Blad gemeenschappelijke regeling van Avri
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Avri | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 1547 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Avri | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 1547 | beleidsregel |
Voor u ligt de nota activabeleid Avri 2025. In de financiële verordening Gemeenschappelijke Regeling Avri 2023 zijn de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vastgesteld. In artikel 9 van deze verordening is voor wat betreft de waardering en afschrijving vaste activa vastgelegd dat het dagelijks bestuur door middel van een nota investeringen en afschrijvingen voorstellen doet aan het algemeen bestuur met betrekking tot de wijze waarop activa wordt gewaardeerd en afgeschreven. Deze nota activabeleid is een actualisering van de nota activabeleid 2018.
De doelstelling van deze nota is het formuleren van beleid en het vastleggen van uniforme regels voor vaste activa. Meer specifiek gaat de nota daarom in op:
Deze nota activabeleid Avri 2025 legt de formele kaders vast, waarbinnen het dagelijks bestuur alsmede de organisatie dienen om te gaan met investeringen en afschrijvingen.
Met deze nota wordt vastgelegd hoe de gemeenschappelijke regeling Avri omgaat met kapitaalgoederen. Dit geeft helderheid wanneer investeringsbeslissingen aan de orde zijn. De nota is een kader, waarvan indien nodig kan worden afgeweken. In dergelijke gevallen wordt bij het investeringsvoorstel het algemeen bestuur om instemming gevraagd.
Deze nota sluit aan bij de Gemeentewet (artikel 212) en bij het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De commissie BBV heeft in 2029 een notitie gepubliceerd waarin de onderdelen investeringen, activeren, waarderen, afschrijven en onderhoud kapitaalgoederen zijn samengebracht. Daarmee ontstaat een overzicht van alle relevante aspecten van materiële vaste activa met betrekking tot vraagstukken van begroting en verantwoording. Tevens geven in de notitie de vragen en antwoorden over het BBV verheldering over de bedoeling en interpretatie van de artikelen.
Om de activiteiten te kunnen uitvoeren en de diensten te kunnen verlenen zijn investeringen in duurzame kapitaalgoederen nodig. Deze investeringen kunnen nieuw zijn, maar ze kunnen ook ter vervanging dienen van verouderde activa. Gezien de kapitaalintensieve bedrijfsvoering en de omvang van de activa heeft AVRI jaarlijks veel vervangingsinvesteringen. Vervangingsinvesteringen hebben in principe geen lastenstijging tot gevolg. Uitbreidingsinvesteringen hebben dat wel.
In dit hoofdstuk worden de definitie en voorwaarden van een investering beschreven. Ook worden de regels met betrekking tot het proces van goedkeuring beschreven.
Onder investeringen wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
De investeringen worden op de balans verantwoord. De lasten voortvloeiende uit de investeringen, zoals onderhoud, afschrijvingen, toegerekende rente, verzekeringen, behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten.
Er is ook sprake van een investering indien de uitgaven:
Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief, dan is er sprake van onderhoud.
Dit zijn vaste activa waar geen fysieke bezittingen tegenover staan. Immateriële vaste activa komt bij Avri in slechts uitzonderlijke gevallen voor. De immateriële vaste activa bestaat volgens artikel 34 van het BBV uit.
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
In de praktijk komt dit slechts in uitzonderlijke gevallen voor. Het uitgangspunt is dat deze kosten niet worden geactiveerd.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
In artikel 61 BBV is duidelijk ingekaderd wanneer bijdragen aan derden mogen worden geactiveerd. Bijdragen aan activa in eigendom van derden mogen worden geactiveerd indien:
In de praktijk komt dit nu niet voor. Het uitgangspunt is dat deze kosten niet worden geactiveerd.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden op grond van het BBV als immateriële activa aangemerkt. Dit heeft als consequentie dat deze als een afzonderlijke actief moeten worden gewaardeerd en dus geen onderdeel meer uitmaken van de uiteindelijke investering. De kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen worden geactiveerd indien (artikel 60 BBV):
Aanvullende voorwaarden die niet in BBV zijn vastgelegd zijn:
Indien hieraan wordt voldaan mag de afschrijvingstermijn maximaal 5 jaar bedragen. Deze termijn wordt ook door ons gehanteerd.
Als niet aan de hiervoor verplicht gestelde voorwaarden wordt voldaan mogen de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor plannen niet worden geactiveerd, maar moeten in een keer ten laste van de exploitatie worden genomen.
