, doordat het beslag op vermogen kleiner wordt. De kracht van deze methode is de eenvoud.
Bij deze methode vormen afschrijvingen en rente samen jaarlijks een vast bedrag, de annuïteit. Het rentebestanddeel neemt daarin door daling van de boekwaarde jaarlijks af. Traditioneel geldt dit systeem als aan te bevelen in situaties, waarin geen economische slijtage te verwachten is.
Degressieve afschrijvingsmethode
Bij deze methode nemen de jaarlijkse afschrijvingslasten gedurende de levensduur van het activum jaarlijks af. Deze methode leent zich het best voor die activa waarbij de economische waardevermindering in de beginjaren groot is.
Afschrijven naar rato van verbruik
Deze methode is sterk gekoppeld aan de technische slijtage van het activum en onderscheidt zich van de voorgaande methodieken doordat het variabele afschrijvingsbedrag slechts achteraf kan worden berekend.
Er zijn drie keuzes om het moment van afschrijving te bepalen. Dit kan in het jaar waarin het actief gereed komt of verworven wordt, in het jaar waarin het actief in gebruik genomen wordt en tot slot in het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het actief gereed komt of verworven wordt. Recreatieschap Twente begint met afschrijven in het begrotingsjaar volgend op het jaar waarin het actief in gebruik wordt genomen. Vanwege efficiency redenen (minder administratieve lasten) en omdat niet altijd exact is vast te stellen wanneer een kapitaalgoed gereed is gekomen, wordt gekozen voor dit moment van afschrijven. Daarnaast wordt om praktische redenen gekozen om afschrijvingen jaarlijks te berekenen en te boeken.
Het BBV schrijft niet voor welke termijnen gelden voor welke activa. Het BBV zegt wel dat de afschrijvingstermijn overeen moet komen met de verwachte economische en/of technische levensduur. Technische levensduur is de periode dat het actief in technische zin nog functioneel is. Economische levensduur is de periode dat het actief in economische zin nog functioneel is en gaat dus in op het rendabel gebruik van het activum. Recreatieschap Twente hanteert een afschrijvingstabel waarin per soort activa een periode is toegekend die overeenkomt met de technische levensduur. De afschrijvingstabel is opgenomen in bijlage 9.2 van deze nota.
Voor activa die niet met name zijn genoemd, en waarover in de praktijk twijfel kan ontstaan, zal de geschatte gebruiksduur worden gerelateerd aan vergelijkbare investeringen die wel in de tabel staan.
Afschrijvingstermijnen mogen nooit langer, maar wel korter zijn dan de economische c.q. technische levensduur. Ook mogen afschrijvingstermijnen nooit langer, maar wel korter, zijn dan de in de bijlage 9.2 opgenomen termijnen.
Bij een aantal activa is een globale afschrijftermijn toegekend. Dit heeft te maken met het verschil in levensduur wat diverse materialen met zich meebrengen. Zo gaat een brug van hout minder lang mee dan een brug van beton. Wanneer er investeringen plaatsvinden met een globaal toegekende afschrijftermijn worden de afschrijftermijnen door werkafspraken vastgelegd.
De restwaarde is de waarde van het activum aan het einde van de gebruikstermijn en kan in mindering worden gebracht op het af te schrijven bedrag. Op grond van het voorzichtigheidsbeginsel wordt voorgesteld om geen rekening te houden met een restwaarde. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd vanwege de grote mate van onzekerheid over de ontwikkeling omtrent de toekomstige gebruiksduur en het bepalen van de mogelijke restwaarde. De activa waarvan de economische levensduur voorbij is blijven zolang ze nog in gebruik zijn in de activa-administratie opgenomen. Omdat op gronden niet wordt afgeschreven, is de restwaarde gelijk aan de historische aanschafwaarde.
De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (art. 64 BBV). Extra afschrijven is niet toegestaan. Hiervan kan alleen afgeweken worden als er sprake is van een duurzame waardevermindering of als het actief eerder buiten gebruik wordt gesteld. De noodzakelijke extra afschrijvingen worden ten laste van de exploitatie gebracht.
Artikel 64 lid 2 BBV schrijft voor dat slechts om gegronde redenen de afschrijvingen mogen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
Een gemeenschappelijke regeling kan kiezen de componentenbenadering toe te passen voor materiële vaste activa. Deze benadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief afzonderlijk worden afgeschreven op basis van het individuele waarde verloop van die delen. De opdeling wordt gemaakt, omdat de economische gebruiksduur per samenstellend deel kan verschillen. Op deze manier worden bijvoorbeeld voor een gebouw, de bijbehorende technische installaties en de terreininrichting verschillende afschrijvingstermijnen gehanteerd.
