Blad gemeenschappelijke regeling van Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 115 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland | Blad gemeenschappelijke regeling 2025, 115 | beleidsregel |
Nota Waardering activering, afschrijving van vaste activa (WAAVA) 2024 Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland
Artikel 212 van de Gemeentewet stelt dat elke gemeenschappelijke regeling een financiële verordening moet hebben. Deze verordening bevat in elk geval de “regels voor waardering en afschrijving van activa”.
Het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) stelt wettelijke regels met betrekking tot de financiën van de gemeenschappelijke regelingen. De artikelen 59 tot en met 65 bevatten regels voor waardering, activering en afschrijving van vaste activa. De commissie BBV beoogt de juiste interpretatie van de BBV-regels. Zij doet daarom stellige uitspraken waaraan gemeenschappelijke regelingen verplicht zijn zich te houden. Daarnaast doet de commissie BBV-aanbevelingen en publiceert een vraag- en antwoordrubriek op haar website. Stellige uitspraken worden opgevolgd. In deze nota leggen we vast hoe we omgaan met de aanbevelingen.
In artikel 13 van de financiële verordening van VrAA is bepaald dat het dagelijks bestuur elke vier jaar de nota Waardering activering, afschrijving van vaste activa (WAAVA) vaststelt, waarin regels worden opgenomen voor het investeren, activeren en waarderen. Deze nota is hiermee een instrument waarmee wordt vastgelegd hoe de investeringen binnen de VrAA eenduidig te behandelen.
In deze nota staan de kaders voor administratief handelen die gelden vanaf het moment dat het algemeen bestuur heeft besloten over investeringen en daarmee de daarbij behorende investeringskredieten heeft vrijgegeven en de noodzakelijke uitgaven heeft geautoriseerd.
Van een investering wordt verwacht dat het vele jaren zal meegaan, wat tot uiting komt in zowel exploitatiebegroting als balans. De grootste uitgaven voor een investering worden gedaan vóór het moment van oplevering. De lasten daarentegen worden in de exploitatiebegroting gespreid over de hele levensduur van het object. Een investeringsbesluit houdt dus een meerjarige financiële verplichting in. Investeringen zijn op de balans zichtbaar als bezittingen (activa) met een bepaalde waarde.
3.1 Afspraak 1 VrAA - omvangcriterium activeren investeringen
Uit het oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten doet de commissie BBV de aanbeveling om in de financiële verordening (of een nadere uitwerking daarvan, zoals deze Nota) op grond van artikel 212 van de Gemeentewet op te nemen dat voor het activeren van investeringen aan tenminste één van de, of aan beide, criteria moet worden voldaan:
Voor het activeren van een investering het minimumbedrag gehanteerd wordt van € 25.000 inclusief btw. De minimale gebruiksduur is vijf jaar.
3.2 Afspraak 2 VrAA - componenten benadering
De commissie BBV geeft in de notitie materiële vaste activa (2020) aan dat de componentenbenadering moet worden gehanteerd. Dit houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. Per onderdeel kunnen de economische gebruiksduren namelijk verschillen.
Binnen VrAA wordt de componentenbenadering toegepast. Hierbij wordt bewerkstelligd dat activa, die naar aard en gebruik gelijksoortig zijn, op dezelfde grondslag worden gewaardeerd en behandeld. In de tabel met afschrijvingstermijnen (bijlage 3 Afschrijvingstermijnen investeringen) is rekening gehouden met deze componentenbenadering. Investeringen dienen op basis van de verschillende componenten te worden geactiveerd.
4. Afbakening activeren en onderhoud
In de notitie materiele vaste activa (2020) heeft de commissie BBV aangegeven dat onderhoud het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve maatregelen betreft om een object in goede staat te houden of te brengen (op een vooraf vastgesteld kwaliteitsniveau) (CROW). Onderhoud kan worden onderscheiden in groot en klein onderhoud. Onder groot onderhoud wordt verstaan onderhoud van veelal ingrijpende aard dat op een groot deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere gebruiksperiode moet worden verricht. Klein onderhoud is het onderhoud dat in het eerste of het lopende planjaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd.
In deze notitie heeft de commissie BBV de stellige uitspraak gedaan dat de kosten van (klein en groot) onderhoud niet levensduur verlengend zijn en dus niet mogen worden geactiveerd.
Kosten van klein onderhoud dienen in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie te worden gebracht.
Kosten van groot onderhoud kunnen op twee wijzen worden verwerkt in de administratie:
Indien de componentenbenadering wordt toegepast en het betreffende onderdeel van de materiele vaste activa is afgeschreven (einde gebruiksduur), is er geen sprake van groot onderhoud, maar van vervangingsinvesteringen.
De VrAA volgt hierin het BBV, hanteert de componentenbenadering en heeft een voorziening groot onderhoud. De VrAA heeft ten behoeve van de voorziening groot onderhoud een meerjarig onderhoudsplan. Hierin wordt aangeven welk onderhoud en daarmee welke onttrekkingen in de toekomst gepland staan en gedekt worden uit de voorziening groot onderhoud. Daarnaast heeft de VrAA een meerjarig investeringsplan waarin toekomstige (vervangings) investeringen gepland staan. De resulterende pieken en dalen in kapitaallasten die volgen uit dit plan worden geëgaliseerd via de voorziening egalisatie kapitaallasten.
Het BBV schrijft het stelsel van baten en lasten voor. Dit houdt in dat baten en lasten worden opgenomen in het jaar waaraan ze kunnen worden toegerekend, ook al hebben ze in dat jaar niet tot daadwerkelijke inkomsten of uitgaven geleid. Afschrijvingen vormen een onderdeel van de lasten waar geen uitgaven tegenover staan. Afschrijving is het in de administratie tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een goed dat als een investering is geactiveerd. De afschrijvingslasten zijn zichtbaar in de jaarlijkse exploitatie; op deze manier wordt ook het meerjarig nut van de investering zichtbaar gemaakt.