Materiële vaste activa zijn investeringen met een meerjarig economisch nut of maatschappelijk nut in de openbare ruimte. Volgens artikel 35 van het BBV bestaan er drie soorten materiële vaste activa, welke afzonderlijk in de balans van de gemeente moeten worden opgenomen:
Het BBV heeft in het kader van de uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid tussen gemeenten, het zogenaamde netto activeren verplicht gesteld. Dit houdt in dat eventuele bijdragen van derden in aftrek moeten worden gebracht op de investering. Het verrekenen van bijdragen uit reserves is niet toegestaan. Reserves mogen alleen worden ingezet ter dekking van de kapitaalslasten.
Investeringen met economisch nut
Dit zijn investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn: investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties, automatisering en ook investeringen in afvalstoffenheffing en riolering. Deze laatste investeringen vallen onder de categorie “investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven”.
Software wordt op basis van uitspraken van de commissie BBV gezien als een investering met economisch nut, vallend onder de materiele vaste activa.
Investeringen met economisch nut; waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
Dit zijn investeringen waarbij de kapitaalasten betaald worden uit de afvalstoffenheffing.
Investeringen met maatschappelijk nut
Dit betreft investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het BBV bepaalt in artikel 59 lid 1 dat deze investeringen verplicht geactiveerd moeten worden. Bij Avri komen deze investeringen niet voor.
Het is niet praktisch om alle investeringen die in aanmerking komen geactiveerd te worden ook daadwerkelijk te activeren. De commissie BBV doet in haar notitie rondom verkrijging en vervaardiging van kapitaalgoederen vanuit efficiency oogpunt de aanbeveling om een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. Voorgesteld wordt om activa met een aanschafwaarde kleiner dan € 25.000 niet te activeren; dit geld niet voor aankoop gronden.
De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. Met het toepassen van de componentenbenadering wordt bewerkstelligd dat activa die naar aard en gebruik gelijksoortig zijn op dezelfde grondslag worden gewaardeerd en behandeld. De commissie BBV heeft de aanbeveling gedaan de componentenbenadering en de daarbij horende opsplitsing van activa in verschillende componenten in de activa administratie uit praktische overwegingen te beperken.
De componentenbenadering mag worden toegepast bij materiële vaste activa.
Bij de waarderingsgrondslagen gaat het om de waardebepaling van activa en de regels die daarvoor gelden. Het gaat hierbij om de waardering van balansposten (bezittingen), teneinde een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeenschappelijke regeling. Het BBV geeft strikte regels voor de waardering van activa. Hiermee wordt voorkomen dat financiële resultaten kunnen worden beïnvloed en anderzijds wordt bereikt dat financiële gegevens in de loop der tijd vergelijkbaar blijven.
Bij de waarderingsgrondslagen gaat het om de waardebepaling van activa en de regels die daarvoor gelden. Het gaat hierbij om de waardering van balansposten (bezittingen), teneinde een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeente. Het BBV geeft strikte regels voor de waardering van activa.
Hiermee wordt voorkomen dat financiële resultaten kunnen worden beïnvloed en anderzijds wordt bereikt dat financiële gegevens in de loop der tijd vergelijkbaar blijven.
De hoofdregel voor waardering van activa is opgenomen in artikel 63 van de BBV: activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
De BTW op de activa wordt niet geactiveerd, als deze verrekenbaar is via aangifte of compensabel is volgens de Wet op het BTW-compensatiefonds. In dit geval mag de BTW geen onderdeel uitmaken van de waarde.
Door diverse factoren kan de actuele waarde van een actief stijgen of dalen ten opzichte van de waarde die op de balans is opgenomen. In dat geval komt de administratieve boekwaarde niet meer overeen met de reële waarde.
Artikel 65 van het BBV geeft de voorschriften weer voor afwaardering van activa;
Het eerste en tweede lid hebben betrekking op waardevermindering die naar verwachting duurzaam zijn. Het is niet voorzienbaar dat de waardevermindering zal ophouden te bestaan. Gedacht kan worden aan nieuwe inzichten in de technische en/of de economische levensduur van activa of de aantasting van het vermogen van deelnemingen.
In het derde lid wordt voorgeschreven dat van een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, waarvan de restwaarde lager is dan de boekwaarde, wordt afgeschreven tot de restwaarde. Bij een volledige buitengebruikstelling dient het actief uiteraard te worden afgewaardeerd tot hetzij nul, hetzij tot de restwaarde, indien die redelijkerwijs verwacht kan worden. Een actief dat niet langer bestaat of niet langer eigendom is van Avri mag niet op de balans blijven staan. Wanneer een actief gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld, dient het actief proportioneel te worden afgewaardeerd.
