Toelichting
Artikel 2.2 aanstelling in vaste of tijdelijke dienst
In dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of tijdelijke aanstelling. Een aanstelling in tijdelijke dienst kan voor bepaalde of onbepaalde tijd plaatsvinden. Alleen bij de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd moet een aanstellingsgrond genoemd worden. Het niet langer aanwezig zijn van de aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd ontslag verleend kan worden (artikel 12.6). Bij een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig een aanstellingsgrond te noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van beëindiging van die aanstelling (artikel 12.5).
De werkgever kan besluiten een tijdelijk dienstverband na afloop van de termijn waarvoor het is aangegaan om te zetten in een vast dienstverband. Ook kan opnieuw een tijdelijk dienstverband worden verleend, met inachtneming van artikel 2.5.
Artikel 2.2a aanstelling in algemene dienst
Medewerkers in algemene dienst kunnen in principe binnen de gehele VrAA op structurele en tijdelijke functies worden tewerkgesteld.
Artikel 2.3 aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef
De aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef duurt tussen de zes maanden en één jaar. De bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de proeftijd zijn nadrukkelijk niet van toepassing.
Artikel 2.5 omzetten aanstelling
In dit artikel worden de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014,216). Zie hier voor voorbeelden om de toepassing van de regelgeving te verduidelijken.
Het met ingang van 1 juli 2015 geldende derde lid regelt de arbeidsrechtelijke gevolgen van opeenvolgende dienstverbanden die een medewerker heeft met verschillende werkgevers (zoals uitzendbureaus, payroll bedrijven of detacheringbureaus), waarbij deze medewerker binnen dezelfde organisatie feitelijk of in hoofdzaak dezelfde werkzaamheden blijft verrichten, voor rekening komen van de (opvolgende) werkgever bij overschrijding van de grenzen genoemd in het eerste of tweede lid. Eén en ander heeft – behoudens voorafgaande detachering in dezelfde functie - geen betrekking op de situatie waarin een ambtenaar bij Veiligheidsregio A uit dienst gaat om vervolgens bij Veiligheidsregio B in dienst te treden.
De tijdelijke aanstelling genoemd in het vierde lid leidt na 24 maanden niet tot een aanstelling in vaste dienst.
In het vijfde lid staat dat de ketenbepalingen niet van toepassing zijn op aanstellingen in verband met een beroepsbegeleidende leerweg. Dit geldt eveneens voor de functie van Onderzoeksverpleegkundige en Epidemiologisch onderzoeker bij de GGD.
Artikel 2.5a overgangsrecht
Indien op of na 1 juli 2015 een nieuwe aanstelling van kracht wordt met een tussenpoos ten opzichte van de voorgaande aanstelling van zes maanden of korter, telt de voorgaande aanstelling mee in de keten volgens het nieuwe artikel 2.5. Het oude artikel 2.5 blijft van toepassing op aanstellingen die zijn ingegaan voor 1 juli 2015. Zie hier voor voorbeelden om de toepassing van het overgangsrecht te verduidelijken.
Artikel 2.6 beroepsopleiding
De beroepsopleiding wordt aangegaan met het doel om aansluitend in vaste dienst te treden bij de VrAA. In beginsel volgt bij goed functioneren na het voltooien van de opleiding een aanstelling in vaste dienst. Gedurende de aanstelling wordt de ambtenaar beoordeeld, gelijk aan de beoordeling tijdens proeftijd, zoals opgenomen in paragraaf 6.
Voor het Leerwerktraject in het middelbaar beroepsonderwijs geldt niet dat het dienstverband wordt aangegaan met het oog op een vast dienstverband. Bij voorkeur wordt dit bij het aangaan van het Leerwerktraject met de ambtenaar besproken.
Artikel 2.7 vereisten voor aanstelling
Dit artikel bepaalt de formele eisen voor een aanstelling. De verklaring omtrent het gedrag (VOG), genoemd in het eerste lid onder a, is geregeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Informatie hierover is te vinden via intranet en op www.justitie.nl.
De noodzaak van een recente VOG bij een aanstelling zal in een vroegtijdig stadium van sollicitatie bekend worden gemaakt bij de sollicitant. Een VOG mag maximaal twee maanden oud zijn. De kosten komen voor rekening van de VrAA.
De medische keuring is een uitwerking van de Wet op de medische keuringen en is verder geregeld in paragraaf 5.
De ontheffing van een tewerkstellingsvergunning voor het laten werken van een vreemdeling is geregeld in artikel 3 Wet arbeid vreemdelingen. Informatie hierover is te vinden op internet, zie: www.minszw.nl of www.werk.nl.
Artikel 2.8 Wet flexibel werken
De Wet flexibel werken is de opvolger van de Wet aanpassing arbeidsduur. De wet is direct van toepassing op alle ambtenaren van de VrAA. Arbeidscontractanten vallen hier ook onder, zie artikel 1.1 sub b NRGA. Als de medewerker een verzoek indient zal dit verzoek moeten worden afgehandeld met inachtneming van de (procedurele) bepalingen uit de Wet flexibel werken.
Deze procedurele bepaling luiden kort samengevat als volgt :
- ■
de ambtenaar moet, behalve bij onvoorziene omstandigheden minimaal 26 weken in dienst zijn voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing van de arbeidsduur;
- ■
het verzoek om aanpassing moet minimaal twee maanden vóór het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk worden ingediend en vermeldt de gewenste omvang, de gewenste arbeidsplaats of de spreiding over de week. Bij onvoorziene omstandigheden kan het verzoek met een kortere termijn worden ingediend;
- ■
de werkgever dient overleg te plegen met de ambtenaar over het verzoek;
- ■
de werkgever neemt een beslissing minimaal één maand voor het beoogde tijdstip van inwerkingtreding en deelt dit schriftelijk aan de ambtenaar mee. Wanneer de werkgever dit nalaat, wordt het verzoek van de ambtenaar als ingewilligd beschouwd. Heeft de medewerker het verzoek als gevolg van onvoorziene omstandigheden korter dan twee maanden voor de beoogde ingangsdatum ingediend, dan beslist de werkgever binnen vijf werkdagen op het verzoek.
- ■
de ambtenaar kan maximaal eens per jaar een verzoek indienen, behoudens onvoorziene omstandigheden.
Lid 1 en 2
Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden moet de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs-of dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft voorbeelden van situaties die - afhankelijk van het soort verzoek -vallen onder de noemer zwaarwegend bedrijfs - of dienstbelang. Bij vermindering van de arbeidsduur is hiervan in ieder geval sprake als de vermindering leidt tot ernstige problemen voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren; op het gebied van de veiligheid, of van roostertechnische aard. Bij vermeerdering van de arbeidsduur is hiervan in ieder geval sprake als de vermindering leidt tot ernstige problemen van financiële of organisatorische aard; wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe ontoereikend is. Bij aanpassing van de werktijd is hiervan in ieder geval sprake bij problemen op het gebied van veiligheid, van roostertechnische aard; of van financiële of organisatorische aard.
Lid 3
Als een medewerker een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats (thuiswerken/ plaatsonafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen door de werkgever. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.
Lid 4
In de Wet flexibel weken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten aanzien van de aanpassing van arbeidsduur van de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet flexibel werken geen recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren, maar hij kan op grond van deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van de arbeidsplaats of ( spreiding van de ) werktijden.
Artikel 2.10 wijziging tewerkstelling
Een wijziging van de tewerkstelling is onder meer overplaatsing van een ambtenaar, al dan niet op zijn verzoek.
In een besluit tot wijziging tewerkstelling moeten alle formele eisen van de aanstelling, zoals opgenomen in het aanstellingsbesluit, ook opgenomen worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de hoogte van het salaris of de plaats waar de nieuwe functie zal worden vervuld.
Het tweede lid bepaalt dat de wijziging tewerkstelling geen wijziging van het dienstverband met zich meebrengt. Dit betekent dat geen nieuwe proeftijd wordt gegeven en dat een aanstelling in vaste dienst een aanstelling in vaste dienst blijft.
Het derde en vierde lid regelen dat met een wijziging van de tewerkstelling, nieuwe verklaringen, bedoeld in artikel 2.7, zijn vereist. Dit is omdat de ambtenaar in een andere functie aan het werk gaat waarvoor andere eisen kunnen gelden. Bij het afgeven van een VOG wordt alleen onderzocht of de ambtenaar geen strafbare feiten op zijn naam heeft die de uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd in de weg staan. De bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden overlegt met de ondernemingsraad of sprake is van een functie als bedoeld in het vierde lid.
Bijvoorbeeld: een juridisch adviseur wordt adviseur financiën. In dat geval is een nieuwe VOG nodig om aan te tonen dat de ambtenaar geen strafbare feiten heeft begaan die een probleem vormen bij het uitoefenen van de nieuwe functie.
Artikel 2.10a wijziging functie in het belang van de dienst
Het ‘horen' van de ambtenaar moet niet als formaliteit worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden.
Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere tewerkstelling.
Het dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van de werkgever een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is.
Artikel 2.11 tijdelijk verrichten andere werkzaamheden
Als de ambtenaar wordt verplicht om tijdelijk andere werkzaamheden te gaan verrichten, veranderen alleen zijn werkzaamheden. Zijn rechtspositie blijft gelijk.
Het tijdelijk verrichten van niet tot de functie behorende werkzaamheden is een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere functie. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet - in tegenstelling tot het bepaalde artikel 2.10a - al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel van de VrAA het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of de VrAA in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.
Lid 2
De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid direct beginnen, ook als hij daartegen bedenkingen heeft in verband met zijn persoonlijkheid of omstandigheden.
Zijn bedenkingen schorten de werking van het besluit niet op.
Artikel 2.12 algemene bepalingen
De Wet op de medische keuringen bepaalt de regels voor de medische keuring. Een medische keuring vindt alleen plaats als specifieke eisen aan de functie zijn gesteld, die in medische termen kunnen worden vertaald. In overleg met de ondernemingsraad wordt bepaald om welke functies het gaat. De aanstellingskeuring wordt niet gebruikt om sollicitanten te selecteren, maar vormt het sluitstuk van de sollicitatieprocedure.
Artikel 2.19 frequentie van beoordeling
Het vierde lid bepaalt dat in de verlengde proeftijd die korter is dan een half jaar maar één beoordeling plaatsvindt. Uit de praktijk blijkt dat bij een korte voortgezette proeftijd nog maar naar enkele beoordelingsaspecten wordt gekeken en daarvoor geen twee gesprekken plaats hoeven te vinden. Daarnaast kunnen functioneringsgesprekken worden gehouden.
Artikel 2.20 beoordelaar
De beoordelingsadviseur is doorgaans een medewerker personeel en organisatie die toeziet op de wijze van beoordeling. De beoordelingsadviseur treedt niet inhoudelijk in de beoordeling.
Artikel 2.26 oproepwerkzaamheden
Een dienstverband vindt in principe plaats op basis van een aanstelling. Het aangaan van een arbeidsovereenkomst is alleen mogelijk als sprake is van oproepwerkzaamheden. In dat geval heeft de werkgever behoefte aan extra menskracht, maar van te voren is niet duidelijk hoeveel uren de werknemer gaat werken. Dan kan een arbeidsovereenkomst voor het verrichten van oproepwerkzaamheden worden gesloten.
De voorschriften die van toepassing zijn op een aanstelling zijn van overeenkomstige toepassing. Voor een arbeidsovereenkomst gelden echter wel aanvullende voorwaarden, opgenomen in artikel 2.28.
Artikel 2.27 duur en opzegging
Wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd, dan loopt deze van rechtswege af. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden opgezegd. Dit geldt ook bij tussentijdse beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
Voor het beëindigen van een arbeidsovereenkomst gelden dezelfde voorschriften als voor ontslag van een ambtenaar.
Voor het aangaan van arbeidsovereenkomsten geldt, net als bij aanstellingen, de hoofdregel van artikel 2.5 NRGA, dat het aangaan van tijdelijke arbeidsovereenkomsten waarbij een periode van 24 maanden wordt overschreden, automatisch leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Artikel 2.28 voorwaarden
De werkgever sluit een arbeidsovereenkomst als uit de aard en de omvang van de arbeid en het incidentele karakter daarvan blijkt dat de werkzaamheden het beste op oproepbasis kunnen worden verricht. Het uurtarief wordt bepaald aan de hand van artikel 3.1 (functies en functiewaardering).
Functies die bij arbeidsovereenkomst kunnen worden verricht zijn bijvoorbeeld rondleider bij het Historisch Museum, voorlichter in eigen taal & cultuur bij de GGD, enquêteur bij de dienst Onderzoek en Statistiek, sportmedewerker of noodhulp-strooiwagenchauffeur bij de stadsdelen.
Het derde lid bepaalt dat de werkgever de werknemer betaalt als deze binnen een termijn van 12 uur voor aanvang van de werkzaamheden wordt afgezegd. Als de werknemer zich niet aan zijn verplichtingen houdt en hij de arbeid niet komt verrichten of zich op een te korte termijn afmeldt, loopt hij het risico dat hij in de toekomst niet meer zal worden opgeroepen.
De werknemer kan bij arbeidsongeschiktheid in bepaalde gevallen recht hebben op ziekengeld. Informatie hierover is te vinden op internet, zie: www.uwv.nl.
De oproepkracht komt net als de ambtenaar met een aanstelling in aanmerking voor een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. De oproepkracht krijgt per oproep, dus naar rato, vergoed.
Artikel 3.1 functies en functiewaardering
In de systematiek van het generieke functiegebouw wordt de functie van de ambtenaar gekoppeld aan een generieke functie. Deze methode is vastgesteld bij het besluit d.d. 10 november 2009, de bij dit besluit horende bijlagen en de door het college daarop vastgestelde wijzigingen. Het gebruik van andere functies dan de generieke functies is niet toegestaan. Het toekennen van een andere waardering aan een generieke functie is ook niet toegestaan.
De handleiding "werken met het generieke functiegebouw" beschrijft de methode waarop een functie wordt gekoppeld aan een generieke functie. De generieke functies zijn opgenomen in bijlage 3 bij het bovengenoemde besluit. De generieke functies zijn gewaardeerd conform de methode MRF zoals beschreven in de methode tabellen V 001(26 augustus 2003) en de daarop door het college vastgestelde wijzigingen. Bij deze waardering wordt gebruik gemaakt van de volgende puntenloonlijn (26 augustus 2003):
|
Rangorde in punten
|
Salarisschalen
|
|
- 0 tot en met 6
|
1
|
|
- 7
|
2
|
|
- 8 tot en met 11
|
3
|
|
- 12 tot en met 15
|
4
|
|
- 16 tot en met 19
|
5
|
|
- 20 tot en met 25
|
6
|
|
- 26 tot en met 33
|
7
|
|
- 34 tot en met 46
|
8
|
|
- 47 tot en met 54
|
9
|
|
- 55 tot en met 60
|
10
|
|
- 61 tot en met 66
|
10a
|
|
- 67 tot en met 75
|
11
|
|
- 76 tot en met 77
|
11a
|
|
- 78 tot en met 79
|
12
|
|
- 80 tot en met 82
|
13
|
|
- 83 tot en met 88
|
14
|
|
- 89 tot en met 91
|
15
|
|
- 92 tot en met 95
|
16
|
|
- 96 tot en met 101
|
17
|
|
- 102 tot en met 109
|
18
|
In verband met het streven naar een eenduidig systeem van functietypering en functiewaardering binnen de gemeente, wordt elke beoogde koppeling van een functie aan een generieke functie getoetst aan het gemeentebrede functiegebouw.
Als een functie van een ambtenaar gekoppeld wordt aan een lager gewaardeerde generieke functie dan blijft de ambtenaar zijn salaris in de oorspronkelijke salarisschaal behouden. Informatie over het generieke functiegebouw is te vinden op intranet.
Artikel 3.2 recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
uitkeringen
Lid 1
In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen 7.12 (vermindering salaris en salaristoelagen) en 7.13 (stopzetten salaris en salaristoelagen) vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van arbeidsongeschiktheid.
Lid 2
De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.
Artikel 3.3 vaststelling salaris
Lid 1
Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden uitgewerkt.
Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen; bijvoorbeeld op junior-, mediorof seniorniveau. In dat geval gaat het om drie te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal.
Uitgangspunt is dat de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs op het minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft.
Lid 2
Deze lagere schaal, die ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de functie waarin zij zijn geplaatst.
De periode die de ambtenaar in deze aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de functie geldende eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld. Zodra dit het geval is dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de functie geldende functieschaal.
Artikel 3.4 salarisverhoging
Lid 2
Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van de Ondernemingsraad.
Lid 3
Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van artikel 3.8 (functioneringstoelage) en 3.20 (beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties).
Artikel 3.5 verlaging salarisschaal
Lid 1
Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene die op het moment van herwaardering de functie vervult.
Lid 2
Instemming met herplaatsing in een lager gewaardeerde functie met een bijbehorend lager salaris bij de eigen werkgever of een andere werkgever in de gemeentelijke sector heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang, geen gevolgen voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3.5 van het Pensioenreglement.
Lid 4
Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt is mogelijk in de gevallen waarin hoofdstuk 16 (reorganisatie en sociaal plan) voorziet in de mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager maximumsalaris.
Artikel 3.6 inpassing in hogere schaal
Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie, als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3.3 lid 2) naar de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling staat in artikel 3.6a tot en met 3.6d.
Artikel 3.6a salaris bij promotie
Lid 1
Bij toepassing van de 75%-toets wordt, als de ambtenaar direct voor zijn bevordering recht had op het maximumbedrag van zijn salarisschaal, de laatste salarisverhoging in zijn oude salarisschaal als periodieke verhoging aangemerkt.
Artikel 3.8 functioneringstoelage
Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3.4 lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3.20 (beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties).
Deze toelage heeft altijd een tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris en de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te vervallen (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van herwaardering hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de functioneringstoelage.
De functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3.20. Samen vormen deze artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (art. 3.4 lid 3) die structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.
Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit expliciet worden vermeld.
Lid 3
De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of op jaarbasis).
Artikel 3.9 arbeidsmarkttoelage
De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het bestuur besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, eenmaal per jaar uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de arbeidsmarkttoelage aansluitend worden toegekend voor een nieuwe periode van maximaal 3 jaar.
Artikel 3.10 waarnemingstoelage
Lid 1
De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen van de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee rekening is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie. Voorbeeld van een dergelijke situatie is de adjunct directeur die de directeur vervangt tijdens vakantie en kortdurende afwezigheid.
Lid 2 en 3
Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de functie dat wordt waargenomen – op hetzelfde niveau wordt beloond als het geval zou zijn geweest indien hij bij bevordering in de waar te nemen functie zou zijn aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage moet de betrokken ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels – fictief – worden ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt waargenomen. Het verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar wordt als waarnemingstoelage uitgekeerd.
