Het Dagelijks Bestuur van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland;
gelet op:
- •
de Gemeenschappelijke regeling van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland 2024
- •
de instemming van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR)
- •
de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO) Veiligheidsregio’s, met name de hoofdstukken 3, 8, 10d, 12, 14 en 15
gezien de schriftelijk bereikte overeenstemming in de commissie voor Georganiseerd Overleg
d.d. 26 augustus 2025
besluit:
- 1.
vast te stellen het “Doorlopend Sociaal Statuut Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland”.
Inleiding
Het werk en de omstandigheden waarin wordt gewerkt, veranderen continu. Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) wil echter formele organisatieveranderingen tot een minimum beperken. Als het toch nodig blijkt de organisatie (structureel) aan te passen, hanteren we bij voorkeur het principe van organisch veranderen: werkenderwijs in nauwe samenwerking met de medewerkers met actieve betrokkenheid van de Ondernemingsraad en het Georganiseerd Overleg veranderingen ‘vanzelf’ laten ontstaan en laten groeien met de daarbij horende rechtspositionele waarborgen voor de medewerkers. Organisatieveranderingen worden hiermee geleidelijk(er) doorgevoerd, zijn veelal minder ingrijpend voor de medewerkers en de werkprocessen, terwijl de besluitvorming juist aanzienlijk sneller plaats kan vinden. Bovendien biedt werken volgens het principe van organisch verandering ontwikkelkansen voor medewerkers.
Organisch veranderen kan alleen plaatsvinden als de organisatieverandering op voorhand niet leidt tot de aanwijzing van boventallige medewerkers.
Hoofdstuk 3 van dit Sociaal Statuut bevat de uitwerking van de uitgangspunten van organisch veranderen. Voor organisatieveranderingen die zich niet lenen voor het principe van organisch veranderen gelden de bepalingen van hoofdstuk 4 e.v. van het Sociaal Statuut. Hierin zijn de verschillende formele fasen van een klassieke organisatiewijziging uitgewerkt. Bij deze organisatieveranderingen zal de werkgever zich maximaal inspannen om boventalligheid dan wel gedwongen ontslag van medewerkers te voorkomen. een belangrijk uitgangspunt. Gedurende het organisch veranderproces kan in incidentele gevallen op basis van een maatwerkafspraak tussen werkgever en medewerker een beroep gedaan worden op de bepalingen van hoofdstuk 4 e.v. van het Sociaal Statuut.
Met de Ondernemingsraad en het Georganiseerd Overleg (samen: medezeggenschap) wordt aan de voorkant van een organisatiewijziging overleg gevoerd over de vraag of organisch veranderen van toepassing is of dat overgegaan wordt tot toepassing van hoofdstuk 4 e.v. van het Sociaal Statuut. Ook kan in overleg met het Georganiseerd Overleg gedurende een organische verandering besloten worden alsnog over te gaan tot toepassing van hoofdstuk 4 e.v. van dit Sociaal Statuut als in de praktijk blijkt dat het organisch veranderingsproces toch leidt tot belangrijke wijzigingen met nadelige gevolgen voor medewerkers (zoals de aanwijzing van boventallige medewerkers terwijl deze uitkomst vooraf niet was voorzien). Eventuele wijzigingen die op grond van het organisch veranderen al zijn doorgevoerd, worden op dat moment opnieuw bekeken.
Inhoudsopgave
pagina
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 4
Hoofdstuk 2 Procedurele bepalingen 9
Hoofdstuk 3 Organisatiewijziging via het principe van organisch veranderen 11
Hoofdstuk 4 Algemene uitgangspunten voor sociaal beleid bij interne organisatiewijziging 13
Hoofdstuk 5 Overige organisatiewijzigingen 17
Hoofdstuk 6 Aanvullend Beleid bij VWNW-traject 18
Hoofdstuk 7 Herplaatsingsprocedure 21
Hoofdstuk 8 Privatisering en taakoverheveling 23
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen 25
Toelichting 26
Toelichting Doorlopend Sociaal Statuut VNOG
Het voorliggende Sociaal Statuut is een aanvulling op hoofdstuk 10d van de CAR-UWO Veiligheidsregio’s.
In dit Sociaal Statuut worden de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke gevolgen geregeld van de medewerkers van wie de functie of rechtspositie door een reorganisatie worden ‘geraakt’. Het vormt de basis waarop werkgever en medewerker elkaar voorstellen kunnen doen over de wijze waarop voorkomende problemen kunnen worden opgelost.