Het BBV schrijft voor dat toerekenen van rente geschiedt vanuit het taakveld treasury. Direct toerekenbare rente wordt ten laste gebracht op het betreffende taakveld. Daarnaast beveelt de commissie BBV aan om het door hun opgestelde renteschema te hanteren en toe te voegen aan de paragraaf financiering in de begroting en jaarstukken.
Indien een lening specifiek is aangetrokken voor een project of (door)verstrekking, is sprake van projectfinanciering. Zowel de rentelast van projectfinanciering alsook de rentebaat van door verstrekte leningen moet aan het betreffende taakveld worden toegevoegd.
7.2 Rentevergoeding over eigen vermogen
Het BBV schrijft voor dat de rentevergoeding over het eigen vermogen maximaal wordt gebaseerd op het gewogen gemiddelde samenstel van externe rentelasten over de lang en kort aangetrokken financieringsmiddelen. In het BBV blijft de mogelijkheid bestaan om een rentevergoeding over het eigen vermogen en de voorzieningen te berekenen en deze door te belasten aan de taakvelden. Het BBV beveelt aan dit vanwege inzicht, eenvoud en transparantie echter niet toe te passen.
7.3 Rentevergoeding over kapitaallasten
In de hoofdstukken 4 tot 6 is ingegaan op activa en afschrijvingen. De kapitaallasten bestaan naast afschrijvingen op activa uit rentekosten, de zogenaamde omslagrente. Zo wordt er een vergoeding in rekening gebracht bij de programma’s voor gebruik van de financieringsmiddelen. De rente wordt berekend over de boekwaarde van het actief bij aanvang van het boekjaar. Het percentage wordt conform BBV jaarlijks vooraf berekend aan de hand van rentelasten en rentebaten op respectievelijk opgenomen en verstrekte geldleningen. De omslagrente moet vervolgens op consistente en eenduidige wijze worden toegerekend aan de individuele activa. Het is niet toegestaan om per investering of taakveld te differentiëren in het toe te rekenen rentepercentage. Het bij de begroting (voor)gecalculeerde omslagpercentage mag binnen een marge van 0,5% worden afgerond.
Uitgaven opnemen op de balans en de lasten over meerdere jaren ten laste van de exploitatie brengen. Dit in tegenstelling tot de uitgaven die direct ten laste van de exploitatie worden gebracht. De volgende activa worden onderscheiden:
Het jaarlijks tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van de investering ten gevolge van (economische) veroudering. Conform de comptabiliteitsvoorschriften wordt afgeschreven op de historische kostprijs of aanschafwaarde.
Wanneer een aandeel of obligatie boven zijn nominale waarde wordt uitgegeven, is het gedeelte van het bedrag boven deze waarde het agio. Wanneer deze onder zijn nominale waarde wordt uitgeven, spreekt men van een disagio.
De historische kostprijs of aanschafwaarde minus de reeds afgeschreven termijnen.
De boekhouding op een algemeen geaccepteerde manier voeren.
Een uitgaaf van enige omvang, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Daarom worden de lasten niet in één keer ten laste van de begroting (exploitatie) gebracht, maar verspreid over meerdere jaren. Hoeveel jaren is afhankelijk van de verwachte economische levensduur van het aangeschafte goed. Er is onderscheid in o.a. vervangings- en uitbreidingsinvesteringen. Een vervangingsinvestering is een vervanging van een eerdere (inmiddels afgeschreven) investering. Een uitbreidingsinvestering is een nieuwe investering, die past binnen het hier beschreven beleid.
Kapitaalgoederen zijn objecten met een meerjarig nut. Een relatief groot deel van het vermogen van gemeenten zit besloten in kapitaalgoederen.
De som van afschrijvingslasten en toegerekende rentekosten aan vaste activa.
De rente die wordt toegerekend aan de nog niet afgeschreven activa. Deze rente wordt berekend over de boekwaarde van de activa.
De kredietvergoeding die jaarlijks over investeringen wordt berekend. Het gaat daarbij om een vergoeding voor het beslag dat gelegd wordt op het vermogen.
Verkrijgings- en vervaardigingsprijs
De verkrijgingsprijs wordt gedefinieerd als zijnde inkoopprijs en de bijkomende kosten en de vervaardigingsprijs wordt gedefinieerd als zijnde de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
Dit principe houdt in dat verliezen en kosten genomen moeten worden zodra deze te voorzien zijn en winsten pas als deze daadwerkelijk gerealiseerd zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-2569.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.