In het beloningsbeleid kan de toepassing van deze bepaling nader worden uitgewerkt.
Artikel 3.11 toelage onregelmatige dienst
Lid 1
Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4.6 t/m 4.9). Voor deze ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige dienst (TOD) bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen (gehele etmaal) én op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 08.00 uur tot
18.00 uur. De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden toegekend.
Lid 3
Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1.1 en vallen op die grond buiten de definitie van ‘overwerk’.
Artikel 3.12
buitendagvenstertoelage
Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de buitendagvenstertoelage:
- 1.
De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te verrichten (artikel 4.5 lid 9) heeft recht op een buitendagvenstertoelage.
- 2.
De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3.13. Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.
De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het uurloon.
Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in vakantieverlof.
Artikel 3.13 toelage beschikbaarheidsdienst
Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de reguliere werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht geeft op toelage is sprake als het gaat om:
- -
- -
buiten de normale, voor de medewerker geldende werktijden,
- -
waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep werkzaamheden te verrichten.
Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet ook regels voor de beschikbaarheidsdienst.
Deze kan op grond van artikel 5.9 van de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes worden opgelegd.
Buiten de normale voor de medewerker geldende werktijden: In sommige functies is de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de zin van dit artikel.
Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden verricht.
Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe - werkzaamheden heeft verricht, geldt het
volgende:
- -
De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden, ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel 3.12.
- -
De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een overwerkvergoeding op grond van artikel 3.18.
Artikel 3.14 inconveniëntentoelage
De Informatie over de MRI is beschikbaar op intranet. De Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten staat omschreven in:
- 1.
de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten V013 (26 augustus 2003);
- 2.
de voorbeeldbundel 2003 (26 augustus 2003);
- 3.
de waardering:
|
Score
|
Klasse
|
Toeslag
|
|
0 tot en met 7
|
0
|
-
|
|
8 tot en met 16
|
1
|
6,75%
|
|
17 tot en met 25
|
2
|
13,50%
|
|
26 of meer
|
3
|
20,25%
|
De uitkomst van de waardering heeft een geldigheidsduur van drie jaar.
Het rangordenen en waarderen van aan de functie verbonden werkzaamheden onder bezwarende omstandigheden mag alleen door een daartoe gecertificeerde medewerker plaatsvinden. De toelage is een percentage van de berekeningsgrondslag die is vermeld in de Bedragengids.
De toelage wordt toegekend voor de tijd dat de inconveniënten ook feitelijk voorkomen. Bij gewijzigde omstandigheden wordt gekeken of de MRI-classificatie nog wel juist is.
Artikel 3.15 garantietoelage
Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze bepaling.
Artikel 3.16 afbouwtoelage
Lid 1
De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde toelagen, uitkeringen, vergoedingen of vormen van variabele beloning.
Artikel 3.17 vergoeding BHV, EHBO en interventieteam
Lid 1
Tot de BHV-taken, worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen gerekend.
Lid 2
Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet cumuleert.
Artikel 3.18 overwerkvergoeding
Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de werktijden staat in de artikelen 4.6 tot en met 4.9. Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren. Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar op een woensdag van 11:00 tot 16:00 moet overwerken, krijgt voor de op die woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.
Artikel 3.18a (vervallen)
(vervallen 1 januari 2017 ZD2016-005434)
Artikel 3.19 ambtsjubileum
Algemeen
Medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
ambtsjubileumgratificatie, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de regeling die gold tot 1 juni 2016 (zie artikel 3.37 overgangsbesluit Hoofdstuk 3). Indien de regeling uit artikel 3.19 voor de medewerker gunstiger is dan krijgt deze medewerker een ambtsjubileumgratificatie op basis van deze regeling.
Lid 1
Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de al dan niet aansluitende tijd - in voltijd en/of deeltijd - doorgebracht in een dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt niet mee, evenals onbetaalde baantjes, werkervaringsovereenkomsten of stages.
Lid 2
De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het salaris en de toegekende salaristoelagen, tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de vakantie-uitkering die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB, hoofdstuk 3, paragraaf 5). Een ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd.
lid 3
Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en kan het dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend.
Artikel 3.20 beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
prestaties
Artikel 3.20 is een ‘kan-bepaling’, op basis waarvan lokaal een regeling kan worden opgesteld. LOGA-partijen hebben hiermee een mogelijkheid gemaakt om lokaal beleid voor bijzondere prestaties of gratificaties onder te kunnen brengen in hoofdstuk 3. Ambtenaren kunnen aan artikel 3.20 zelf geen rechten ontlenen; dat kan alleen als een lokale regeling de mogelijkheid daartoe bevat. Aan een lokale gratificatieregeling kunnen medewerkers geen aanspraak ontlenen van structurele aard. Het moet echt gaan om eenmalige en bijzondere gebeurtenissen.
Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3.8 (functioneringstoelage). Samen vormen deze artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (art. 3.4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.
Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een blijvend beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die ervanuit gaat na verloop van tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3.8 (functioneringstoelage) en 3.20 gaat het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en incidentele beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend kunnen worden toegekend.
Desgewenst kan het bestuur besluiten om het geldbedrag in meerdere termijnen uit te keren.
Dit artikel is de grondslag voor de prestatiebeloningsregeling voor topfunctionarissen. Als een topfunctionaris conform de norm heeft gepresteerd kan er naast de periodiek een prestatiebeloning (een percentage van het salaris) worden toegekend.
Artikel 3.24 Financiële compensatie bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst
Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de dienst overlijden, krijgen deze financiële compensatie naast de overlijdensuitkering van artikel 3.23.
Artikel 3.28 opbouw IKB
Lid 2
In dit lid is geregeld wat de bronnen van het pensioengevende deel van het IKB zijn. De bronnen komen uit arbeidsvoorwaarden die tot 1 januari 2017 onder een andere naam in de NRGA geregeld waren. Het IKB is opgebouwd uit:
- 1.
De vakantietoelage, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6.8.
- 2.
De eindejaarsuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 3.18a.
- 3.
De levensloopuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6.41.
Lid 3Deze bron bestaat uit de financiële tegenwaarde van 14,4 uren bovenwettelijk vakantieverlof.
Tot 1 januari 2017 had de ambtenaar op grond van artikel 6.1 recht op ten minste 158,4 uren vakantieverlof per kalenderjaar. Met ingang van 1 januari 2017 is de aanspraak op vakantieverlof verminderd tot 144 uren per kalenderjaar. De financiële tegenwaarde van 14,4 uren vakantieverlof is per diezelfde datum opgenomen in het IKB.
Artikel 3.29 doelen IKB
Lid 3 Financieren van een opleiding
Onder studie wordt verstaan een opleiding, cursus, congres, seminar, symposium, excursie of studiereis met het oog op het verwerven van inkomen uit werk. Tot de studiekosten worden niet gerekend kosten in verband met een werk- of studeerruimte of kosten voor binnenlandse
reizen zover deze meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid onder b, Wet op de Loonbelasting 1964.
Lid 4 Extra ABP-pensioenpremie
De ambtenaar kan zijn toekomstige pensioen verhogen door extra te sparen. Het ABP biedt hiertoe de mogelijkheid via het zogenaamde ABP Extra Pensioen. Door afstand te doen (gedeelte) van het IKB kan de ambtenaar aanvullend pensioen opbouwen. De premie voor extra pensioen wordt verrekend via de salarisstrook met het IKB. Het ingehouden bedrag wordt rechtstreeks betaald aan het ABP. Inleggen kan maandelijks, eenmalig of incidenteel. Er geldt hierbij geen minimumbedrag, wel een maximum, dat afhankelijk is van de persoonlijke
fiscale ruimte van de ambtenaar voor pensioen. De fiscale grens wordt per individu bepaald en hangt af van de leeftijd, het inkomen en het totaal dat de ambtenaar aan pensioen opgebouwd heeft. Het ABP toetst of de inleg de fiscale ruimte overschrijdt. Meer inhoudelijke informatie over het ABP Extra Pensioen is te vinden op de website van het ABP.
Lid 5 Vakbondscontributie
Een netto vergoeding voor de vakbondscontributie is mogelijk door inzet van het IKB. De ambtenaar toont aan dat hij lid is van een vakbond. De vergoeding stopt wanneer de ambtenaar zijn lidmaatschap opzegt. De ambtenaar moet dit direct kenbaar maken aan de werkgever.
Artikel 3.35 verkoop van vakantie-uren
Lid 2
De reden dat dit lid is opgenomen, is dat het op grond van fiscale regelgeving niet is toegestaan om vakantie-uren te verkopen die in het IKB zijn gekocht
Artikel 3.36 inruil voor netto reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
De ambtenaar kan in aanmerking komen voor een netto reiskostenvergoeding tot aan het maximum van de daarvoor bestemde fiscale ruimte. Fiscaal mogen reiskosten tot maximaal €0,19 per kilometer worden vergoed. Voor woon-werkverkeer komen maximaal 214 reisdagen in aanmerking. Indien de gemiddelde reiskostenvergoeding van de werkgever lager is dan het toegestane fiscaal vrije bedrag, dan kan dit verschil uitgeruild worden voor het netto bedrag.
Voorbeeld
Een ambtenaar woont in Utrecht en reist 4 dagen per week naar Amsterdam en terug. De enkele reisafstand is 30 kilometer. Hij ontvangt daarvoor van de werkgever een vergoeding van € 770,40 per jaar (214 dagen x 30 x 2 x €0,06).
Fiscaal mag jaarlijks dan 214 dagen x 4/5 x (30x2) x €0,19 (is: €1.951,68) belastingvrij worden vergoed. Het verschil tussen €1.951,68 en € 770,40 ( €1.181,28) mag netto worden uitbetaald als hij daarvoor €1.181,28 bruto salaris inlevert. Dit levert hem een fiscaal voordeel op van ongeveer € 496,14 netto (op basis van een loonheffingspercentage van 42%).
Artikel 4.1 algemene bepalingen
De standaard werktijdenregeling is de norm, de bijzondere werktijdenregeling de uitzondering. Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de gezagsverhouding.
De ene dag werkt de ambtenaar meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op een ander moment minder te werken. Van de ambtenaar kan verlangd worden dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de standaardregeling. Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De werkgever geeft ruimte en vertrouwen, de ambtenaar draagt een grote professionele verantwoordelijkheid.
De OR heeft in dit proces een belangrijke rol. De OR monitort of het proces rondom het vaststellen van de werktijden goed verloopt binnen de organisatie. Als blijkt dat dit niet (voldoende) het geval is kan de OR verbetervoorstellen doen.
Voor een verdere uitwerking van dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Arbeidstijdenwet.
Artikel 4.2 rooster
Dit artikel regelt dat de dienst wordt onderbroken door een pauze. Met instemming van de OR kunnen binnen de grenzen van de Arbeidstijdenwet uitwerkingsregels opgesteld worden. Voorbeelden hiervan zijn onder andere, een pauzeregeling, bloktijden en openingstijden van het kantoorpand. Dit geldt ook voor de frequentie waarmee op zondag kan worden gewerkt.
Artikel 4.3 feitelijke arbeidsduur
Dit artikel biedt de werkgever de mogelijkheid om de feitelijke arbeidsduur per week van de ambtenaar in overleg met hem op een andere omvang vast te stellen dan de formele arbeidsduur per week. Hierdoor kunnen medewerkers in drukke tijden meer ingezet worden en in rustige tijden minder. Ook biedt deze regeling de mogelijkheid om de werktijden van de ambtenaar beter aan te laten sluiten op zijn privé-situatie. Steeds meer medewerkers moeten arbeid immers combineren met zorgtaken. LOGA- partijen vinden het belangrijk dat medewerkers in staat gesteld worden om mantelzorg te verrichten. Daarom is afgesproken dat wanneer een medewerker mantelzorg gaat verlenen, deze medewerker in overleg met de werkgever afspraken maakt over de te verlenen mantelzorg zelf en de indeling van de werktijden. Zo kan een medewerker bijvoorbeeld tijdelijk minder werken ten behoeve van het verlenen van mantelzorg; deze uren worden op een af te spreken moment weer ingehaald.
Tot aan de invoering van de CAO 2009-2011 kon afwijking van de formele arbeidsduur per week slechts plaatsvinden binnen vastgestelde marges, de zogeheten bandbreedtesystematiek. Deze bandbreedtesystematiek is verlaten, hierdoor zijn de mogelijkheden om te differentiëren in de feitelijke arbeidsduur verruimd. De grenzen staan genoemd in het eerste en tweede lid. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar (1819 uur, zie toelichting op artikel 1.1.onder tt) mag niet overschreden worden en er gelden maxima voor de arbeidsduur per dag (11) en per week (50). Deze grenzen hebben alleen betrekking op de toepassing van dit artikel. Gebruikmaking van bijvoorbeeld artikel 5.5. eerste lid onder a leidt wel tot overschrijding van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar en dat is toegestaan. Het opdragen van overwerk kan ertoe leiden dat de maximale arbeidsduur per dag/week overschreden wordt; ook dat is toegestaan. De werkgever dient er wel altijd strikt op toe te zien dat de Arbeidstijdenwet/het Arbeidstijdenbesluit nageleefd wordt.
Het salaris en de toegekende salaristoelagen van de ambtenaar ondergaan geen wijziging als gevolg van toepassing van dit artikel. Wordt een ambtenaar ontslag verleend gedurende het kalenderjaar dan zal zo spoedig mogelijk een berekening gemaakt worden van de te veel/ te weinig gewerkte uren in relatie tot de formele arbeidsduur per week. Het positieve/negatieve saldo wordt gecompenseerd door in de resterende periode dat de ambtenaar in dienst is bij de gemeente minder/meer te werken. Is dit niet – volledig - mogelijk dan vindt bij de eindafrekening financiële verrekening plaats.
Artikel 4.4 feitelijke arbeidsduur bij overwerk
Als de ambtenaar overwerkt, mag zijn feitelijke arbeidsduur niet meer bedragen dan 12 uur. Tussen de door de ambtenaar verrichte diensten zit een rusttijd van minimaal 11 uur. Het derde lid bepaalt dat als de rusttijd voor een deel valt in het al vastgestelde rooster van de ambtenaar voor de volgende dag, deze uren gelden als verlofuren voor overwerk.
Voorbeeld
Een ambtenaar in salarisschaal 7 heeft dienst tot 22:00 uur. Hem is schriftelijk opdracht gegeven deze dag over te werken tot 24:00 uur. Zijn nieuwe dienst begint de volgende dag al om 08:00 uur. Op grond van artikel 3.18, tweede lid onder a (overwerkvergoeding) heeft hij recht op twee verlofuren vanwege zijn overwerk. Het tweede lid bepaalt dat de ambtenaar na overwerk minimaal 11 uur rusttijd heeft. Er is dus samenloop tussen het recht op verlof en de verplichte rusttijd. De ambtenaar mag in dat geval niet om 08:00 uur maar pas om 11:00 uur beginnen. De verlofuren die zijn opgebouwd tijdens het overwerk, zijn op grond van het derde lid hiermee opgenomen.
Artikel 4.5 standaard werktijdenregeling
Algemeen
De standaard werktijdenregeling heeft als uitgangspunt dat de ambtenaar en de werkgever afspraken maken over invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de standaard werktijdenregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt opgesteld in overleg met de werkgever. Flexibiliteit en zeggenschap van de ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De werkgever laat een deel van de “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de ambtenaar. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed ambtenaar betaamt moeten invullen.
Lid 1, 2, 3
De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar (1819 uur, zie toelichting op artikel 1.1. onder tt) mag niet overschreden worden en er gelden maxima voor de arbeidsduur per dag (11) en per week (50). Deze grenzen hebben alleen betrekking op de toepassing van dit artikel. Gebruikmaking van bijvoorbeeld artikel 5.5. eerste lid onder a leidt wel tot overschrijding van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar en dat is toegestaan. Het opdragen van overwerk kan ertoe leiden dat de maximale arbeidsduur per dag/week overschreden wordt; ook dat is toegestaan. De werkgever dient er wel altijd strikt op toe te zien dat de Arbeidstijdenwet/het Arbeidstijdenbesluit nageleefd wordt.
Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar ondergaan geen wijziging als gevolg van toepassing van dit artikel. Wordt een ambtenaar ontslag verleend gedurende het kalenderjaar dan zal zo spoedig mogelijk een berekening gemaakt worden van de te veel/te weinig gewerkte uren in relatie tot de formele arbeidsduur per week. Het positieve/negatieve saldo wordt gecompenseerd door in de resterende periode dat de ambtenaar in dienst is bij de gemeente minder/meer te werken. Is dit niet – volledig - mogelijk dan vindt bij de eindafrekening financiële verrekening plaats.
Lid 4, 5, 6, 7 en 8
Kern van de standaard werktijdenregeling is dat de ambtenaar met de werkgever afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaard werktijdenregeling is dat de ambtenaar en de werkgever samen tot overeenstemming komen. Als dat uiteindelijk niet lukt dan stelt het de werkgever eenzijdig de werktijden vast, maar dan kan de standaard werktijdenregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt de ambtenaar onder de bijzondere werktijdenregeling. Het is onwenselijk dat binnen een afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen indien de werkgever met een individuele ambtenaar niet tot goede afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de toelichting op lid 13. De ambtenaar en de werkgever overleggen tweemaal per jaar over de werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat ambtenaar en de werkgever het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het salaris per uur of een uur compensatieverlof over de teveel gewerkte uren, daarbij geldt dat de spaaruren niet worden uitbetaald.
De ambtenaar en de werkgever stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband. Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren uitbetaald tegen de vergoeding.
Lid 9
De toepassing van de standaard werktijdenregeling sluit niet uit dat het dienstbelang werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een buitendagvenstertoelage tegenover.
Lid 11
In het vierde lid is bepaald dat de ambtenaar en de werkgever afspraken maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in het twaalfde lid.
Lid 12
Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het vierde lid leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en de werkgever tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte van de laagste buitendagvenstertoelage.
Lid 13
Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van de werkgever en ambtenaar. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR verbetervoorstellen doen aan de werkgever.
Artikel 4.6 werkingssfeer bijzondere werktijdenregeling
De bijzondere werktijdenregeling geldt voor ambtenaren die geen of heel geringe zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig vastgesteld door de werkgever. Het gaat in deze situatie in elk geval om ambtenaren die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk te verrichten.
Als de ambtenaar die valt onder de standaard werktijdenregeling geen overeenstemming bereikt met de werkgever over zijn werktijden dan is de bijzondere werktijdenregeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan door de werkgever eenzijdig vastgesteld.