Duurzame waardeverminderingen van vaste activa wordt onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
Investeringen verliezen naar mate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering noemen we ‘afschrijven’. Afschrijven is het op een methodische wijze boekhoudkundig verwerken van de waardevermindering van kapitaalgoederen.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de definitie, voorwaarden en uitgangspunten van afschrijven, zoals de afschrijvingsmethode en de afschrijvingstermijn.
Voor het moment van beginnen met afschrijven is de gemeente, binnen de regels van het BBV, vrij in haar keuze. Maar in tegenstelling tot de afschrijvingsmethode, die per (sub)categorie kan worden bepaald, kan voor het moment van beginnen met afschrijven slechts voor één mogelijkheid worden gekozen. De gekozen mogelijkheid wordt toegepast op alle kapitaalgoederen die gereed komen/verworven worden.
De jaarlijkse afschrijving van activa start vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed (of deel) gereed komt/verworven wordt.
Het BBV schrijft voor dat de afschrijvingstermijn gebaseerd moet zijn op de verwachte toekomstige levensduur.
De levensduur kan zowel technisch als economisch tot uitdrukking worden gebracht, waarbij vanuit financieel oogpunt de economische levensduur de standaard is.
De technische levensduur is de periode dat het activum technisch kan worden ingezet. De economische levensduur is de periode dat het activum voor de totale bedrijfsvoering goedkoper is dan een vervangend vergelijkbaar activum. Hierdoor wordt de economische levensduur gedeeltelijk bepaald door nieuwe ontwikkelingen op de markt.
Een voertuig kan bijvoorbeeld technisch 10 jaar mee, echter zijn er na 8 jaar zien we de onderhoudskosten en stilstand toenemen. De kortere, economische levensduur geeft de organisatie financieel gezien de gelegenheid tot vervanging over te gaan.
Avri baseert zich op de economische afschrijvingstermijnen zoals weergegeven in Bijlage 1. De afschrijving geschiedt op basis van het percentage van het investeringsbedrag. Indien de tabel uit Bijlage 1 niet voorziet, dient de afschrijvingstermijn expliciet in het voorstel aan het Algemeen Bestuur opgenomen te worden. Dankzij de gehanteerde rubricering ontstaat uniformiteit en financiële grip op de afschrijvingstermijnen en daarmee de jaarlijkse kapitaallasten.
Gronden waarop investeringen met een economisch nut kunnen worden gebouwd, zijn niet aan slijtage onderhevig. Er is geen vanzelfsprekende waardevermindering, zodat er niet op deze gronden wordt afgeschreven.
Activa die niet in technisch nieuwe staat is aangekocht, kent een kortere levensduur. Hierbij moet worden afgeweken van de standaard te hanteren afschrijvingstermijn (als omschreven in Bijlage 1). Uitgangspunt hierbij is dat in deze gevallen wordt uitgegaan van de economische levensduur zoals weergegeven in Bijlage 1 minus de jaren dat het activum vanaf aanschafdatum in gebruik is geweest.
De restwaarde is de ingeschatte waarde aan het einde van de levensduur. AVRI hanteert voor de bepaling van de afschrijvingstermijn voor alle activa een restwaarde van € 0.
Het einde van de levensduur ligt vaak jaren in de toekomst, wat een reële inschatting moeilijk maakt, aangezien marktomstandigheden gewijzigd kunnen zijn. Bovendien leidt dit uitgangspunt tot financiële zekerheid, aangezien er geen financiële tegenvallers (lagere restwaarde dan boekwaarde) kunnen ontstaan na afloop van de afschrijvingstermijn.
Aan alle geactiveerde activa wordt rente toegerekend. Dit zijn de lasten die voortkomen uit financiering van de investering. De combinatie van rente en afschrijving vormen de kapitaallasten die zowel in de begroting als in de jaarrekening ten laste van de exploitatie worden gebracht.
Voor de rentetoerekening wordt een vast rentepercentage (omslagrente) gehanteerd. Deze rente wordt jaarlijks bij het opstellen van de begroting bepaald. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari.
In dit hoofdstuk worden de voorwaarden en beleidsmatige uitgangspunten uit de voorgaande hoofdstukken opgesomd:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-1547.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.