Hoofdstuk 1
Artikel 1:4
Het Ontslagbesluit is een onderdeel van het private arbeidsrecht, waarin de regels staan die het UWV hanteert voor het geven van toestemming voor ontslag. Voor dit Sociaal Statuut is aansluiting gezocht bij deze regels voor wat betreft de toepassing van het afspiegelings- en anciënniteitsbeginsel. Het afspiegelingsbeginsel zoals gehanteerd in het Ontslagbesluit geldt voor ontslagen uit een groep uitwisselbare functies, bijvoorbeeld de groep helpdeskmedewerkers of de groep productiemedewerkers.
Het afspiegelingsbeginsel is een methode om de herplaatsingsvolgorde te bepalen. Het komt er samengevat op neer dat volgens artikel 11 van de Ontslagregeling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het personeel per categorie ongewijzigde functies, met inbegrip van uitwisselbare functies, in leeftijdsgroepen wordt ingedeeld waarna het personeelsbestand zo wordt ingekrompen dat de leeftijdsopbouw binnen de categorie ongewijzigde functies en uitwisselbare functies voor en na de organisatieverandering verhoudingsgewijs zoveel mogelijk gelijk blijft en binnen een leeftijdsgroep (leeftijdscategorieën: tot 25 jaar, 25 tot 35 jaar, 35 tot 45 jaar, 45 tot 55 jaar en 55 jaar en ouder) de ambtenaar met de hoogste anciënniteit als eerste voor plaatsing in aanmerking komt.
In het Ontslagbesluit komt het afspiegelingsbeginsel niet in de plaats van het anciënniteitbeginsel maar wordt het toegepast voordat naar anciënniteit wordt gekeken. Dit betekent dat per leeftijdscategorie het aantal boventallig te verklaren medewerkers wordt bepaald. Welke individuele medewerkers uit de verschillende leeftijdscategorieën boventallig worden, wordt uiteindelijk bepaald door het aantal dienstjaren: het anciënniteitsbeginsel. De achterliggende gedachte hierachter is dat de bestaande leeftijdsopbouw binnen de organisatie zoveel mogelijk wordt gehandhaafd.
Hoofdstuk 2
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar wanneer er daadwerkelijk sprake is van een organisatiewijziging en hoe en wanneer de medezeggenschap hierbij wordt betrokken. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Wet op de Ondernemingsraden en hoofdstuk 12 van de CAR UWO Veiligheidsregio’s (overleg met organisaties van overheidspersoneel).
Hoofdstuk 3
Organisch veranderen is niet mogelijk als op voorhand duidelijk is, dat de verandering zal leiden tot de aanwijzing van boventallige medewerkers. In het proces van organisch veranderen is een aantal fases te onderscheiden. In de oriëntatiefase wordt met actieve betrokkenheid van medewerkers en de ondernemingsraad een plan van aanpak opgesteld. Over dit plan van aanpak wordt advies aan de OR gevraagd
Gedurende de organisatieverandering behouden de medewerkers hun oorspronkelijke rechtspositie en kan in overleg met de OR besloten worden alsnog over te gaan tot een klassieke organisatiewijziging. Individuele afspraken met medewerkers in deze fase worden schriftelijk vastgelegd.
Als in de evaluatie blijkt, dat het organisch veranderproces geslaagd is, wordt de OR om adviesgevraagd voordat de veranderingen worden geformaliseerd.
Hoofdstuk 4
Dit hoofdstuk gaat in op de algemene uitgangspunten voor sociaal beleid bij een interne organisatiewijziging. Ook in deze hoofdstukken is aansluiting gezocht bij de bepalingen in hoofdstuk 10d van de CAR-UWO Veiligheidsregio’s..
Hoofdstuk 6
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op mobiliteit bevorderende maatregelen en voorzieningen bij reorganisaties.
Voorzieningen en faciliteiten worden in de vorm van een individuele maatwerkregeling aan de medewerkers toegekend en in een “van werk naar werk”-contract vastgelegd (artikel 10d:16 CAR-UWO Veiligheidsregio’s).
Bij mobiliteit bevorderende maatregelen kan aan een groot scala van voorzieningen en faciliteiten worden gedacht, die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van het probleem van (dreigende) boventalligheid. Voorzieningen en faciliteiten kunnen zowel los van elkaar als in combinatie worden toegekend.