Artikel 4.10 opname en opbouw van spaaruren
De ambtenaar met een volledige functie kan gemiddeld 1/9 deel van de formele arbeidsduur per week aan spaaruren opbouwen. Het gaat hierbij om een gemiddelde over een heel jaar. Het is een recht van de ambtenaar dat gekoppeld is aan de formele aanstellingsuren. De ambtenaar met een volledige functie kan maximaal vier uur per week aan spaaruren opbouwen, per jaar zijn dit totaal 202,1 spaaruren. Lid 4 regelt dat de spaaruren in het lopende kalenderjaar opgenomen moeten worden. De uren mogen niet meegenomen worden naar het volgende kalenderjaar.
Opnemen verlof
Bij het opnemen van verlof wordt evenveel uur verlof opgenomen als er feitelijk op die dag wordt gewerkt. Dus als de ambtenaar op donderdag 8 uur werkt waarvan 2 uren spaaruren en hij neemt op donderdag vrij, dan moet hij 8 verlofuren opnemen.
Artikel 4.11 opbouw van spaaruren bij arbeidsongeschiktheid
Het uitgangspunt is dat alleen spaaruren worden opgebouwd als de ambtenaar daadwerkelijk meer uren werkt dan de voor hem vastgestelde, formele werktijd, niet zijnde overwerk. In een aantal situaties wordt van dit uitgangspunt afgeweken:
- 1.
de opbouw stopt bij arbeidsongeschiktheid, ook als de arbeidsongeschiktheid zwangerschapsgerelateerd is, na 12 weken als de opbouw is opgenomen in een rooster en de opname van de spaaruren vrij is;
- 2.
bij arbeidsongeschiktheid, ook als de arbeidsongeschiktheid zwangerschapsgerelateerd is, stopt de opbouw van spaaruren niet als zowel de opbouw als opname van spaaruren in het rooster is opgenomen.
Tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof worden geen spaaruren opgebouwd.
Artikel 4.13 opname en kapitalisatie verloftegoed
Vanaf 1 april 2006 is het niet meer mogelijk om extra uren te werken en deze uren te sparen in de vorm van een spaarurencontract. De ambtenaar die deelnam aan het spaarurencontract behoudt zijn al opgebouwde verloftegoed. Ambtenaar en werkgever bepalen in onderling overleg hoe het opgebouwde verloftegoed wordt aangewend. Er zijn twee scenario’s denkbaar. In het eerste scenario behoudt de ambtenaar zijn al opgebouwde verloftegoed en de werkgever en de ambtenaar bepalen in onderling overleg wanneer het verlof genoten wordt. In het tweede scenario wordt het verloftegoed van de ambtenaar gekapitaliseerd en gestort in de levensloopregeling.
Tweede lid
Wanneer het opgebouwde verloftegoed wordt behouden, dienen de ambtenaar en de werkgever overeen te komen wanneer dit verlof wordt genoten. Dit verlof kan op elk willekeurig moment worden genoten, ook voorafgaand aan pensionering en een periode van levensloopverlof. Voor het toekennen van het al opgebouwde spaarverlof gelden de regels zoals die gelden bij het toekennen van vakantieverlof. De ambtenaar geeft aan op welk moment hij het verlof wil genieten en tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet wordt het verlof verleend.
Derde en vierde lid
De werkgever en de ambtenaar kunnen in onderling overleg besluiten het opgebouwde verloftegoed om te zetten in een geldbedrag (kapitaliseren van verlof) en dit bedrag te storten op de levenslooprekening van de ambtenaar. De werkgever is niet verplicht om in te stemmen met een verzoek tot kapitalisatie van het verlof. Wanneer de ambtenaar zijn verlofspaartegoed niet wenst te kapitaliseren kan hij hiertoe niet worden verplicht.
Vijfde tot en met zevende lid
Wanneer zowel de werkgever als de ambtenaar besluiten tot het kapitaliseren van het verlof kan dit alleen binnen de randvoorwaarden van de levensloopregeling. Dit houdt in dat uitsluitend tot kapitalisatie van het verloftegoed kan worden overgegaan wanneer het levensloopsaldo van de ambtenaar aan het begin van het kalenderjaar minder bedraagt dan 210% van het salaris over het voorgaande kalenderjaar. De wettelijke levensloopregeling bepaalt dat een ambtenaar niet meer mag sparen wanneer het saldo op de levenslooprekening meer bedraagt dan 210% van het salaris over het voorgaande kalenderjaar. Ook geldt de voorwaarde dat jaarlijks maximaal 12% van het salaris in het kalenderjaar mag worden ingelegd. Met het salaris in een kalenderjaar wordt het belastbare salaris in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoeld, met andere woorden het salaris voor de loonheffing, kolom 6 (veelal is dit het brutosalaris dat is vermeld op de salarisstrook van de ambtenaar).
Voor ambtenaren geboren na 1949 en vóór 1955 geldt dit laatste maximum van 12% van het salaris in het kalenderjaar niet. Zie artikel 61e, eerste lid, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ter hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende salaris per uur van de ambtenaar. Omdat dit bedrag wordt gestort op de levenslooprekening van de ambtenaar worden op dit bedrag geen loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden, wel premies werknemersverzekering en pensioenpremie. De inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage wordt niet over dit bedrag ingehouden.
Voorbeeld 1
Een ambtenaar die is geboren in 1970 heeft een verlofspaartegoed van 352 uur. Zijn salaris (schaalbedrag) bedraagt € 2000. Zijn jaarinkomen is € 28.000. Hij heeft nog geen tegoed op zijn levenslooprekening.
De waarde van een verlofuur moet worden berekend. Dit is het schaalbedrag x 1/156 (artikel 1.1, onder jj) = 2000/156 = € 12,82.
De totale waarde van zijn verloftegoed bedraagt € 12,82 x 352 = € 4.512,64.
Op basis van zijn jaarinkomen mag hij maximaal 12% van € 28.000 = € 3360 sparen op zijn levenslooprekening.
Er kan dit jaar dus maximaal 262 uur (= 3360/12,82 afgerond) worden gekapitaliseerd. Dit komt overeen met een bedrag van € 3359. De overige uren (352-262 = 90) blijven staan als verlof en kunnen eventueel in een volgend jaar worden gekapitaliseerd.
Voorbeeld 2
Een ambtenaar die is geboren in 1951 heeft een verlofspaartegoed van 300 uur. Zijn salaris (schaalbedrag) is € 3250. Zijn jaarinkomen bedraagt € 45.000. Hij heeft een saldo van € 90.000 op zijn levenslooprekening.
Omdat deze persoon al een tegoed heeft op zijn levenslooprekening wordt eerst bekeken of hij nog verder mag sparen. Het saldo mag niet meer bedragen dan 210% van zijn jaarinkomen. In dit voorbeeld mag het saldo dus niet meer bedragen dan 210% van € 45.000 = € 94.500. Dit jaar mag er nog € 4.500 (94.500 – 90.000) worden gespaard. De bepaling dat jaarlijks maximaal 12% van zijn jaarinkomen mag worden ingelegd is niet van toepassing op deze ambtenaar omdat hij is geboren na 1949 en vóór 1955.
De waarde van een verlofuur bedraagt € 3250/156 = € 20,83.
De totale waarde van zijn verloftegoed bedraagt € 20,83 x 300 = € 6249. Dit is meer dan het maximale dat nog kan worden gespaard.
Er kan dit jaar dus maximaal 216 uur (= 4.500/20,83) worden gekapitaliseerd. Dit komt overeen met een bedrag van € 4499. De overige uren (300-216 = 84) blijven staan als verlof en kunnen eventueel in een volgend jaar worden gekapitaliseerd als dit mogelijk is binnen de gestelde voorwaarden.
De ambtenaar en de werkgever kunnen op ieder moment besluiten om tot kapitalisatie van het verlofspaartegoed over te gaan. Wanneer dit jaar niet wordt overgegaan tot kapitalisatie van het verlof kan in een volgend jaar alsnog worden besloten dit wel te doen. Wanneer dit jaar wordt overgegaan tot kapitalisatie van een deel van het opgebouwde verloftegoed kan eventueel in een volgend jaar het resterende verloftegoed worden gekapitaliseerd. De ambtenaar dient hiertoe een verzoek in en de werkgever beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan.
Achtste tot en met elfde lid
In het achtste tot en met elfde lid is vastgelegd hoe moet worden omgegaan met het opgebouwde verloftegoed in geval van ontslag of in geval van overlijden van de ambtenaar.
Artikel 6.1 recht op vakantie
Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeid’, hebben medewerkers jaarlijks recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een 36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt. Het bovenwettelijke verlof is het verlof dat daarnaast – op grond van de rechtspositieregeling wordt toegekend.
Feestdagen die samenhangen met geloof of culturele achtergrond, zoals het Suikerfeest, zijn geen officiële feestdagen, maar het is wel de bedoeling dat op deze dagen verlof kan worden opgenomen.
Artikel 6.2 intrekking vakantie
Als de ambtenaar de vakantie tijdig gemeld heeft bij zijn leidinggevende en de vakantie verleend is, kan alleen bij een dringende reden overgegaan worden tot intrekking van de vakantie. Het belang van de aanwezigheid van de ambtenaar voor de organisatie moet aantoonbaar zijn.
Wanneer de ambtenaar als gevolg van het intrekken van de vakantie schade lijdt, wordt deze aan hem vergoed. Te denken valt hierbij aan de annuleringskosten van een vakantie.
Artikel 6.3 vakantieopbouw tijdens arbeidsongeschiktheid en andere reden van afwezigheid
Lid 1
Dit artikel geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van afwezigheid.
Lid 2
Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw. Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid. Dat vloeit voort uit de Europese richtlijn 2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof.
Lid 4
De ambtenaar kan ook tijdens arbeidsongeschiktheid vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een oordeel geven. De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van het verlofsaldo. Op grond van artikel 6.1 wordt gedurende de vakantie het salaris en de toegekende salaristoelage(n) doorbetaald zonder de korting die eventueel al geldt gezien de duur van de arbeidsongeschiktheid. In het geval waarin de ambtenaar in het kader van een medische behandeling of therapie elders moet verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.
Lid 5
ziet op de situatie dat de ambtenaar tijdens zijn vakantie ziek wordt. In die situatie worden geen vakantieuren van het verloftegoed afgeschreven, tenzij de ambtenaar toch in staat is geweest van zijn vakantie te genieten. De ambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij tijdens zijn vakantie ziek is geworden. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van een arts.
Lid 6
Het is uiteindelijk de leidinggevende die bepaalt, na advies van de bedrijfsarts, of vakantie-uren worden afgeschreven.
Artikel 6.4 vervaltermijn wettelijk verlof
Lid 1
Het wettelijk verlof is primair bedoeld om op te nemen in het jaar waarin het wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld omdat hij in een ziekenhuis moet blijven, geldt deze termijn niet. Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen de werkgever en de ambtenaar na herstel een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof.
Lid 2
Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan hij het bevoegd gezag vragen om af te zien van de vervaltermijn. De werkgever en de ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.
Artikel 6.4a verjaringstermijn bovenwettelijk verlof
Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt, wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.
Artikel 6.6 verrekening vakantie-uren bij ontslag
In principe moeten alle vakantie-uren voor ontslag worden opgenomen. Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een vergoeding. Het salaris per uur bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een volledige aanstelling herrekend salaris van de ambtenaar per maand. Het salaris is het bedrag van de schaal dat op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt verleend.
Artikel 6.7 verrekening vakantie-uren bij overlijden
Als de ambtenaar overlijdt, wordt de aanspraak op alle opgebouwde en nog niet opgenomen vakantie-uren uitbetaald.
Artikel 6.9 verlof op feestdagen
Op een feestdag heb je vrij, tenzij de dag al op een vrije dag valt. Aangezien de deeltijder al vrij heeft als de feestdag op zijn vrije dag valt, heeft hij geen recht op verlof op een ander moment.
Voorbeeld
Als 1 mei op een zondag valt, dan heeft de ambtenaar met een vast rooster geen recht op een extra vrije dag. De ambtenaar met een wisselend rooster krijgt, ongeacht of hij werkt, dan ook geen extra vrije dag. Valt 1 mei echter op een maandag waardoor de ambtenaar met een vast rooster een extra vrije dag heeft, dan krijgt de ambtenaar met een wisselend rooster ook een extra vrije dag. Het maakt niet uit of hij op die maandag wel of niet werkt. De ambtenaar met een vast rooster die niet op maandag werkt krijgt geen extra vrije dag.
Artikel 6.11 algemene bepalingen
In deze toelichting wordt uitgelegd wat onder bloed- en aanverwantschap verstaan wordt in deze paragraaf. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, door afstamming van dezelfde voorvader. Een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van vaderschap of een adoptie wordt gelijkgesteld met geboorte.
Aanverwantschap is de relatie tussen de ene partner en de bloedverwanten van de andere partner of geregistreerde partner (bijvoorbeeld de zuster of broer van uw partner is uw aanverwant).
Graden van bloed- en aanverwantschap
|
Graad
|
Bloedverwantschap
|
Aanverwantschap
|
|
1e graad
|
- uw ouders;
|
- de ouder(s) van uw partner;
|
|
- uw kind(eren);
|
|
|
|
- de kind(eren) van uw partner;
- de partner(s) van uw kind(eren).
|
|
2e graad
|
- uw grootouder(s);
|
- de grootouder(s) van uw partner;
|
|
- uw kleinkind(eren);
|
- de kleinkind(eren) van uw partner;
|
|
- uw broer(s) en zus(sen).
|
- de broer(s) en zus(sen) van uw partner;
- partners van broer(s) en zus(sen);
- partners van schoonzus(sen) of zwager(s);
|
|
3e graad
|
- uw overgrootouder(s);
|
- de overgrootouder(s) van uw partner;
|
|
- uw achterkleinkind(eren);
|
- de achterkleinkind(eren) van uw partner;
|
|
- uw neef en nicht (de kind(eren) van uw broer(s) en zus(sen));
|
- de neef en nicht van uw partner (de kind(deren) van de broer(s) en zus (sen) van uw partner;
|
|
- uw oom(s) en tante(s) (de broer(s) en zus(sen) van uw ouder(s);
|
- de oom(s) en tante(s) van uw partner (de broer(s) en zus(sen) van de ouder(s) van uw partner.
|
|
4e graad
|
- uw betovergrootouder(s);
|
- de betovergrootouder(s) van uw partner;
|
|
- uw achterneef en achternicht (de kleinkind(eren) van uw broer(s) of zus(sen));
|
- de achterneef en achternicht van uw partner (de kleinkind(eren) van de broer(s) en zus(sen) van uw partner);
|
|
- uw neef en nicht (de kind (eren) van de broer(s) of zus(sen) van uw ouder(s));
|
- de neef en nicht van uw partner (de kind (eren) van de broer(s) en zus(sen) van de ouder(s) van uw partner);
|
|
uw oudoom(s) en oudtante(s) (de kind(eren) van de broer(s) en zus(sen) van uw ouder(s).
|
- de oudoom(s) en oudtante(s) van uw partner (de kind(eren) van de broer(s) en zus(sen) van de ouder(s) van uw partner.
|
Artikel 6.12 calamiteitenverlof, ander kort verzuimverlof en overlijdensverlof
De basis van dit artikel is artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg, dat het calamiteiten- en ander kortdurend verzuimverlof beschrijft.
Artikel 6.14 adoptie- en pleegzorgverlof
De ambtenaar heeft recht op zes weken betaald verlof bij de adoptie van een kind of het opnemen van een pleegkind. Het recht bestaat gedurende 26 weken en vangt aan vier weken voor de eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie of pleegzorg begint.
Het verlof kan gespreid worden opgenomen.
De datum van opname moet blijken uit de officiële documenten rondom de adoptie of de pleegzorg. Als er meerdere kinderen tegelijk worden geadopteerd, bestaat één keer recht op adoptieverlof. Het voornemen tot het opnemen van het verlof wordt uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof gemeld. Er wordt voor de periode van het verlof via de werkgever een uitkering aangevraagd bij UWV. De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever. De ambtenaar dient daarom mee te werken aan de aanvraag van de uitkering bij UWV en de betaling daarvan aan de werkgever.
Voor verdere uitwerking van dit artikel is de Wet arbeid en zorg van toepassing
Artikel 6.15 kortdurend zorgverlof
Tijdens het kortdurend zorgverlof wordt het salaris en de toegekende salaristoelage(n) voor 70% betaald. In overleg, en slechts met instemming van beide partijen, kan het in te houden salaris en de toegekende salaristoelage(n) ook met het vakantieverlof verrekend worden. De berekeningsgrondslagen voor pensioen en dergelijke blijven op 100% salaris en de toegekende salaristoelage(n) staan. Dit betekent dat er geen wijziging in premies en andere inhoudingen is.
De kring personen ten behoeve van wie het kortdurend zorgverlof kan worden opgenomen, wordt genoemd onder a t/m e van het eerste lid.
Op grond van het tweede lid kan per jaar maximaal twee maal de arbeidsduur per week aan zorgverlof worden opgenomen. Dit betekent dat de ambtenaar met een volledige aanstelling maximaal 72 (2 x 36 uur) uur zorgverlof binnen 12 maanden kan opnemen.
Voor het kind of stiefkind van de ambtenaar of de partner is het thuis- of uitwonend zijn niet relevant. Alleen voor een pleegkind geldt voor het recht op langdurend zorgverlof dat uit de gemeentelijke basisadministratie moet blijken dat het kind op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem in zijn gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed.
Het kan voorkomen dat eerst calamiteitenverlof en vervolgens zorgverlof aan de ambtenaar wordt verleend.
Artikel 6.16 langdurend zorgverlof
In het eerste lid is geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren dat hij langdurend zorgverlof geniet. Het inkomen gedurende het langdurend zorgverlof kan worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit de levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in paragraaf 8.
Er is recht op langdurend zorgverlof ingeval de naaste voor wie gezorgd moet worden ziek of hulpbehoevend is.
De Wet Arbeid en Zorg (Wazo) geeft aan dat de ambtenaar recht heeft op langdurend zorgverlof voor de verzorging van zijn naasten. Deze worden genoemd in artikel 6.15 eerste lid.
Voor het kind of stiefkind van de ambtenaar of de partner is het thuis- of uitwonend zijn niet relevant. Alleen voor een pleegkind geldt voor het recht op langdurend zorgverlof dat uit de gemeentelijke basisadministratie moet blijken dat het kind op hetzelfde adres woont als de ambtenaar en door hem in zijn gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed.
Het tweede lid bepaalt dat het recht op langdurend zorgverlof in elke achtereenvolgende periode van 12 kalendermaanden maximaal zesmaal de arbeidsduur per week bedraagt. De standaardvorm voor langdurend zorgverlof is dat de ambtenaar gedurende 12 weken verlof opneemt voor de helft van zijn aanstelling. De ambtenaar kan de werkgever verzoeken om meer verlof per week op te nemen gedurende minder dan 12 weken. Ook is spreiding van het verlof over meer weken mogelijk; hieraan is een maximum verbonden van 18 weken.
