Blad gemeenschappelijke regeling van Zaffier
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaffier | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2316 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaffier | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 2316 | beleidsregel |
Beleidsregels vorderingen ouder dan 20 jaar Participatiewet, WWB, nAbw, Abw, RWW, Wwik. WIJ, IOAW, IOAZ, en RZ, BZ en Bbz 2004 Zaffier
Artikel 2. Algemene bepaling met betrekking tot gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
Het bepaalde in artikel 2 sub b van de Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2004, Tozo en invordering bestuurlijke boete Zaffier is van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregels.
Hoofdstuk 2 KWIJTSCHELDING VORDERINGEN MET EEN BESLUITDATUM LANGER DAN 20 JAAR GELEDEN
Artikel 4. Debiteuren die niet (meer) betalen
Met inachtneming van het gestelde in artikel 3 van deze beleidsregels vindt bij (restant)vorderingen met een besluitdatum, die 20 jaar of ouder is, de ontstaansgrond van de vordering overeenkomt met artikel 58, eerste lid Pw en deze vorderingen niet vallen onder het gestelde in voorgaand lid onder c en d. wel altijd een dossieronderzoek plaats.
Artikel 6. Afwegingskader bij dossieronderzoek
Bij het dossieronderzoek in de situaties van artikel 4, tweede lid en artikel 5, tweede lid van deze beleidsregels vindt een afweging plaats op basis van:
Artikel 7. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien
Inzake de onderwerpen, die vallen onder de discretionaire bevoegdheid van Zaffier, waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist Zaffier.
Aldus vastgesteld op 11 september 2025 te Alkmaar
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Zaffier,
R. te Beest
J. Mokveld
Toelichting op de beleidsregels
De praktijk laat zien dat inning van vorderingen een complex traject is.
Vorderingen met een besluitdatum van meer dan 20 jaar geleden zijn nog lastiger om te innen.
Er gaat onevenredig veel tijd in incassopogingen op het oude vorderingenbestand zitten, terwijl die tijd beter besteed kan worden aan inning van vorderingen van een jongere datum en met name op het inzetten van meer contactmomenten met de debiteur vanaf het moment van ontstaan van de vordering. Er is dan meer tijd om de inning te begeleiden en in gesprek te gaan met de debiteur als er zich wijzigingen voordoen welke invloed kunnen hebben op de aflossingsmogelijkheden. Het inningstraject wordt dan meer een traject op maat met meer mogelijkheden tot persoonlijk contact. Dit kan leiden tot het sneller afbetalen van de vordering, zodat de debiteur eerder geen betalingsverplichting meer heeft.
Het gaat bij vorderingen ouder dan 20 jaar in de regel om hoge)re bedragen aan teveel of ten onrechte ontvangen uitkering met vaak een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht als ontstaansgrond.
Deze vorderingen zijn altijd juist gestuit en dus niet verjaard. Dit betekent dat we de vorderingen ook na 20 jaar in principe nog kunnen blijven incasseren.
Welk beleid is van toepassing?
Conform onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:CRvB:2023:1458) is het beleid van toepassing dat gold ten tijde dat de vordering is ontstaan.
De vorderingen waar het omgaat zijn vóór 1 januari 2013 ontstaan. Het gevolg is dat bij toetsing of van verdere inning kan worden afgezien niet getoetst mag worden aan het huidige wetgeving, dat soepeler is.
Toetsing mag alleen aan de hand van artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB). In artikel 58 van de WWB was echter niets geregeld over de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) invordering. Het toen geldende (strengere) beleid vormt dus de grondslag.
Sommige vorderingen zijn van voor de WWB. Gelet op het ontbreken van overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de WWB, moet er in dit geval toch aan de bepalingen van de WWB worden getoetst. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
Zaffier mag de beoordeling tot verder afzien van invordering voor deze vorderingen dus alleen toetsen aan de WWB en de beleidsregels die golden ten tijde van de ontstaansdatum van de vordering.
Deze beperkte armslag doet geen recht aan de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en is dus niet wenselijk in de huidige tijdsgeest. Het is niet passend bij de visie, missie en dienstverlening van Zaffier.
Daarbij wordt in de huidige rechtspraak meer de nadruk gelegd op het evenredigheidsbeginsel en zijn daaromtrent veel ontwikkelingen. Dit betekent dat zowel in beleid als bij de toepassing daarvan in het individuele geval een belangenafweging dient plaats te vinden. In jurisprudentie spelen naast herstel in de rechtmatige situatie door terug- en in te vorderen, rechtvaardigheid en daarmee behoud draagvlak voor het sociale zekerheidsstelsel ook de oudheid van de vordering en het bieden van perspectief op een schuldenvrije toekomst een rol bij het maken van de belangenafweging. Vanuit die zienswijzen is deze beleidsregel vorm gegeven.
Effect kwijtschelding overheidsvordering op debiteur
Het bieden van een schuldenvrije toekomst is weliswaar het argument als het gaat om het belang van de debiteur, maar dit belang moet wel in ruimer perspectief geplaatst worden.
De Universiteit van Leiden heeft een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat er geen echte effecten van de kwijtschelding zijn te vinden op het hebben van betaalde arbeid, het looninkomen, het gebruik van bijstand en medicijngebruik voor mentale gezondheidsproblemen. De meerderheid van de debiteuren heeft namelijk ook nog andere schulden naast een bijstandsvordering.
Maatwerk is in deze ook weer de sleutel. Bij het onderzoek is kijken naar mogelijkheden voor een oplossing voor alle schulden leidend om de schuldenproblematiek geheel aan te pakken en tot een sluitende oplossing en daarmee een schone lei te komen.
Artikelsgewijze toelichting, waar nodig
Deze beleidsregels hebben een werkingsduur tot maximaal 1 januari 2033. Voor vorderingen met een ontstaansdatum na 1 januari 2013 geldt namelijk de wettelijke verplichting dat voldaan moet zijn aan minimaal 120 termijnen aflossing naar draagkracht om van verdere inning te kunnen afzien of kwijtschelding te geven.
Deze wettelijke verplichting geldt niet voor vorderingen ontstaan vóór 1 januari 2013.
Maatschappij ondermijnende activiteiten hebben negatieve en verstrekkende gevolgen voor de samenleving. Het past niet binnen een congruent overheidsbeleid als dit niet streng in samenhang wordt aangepakt. Uiteraard wordt wel meegenomen in deze overweging of de ondermijnende activiteiten het gevolg zijn van het door criminelen gebruiken van kwetsbare personen en de debiteur dus tegelijkertijd dader en slachtoffer is. Dit blijkt uit het proces verbaal. Is dit laatste het geval dan kan worden afgezien van verdere invordering mits is voldaan aan een van de voorwaarden of als dit uit de belangenoverweging voortvloeit.
Indien tegenover een vordering een zekerheidsstelling staat, dan wordt deze zekerheidsstelling altijd uitgewonnen en wordt daarmee de vordering voldaan. Daarom vallen dit soort vorderingen niet onder deze beleidsregels.
In sommige gevallen kan het meerdere decennia duren voordat de zekerheidsstelling openvalt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-2316.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.