Mogelijke voorzieningen kunnen zijn:
- •
psychologische ondersteuning: aan medewerkers kan op hun verzoek aanvullende kortdurende begeleiding door een psycholoog of arbeidsdeskundige worden aangeboden ten behoeve van de emotionele verwerking van het verlies van de functie;
- •
opstellen van arbeidsmarktprofiel;
- •
opstellen zoekprofiel: als blijkt dat geen helder zoekprofiel kan worden verkregen, kan een extern loopbaanadvies worden gevraagd, dan wel een assessment of een potentieel analyse of ander aanvullend onderzoek zoals arbeidsdeskundig onderzoek worden aangeboden;
- •
verlenen van sollicitatieverlof of faciliteiten voor sollicitatietraining;
- •
aanbieden van her-, om- en/of bijscholing voor zover dat aantoonbaar bijdraagt aan het vervullen van een nieuwe functie of het bevorderen van de kansen op het verkrijgen van een nieuwe functie;
- •
aanbieden van interim-functievervulling, detachering, collegiale doorlening en stage voor zover dit bijdraagt aan een vergroting van de (her)plaatsingsmogelijkheden;
- •
outplacement(begeleiding);
- •
aanpassen van de reguliere opzegtermijn als de medewerker een andere functie heeft gevonden;
- •
proefplaatsing in een functie gedurende maximaal 1 jaar (proefplaatsing voor de duur van ten hoogste 6 maanden, met maximaal 6 maanden verlenging);
- •
terugkeergarantie interne herplaatsing: als binnen drie maanden na herplaatsing binnen de organisatie (zonder voorafgaande proefplaatsing) blijkt dat de nieuwe functie toch niet passend is, kan de medewerker op eigen verzoek één keer opnieuw door het bestuur boventallig worden verklaard. De periode waarin de medewerker vóór herplaatsing al boventallig was, wordt dan in mindering gebracht op de duur van het ‘Van Werk Naar Werk’-traject;
- •
voorrang bij interne vacatures;
- •
terugkeergarantie bij externe plaatsing (beperkte periode en als er formatie beschikbaar is);
- •
kwijtschelding van financiële verplichtingen (verhuizing, studiekosten, ouderschapsverlof);
- •
salarissuppletie bij aanvaarding van lager gehonoreerde functie (tijdelijk of afkoop);
- •
vermindering van aanstellingsomvang met gedeeltelijke compensatie van het arbeidsurenverlies (afkoop);
- •
ontslagvergoeding bij ontslag op eigen verzoek;
- •
maatwerk oplossingen i.c.m. keuze- en deeltijdpensioen.
Het beschikbaar stellen van mobiliteit bevorderende voorzieningen in de pre-reorganisatie-fase is vooral van belang in de gevallen waarin personele gevolgen van een toekomstige reorganisatie voorzienbaar zijn. Zo kan in vroeg stadium met gerichte maatregelen mobiliteit worden bevorderd waardoor personele knelpunten in de vorm van boventalligheid in een later stadium kunnen worden voorkomen of verminderd.
Artikel 6.7 en 6.8
Deze artikelen geven aan wanneer er sprake is van een salarisgarantie en hoe omgegaan wordt met persoonlijke toelages en persoonsgebonden toelages bij interne organisatie¬wijzigingen.
Artikel 6.11
Dit artikel geeft de rechten van een medewerker weer als deze een functie aanvaardt buiten VNOG in het geval er in de herplaatsingsprocedure geen passende of geschikte functie is gevonden.
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 7 gaat in op de procedure zoals die wordt gehanteerd in geval van herplaatsing. Hoe de herplaatsingscommissie is samengesteld, hoe de herplaatsings¬commissie advies uitbrengt en wanneer.
Hoofdstuk 8
Ook in hoofdstuk 8 is aansluiting gezocht bij de bepalingen in hoofdstuk 10d van de CAR-UWO Veiligheidsregio’s. De bepalingen in hoofdstuk 8 zijn alleen van toepassing als er sprake is van privatisering of overheveling van taken.
Artikel 8.2
Dit artikel geeft de spelregels weer bij privatisering c.q. taakoverheveling. Het principe is dat de medewerker het werk volgt. De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om dit te realiseren.
Lid 3 bepaalt dat de bij de privatisering c.q. taakoverheveling betrokken medewerkers in de gelegenheid worden gesteld om hun belangstelling kenbaar te maken voor vacante functies of functies die naar verwachting op korte termijn vacant zullen worden.