Voorbeeld
De ambtenaar heeft een aanstelling van 36 uur per week. Voor de verzorging van zijn partner die levensbedreigend ziek is, vraagt hij langdurend zorgverlof. Hij wil 24 uur per week blijven werken. Hij heeft recht op zes maal 36 uur = 216 uur langdurend zorgverlof. Hij heeft 12 uur langdurend zorgverlof per week. In totaal kan hij 216/12= 18 weken gebruikmaken van langdurend zorgverlof.
De Wazo bepaalt dat de aanvraag voor het verlof tenminste twee weken voor de beoogde ingangsdatum schriftelijk ingediend moet worden. De ambtenaar geeft hierbij aan wat de reden van het verzoek om verlof is en voor wie gezorgd zal gaan worden. Bij de verlofaanvraag geeft de ambtenaar ook aan hoe hij het verlof wil opnemen en wat de ingangsdatum is.
De werkgever moet uiterlijk een week voor de beoogde ingangsdatum van het verlof op het verzoek beslissen; laat de werkgever dit na dan gaat het verlof in op de door de ambtenaar aangevraagde wijze. De werkgever kan het langdurend zorgverlof weigeren ingeval van zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dat het belang van de ambtenaar daarvoor op grond van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De werkgever moet in dat geval in overleg treden met de ambtenaar om te onderzoeken of een andere invulling van het langdurend zorgverlof tot de mogelijkheden behoort.
Het verlof eindigt door het verstrijken van de periode waarvoor het verlof is verleend. Als de naaste tijdens het verlof overlijdt of niet meer levensbedreigend ziek is, eindigt het verlof de dag volgend op de dag waarop deze omstandigheid zich heeft voorgedaan.
Arbeidsongeschiktheid schort het langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend zorgverlof en arbeidsongeschiktheid heeft de ambtenaar na zeven kalenderdagen arbeidsongeschiktheid recht op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). De vermindering van de duur van de vakantie wordt beëindigd.
De opname van langdurend zorgverlof heeft geen consequenties voor:
- 1.
de tegemoetkoming in de ziektekosten;
- 2.
een eventuele reiskostenvergoeding;
- 3.
de periodiekdatum, en de datum van het ambtsjubileum.
De pensioenaanspraken blijven ongewijzigd evenals de te betalen pensioenpremies. Ook aanspraken op een eventuele werkloosheids- of een arbeidsongeschiktheidsuitkering blijven gehandhaafd. De daarvoor geldende premies zijn gebaseerd op het uitbetaalde sociaal verzekeringsloon.
Artikel 6.21 recht op onbetaald verlof
Het verzoek van de ambtenaar om onbetaald verlof wordt ingewilligd tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake als honorering van het verzoek zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld roostertechnische problemen. Als het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van de ambtenaar.
Het eerste lid bepaalt dat de periode van verlof voor een ambtenaar minimaal één maand en maximaal 18 maanden bedraagt. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.
Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.
Het derde lid bepaalt dat als de werkgever en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals die worden genoemd in het eerste en tweede lid, dat op basis van dit lid mogelijk is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van verlof dat korter dan een maand duurt.
Het zevende lid houdt niet in dat het verlof automatisch ingetrokken wordt wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet. Het artikel biedt hiertoe enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij, of geen nadeel ondervindt van, betaalde activiteiten van de ambtenaar.
Het negende lid bepaalt dat onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie jaar direct voorafgaand aan pensionering slechts kan worden geweigerd als een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. De werkgever mag dit argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.
Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake als toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:
- a.
voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;
- b.
op het gebied van veiligheid, of
- c.
van roostertechnische aard.
Artikel 6.22 aanspraken tijdens het onbetaald verlof
In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt.
De ambtenaar heeft volgens het tweede lid gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen, tegemoetkomingen, toelagen en vergoedingen. Hierbij moet ook gedacht worden aan kostenvergoedingen of bijvoorbeeld een telefoon. Wanneer de werkgever gedurende de periode van onbetaald verlof een vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil verstrekken, is dat mogelijk.
Een uitzondering op het tweede lid is de toelage overgangsrecht (TOR). De medewerker blijft gedurende de periode van verlof recht houden op de TOR.
Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten van de ambtenaar na de periode van verlof. In de socialezekerheidswetgeving is immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.
Het vierde lid bepaalt het volgende. Bij onbetaald verlof blijft het eigen deel van de pensioenpremie voor rekening van de ambtenaar. De werkgever draagt zorg voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht op de ambtenaar. Wanneer het verlof langer duurt dan drie maanden betaalt de ambtenaar vanaf de vierde maand van het onbetaald verlof zowel het werknemersdeel als het werkgeversdeel. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld.
De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het pensioenreglement. Het vierde lid regelt de premieverdeling tussen de werkgever en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven in welke mate pensioen wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en hoe de werkgever de premie moet verhalen op de ambtenaar.
Pensioen opbouwen
Bij onbetaald verlof vindt gedurende de gehele verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen sprake van verlof is (artikel 3:4, eerste lid van het pensioenreglement). De ambtenaar blijft dus ongewijzigd pensioen opbouwen.
Premieafdracht pensioen
Als een ambtenaar onbetaald verlof opneemt (ongeacht of het wordt gefinancierd door levensloop) voor een periode van drie maanden of korter dan blijft de premieafdracht ongewijzigd. De werkgever betaalt dus 70% van de premie en de ambtenaar 30%.
Als de ambtenaar onbetaald verlof wil opnemen voor langer dan drie maanden betaalt hij vanaf de vierde maand de volledige pensioenpremies zelf.
Voor de pensioenvormen ANW en, AAOP (arbeidsongeschiktheidspensioen) vindt geen opbouw plaats. Er moet wel premie worden afgedragen. Met die premie worden de uitkeringen gefinancierd van (ex)-deelnemers van het ABP die recht hebben op die uitkering. Hieraan kunnen de premiebetalers geen rechten ontlenen.
Verhalen premie
Als de ambtenaar onbezoldigd verlof geniet dan kan het bedrag dat de werkgever moet verhalen op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de veiligheidsregio aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de veiligheidsregio op de ambtenaar. De veiligheidsregio dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.
Artikel 6.23 samenloop onbetaald verlof met arbeidsongeschiktheid
Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is de ambtenaar in beginsel niet verzekerd voor de ZW, WIA en WAO aangezien er in die periode geen loon en daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden duurt.
Het eerste lid bepaalt dat bij gedeeltelijk verlof de periode van verlof stopt bij arbeidsongeschiktheid na twee weken. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn functie niet meer kan vervullen wegens arbeidsongeschiktheid.
Als volgens het tweede lid sprake is van volledig verlof kan besloten worden bij arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, dus verlof dat niet voorafgaand aan pensionering wordt genoten. Uitgangspunt is echter bij volledig verlof dat de periode van verlof niet stopt bij arbeidsongeschiktheid.
Artikel 6.24 samenloop onbetaald verlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof
Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij samenloop met zwangerschapsverlof. Aan de ambtenaar die met zwangerschaps- en bevallingsverlof is, wordt op grond van artikel 6.33 (zwangerschaps- en bevallingsverlof) het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) doorbetaald.
Artikel 6.33 zwangerschaps- en bevallingsverlof
Zwangerschap wordt niet als arbeidsongeschiktheid beschouwd. Een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof en eventuele door de zwangerschap veroorzaakte arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan de bevalling telt niet mee voor de ontslagtermijn van 24 maanden wegens arbeidsongeschiktheid. De periode van zwangerschapsverlof telt niet mee voor de termijn van 6 maanden arbeidsongeschiktheid waarna de vakantieopbouw stopt. Zie ook artikel 6.3.
De ambtenaar heeft recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof van totaal minimaal 16 weken. Het zwangerschapsverlof is het verlof tot en met de dag van de feitelijke bevalling. Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling.
Het zwangerschapsverlof bij een eenling duurt minimaal vier weken en maximaal zes weken tot aan de datum van de bevalling.
Bij zwangerschap van een meerling duurt het zwangerschapsverlof minimaal acht weken en maximaal 10 weken tot aan de datum van bevalling.
Het bevallingsverlof duurt minimaal tien weken en maximaal zoveel langer als het zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft geduurd. Als de bevalling eerder of later plaatsvindt dan was verwacht, kan dit invloed hebben op de totale duur van het verlof.
De ambtenaar moet tijdig aangeven vanaf wanneer zij met zwangerschapsverlof gaat. Bij de aanvraag voor zwangerschaps- en bevallingsverlof moet de ambtenaar met een verklaring vaneen arts of verloskundige aangeven, wanneer zij verwacht te bevallen.
Als de ambtenaar eerder bevalt dan de verwachte bevallingsdatum wordt het resterende
zwangerschapsverlof bij het bevallingsverlof opgeteld. De totale duur van het zwangerschaps-en bevallingsverlof blijft gelijk.
In het vierde lid wordt aangegeven dat in geval van ziekenhuis opname van het kind het bevallingsverlof met de duur van de ziekenhuisopname wordt verlengd tot een maximum van tien weken. De bedoeling is dat de moeder altijd de gelegenheid heeft om na de ziekenhuisopname nog 10 weken het kind thuis te verzorgen.
Voorbeeld 1
De ambtenaar is uitgerekend op 29 september. Om te bepalen wanneer het zwangerschapsverlof uiterlijk ingaat wordt vanaf de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum, dus 30 september, vier weken teruggerekend. Het zwangerschapsverlof gaat in op 2 september.
Voorbeeld 2
De ambtenaar heeft uitgaande van de vermoedelijke datum van bevalling gekozen voor zes weken zwangerschapsverlof en tien weken bevallingsverlof. De bevalling vindt echter na vijf weken zwangerschapsverlof plaats. De resterende week wordt bij het bevallingsverlof opgeteld, zodat dit verlof 11 weken duurt.
Als de ambtenaar later bevalt dan de verwachte bevallingsdatum, heeft dit geen invloed op de gekozen duur van het bevallingsverlof. Dit blijft tien weken. De totale duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt langer.
Voorbeeld 3
De ambtenaar heeft gekozen voor vijf weken zwangerschapsverlof en 11 weken bevallingsverlof. De bevalling vindt echter pas na zes weken plaats. Zij behoudt het recht op 11 weken bevallingsverlof. De totale duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt dan 17 weken.
Voorbeeld 4
De ambtenaar is zwanger van een meerling. Zij heeft gekozen voor de minimumduur van het zwangerschapsverlof van acht weken, en niet voor de maximumduur van 10 weken. Zij kan de twee weken verschil niet meenemen naar het bevallingsverlof, omdat het zwangerschapsverlof niet minder dan zes weken heeft bedragen (lid 3).
De bevalling vindt echter pas na negen weken plaats. Zij behoudt het recht op 10 weken bevallingsverlof. De totale duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt dan 19 weken.
Voorbeeld 5
Als de ambtenaar volledig ziek is binnen zes weken voorafgaand aan de verwachte bevallingsdatum, maar het zwangerschapsverlof is nog niet ingegaan, worden deze ziektedagen in mindering gebracht op de totale duur van het zwangerschapsverlof. Op het moment dat ze in week 5 beter is, gaat zij gewoon weer aan het werk. Deze werkdagen tellen dan niet mee in het zwangerschapsverlof.
Voorbeeld 6
De ambtenaar heeft gekozen voor vier weken zwangerschapsverlof en 12 weken bevallingsverlof. Vijf weken voor de verwachte bevallingsdatum wordt zij ziek. Zij bevalt wel op de verwachte bevallingsdatum. In dat geval wordt een week in mindering gebracht op de totale duur van het verlof. Het bevallingsverlof duurt dan nog 11 weken.
Artikel 7.1
Sub a
De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de invoering van de Wet verbetering poortwachter (Wvp) in artikel 7:658a BW is opgenomen.
De vraag wat passende arbeid is, moet in elk concreet geval aan de hand van de omstandigheden worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het moet gaan om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de werkzaamheden waartoe de ambtenaar nog in staat is. Hierbij geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Als dat het geval is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem te verrichten werkzaamheden, als re-integratie in de eigen functie niet tot de mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet als passend moet worden aangemerkt, op een later moment wel als passend kan worden aangemerkt.
Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen, of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden verricht. Als dat het geval is, dan zullen de werkgever en ambtenaar hun inspanningen in eerste instantie daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet meer tot de reële mogelijkheden, dan is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.
De vraag welke arbeid als passende arbeid kan worden beschouwd, is in eerste instantie ter beoordeling van de werkgever, eventueel met advies van de arbodeskundige. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid passend is, kan hij daarover een op grond van artikel 30, eerste lid, onder f, Wet Suwi, een deskundigenoordeel vragen aan UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de ambtenaar is belangrijk dat wanneer de werkgever besluit op grond van artikel 7.12 het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te verminderen, het salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar worden uitbetaald als deze op grond van een deskundigenoordeel in het gelijk wordt gesteld.
Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de werkgever - als de ambtenaar arbeidsongeschikt is - te zoeken naar passende arbeid (artikel 7.6). Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden (artikel 7:7).
Artikel 7.12, 7.13 en 12.9 maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.
Sub b
De ambtenaar die tijdens zijn arbeidsongeschiktheid werkzaamheden verricht met oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7.4 vijfde lid, recht op 100% doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbodienst. Bij het maken van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de aanvangs en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7.6.
De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden aangeboden (artikel 7.7). Artikel 7.12, 7.13 en 12.9 maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.
Sub c
De ambtenaar die tijdens zijn arbeidsongeschiktheid scholing volgt met het oog op terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel 7.4 vijfde lid, over deze uren recht op de doorbetaling van zijn volledige het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk maakt dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7.6.
Sub d
De ambtenaar is verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden (artikel 7.7). Artikel 7.12, 7.13 en 12.9 maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.
Sub e
Van een dienstongeval is sprake als het ongeval naar tijd en plaats een directe relatie heeft met de dienst (in de dienst) en de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden (door de dienst).
Op grond van deze definitie is een ongeval tijdens het woon-werkverkeer geen dienstongeval in de zin van dit artikel. Een ongeval tijdens het beroepshalve deelnemen aan het verkeer, het maken van dienstreizen, en het gaan van de ene werkplek naar de andere is dat wel.
Bij schuld of nalatigheid van de ambtenaar is geen sprake van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Voorbeelden van zulke gedragingen zijn onnodig risico’s nemen of handelen in strijd met gegeven instructies, veiligheidsvoorschriften, verkeerswetgeving en dergelijke. Bij ‘normale’ onoplettendheid of onvoorzichtigheid, inherent aan de uitvoering van de werkzaamheden, spreken we niet van schuld of nalatigheid van de ambtenaar.
Artikel 7.2 begin en einde van de arbeidsongeschiktheid
De ambtenaar moet zich ziek melden volgens de procedure die de werkgever heeft opgesteld. In artikel 7.6 is geregeld welke onderdelen in ieder geval in deze procedure moeten staan.
De werkgever laat zich bij het naleven van zijn verplichtingen op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet bijstaan door deskundige ambtenaren uit de organisatie en een arbodienst. De arbodienst moet in ieder geval worden ingeschakeld bij:
- a.
het beoordelen van de Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E);
- b.
- c.
het vrijwillige periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO);
- d.
het instellen van een arbeidsomstandighedenspreekuur;
- e.
De arbodeskundige geeft een medisch oordeel over de gezondheid van de ambtenaar en adviseert de werkgever. Het is echter de werkgever die beslist over de te nemen vervolgstappen. Als het besluit van de werkgever afwijkt van het advies van de arbodeskundige, zal de werkgever het besluit goed moeten kunnen motiveren.
Als een ambtenaar tijdens zijn vakantie arbeidsongeschikt wordt, wordt dit beschouwd als een ‘normale’ arbeidsongeschiktheid. Het gevolg hiervan is dat als hij handelt volgens de procedure er geen verlofuren worden afgeschreven. De ambtenaar die in het buitenland is, moet daarnaast een verklaring van een bevoegde arts hebben. Met een aantal landen is een verdrag gesloten waarin is opgenomen bij welke officiële instantie de arts aangesloten moet zijn om als bevoegde arts erkend te worden.
Is de ambtenaar in een niet-verdragsland met vakantie dan volstaat een verklaring van de behandelend arts of kan de ambtenaar verplicht worden een arts te bezoeken in het buitenland waarmee de Arbo-dienst afspraken heeft.
Is de ambtenaar niet in staat om naar Nederland te reizen dan dient dit ook uit een schriftelijke verklaring van een bevoegde arts te blijken.
Als de datum van arbeidsgeschiktheid volgens de Arbo-dienst niet samenvalt met de datum waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden heeft hervat geldt de datum die door de Arbo-dienst is vastgesteld.
Hervat de ambtenaar eerder het werk dan de arbodienst heeft aangegeven dan zal in de regel afstemming met de werkgever over de datum van geschiktverklaring mogelijk zijn. Als de ambtenaar later het werk hervat dan is vermeld op de geschiktverklaring, draagt hij zelf zorg voor de afstemming met de arbodienst. Indien de arbodienst niet instemt met de latere werkhervatting, kan inhouding van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op grond van artikel 3.2 eerste lid plaatsvinden.
Artikel 7.3 onderbreking perioden van arbeidsongeschiktheid
Perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als arbeidsongeschiktheid. Dit heeft tot gevolg dat perioden van arbeidsongeschiktheid die onderbroken worden door het zwangerschaps- en bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de perioden van arbeidsongeschiktheid. Als de arbeidsongeschiktheid echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof, én de arbeidsongeschiktheid wordt redelijkerwijs geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze periodes samengeteld.
Voorbeeld 1
Een vrouwelijke ambtenaar is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na twee weken) weer arbeidsongeschikt wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan vier weken. Daardoor geldt 1 januari 2006 als de eerste ziektedag. Dit betekent dat het salaris en de toegekende salaristoelage(n) op 15 juli 2006 (dit is zes maanden en twee weken na 1 januari 2006) worden teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007 worden het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75% en per 15 januari 2008 naar 70%.
Voorbeeld 2
Een vrouwelijke ambtenaar is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20 augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog arbeidsongeschikt. Er zijn dan twee mogelijkheden:
Mogelijkheid A
De arbeidsongeschiktheid na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende salaristoelage(n) op 21 oktober 2006 (dit is zes maanden en 16 weken na 1 januari 2006) worden teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 worden het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.
Mogelijkheid B
De arbeidsongeschiktheid na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de arbeidsongeschiktheid voor dat verlof. In dit geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari 2007 (dit is zes maanden na 21 augustus 2006) het salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 worden het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.