Het BBV geeft hiervoor aan aantal regels, zie hiervoor bijlage 2 Relevante artikelen.
6.1 Afspraak 3 VrAA - afschrijvingsmethode en termijnen
In de notitie materiele vaste activa (2020) doet de commissie BBV de aanbeveling om uitgangspunten over de handelswijze betreffende de restwaarde aan te geven. Bij de VrAA vinden de afschrijvingen plaats op basis van een lineaire methode en zijn de afschrijvingen afhankelijk van de verwachte economische levensduur, waarbij geen rekening wordt gehouden met restwaarden (ten aanzien van de bij de regionalisering overgedragen activa wordt de historische afschrijftermijn gehanteerd als deze niet langer is dan de technische levensduur).
De afschrijvingstermijnen zijn opgenomen in bijlage 3 Afschrijvingstermijnen investeringen.
De historische afschrijftermijnen kunnen afwijken van de termijnen die zijn opgenomen in de afschrijvingstabel van VrAA. Bij vervanging worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd volgens de tabel. Op grond wordt niet afgeschreven.
Indien er aanleiding toe is, dan kan het dagelijks bestuur gemotiveerd afwijken van de termijnen in de termijnentabel. In de jaarrekening wordt gerapporteerd over de motivatie en afwijking.
6.2 Afspraak 4 VrAA - start van afschrijven
De commissie BBV doet de aanbeveling om in de financiële verordening (of een nadere uitwerking daarvan) op grond van artikel 212 van de Gemeentewet op te nemen wanneer met het afschrijven van een nieuw kapitaalgoed wordt begonnen.
VrAA start met afschrijving in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het nieuwe kapitaalgoed gereedkomt/verworven wordt.
De rente die in de begroting aan de egalisatievoorziening kapitaallasten wordt doorbelast, wordt toegerekend op basis van een omslagrente (conform berekening BBV). Het (voor)gecalculeerde omslagrentepercentage wordt benoemd in de financieringsparagraaf van de begroting. De VrAA past in de jaarrekening het werkelijke rentepercentage en de werkelijke rentelasten toe in de doorbelasting. Het omslagpercentage van de nacalculatie wordt in de financieringsparagraaf van de jaarrekening benoemd.
Bijlage 2 Relevante wet- en regelgeving
Conform BBV-artikel 59.1 worden alle investeringen geactiveerd, met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde.
In artikel 35 van het BBV worden drie soorten investeringen onderscheiden:
De hierboven genoemde investeringen kunnen worden onderverdeeld naar de volgende drie categorieën:
Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de gemaakte kosten:
Zie onderstaande passage uit de notitie de MVA van de commissie BBV.
In het BBV (art. 33) wordt bij de vaste activa onderscheid gemaakt in:
Voor deze onderdelen gelden verschillende regels bij het al dan niet activeren.
Immateriële vaste activa worden in het BBV (artikel 34) gedefinieerd als:
Conform BBV-artikel 60 kunnen kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden geactiveerd indien:
Conform BBV-artikel 61 kunnen bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd indien:
Voor materiële vaste activa wordt in het BBV (artikel 35) onderscheid gemaakt in:
Artikel 62 van het BBV stelt dat:
In de Notitie materiele vaste activa (2020) heeft de commissie BBV de stellige uitspraak gedaan dat software (als afzonderlijk actief) onder de materiële vaste activa valt (investeringen met een economisch nut).
Ook de gebruiksrechten op software voor onbepaalde duur die ineens in rekening worden gebracht vallen onder materiële vaste activa (bepaalde duur wordt per jaar verantwoord in de exploitatierekening en als het meerjarig wordt gefactureerd, dan wordt dit als transitorische post “vooruitbetaalde kosten” op de balans gezet).
Implementatiekosten van nieuwe hard- en/of software kunnen worden geactiveerd, deze vallen onder de bijkomende kosten die op grond van artikel 63. BBV als onderdeel van de verkrijgingsprijs worden gezien. Implementatiekosten kunnen zowel de kosten van externen als kosten van eigen medewerkers betreffen.
Opleidingskosten zijn niet nodig om het actief gebruiksklaar te krijgen en kunnen niet worden geactiveerd.
Financiële vaste activa zijn volgens het BBV (artikel 36):
In artikel 63 van het BBV wordt gesteld dat:
De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
Artikel 65 van het BBV stelt dat:
In artikel 64 van het BBV wordt gesteld dat:
Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
In artikel 13 van het BBV is bepaald dat de paragraaf betreffende de financiering in ieder geval de beleidsvoornemens bevat ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en inzicht geeft in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte. Dit betekent dat de rentekosten aan de desbetreffende taakvelden moeten worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag.
In de Notitie materiele vaste activa (2020) heeft de commissie BBV de stellige uitspraak gedaan dat de boekwinst die wordt gerealiseerd bij het afstoten van een kapitaalgoed, als incidentele bate in de exploitatie in de jaarrekening moet worden verwerkt. De opbrengst mag niet direct met de aanschafwaarde van het eventuele vervangingsobject worden verrekend.
Bijlage 3 Afschrijvingstermijnen investeringen
* Maximaal restant levensduur bestaand actief;
** Afhankelijk van de intensiteit van het gebruik: aantal inwoners (hoger of lager dan 20.0000) en/of karakter van het gebied (stedelijk of landelijk);
*** Afwijking ten opzichte van advies afschrijftermijnen NVBR Netwerk Materieel en Verwerving op basis van ervaringcijfers VrAA;
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2025-115.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.