Artikel 7.4 recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n)
In het eerste tot en met het vierde lid worden de hoofdregels van de loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid weergegeven. Met ingang van de eerste ziektedag worden het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedurende zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende maand tot en met de twaalfde maand recht op 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) . Na twaalf maanden van arbeidsongeschiktheid heeft de ambtenaar recht op 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) tot het einde van zijn dienstverband. Tijdens zijn vakantieverlof wordt de korting op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdelijk stopgezet en ontvangt de ambtenaar zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) overeenkomstig artikel 6.1.
Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als arbeidsongeschiktheid. Het eerste tot en met vierde lid, die de hoogte van de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bepalen tijdens arbeidsongeschiktheid, zijn niet van toepassing bij zwangerschaps- en bevallingsverlof, zie artikel 6.33 en 6.34.
Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een zieke ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot 2018 is deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar niet ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In 2018 wordt de Wet werken na de
AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt de loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.
Vijfde lid
De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in het kader van de re-integratie zijn opgenomen in artikel 7.1.
Zevende lid
De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor minimaal 50% van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie verricht of scholing volgt als genoemd in het vijfde lid, heeft op grond van het zevende lid recht op een bonus van 5%, berekend over het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waarop hij recht heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100% over de gewerkte uren en uren van scholing in het kader van de re-integratie een extra re-integratiestimulans voor de ambtenaar. Een ambtenaar heeft in het eerste ziektejaar geen recht op de bonus.
Achtste lid
In artikel 6.33 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Dit geldt ook als de ambtenaar arbeidsongeschikt is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft met andere woorden voorrang boven de financiële aanspraken die gelden tijdens arbeidsongeschiktheid.
De periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties, mag niet worden meegeteld voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. Als dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die zwangerschapsgerelateerd arbeidsongeschikt is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n). Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In dit lid is daarom geregeld dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid de termijnen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer duurt voordat het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van betrokkene op een lager niveau gesteld worden.
Voorbeeld
Een medewerkster is met ingang van 1 februari 2006 arbeidsongeschikt vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei 2006 (zij is dan drie maanden arbeidsongeschikt). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens zwangerschapsklachten (minder dan vier weken van herstel) en herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006 (één maand arbeidsongeschikt). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor vier maanden uit wegens een hernia (minder dan vier weken van herstel). Als gevolg van de samentelregeling uit artikel 7.3, worden ziekteperiodes samengeteld als er minder dan vier weken van herstel tussen ligt. Op grond van het tweede lid zou de medewerkster dan met ingang van 1 september 2006 (dan zijn in totaal – de korte periodes van herstel niet meegerekend – zes maanden van arbeidsongeschiktheid verstreken), recht hebben op 90% van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n) . De periode van zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid schort de periode van de hoogte van de loondoorbetaling echter op. De medewerkster is één maand zwangerschapsgerelateerd arbeidsongeschikt geweest. Als gevolg hiervan worden haar salaris en de toegekende salaristoelage(n) met ingang van 1 oktober 2006 naar 90% bijgesteld.
Let wel, het achtste lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker zeven maanden arbeidsongeschikt is en na drie weken herstel uitvalt als gevolg van arbeidsongeschiktheid die gerelateerd is aan de zwangerschap, dan heeft zij op grond van het tweede lid recht op 90% doorbetaling van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens deze zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid. De periode van de zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid schort de berekening van de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.
In artikel 7.14 is de samenloop van salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid met het ziekengeld geregeld.
Zie voor de samentelregeling ook het voorbeeld opgenomen bij artikel 7.3.
Negende lid
Als de ambtenaar na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid definitief wordt herplaatst in een andere functie door middel van een wijziging van de tewerkstelling (artikel 7.8 tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de tewerkstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer arbeidsongeschikt wordt in deze aanstelling beginnen de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.
Tiende lid
De berekening van het minimumloon is naar rato van de omvang van het dienstverband.
Elfde lid
In bepaalde gevallen kan het zijn dat een korting op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet redelijk is en dat in een dergelijk geval doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) dient plaats te vinden. Deze afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens objectieve medische maatstaven, nabij is. Alvorens een dergelijk besluit te nemen, kan advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de ambtenaar levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar loopt.
Artikel 7.5 deskundigenoordeel
Zowel de werkgever als de ambtenaar kunnen bij UWV een deskundigenoordeel aanvragen, ook wel second opinion genoemd, als er verschil van mening is over:
- a.
de mate van geschiktheid tot werken;
- b.
de vraag of er binnen de VrAA passende arbeid te vinden is;
- c.
de vraag of de werkgever voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen verricht heeft.
De arbodeskundige beoordeelt in eerste instantie de geschiktheid van de ambtenaar om te werken. Als de ambtenaar of de werkgever het niet eens zijn met de arbodeskundige kunnen zij elk een second opinion aanvragen bij UWV.
Als de ambtenaar vindt dat er wel passende arbeid is binnen de VrAA of dat de werkgever onvoldoende re-integratieactiviteiten onderneemt, kan hij daarover een deskundigenoordeel vragen bij UWV. Is UWV van mening dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet nakomt, dan kan de termijn waarbinnen de werkgever het loon moet doorbetalen zonder toekenning van een Wia-uitkering verlengd worden. Dit komt neer op een verlenging van de Wia-wachttijd. De verlenging duurt maximaal 52 weken en is afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim van de werkgever.
De aanvraag van een deskundigenoordeel heeft géén opschortende werking en leidt niet tot een wijziging in het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar. Als de werkgever het salaris en de toegekende salaristoelage(n) heeft gestopt, hoeft de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet te worden hervat op het moment dat de ambtenaar een deskundigenoordeel aanvraagt.
Het deskundigenoordeel is een advies en dus geen bindende uitspraak. Als de werkgever het advies van UWV niet opvolgt en een tegengesteld besluit neemt, kan de ambtenaar tegen dit besluit bezwaar aantekenen bij de werkgever.
Artikel 7.6 verplichtingen werkgever
De werkgever moet, na instemming van de ondernemingsraad (artikel 27 WOR), voor ziek- en hersteldmeldingen een procedure opstellen. Alle ambtenaren worden hierover tijdig geïnformeerd. In deze procedure zijn regels opgenomen hoe de ambtenaar zich moet ziek- en hersteldmelden, op welke tijden hij thuis moet blijven, hoe hij contact houdt met zijn werkgever en dergelijke.
Tweede tot en met vijfde lid
De verplichtingen van de werkgever in het tweede tot en met het vijfde lid zijn afkomstig uit de Wet verbetering poortwachter (Wvp), de WIA en de regeling Procesgang eerste en tweede ziektejaar. De werkgever moet ten aanzien van een arbeidsongeschikte ambtenaar zo snel mogelijk maatregelen treffen die de terugkeer naar het eigen werk bevorderen. Aanpassing van de werkplek, splitsing van taken, vermindering van de arbeidsduur kunnen onderdeel uitmaken van deze maatregelen.
De arbodeskundige moet na zes weken arbeidsongeschiktheid een probleemanalyse opstellen en een advies uitbrengen over de mogelijkheden tot herstel en werkhervatting. Op basis van het advies wordt door de werkgever en de ambtenaar binnen twee weken een plan van aanpak opgesteld. In het plan van aanpak is in ieder geval opgenomen wie de casemanager is, wat het doel van de re-integratieactiviteiten is en welke inspanningen van werkgever en ambtenaar verwacht worden. Ook wordt hierin opgenomen welke afspraken gemaakt worden over contact met behandelaars, of een re-integratiebedrijf wordt ingeschakeld en welke termijnen en evaluatiemomenten worden afgesproken. Het plan van aanpak wordt zo vaak als nodig is, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Over de voortgang van de activiteiten moet de werkgever minimaal eenmaal per zes weken met de ambtenaar contact hebben. Van deze contacten moet een schriftelijk verslag gemaakt worden. Dit verslag vormt samen met overige informatie die van belang is voor de re-integratie van de ambtenaar het re-integratieverslag.
Als duidelijk is dat de eigen functie niet meer kan worden verricht, moet de werkgever in het eerste ziektejaar nagaan of andere passende arbeid binnen de eigen organisatie mogelijk is. Onder eigen organisatie wordt niet alleen het organisatie-onderdeel verstaan maar de hele VrAA. Dit wordt de re-integratie binnen het "eerste spoor" genoemd.
Als binnen de VrAA geen werk voorhanden is, moet de werkgever zich inspannen om re-integratie van de ambtenaar bij een andere organisatie mogelijk te maken.
Dit wordt de re-integratie binnen het "tweede spoor" genoemd. Aan het einde van het eerste ziektejaar zullen de re-integratie-activiteiten zowel van werkgever als van de medewerker ook gericht moeten zijn op werkhervatting buiten de eigen organisatie. Re-integratie-activiteiten met het oog op werk bij een andere werkgever kunnen alleen achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op werkhervatting in het eigen bedrijf. Het UWV zal de aanvraag voor een WIA slechts in behandeling nemen als blijkt dat de werkgever aan deze verplichting heeft voldaan.
Het UWV beoordeelt of de werkgever voldoende aan deze verplichtingen heeft voldaan. Als het UWV van mening is dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest, kan zij een loonsanctie opleggen. Dit houdt in dat voor de werkgever de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken nog eens met maximaal 52 weken kan worden verlengd, alvorens het UWV de aanvraag om een Wia-uitkering in behandeling neemt. Het UWV heeft in het kader van de beoordeling van de bemiddeling van langdurig zieke medewerkers beleidsregels opgesteld. Deze zijn te vinden in het beleidsstuk "Beoordelingskader Poortwachter" gepubliceerd op de website van het UWV ( http://www.uwv.nl/).
Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken van de afspraken bijstaan door een arbodeskundige.
Onder het treffen van maatregelen worden ook het verrichten van werkzaamheden in het kader van de re-integratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het kader van de re-integratie, bedoeld in artikel 7.4 begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan wel plaatsing in een passende functie.
Artikel 7.7 verplichtingen ambtenaar
Het eerste lid geeft aan dat de ambtenaar verplicht is de werkgever alle informatie te geven die voor de uitvoering van de bepalingen bij arbeidsongeschiktheid noodzakelijk zijn. Dit geldt voor het hele hoofdstuk, dus ook als er bijvoorbeeld sprake is van een verplicht medisch onderzoek als bedoeld in artikel 7.9 of bij een WGA- of IVA-uitkering als bedoeld inartikel 7.19. Als de ambtenaar niet meewerkt met het plan van aanpak, niet meewerkt aan zijn re-integratie of zich niet of onvoldoende inzet om weer te gaan werken, kunnen maatregelen op grond van paragraaf 5 worden genomen.
In artikel 7.7 tweede lid en verder zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en re-integratie voor de ambtenaar gelden.
De ambtenaar meldt zich ziek volgens de procedure die de werkgever heeft opgesteld. In artikel 7.6 is geregeld welke onderdelen in ieder geval in deze procedure moeten staan.
Het intern organiseren van arbodeskundigen wordt in artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet de maatwerkregeling genoemd. De OR heeft hierover instemmingsrecht.
Als het niet mogelijk is om de maatwerkregeling te organiseren of hierover instemming van de OR te verkrijgen, dan heeft de werkgever de verplichting om een Arbo-dienst of deskundige gecertificeerd conform de Arbeidsomstandighedenwet artikel 14, eerste lid in te schakelen. Dit wordt in artikel 14a Arbeidsomstandighedenwet de vangnetregeling genoemd.
De arbodeskundige geeft een medisch oordeel over de gezondheid van de ambtenaar en adviseert de werkgever. Het is echter de werkgever die beslist over de te nemen vervolgstappen. Als het besluit van de werkgever afwijkt van het advies van de arbodeskundige, zal de werkgever het besluit zeer goed moeten motiveren.
Artikel 7.8 wijze van opdragen passende arbeid
Gedurende de hele periode van arbeidsongeschiktheid geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel. Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en 4.
Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35% arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten (35% tot 80% arbeidsongeschikt).
Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden onderscheiden:
- 1.
de situatie waarin de aanstelling in de oude functie gehandhaafd blijft, maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt opgedragen; 2. de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd; de oude functie van de ambtenaar komt te vervallen en deze krijgt een nieuwe functie in passende arbeid.
onder 1
- a.
De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die gevallen waarbij:
terugkeer in de oude functie nog mogelijk wordt geacht en de ambtenaar bijvoorbeeld passende arbeid verricht,
- b.
(volledige) terugkeer in de oude functie niet mogelijk wordt geacht en de ambtenaar tijdelijk een andere functie vervult, bijvoorbeeld bij wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.
Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in zijn eigenlijke functie. Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij recht op de doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) (artikel 7.4 lid 5 NRGA).
onder 2
Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de wachttijd voor een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Als het mogelijk zou zijn de arbeidsongeschikte medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende functie, zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn nieuwe functie namelijk niet arbeidsongeschikt. Dit is de reden geweest dat een wijziging van de tewerkstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van arbeidsongeschiktheid zijn verstreken.
In het derde en vierde lid van artikel 7.8 NRGA zijn aanvullende voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:
- 1.
de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie
- 2.
waarbij rekening moet worden gehouden met de restverdiencapaciteit van de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van arbeidsgeschiktheid:
- a.
volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder arbeidsongeschiktheid
- b.
ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en80% arbeidsongeschiktheid
De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een proefplaatsing. Een belangrijk verschil met de situatie onder 1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de tewerkstelling het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar worden aangepast aan het niveau en de omvang van de nieuwe functie. Dit is mogelijk op grond van artikel 7.8 lid 10 NRGA.
Als de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de tewerkstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar arbeidsongeschikt wordt in deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7.4 NRGA opnieuw te lopen. Als de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) altijd uitgegaan van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die gelden voor die nieuwe functie.
Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat deze concessies doet met functie tot door hem te verrichten passende arbeid als re-integratie in de eigen arbeid niet tot de mogelijkheden behoort.
Artikel 7.12 NRGA biedt de mogelijkheid om de inkomsten die een ambtenaar met passende arbeid had kunnen ontvangen geheel in mindering te brengen op zijn salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wanneer de ambtenaar zonder deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de beoordeling van de 'deugdelijkheid' van de weigeringgrond zal worden meegewogen of de arbeid wel voldoet aan het criterium 'passend'.
De ultieme sanctie op het zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag.
Dit kan binnen 24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel 12.9 NRGA biedt daartoe de mogelijkheid.
Lid 3
Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden op of na 1 juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan, ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 5
Bijzondere uitkering bij ontslag in geval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid van Hoofdstuk 30a Voorzieningen voor Werkloosheid)
In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de VrAA een functie gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de VrAA een passende functie gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit.
Lid 4
Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden op of na 1 juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor 35% of meer maar minder dan 80%. In het derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de VrAA een functie gevonden is voor ten minste 50% van de restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de VrAA een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de restverdiencapaciteit.
Situationele arbeidsongeschiktheid
In het geval de ambtenaar situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen. Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van artikel 7.12 NRGA en kunnen de inkomsten die een ambtenaar met passende arbeid had kunnen ontvangen geheel in mindering worden gebracht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) .
Lid 6
Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn wegens arbeidsongeschiktheid de periode van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden.
Voorbeeld
Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft arbeidsongeschikt tot de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich arbeidsongeschikt wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap arbeidsongeschikt is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschapsen bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof.
Lid 7
Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid en het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12 maanden termijn.
Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid die 4 weken of langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Als de arbeidsongeschiktheid (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de arbeidsongeschiktheid wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn.
Lid 8
De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen.
Onder a
Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid 42 weken heeft geduurd de arbeidsongeschiktheid te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
Onder b
In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.
Onder c
Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.
De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7.4 lid 4 NRGA heeft de medewerker na 24 maanden arbeidsongeschiktheid recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 9
Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie van het arbeidskundige rapport. De VrAA ontvangt als belanghebbende een kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het resterende verdienvermogen genoemd worden.
Artikel 7.10 verplicht medisch onderzoek bij functievervulling
Op grond van dit artikel kan de werkgever de ambtenaar verplichten om mee te werken aan een geneeskundig onderzoek. De werkgever legt deze verplichting op als hij twijfels heeft over de gezondheid van de ambtenaar. Heeft de werkgever aanleiding om de oorzaak van het niet naar behoren functioneren van de ambtenaar aan de psychische of fysieke gezondheid van de ambtenaar te wijten, dan kan de werkgever de ambtenaar verplichten aan een medisch onderzoek mee te werken.
Artikel 7.11 Periodiek
ArbeidsGezondheidskundig
Onderzoek (PAGO)
Voor bepaalde functies is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet een periodiek onderzoek verplicht, zoals bij reinigers. Met periodiek onderzoek wordt de gezondheid onderzocht van individuele ambtenaren die gezondheidsrisico’s kunnen lopen door de aard van hun werk. Een dergelijk algemeen risico is dan eerder vastgesteld in de Risico-inventarisatie (RIE). De uitkomst van een periodiek onderzoek kan aanleiding zijn voor het treffen van preventieve maatregelen ter verbetering van het werk en de arbeidsomstandigheden
Artikel 7.12 vermindering salaris en de toegekende salaristoelage(n)
De maatregelen genoemd in beide artikelen zijn dwingend: de doorbetaling van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wordt verminderd (artikel 7.12) of gestaakt (artikel 7.13) zodra de ambtenaar zich niet houdt aan de eisen die aan hem gesteld worden bij arbeidsongeschiktheid. De doorbetaling van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wordt weer gestart als de ambtenaar het beschreven gedrag niet meer vertoont.
Aan de ambtenaar die zich herhaaldelijk niet houdt aan zijn verplichtingen kan ook een disciplinaire maatregel op grond van hoofdstuk 13 (ordemaatregelen en disciplinaire straffen) worden opgelegd.
Artikel 7.13 stopzetten betaling
De maatregelen genoemd in beide artikelen zijn dwingend: de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt verminderd (artikel 7.12) en de opbouw van het IKB (artikel 3.28) of gestaakt (artikel 7.13) zodra de ambtenaar zich niet houdt aan de eisen die aan hem gesteld worden bij arbeidsongeschiktheid. De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wordt weer gestart als de ambtenaar het beschreven gedrag niet meer vertoont.
Aan de ambtenaar die zich herhaaldelijk niet houdt aan zijn verplichtingen kan ook een disciplinaire maatregel op grond van hoofdstuk 13 (ordemaatregelen en disciplinaire straffen) worden opgelegd.
Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wel plaats. De VrAA moet zich voor het besluit om de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.
Artikel 7.14 samenloop met Ziektewetuitkering
Als de ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering, wordt deze in mindering gebracht op de door de werkgever te betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n). De ambtenaar moet de werkgever alle medewerking verlenen om de bovengenoemde uitkering tot uitbetaling aan de werkgever te laten komen. Een ambtenaar heeft recht op een ZW-uitkering als:
- a.
hij wegens orgaandonatie verhinderd is zijn functie te vervullen;
- b.
hij bij indiensttreding arbeidsgehandicapt is en binnen vijf jaar na indiensttredingarbeidsongeschikt wordt;
- c.
zij tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg, of
- d.
zij wegens zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is en recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg (zie ook hoofdstuk 6 Vakantie, verlof en levensloopregeling).
Als de ambtenaar nalaat de uitkering aan te vragen of de uitkering wordt door zijn toedoen beëindigd, wordt gedurende de periode dat hij daardoor geen uitkering ontvangt, gedaan alsof hij die wel ontvangt. Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden dan met dit bedrag verlaagd.
Artikel 7.15 samenloop met Werkloosheidswetuitkering
Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én zes maanden (voor ziektegevallen van voor 1 januari 2004 moet hier 18 maanden gelezen worden) na de eerste ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet op grond van urenverlies én verlies van loon recht geeft op een uitkering. Wanneer dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Als hij een werkloosheidsuitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7.4 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een ambtenaar dubbele inkomsten ontvangt.
Om de ambtenaar niet te veel te belasten wordt deze niet verplicht een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting uit de Werkloosheidswet voortvloeit.
Artikel 7.16 samenloop met
Wia
-uitkering
In artikel 38 ZW is bepaald dat de wachttijd voor een Wia-uitkering in drie gevallen kan worden verlengd en wel:
- a.
Met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op salaris en de toegekende salaristoelage(n) op grond van artikel 24, eerste lid, Wia. In artikel 24, eerste lid, Wia is bepaald dat de Wia-wachttijd op verzoek van werkgever en ambtenaar gezamenlijk verlengd kan worden.
- b.
Met de duur van de periode, dat het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, Wia heeft vastgesteld. Bij de aanvraag van een Wia-uitkering moet een re-integratieverslag worden ingediend. Als UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, kan UWV de termijn gedurende welke de werkgever het salaris en de toegekende salaristoelage(n) moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een verlenging van de Wia-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, Wia.
Indien de uitkering op grond van de Wia pas op een later tijdstip ingaat dan na 104 weken arbeidsongeschiktheid, kan op de door te betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n) na 104 weken arbeidsongeschiktheid geen WGA- of IVA-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de werkgever feitelijk na 104 weken arbeidsongeschiktheid een zwaardere financiële last draagt. In het geval genoemd onder a hiervoor is sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor werkgever én ambtenaar gunstig zijn als re-integratie aanstaande is. De ambtenaar krijgt dan niet te maken met een uitkering op grond van de Wia; de werkgever heeft als voordeel dat de Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het feit dat een ambtenaar een uitkering op grond van de Wia heeft. In het geval onder b hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor het niet naleven van de re-integratieverplichtingen.
De ambtenaar merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7.4, vierde lid heeft de medewerker na 24 maanden arbeidsongeschiktheid recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Eerste lid
Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in mindering wordt gebracht op de doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op het door te betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n) als deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde functie. In het geval de betrokkene ondertussen definitief is herplaatst in een andere functie door middel van een wijziging van de tewerkstelling wordt de WGA-uitkering, voor zover die voortvloeit uit die oude functie, niet in mindering gebracht op het door te betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens arbeidsongeschiktheid.
Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop op grond van artikel 7.5 NRGA recht bestaat, heeft de ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA of WGA-uitkering. Dit is het geval na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid, waarna recht op doorbetaling van 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bestaat.
Niet altijd zal er sprake van zijn dat het door te betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n) lager zijn dan de IVA- of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid bijvoorbeeld als de ambtenaar eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte wachttijd op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste arbeidsongeschiktheiddag. Op dat moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100% loondoorbetaling. Er vindt dan wel volledige verrekening van de uitkering met de loondoorbetaling plaats.
Tweede lid
Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een arbeidsongeschikte ambtenaar die meer dan één functie heeft. Als betrokkene voor beide functies arbeidsongeschikt wordt, wordt slechts één Wia-uitkering toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(n) voor één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van de uitkering ingevolge de Wia in mindering moeten brengen dat verband houdt met de arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit wordt naar rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de beide functies bepaald.
Artikel 7.19 periodieke aanvullende uitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in en door de dienst en dit ongeval niet aan de ambtenaar te wijten is. De WGA- of IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond van het pensioenreglement, wordt aangevuld tot een bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), genoten in het jaar voorafgaand aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Artikel 7.21
Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die vóór 1 januari 2001 definitief herplaatst is in een nieuwe functie én voor die datum een lager arbeidsongeschiktheidspercentage krijgt. Als deze ambtenaar geen aanvullende werkzaamheden kreeg, verloor hij zijn herplaatsingtoelage.
Hij ontving voor zijn werkloosheid ook geen suppletie-uitkering omdat een ambtenaar vóór 1 januari 2001 alleen recht op een suppletie-uitkering heeft als hij was ontslagen. Een definitieve herplaatsing gaat echter niet gepaard met ontslag, maar met een besluit wijziging tewerkstelling.
Door de invoering van de WW kan de ambtenaar in tegenstelling tot de situatie vóór 1 januari 2001 aanspraak maken op een WW-uitkering. Daardoor is de garantie-uitkering overbodig geworden voor nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001.
§ 9 Overgangsrecht
Artikel 7.22
ARA-hoofdstukken
Hierbij de relevant ARA-hoofdstukken:
Artikel 7.23
Ambtenaren die arbeidsongeschikt zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7.8, derde en vierde lid.
Artikel 7.24
Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7.8, achtste lid, onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 arbeidsongeschikt zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 arbeidsongeschikt zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid 13 weken heeft geduurd de arbeidsongeschiktheid te melden bij het UWV. Als de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur verlengd.
Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van medewerkers.
Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid 42 weken heeft geduurd de arbeidsongeschiktheid te melden bij het UWV. Als de gemeente deze melding te laat doet loopt de gemeente de kans een boete te krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de loondoorbetalingsverplichting.
Artikel 8.1 recht op tegemoetkoming
De tegemoetkoming wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling en is daardoor een netto bedrag voor de medewerker.
Bij de overgang naar de WKR bedroeg de maandelijkse tegemoetkoming ziektekosten € 53,24 bruto per persoon (2013). Het resultaat voor het nettobedrag per persoon is vanwege de loonheffing verschillend. Het uitgangspunt is dat een medewerker na aftrek van de loonheffing er netto niet op achteruit gaat.
Vanaf 1 mei 2016 wordt de berekening gebaseerd op een bruto maandelijks bedrag van € 54,00.
Artikel 8.7
Ook op beroepsziekten die zich pas later openbaren kan deze regeling van toepassing zijn. De bedrijfsarts adviseert de werkgever die hier de uiteindelijke beslissing neemt.
Artikel 8.9 5%-regeling
Onder voor zijn rekening gebleven kosten wordt het eigen risico niet begrepen. Zowel het verplichte eigen risico als het vrijwillig verhoogde eigen risico van de medewerker komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Premies van de basis- en aanvullende verzekering worden ook tot de ziektekosten gerekend. Premies betaald voor de aanvullende tandartsverzekering worden gezien als tandartskosten en worden niet meegeteld als ziektekosten.
De tegemoetkoming ziektekosten en de zorgtoeslag worden in mindering gebracht op de opgevoerde premies ziektekostenverzekering.
Er dient sprake te zijn van medische noodzaak. Er is sprake van medische noodzaak als er een medische reden is om de behandeling te ondergaan. Voorbeeld van niet-medische noodzaak is cosmetische (plastische) chirurgie en sterilisatie. Als bij de aanschaf van een bril sprake is van medische noodzaak kunnen de glazen/lenzen worden meegerekend als ziektekosten. Het montuur kan niet worden meegerekend.
Kosten zonder medische noodzaak komen niet in aanmerking voor een vergoeding. Het is aan de betrokkene om aan te tonen dat sprake is van medische noodzaak. De aanvraag wordt beoordeeld door de werkgever.
Artikel 8.10 inkomen
Onder uitkering worden onder andere de volgende vergoedingen verstaan: IKB, werkloosheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering
Onder inkomen uit of in verband met bedrijf wordt fiscaal inkomen verstaan. Onder inkomen van een gezinslid waarvoor geheel of gedeeltelijk medische kosten zijn opgevoerd wordt eveneens het fiscaal inkomen verstaan. Alimentatie is geen inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf en wordt dus niet meegeteld bij het inkomen.
Als de betrokkene een vergoeding voor hoge ziektekosten voor zichzelf aanvraagt, telt alleen zijn inkomen mee. In andere gevallen wordt ook het inkomen van de gezinsleden die bij de aanvraag betrokken zijn, meegeteld.
Artikel 8.11 aanvraag vergoeding
Om voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen dient er altijd een verwijsbrief van een erkend arts te worden bijgevoegd.
Vaak zijn de originele stukken in het bezit van de verzekeringsmaatschappij. Mede hierom dient er altijd een specificatie van de ziektekostenverzekeringsmaatschappij te worden bijgevoegd waaruit blijkt dat zij niet tot vergoeding overgaan.
Artikel 9.1
In dit hoofdstuk wordt bij vergoeding van kosten uitgegaan van de meest gebruikelijke, optimale route tussen woonadres en werkadres. De route wordt berekend door middel van een door de werkgever aangewezen routeplanner.
§ 2 Woon-werkverkeer
Artikel 9.2 vergoeding woon-werkverkeer
De ambtenaar zorgt voor zijn eigen vervoer. Om deze reden ontvangt hij een reiskostenvergoeding per kilometer ongeacht het vervoersmiddel, werktijd of het tijdstip waarop er gewerkt wordt. De vergoeding wordt gegeven voor de heen- en terugreis met een maximum van 90 km in totaal. De berekening van het aantal kilometers wordt uiteindelijk door de werkgever bepaald.
Indien een ambtenaar gedurende de week voor exact hetzelfde aantal uren werkzaamheden op verschillende adressen verricht wordt voor het werkadres uitgegaan van de locatie die het verst van zijn woonadres af ligt.
De ambtenaar ontvangt deze vergoeding tenzij hij aangeeft de vergoeding niet te willen ontvangen.
Het maximumaantal dagen (214 dagen) waarvoor de vergoeding geldt is afgestemd op de fiscale regelgeving.
Het aantal dagen wordt aangepast aan eventuele wijzigingen in de fiscale regelgeving.
Onder vrij vervoer van de werkgever wordt onder andere verstaan de auto van de zaak die ook voor het woon-werkverkeer gebruikt wordt of reizen met een door de werkgever beschikbaar gestelde openbaarvervoerskaart.
Artikel 9.3 stopzetten vergoeding woon-werkverkeer
Uitgangspunt is dat de ambtenaar geen reiskostenvergoeding ontvangt als hij geen werkzaamheden verricht en dus geen reisdagen heeft. Er zijn uitzonderingen. Bij volledige arbeidsongeschiktheid wordt de reiskostenvergoeding na zes weken stopgezet. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt de reiskostenvergoeding niet stopgezet. Bij zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt de reiskostenvergoeding de eerste zes weken niet stopgezet, dit gebeurt pas op het moment dat de ambtenaar zes weken zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Indien de ambtenaar direct voorafgaand aan het zwangerschapsverlof arbeidsongeschikt is, dan telt deze arbeidsongeschiktheid mee in de zes weken dat de reiskostenvergoeding niet wordt stopgezet.
Als de reiskostenvergoeding wordt stopgezet wordt ook de aanvullende reiskostenvergoeding van artikel 3.36 (inruil voor netto reiskostenvergoeding woon-werkverkeer) stopgezet.
De vaste aanvullende reiskostenvergoeding ontstaat bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet opnieuw. In dit geval kan de ambtenaar de reisdagen maandelijks declareren. De declaratie moet door de leidinggevende worden goedgekeurd.
Als de ambtenaar een opleiding volgt in het kader van zijn re-integratie, kan hij de hiervoor gemaakte kosten op basis van hoofdstuk 10 declareren.
Artikel 9.5 Reiskostenvergoeding dienstreizen
De bedoeling is dat het maken van een dienstreis zoveel mogelijk door de werkgever gefaciliteerd wordt. De kosten komen zonder tussenkomst van de ambtenaar rechtstreeks voor rekening van de werkgever.
Onder dienstreis wordt ook de reis in het kader van een opleiding verstaan.
Bij de aangewezen functies genoemd in lid 4 dient er naast dienstbelang ook sprake te zijn van aantoonbare efficiencywinst voor het organisatieonderdeel, en is er regelmatig sprake van taken in de buitendienst waarvoor door onder andere het vervoer van materialen en documenten, kostenbesparing en veiligheid het gebruik van de auto noodzakelijk is.
De ambtenaar met een aangewezen functie die op bepaalde dagen alleen heen en weer reist tussen woon- en werkadres kan voor die dagen naast de gedeeltelijke vergoeding op grond van artikel 9.2 een aanvullende reiskostenvergoeding aanvragen op grond van artikel 5.3, eerste lid onder b.
Artikel 9.7 verplichte woonplaats
Wanneer het dienstbelang dat vereist, kan de werkgever een ambtenaar verplichten in Amsterdam of directe omgeving te wonen. Wat onder de directe omgeving wordt verstaan kan per functie verschillen. Voor de ene functie kan het noodzakelijk zijn dat de ambtenaar op een reisafstand van 20 minuten van zijn werkplek woont, terwijl voor de uitoefening van een andere functie een reisafstand van één uur volstaat.
Voorbeelden kunnen zijn het hoofd rampenbestrijding of het hoofd interne zaken. Het aspect van calamiteiten die zich bij de VrAA kunnen voordoen, speelt hierbij vaak een rol. De werkgever wijst in samenspraak met de ondernemingsraad de functies aan waarvoor de verplichting geldt. De ambtenaar verhuist bij aanstelling per direct naar Amsterdam of directe omgeving. Als dit om praktische redenen niet haalbaar is, kan anders worden overeengekomen. De ambtenaar komt dan op grond van artikel 9.12 in aanmerking voor een reis- of verblijfskostenvergoeding.
Artikel 9.8 hoogte verhuiskostenvergoeding
Onder werkelijke kosten worden de kosten verstaan van het inpakken van de inboedel op het oude adres van de ambtenaar tot en met het uitpakken ervan op het nieuwe adres. De ambtenaar moet de facturen inleveren om voor de vergoeding in aanmerking te komen. De verhuizing mag ook in eigen beheer worden uitgevoerd. Ook in dat geval komen alleen de werkelijke kosten voor vergoeding in aanmerking.
De aanvullende vergoeding voor de herinrichting bedoeld in het eerste lid, onder b, is een bedrag dat de ambtenaar ontvangt, ongeacht de gemaakte kosten. Facturen hoeven niet te worden overgelegd.
Artikel 9.9 terugbetaling verhuiskostenvergoeding
Op grond van artikel 33.1 (afwijkende toepassing van bepalingen) kan in individuele gevallen van dit artikel worden afgeweken.
Artikel 9.11 hoogte reiskostenvergoeding
Van de ambtenaar wordt verwacht dat hij zo veel mogelijk probeert de verblijfkosten laag te houden en zo spoedig mogelijk verhuist. De ambtenaar toont aan dat hij daadwerkelijk kosten voor verblijf gemaakt heeft. Maaltijden worden niet tot de verblijfkosten gerekend.
Artikel 11.1 vervulling functie
Goed ambtenaarschap betekent dat een ambtenaar zijn functie adequaat en zorgvuldig uitoefent. Daarbij houdt de ambtenaar zich aan de hem gegeven voorschriften en aanwijzingen. Het gaat daarbij onder meer om verplichtingen en voorschriften die voortvloeien uit de rechtspositieregeling en regelingen die specifiek zijn voor het organisatie-onderdeel.
De verplichting om zich als goed ambtenaar te gedragen geldt soms zelfs buiten werktijd. Sommige gedragingen in privé-tijd verhouden zich niet met het zijn van ambtenaar. Gedragingen in privé-tijd, ook gedragingen die niet strafbaar zijn maar die bijvoorbeeld de overheid in een negatief daglicht stellen, kunnen gerelateerd aan de functie plichtsverzuim opleveren.
Bij plichtsverzuim kan de ambtenaar worden gestraft op grond van artikel 13.4.
Artikel 11.2 verplichting tot ambtseed
Het afleggen van de eed is een onderdeel van het integriteitbeleid van de VrAA en heeft als doel de ambtenaar bewust te maken van zijn publieke taak en het belang om daarom integer te handelen. De ambtseed wordt afgelegd in relatie tot de publieke taak en niet om iets toe te voegen aan het pakket rechten en plichten van de ambtenaar. Zo is de in de eed genoemde geheimhouding al geregeld in artikel 2.5 Awb, op basis waarvan iedereen die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan verplicht is vertrouwelijke gegevens geheim te houden, tenzij de wet hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Op welke wijze de ambtenaar zijn functie moet vervullen wordt geregeld in artikel 11.1.
Ambtenaren die vóór 1 juli 2002 zijn aangesteld, worden actief aangemoedigd om de ambtseed ook af te leggen.
De ambtseed wordt schriftelijk bevestigd; een afschrift wordt bewaard in het personeelsdossier. Binnen de VrAA legt de ambtenaar de ambtseed maar één keer af, bij bijvoorbeeld een overplaatsing is geen nieuwe ambtseed nodig.
Artikel 11.3 verbod aannemen geld, geschenken of uitnodigingen
De ambtenaar handhaaft steeds zijn onafhankelijke positie ten opzichte van derden. Het is goed te beseffen dat niemand zomaar iets gratis krijgt. Door vergoeding of giften van derden aan te nemen kan de ambtenaar afhankelijk worden of de schijn wekken afhankelijk te worden. Het aanzien en de integriteit van de ambtenaar en het organisatie-onderdeel dat hij vertegenwoordigt worden hierdoor geschaad.
Het aannemen van fooien en geschenken van publiek is altijd verboden, net zoals het aannemen van geld.
Het aannemen van relatiegeschenken ligt genuanceerder. De hoofdregel is dat deze geschenken worden beschouwd als eigendom van de VrAA. Bij sommige diensten worden relatiegeschenken verloot onder het personeel of is er de vuistregel dat de geschenken worden teruggezonden met een bedankbrief. In alle gevallen worden aangeboden geschenken gemeld bij de leidinggevende.
Artikel 11.4 deelname in ondernemingen
Onder deelnemen in een onderneming wordt niet alleen het zijn van eigenaar van een onderneming verstaan maar ook of de ambtenaar een belang heeft in een onderneming door bijvoorbeeld aandelenbezit.
Artikel 11.5 nevenwerkzaamheden
Nevenwerkzaamheden zijn in principe toegestaan, maar in sommige gevallen moet vooraf toestemming worden gevraagd. De ambtenaar maakt zelf de afweging of hij toestemming vraagt. Als de ambtenaar de nevenwerkzaamheden zonder toestemming verricht en later blijkt dat hij toestemming had moeten vragen, is sprake van plichtsverzuim.
Het begrip nevenwerkzaamheden moet ruim worden opgevat. Ook bestuurslidmaatschappen, commissariaten of het vennoot zijn in een rechtspersoon vallen onder nevenwerkzaamheden. Of de nevenwerkzaamheden betaald of onbetaald zijn, is niet van belang. Per geval wordt afgewogen of toestemming voor de werkzaamheden kan worden verleend.
De combinatie bestuursfunctie en een ambtelijke functie kan ontoelaatbaar zijn. Zo is het ontoelaatbaar dat een beleidsfunctionaris die moet beslissen over een subsidieaanvraag ook penningmeester of bestuurslid is van de instelling die de aanvraag doet.
Wanneer nevenwerkzaamheden worden uitgevoerd op tijdstippen die een normaal functioneren van de ambtenaar in de weg staan, kan de werkgever hem opdragen de nevenwerkzaamheden aan te passen of te beëindigen. Voor politieke werkzaamheden hoeft geen toestemming gevraagd te worden, wel kan sprake zijn van een onverenigbaarheid van functies op grond van de wet.
Omdat topfunctionarissen werkzaamheden verrichten waarvoor een hoog afbreukrisico geldt, zijn zij verplicht om aan hun leidinggevende toestemming te vragen voor alle (voorgenomen) nevenwerkzaamheden.
De Ambtenarenwet verplicht regels te stellen over de openbaarmaking van nevenwerkzaamheden van ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst, openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.
Binnen de gemeente Amsterdam worden de nevenwerkzaamheden van de algemeen directeur en die van de stedelijk directeuren actief openbaar gemaakt op de website van de gemeente. De nevenwerkzaamheden van de overige topfunctionarissen: de stadsdeelsecretarissen, directeuren bij Bestuur en Organisatie en de directeuren worden op verzoek openbaar gemaakt. Daarbij zal steeds het belang van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken topfunctionaris worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking.
Er is een vastgestelde notitie nevenwerkzaamheden.
Deze notitie is bedoeld voor alle ambtenaren die nevenwerkzaamheden willen gaan verrichten en voor leidinggevenden die een besluit moeten nemen over het wel of niet verlenen van toestemming daarvoor.
De notitie bevat een algemene procedurebeschrijving voor alle ambtenaren en een specifieke procedurebeschrijving voor topfunctionarissen.
Artikel 11.6 kledingvoorschriften
De werkgever kan voor bepaalde functies of werkzaamheden kledingvoorschriften geven. De kledingvoorschriften kunnen bestaan uit het verplicht laten dragen van een uniform of andere dienstkleding, maar kunnen ook bestaan uit eisen over de representativiteit. Zo kan aan ambtenaren die rechtstreeks in contact staan met de burger kledingvoorschriften worden gegeven. Meestal gaat het dan niet om het dragen van een uniform, maar om voorschriften over de eigen kleding. Zo kunnen bijvoorbeeld richtlijnen worden gegeven voor het dragen van representatieve kleding.
Bij kleding op basis van godsdienstige voorschriften heeft de Commissie Gelijke Behandeling bepaald dat het zonder objectieve rechtvaardiging niet toegestaan is inbreuk te maken op de vrijheid van godsdienst. Een objectieve rechtvaardiging is bijvoorbeeld de veiligheid, de noodzaak neutraliteit uit te stralen en de goedkeuring van het ministerie van Justitie van een bestaand uniform.
Bij ambtenaren in de buitendienst vloeien de kledingsvoorschriften vaak voort uit veiligheidsvoorschriften, zoals de Arbeidsomstandighedenwet.
De ambtenaar mag alleen onderscheidingstekens of insignes dragen die hij van de werkgever heeft gekregen. Koninklijke onderscheidingen vallen buiten dit verbod. Daarvoor gelden de regels behorend bij die onderscheiding.
Dienstkleding wordt ter beschikking gesteld door de werkgever. Vergoeding voor dienstkleding of onderhoud is niet toegestaan. Onder dienstkleding wordt de fiscale uitleg van werkkleding verstaan.
Als het onderhoud van de dienstkleding niet door de werkgever plaatsvindt, is de ambtenaar verantwoordelijk voor het onderhoud van de kleding. Een regeling over kledingsvoorschriften en het onderhoud van de kleding kan in overleg met de ondernemingsraad worden opgesteld.
Artikel 11.7
Welke functionaris bevoegd is, volgt uit het Bevoegdhedenbesluit.
De werkgever draagt zorg dat de ambtenaar periodiek wordt beoordeeld op zijn functioneren. Bij de tijdelijke aanstelling bij wijze van proef geldt de beoordelingsregeling die is opgenomen in artikel 2.3 (aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef). Ook tijdens de tijdelijke aanstelling voor de duur van de opleiding kan een beoordeling worden opgemaakt, waarbij artikel 2.3 in acht wordt genomen.
In geval van een negatieve beoordeling kan uit oogpunt van zorgvuldigheid en objectiviteit overwogen worden een tweede persoon bij de beoordeling te betrekken.
Artikel 11.8 tegemoetkoming consumpties
De ambtenaar kan normaal gesproken tijdens werktijd gebruik maken van de voorzieningen die de werkgever heeft, bijvoorbeeld de verstrekking van koffie en thee. Verricht hij zijn werkzaamheden in de buitendienst, dan heeft hij deze mogelijkheid niet en is aangewezen op consumpties waarvoor een zakelijke prijs betaald wordt. De ambtenaar kan dan de in de bedragengids genoemde tegemoetkoming krijgen in de kosten. Onder werkzaamheden in de buitendienst worden werkzaamheden verstaan die overwegend buiten kantoor of bedrijfsgebouw van de dienst worden verricht.
Dit artikel is niet van toepassing als voor de ambtenaar in de buitendienst een voorziening wordt getroffen waardoor hij consumpties verstrekt krijgt of tegen de kostprijs kan kopen.
Artikel 11.9 tegemoetkoming maaltijd bij overwerk
Dit artikel is alleen van toepassing op de ambtenaar die op grond van artikel 3.18
(overwerkvergoeding) overwerk moet verrichten en die géén maaltijd krijgt verstrekt. Verstrekt de werkgever wel een maaltijd, dan bestaat er geen recht op vergoeding.
Wijzigingen van de Reisregeling binnenland worden bekendgemaakt op intranet.
Artikel 11.10 tegemoetkoming kosten binnenlandse dienstreis
Dit artikel is alleen van toepassing op de situatie dat de verblijfkosten van de dienstreis door de ambtenaar worden voorgeschoten. Als de werkgever de kosten rechtstreeks betaalt, komt de ambtenaar niet in aanmerking voor een vergoeding.
Dit artikel is ook van toepassing op de vergoeding van verblijfkosten bij het volgen van cursussen.
Wijzigingen van de Reisregeling binnenland worden jaarlijks gepubliceerd in de Staatscourant.
De Reisregeling binnenland is beschikbaar op intranet.
Voorbeeld
Een ambtenaar gaat op dienstreis. Hij vertrekt om 6.30 uur en is om 14.15 uur weer op zijn werkplek aanwezig. ’s Ochtends koopt hij voor ontbijt twee broodjes en een kop koffie à € 5,50, ’s middags heeft hij een vergadering met lunch. De ambtenaar ontvangt na overlegging van het betalingsbewijs het bedrag dat hij aan het ontbijt heeft besteed omdat dit het maximumbedrag voor ontbijt niet overschrijdt (2008: € 7,30). Voor de lunch ontvangt de ambtenaar geen vergoeding omdat hij hiervoor geen kosten heeft gemaakt.
Artikel 11.11 tegemoetkoming kosten buitenlandse dienstreis
Wijzigingen van de Reisregeling buitenland en de Tarieflijst worden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd. De Reisregeling buitenland is beschikbaar op intranet.
Voorbeeld
Een ambtenaar maakt een dienstreis van een dag naar België. Hij vertrekt om 6.00 uur en is om 20.00 uur terug. ’s Ochtends koopt hij voor ontbijt twee broodjes en een kop koffie à € 5,50. Tussen de middag heeft hij een vergadering met lunch. ’s Avonds neemt hij een diner à € 32,50. Tussendoor koopt de ambtenaar voor € 4 aan versnaperingen.
Het bedrag aan overige kosten in België genoemd in de Tarieflijst is voor 2008 vastgesteld op € 107. De maximumbedragen aan tegemoetkoming zijn dan voor:
- a.
kleine uitgaven, € 22,47 (1,5% van € 107 = € 1,60 x 14 dienstreisuren);
- b.
ontbijt, € 12,84 (12% van € 107);
- c.
lunch, € 21,40 (20% van € 107);
- d.
diner, € 34,24 (32% van € 107).
De ambtenaar ontvangt een tegemoetkoming van € 42 die is samengesteld uit:
- a.
- b.
- c.
lunch, geen tegemoetkoming omdat hij hiervoor geen kosten heeft gemaakt;
- d.
Artikel 11.14
Een ambtenaar die langer dan vijf jaar in dienst is of is geweest, heeft in een van de situaties genoemd in het eerste lid recht op een receptie. De tweede volzin regelt dat in andere, bijzondere gevallen ook een receptie kan worden aangeboden. Dit is uitdrukkelijk een discretionaire bevoegdheid, waarbij het dus van de concrete bijzondere omstandigheden van het geval afhangt of en hoe daarvan gebruik wordt gemaakt. De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld huur van een ruimte, het verzenden van uitnodigingen en consumpties tot een bepaald bedrag per bezoeker. Dit artikel is alleen van toepassing op recepties gehouden op een locatie van de Gemeente Amsterdam die fiscaal als werkplek wordt beschouwd.
In overleg met de ondernemingsraad kan de regeling worden ingevuld.
Artikel 11.15 schade aan eigendommen van de ambtenaar
Onder eigendommen van de ambtenaar worden goederen verstaan die in redelijkheid voor het vervullen van de functie noodzakelijk zijn. Audioapparatuur, sieraden of andere kostbaarheden zijn niet noodzakelijk voor het vervullen van de functie en worden dus niet vergoed. Dit artikel is ook van toepassing op schade ontstaan aan kunst- en hulpmiddelen zoals brillen, prothesen en dergelijke. De kosten van geneeskundige en tandheelkundige handelingen vallen buiten de toepassing van dit artikel. Bij de vaststelling van de omvang van de schade wordt gelet op de dagwaarde van het artikel. Eventueel kan advies worden ingewonnen bij VGA verzekeringen.
De werkgever vergoedt de schade alleen als geen sprake is van eigen schuld, nalatigheid of normale slijtage. Voor de aanvraag van een vergoeding gebruikt de ambtenaar een door de werkgever opgesteld formulier.
Voorbeeld
Een ambtenaar die een demonstratie begeleidt, wordt getroffen door een verfbom waardoor zijn kleding onherstelbaar is beschadigd. De schade is ontstaan tijdens het vervullen van zijn functie en is niet veroorzaakt door schuld of nalatigheid van de ambtenaar. De werkgever vergoedt de schade.
Als de verfbomgooier bekend is, kan de ambtenaar de schade op hem verhalen en niet op zijn werkgever. De werkgever kan besluiten de schade over te nemen en de ambtenaar een voorschot op de schadevergoeding te verstrekken.
Voorbeeld
Een ambtenaar die een demonstratie begeleidt, raakt in het gedrang zijn mp3-speler kwijt. De schade is weliswaar ontstaan tijdens het vervullen van zijn functie, maar een mp3-speler heeft hij voor zijn functie niet nodig. De ambtenaar komt daardoor niet in aanmerking voor schadevergoeding.
Artikel 11.16 schade aan eigendommen van de werkgever
Dit artikel geeft de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de ambtenaar te verhalen, die is te wijten aan opzet, grove schuld of grove nalatigheid. Onder grove schuld of grove nalatigheid wordt verstaan dat de ambtenaar had moeten of kunnen begrijpen dat hij door zijn handelen of nalaten schade kon aanrichten. Opzet is opzettelijk handelen of nalaten waardoor schade ontstaat.
Niet alleen schade aan materieel kan op grond van dit artikel worden verhaald, maar ook een verkeersboete of een boete voor een verzuimd bezoek aan de bedrijfsarts.
Artikel 11.20 werkzaamheden bij buitengewone omstandigheden
Op grond van het tweede lid, kan een ambtenaar die op grond van artikel 11.20 eerste lid, is aangewezen om andere taken te verrichten dan hij gewoonlijk verricht, worden verplicht deze werkzaamheden onder leiding en toezicht van een andere gemeente te verrichten. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig. De gemeente Amsterdam blijft de formele werkgever van desbetreffende ambtenaar en de NRGA blijft ook voor onderhavige werkzaamheden van toepassing.
Artikel 11.23 kastekorten en -overschotten
Onder kasbeheer wordt de zorg en verantwoording verstaan over geld en waardepapieren zoals openbaarvervoerskaarten of entreebewijzen. Ook betalingen door klanten met pin- of chipkaart vallen onder kasbeheer.
De ambtenaar kan bijvoorbeeld worden ontheven van de verplichting tot aanzuivering als hij aantoont dat hij het kasbeheer nauwkeurig heeft gevoerd. Onder het nauwkeurig voeren van het kasbeheer wordt onder meer verstaan dat de ambtenaar de nodige voorzorgen neemt. In dat geval is geen sprake van grove schuld of grove nalatigheid. De ambtenaar had niet hoeven of kunnen begrijpen dat hij door zijn handelen of nalaten schade kon aanrichten.
Als de rekening-courant een debetsaldo aanwijst, wordt de rekening-courant voor het bedrag van de vergoeding, genoemd in artikel 11.25 verrekend. Een eventueel resterend creditsaldo wordt door de ambtenaar overgedragen aan de werkgever, die het vervolgens crediteert op de rekening-courant van de ambtenaar voor het volgende kalenderjaar.
Artikel 11.24 rekening-courant
Onder kasbeheer wordt de zorg en verantwoording verstaan over geld en waardepapieren zoals openbaarvervoerskaarten of entreebewijzen. Ook betalingen door klanten met pin- of chipkaart vallen onder kasbeheer.
De ambtenaar kan bijvoorbeeld worden ontheven van de verplichting tot aanzuivering als hij aantoont dat hij het kasbeheer nauwkeurig heeft gevoerd. Onder het nauwkeurig voeren van het kasbeheer wordt onder meer verstaan dat de ambtenaar de nodige voorzorgen neemt. In dat geval is geen sprake van grove schuld of grove nalatigheid. De ambtenaar had niet hoeven of kunnen begrijpen dat hij door zijn handelen of nalaten schade kon aanrichten.
Als de rekening-courant een debetsaldo aanwijst, wordt de rekening-courant voor het bedrag van de vergoeding, genoemd in artikel 11.25 verrekend. Een eventueel resterend creditsaldo wordt door de ambtenaar overgedragen aan de werkgever, die het vervolgens crediteert op de rekening courant van de ambtenaar voor het volgende kalenderjaar.
Artikel 11.26 verschijnen voor rechter of commissies
Onder commissies en personen die door de werkgever zijn opgedragen enig onderzoek te leiden wordt ook een klachtencommissie verstaan.
Artikel 11.27 protocollen integriteitonderzoek
Er zijn twee onderzoeksprotocollen, het Onderzoeksprotocol Bureau Integriteit en het Protocol voor integriteitonderzoeken uitgevoerd binnen de gemeente Amsterdam. Dat laatste protocol geldt voor alle instanties, behalve BI, die een intern onderzoek naar een vermoedelijke integriteitschending verrichtten binnen de gemeente Amsterdam. Het protocol geldt dus zowel voor ingehuurde particuliere bureaus als voor de diensten en stadsdelen zelf. Vanwege de positie van BI binnen de gemeentelijke organisatie, haar taken en bevoegdheden is besloten voor BI een apart, maar wel soortgelijk, zijn onderzoeksprotocol vast te stellen.
Artikel 11.28 visitatie goederen
Dit artikel wordt voornamelijk toegepast bij integriteitonderzoeken. Het is de rechtspositionele basis om onderzoek te doen aan goederen van de ambtenaar, of goederen die onder zijn beheer staan. Het onderzoek aan goederen kan ook plaatsvinden als het een collega betreft. De computer of eigen laptop waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden verricht, kunnen ook aan inspectie worden onderworpen.
Artikel 11.30 zitting nemen in een stembureau
De ambtenaar die in verkiezingstijd zitting neemt in een stembureau krijgt hiervoor geen verlof, maar doet dit in diensttijd. Als hij die dag langer werkt, heeft hij hiervoor geen recht op een compensatie voor overwerk in geld of tijd. Wel ontvangt hij een vergoeding voor stembureauleden van de Dienst Persoonsgegevens (DPG).
Artikel 11.33
Dit artikel is bedoeld als juridische grondslag voor het afspreken van een vertrekregeling. Een ‘vertrekregeling’ is iedere financiële of andere afspraak rond ontslag die afwijkt van de reguliere mogelijkheden die de NRGA biedt. In de praktijk gaat het bij een vertrekregeling vaak om financiële afspraken die een vertrek soepeler laten verlopen. Een (keuze)pensioen-uitkering bijvoorbeeld is geen vertrekregeling, maar toepassing van de normale regelingen rond prepensioen; een aanvulling van de (keuze)pensioen-uitkering tot 95% van het inkomen tot aan 65-jarige leeftijd is wél een vertrekregeling.
Het meegeven van een bedrag ineens (de zogenaamde gouden handdruk) is ook te zien als een vertrekregeling, evenals de toezegging de WW-uitkering aan te vullen tot een bepaald percentage van het inkomen. Het is aan te raden goed te kijken wat voor soort afspraken men wil maken en wat daarvoor de aanleiding is.
Voorop moet daarbij staan dat een vertrekregeling per definitie een uitzondering op de regel is. Bij normaal tot goed functioneren zou ontslag niet aan de orde moeten zijn; bij slecht functioneren biedt de Amsterdamse rechtspositie voldoende mogelijkheden om het dienstverband te beëindigen, mits natuurlijk sprake is van gedegen dossieropbouw. Deze mogelijkheden moeten dan ook voldoende onderzocht zijn, voordat wordt gekeken naar de mogelijkheid van een vertrekregeling. Mismanagement mag niet worden afgedekt door het treffen van een vertrekregeling. Ook het treffen van een regeling om louter financiële redenen past niet in deze lijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het afkopen van een mogelijke ww-uitkering, wanneer niet vaststaat dat de betrokken ambtenaar die (volledig) zal genieten. Een vertrekregeling mag slechts overwogen worden, als aanzienlijke juridische en financiële risico’s zijn verbonden aan het eenzijdig verlenen van ontslag aan de ambtenaar, maar voortzetting van het dienstverband zeer bezwaarlijk is voor de gemeentelijke organisatie.
Een uitzondering wordt gemaakt voor schendingen van de integriteit. Schendingen van de integriteit dienen gemeld te worden bij het Bureau Integriteit. Wanneer een ambtenaar als gevolg van een integriteitschending ontslag wordt verleend, dan is een vertrekregeling niet aan de orde.
Wordt na grondig onderzoek van de reguliere ontslagmogelijkheden toch besloten tot het afspreken van een vertrekregeling, dan is van belang dat de werkgever zich bewust is van het effect die een vertrekregeling heeft. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan de impact op de rest van de organisatie, vanwege de beeldvorming.
Daarnaast is er een aantal zaken waarmee rekening gehouden moet worden. Dit zijn enerzijds juridische factoren, anderzijds financiële en publicitaire aspecten.
Juridische factoren zijn onder andere:
- -
Is duidelijk wat het doel van de besprekingen is en welke toezeggingen wel of niet gedaan kunnen worden?
- -
Wie voert de besprekingen? Heeft deze onderhandelaar een helder mandaat?
- -
Afspraken dienen helder te zijn en zorgvuldig op papier te worden gezet om misverstanden te voorkomen. Ook de consequenties op lange termijn moeten daarbij in kaart worden gebracht. Rechtspositionele aspecten moeten voorzien zijn.
Financiële en publicitaire aspecten zijn onder andere:
- -
dekking voor de financiële consequenties;
- -
eventuele consequenties in het kader van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Als gemeentelijke overheid is het van belang bij vertrekregelingen rekening te houden met het mogelijke publicitaire effect hiervan. Op grond van deze wet geldt voor secretarissen en griffiers sowieso een publicatieplicht, of zij nu meer of minder verdienen dan de door de wet gestelde norm. De WNT-norm is te vinden op www.topinkomens.nl.
Voor directeuren geldt deze rapportageplicht niet. Voor hen en voor alle overige ambtenaren geldt dat zij pas in de rapportage worden opgenomen wanneer hun totale salaris en de toegekende salaristoelage(n) boven het normbedrag uitkomt. Ook overeenkomsten over ontslagvergoedingen hoger dan € 75.000 bruto op jaarbasis moeten gemeld worden. Indien de WNT-grens overschreden gaat worden, wordt dit actief gemeld aan de algemeen directeur. Het is verstandig dergelijke gevallen altijd te bespreken met DJZ.
- -
Fiscale aspecten, met name het hoge percentage eindheffing (52%) op regelingen voor vervroegde uittreding. Hieronder vallen eenmalige ontslaguitkeringen, aanvullingen op (keuze)pensioen- en WW-uitkeringen.
- -
Politieke gevoeligheid van dossiers.
Wie gemandateerd is, is afhankelijk van de hoogte van dat bedrag. Zie hiervoor het Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam.
In het bedrag zijn de volgende posten inbegrepen: aanvulling op een (keuze)pensioen- of WW/VVW-uitkering, het niet of gedeeltelijk verrekenen met het salaris van neveninkomsten tijdens de (keuze)pensioen-periode of tijdens een non-activiteitsperiode, de kosten van een non-activiteitsperiode, de kosten van een outplacementtraject, opleidingskosten of advocaatkosten of om een andere op geld waardeerbare toezegging. Een eventuele fiscale boete van 26 % (vanaf 2011: 52%) telt hierbij niet mee. De boete is immers een werkgeversboete.
Daarnaast geldt als voorwaarde dat advies wordt gevraagd bij Juridische Zaken van Bestuur en Organisatie. Het inwinnen van advies moet gebeuren vóórdat de afspraken met betrokkene definitief worden. Hoe eerder advies wordt gevraagd, hoe beter alle aspecten kunnen worden afgewogen.
In verband met de fiscale aspecten die verbonden zijn aan een vertrekregeling is het eveneens aan te raden om het gemeentelijk Bureau Rijksbelastingzaken de voorgestelde regeling te laten toetsen.
Artikel 12.1
De overheid kent een gesloten systeem van ontslaggronden. Dat wil zeggen dat geen andere dan de in de NRGA genoemde ontslaggronden gebruikt mogen worden om een ambtenaar te ontslaan. Om een ambtenaar te kunnen ontslaan moet zorgvuldig gekeken worden of een van de ontslaggronden van toepassing is. Als de feiten aanleiding geven tot meerdere ontslaggronden, kan een primaire en subsidiaire ontslaggrond in het ontslagbesluit genoemd worden.
Een ontslag wordt aangezegd door het bestuur of, als voor het aanzeggen (onder)mandaat is verleend, namens het bestuur.
Indien de centrale toetsingscommissie adviseert over te gaan tot ontslag op grond van 12.11 (ontslag wegens reorganisatie), volgt ontslag zonder verdere opzegtermijn of wachttijd.
Artikel 12.2 ontslag op eigen verzoek
De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar geen ontslag kan nemen, maar dat hem dat verleend moet worden door de werkgever. De ambtenaar verzoekt schriftelijk om ontslag en moet wel de opzegtermijnen in acht nemen. Met een maand wordt in dit artikel bedoeld een volle kalendermaand. Bijvoorbeeld bij een opzegging op 15 maart, met een opzegtermijn van twee maanden, eindigt het dienstverband op 15 mei.
In de regel wordt een ontslagverzoek meteen gehonoreerd. Op dit beginsel is echter één uitzondering, hier genoemd in het vierde lid. De praktijk heeft geleerd dat ambtenaren die onderwerp zijn van onderzoek, soms ter voorkoming van een strafontslag zelf om ontslag verzoeken. Als dat ontslagverzoek wordt gehonoreerd, is niet meer herkenbaar dat de ambtenaar in feite als gevolg van een integriteitschending is weggegaan. Dit maakt het voor de ambtenaar eenvoudiger bij een ander organisatieonderdeel of externe organisatie in dienst te komen, zonder dat deze opvolger wetenschap heeft van de werkelijke reden van vertrek. Dat is een ongewenste situatie.
Het serieus natrekken van referenties door het opvolgende organisatieonderdeel of de externe organisatie kan ook veel schade voorkomen maar zal niet altijd afdoende zijn.
Het besluit tot aanhouding mag niet lichtvaardig genomen worden. Op grond van de voorlopige bevindingen moet het aannemelijk zijn dat de uitkomst van het onderzoek een onvoorwaardelijk strafontslag zal opleveren. Hiervan is sprake als de voorlopige onderzoeksresultaten sterke aanwijzingen opleveren dat een ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan dusdanig ernstig plichtsverzuim, dat dit een onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.
Artikel 12.4 ontslag bij einde proeftijd
Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling bij wijze van proef in de gaten houdt. Als het einde van de tijdelijke aanstelling bij wijze van proef niet tijdig wordt aangezegd én de ambtenaar blijft op de datum waarop de tijdelijke aanstelling eindigt feitelijk zijn werk verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld voor een gelijke periode. De totale duur van de aanstelling bij wijze van proef kan in geen geval langer duren dan twee jaar.
Artikel 12.5 ontslag bij tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd
Een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd loopt van rechtswege af. Er hoeft dan ook geen apart ontslagbesluit genomen te worden. Wel wordt het ontslag 5 weken van te voren aangezegd, als ‘herinnering’. Gebeurt dit te laat, dan loopt bij ongewijzigde omstandigheden de aanstelling zoveel langer door als de aanzegging te laat is.
Artikel 12.7 ontslag bij beëindiging opleiding
De verplichte beroepsopleiding in het kader van een functie wordt aangegaan met het doel om aansluitend in vaste dienst te treden bij de werkgever. In beginsel volgt dus na het voltooien van de opleiding een aanstelling in vaste dienst, bij voldoende functioneren (zie artikel 2.6, beroepsopleiding). Als de ambtenaar de opleiding niet afrondt of onvoldoende functioneert, kan besloten worden geen vaste aanstelling aan te bieden.
Artikel 12.8 ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
Aan de ambtenaar die volledig arbeidsongeschikt is kan ontslag worden verleend op grond van die arbeidsongeschiktheid, zodra die arbeidsongeschiktheid ten minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens arbeidsongeschiktheid kan binnen die termijn wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt.
Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar:
- 1.
Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering
- 2.
Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering.
Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 12.8, derde lid. De uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA wordt hierbij betrokken. Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag van een uitkering op grond van de WIA.
De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken.
De aanschrijving dat een ontslagprocedure op grond van arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijke ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn genomen. In het ontslagbesluit moet naar deze WIA-beschikking verwezen worden. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens onvoldoende medewerking, dan wordt naar deze maatregel in het ontslagbesluit verwezen.
In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan een deskundigenoordeel worden aangevraagd bij UWV op grond van artikel 32 SUWI. UWV geeft een oordeel over de vragen of de medewerker arbeidsongeschikt is voor de vervulling van zijn functie en of er binnen de VrAA een passende functie voorhanden is.
Lid 8
Op grond van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie inzake gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn wegens arbeidsongeschiktheid de periode van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europese Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden.
Voorbeeld
Een medewerkster van de VrAA valt tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft arbeidsongeschikt tot de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich arbeidsongeschikt wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap arbeidsongeschikt is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof.
Lid 9
Volgens het negende lid worden arbeidsongeschiktheidsperioden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid en het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24-maandentermijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid die 4 weken of langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Als de arbeidsongeschiktheid (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de arbeidsongeschiktheid wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn.
Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.
Voorbeeld I
Een medewerker is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer arbeidsongeschikt wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.
Voorbeeld II
Een medewerker is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer arbeidsongeschikt wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27 april 2006) kan worden ontslagen.
Voorbeeld III
Een medewerkster is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter arbeidsongeschikt. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet arbeidsongeschikt was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden ontslagen.
Voorbeeld IV
Een medewerkster is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006. Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog arbeidsongeschikt. Er zijn twee mogelijkheden.
Mogelijkheid A
De arbeidsongeschiktheid na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24 maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.
Mogelijkheid B
De arbeidsongeschiktheid na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de arbeidsongeschiktheid voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008 (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen.
Voorbeeld V
Een zwangere medewerkster is arbeidsongeschikt vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij weer gewoon arbeidsongeschikt. Deze arbeidsongeschiktheid duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24 maanden +16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen.
Lid 10
In het tiende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering ingevolge de WIA.
De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.
onder a
In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.
onder b
Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende welke de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.
De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7.4 lid 4 heeft de medewerker na 24 maanden arbeidsongeschiktheid recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Artikel 12.8a ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts plaatsvinden als er een passende functie voorhanden is na 24 maanden arbeidsongeschiktheid buiten de VrAA. Ontslag op andere gronden dan wegens arbeidsongeschiktheid kan wel binnen de genoemde termijnen worden verleend.
De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Als er binnen de VrAA na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid een passende functie voorhanden is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7.8, derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst.
Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 12.8a, tweede lid. Het bestuur betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag van een uitkering op grond van de WIA.
De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken.
De aanschrijving dat een ontslagprocedure op grond van arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijke ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen. In het ontslagbesluit moet naar deze meest recente WIA-beschikking worden verwezen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens onvoldoende medewerking, dan moet naar deze maatregel in het ontslagbesluit worden verwezen.
In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan een deskundigenoordeel worden aangevraagd bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een oordeel over de vragen of de medewerker arbeidsongeschikt is voor de vervulling van zijn functie en of er binnen de VrAA een passende functie voorhanden is (zie lid 2).
Herplaatsing in het derde ziektejaar
In artikel 7.8 zijn specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar.
Lid 3, 4 en 5
UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een WIA-uitkering. De medewerker die voor 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de VrAA herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot mindere herplaatsingsmogelijkheden.
Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het tweede lid, en er dus 36 maanden van arbeidsongeschiktheid verstrijken zonder dat er een mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na ingang arbeidsongeschiktheid (dus 3 maanden voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36 maanden) op de hoogte gesteld van het feit dat de ontslagprocedure in gang is gezet. Deze melding is dus niet aan de orde als de ambtenaar gedurende het derde ziektejaar wordt herplaatst op grond van artikel 7.8, dan wel ontslagen wordt op grond van het tiende lid van dit artikel. Dit laat overigens onverlet dat de WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet plaatsvinden.
Lid 7
Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn wegens arbeidsongeschiktheid de periode van arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht tussen enerzijds arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds arbeidsongeschiktheid die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor arbeidsongeschiktheid tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden.
Voorbeeld
Een medewerkster van de VrAAvalt tijdens haar zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft arbeidsongeschikt tot de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich arbeidsongeschikt wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap arbeidsongeschikt is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof.
Lid 8
Volgens het achtste lid worden arbeidsongeschiktheidsperioden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid en het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid die 4 weken of langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Als de arbeidsongeschiktheid (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de arbeidsongeschiktheid wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn.
Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.
Voorbeeld I
Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2 weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.
Voorbeeld II
Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27 april 2009) kan worden ontslagen.
Voorbeeld III
Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008 herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 20 juli 20011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden ontslagen.
Voorbeeld IV
Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 1 mei 2009 gaat zij met zwangerschaps-en bevallingsverlof tot 21 augustus 2009. Op 22 augustus 2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.
Mogelijkheid A
De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36 maanden + 16 weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.
Mogelijkheid B
De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012 (dit is 36maanden na 22 augustus 2009) kan worden ontslagen.
Voorbeeld V
Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2008 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2008 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36 maanden + 16 weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.
Lid 9
In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van drie jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering ingevolge de WIA.
De ontslagtermijn wordt verlengd in twee gevallen.
onder a
In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. Deze verlenging schort de periode van 36 maanden op.
onder b
Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.
De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7.4 heeft de medewerker na 24 maanden, dus ook na 36 maanden, arbeidsongeschiktheid tot het einde van zijn dienstverband recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
Lid 10
Artikel 7.8 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden arbeidsongeschiktheid mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve herplaatsing is slechts mogelijk als:
- ■
voor medewerkers die 35% of meer maar minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de restverdiencapaciteit wordt vervuld of
- ■
voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt vervuld.
Definitieve herplaatsing kan ook buiten de VrAA plaatsvinden. Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 12.8a bepaalt dat in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden.
Artikel 12.9 ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratieverplichtingen
Op grond van dit artikel kan een arbeidsongeschikte ambtenaar die niet meewerkt aan zijn re-integratie, ook binnen 24 maanden na de eerste ziektedag worden ontslagen. Concreet gaat het erom dat zowel binnen als na 24 maanden ontslag gegeven kan worden, als de ambtenaar:
- a.
zich zonder goede reden niet houdt aan redelijke voorschriften en maatregelen die hem in het kader van zijn re-integratie worden opgedragen (zoals bijvoorbeeld het verrichten van werkzaamheden in het kader van de re-integratie en het volgen van scholing in het kader van de re-integratie als bedoeld in artikel 7.4, vijfde lid, onder c en d) dan wel zonder goede reden passende arbeid weigert te aanvaarden bij de eigen dan wel een andere werkgever;
- b.
zonder goede reden niet meewerkt aan de opstelling, evaluatie en bijstelling van het plan van aanpak;
- c.
zonder goede reden geen aanvraag op grond van de Wia indient.
Deze (ultieme) sanctie is gelijk aan de sanctie die sinds de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 7:670b BW is opgenomen. Als de ambtenaar zonder goede reden geen aanvraag op grond van de Wia indient, kan de claimbeoordeling voor de Wia niet plaatsvinden en kan de werkgever het resultaat van deze claimbeoordeling niet bij het ontslagbesluit betrekken, terwijl dit verplicht is op grond van artikel 12.8 en 12.8a. Als dit de reden is dat geen ontslag op grond van artikel 12.8 en 12.8a kan plaatsvinden, kan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van dit artikel.
Gedurende de gehele periode van arbeidsongeschiktheid moet de ambtenaar passende arbeid aanvaarden. Gedurende de gehele periode gaat het hierbij om een functie, waarin de ambtenaar tijdelijk herplaatst kan worden. In het derde arbeidsongeschiktkheidsjaar kan definitieve herplaatsing alleen plaatsvinden als de arbeid voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 7.8, derde of vierde lid. Daarna gelden deze specifieke voorwaarden voor definitieve herplaatsing niet meer.
Gedurende de hele periode van arbeidsongeschiktheid geldt echter dat de ambtenaar, in ieder geval tijdelijk, passende arbeid moet aanvaarden.
Artikel 12.11 ontslag wegens reorganisatie
In dit artikel worden twee ontslaggronden genoemd: opheffing van de functie en boventalligheid bij het onderdeel van het organisatie-onderdeel waarbij de ambtenaar is tewerkgesteld. De reden voor het ontslag moet altijd liggen in de boventalligheid en niet slechts in het feit van de reorganisatie. Aan het besluit tot opheffing van een functie of tot reorganisatie dienen zakelijke motieven ten grondslag te liggen en niet de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te creëren. Zie voor de procedure hoofdstuk 16 Reorganisatie.
In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in artikel 127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatie als eerst afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Voor hen geldt dat hun aanstelling kan worden beëindigd op grond van artikel 12.15. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, dan wordt als eerste afscheid genomen van de ambtenaren met de kortste diensttijd.
Artikel 12.12 ontslag wegens ongeschiktheid, incompatibiliteit of wettelijke voorwaarden
Een ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie kan slechts worden gegeven als er concrete feiten of omstandigheden zijn waaruit blijkt dat de ambtenaar niet de geschikte persoon is voor zijn functie. De ambtenaar moet ondubbelzinnig zijn gewezen op zijn slechte functioneren en de mogelijkheid hebben gehad het functioneren te verbeteren. Aanwijzingen aan of afspraken met de ambtenaar moeten schriftelijk zijn vastgelegd, bijvoorbeeld met brieven of verslagen van functionerings- of beoordelingsgesprekken. De werkgever moet aantonen dat sprake is van concrete feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden, niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als 'past niet in het team' zijn niet voldoende. De rechter toetst in een door de ambtenaar aangespannen procedure het dossier (bijvoorbeeld beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, brieven met klachten).
De procedure die geldt bij ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid is opgenomen in paragraaf 2 van hoofdstuk 30a (voorzieningen bij werkloosheid).
Artikel 12.13 ontslag wegens misdrijf, verstrekken van onjuiste informatie of onttrekken aan werk
Een vrijheidsstraf, genoemd in het eerste lid, onder a, is onherroepelijk geworden als de ambtenaar geen mogelijkheid meer heeft om bezwaar te maken of in beroep of hoger beroep te gaan.
Bij het eerste lid, onder a, kan het om zowel een voorwaardelijke als een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gaan. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een gevangenisstraf wegens een misdrijf en niet wegens overtreding. De werkgever moet afwegen of een ontslag noodzakelijk is. Bij deze afweging moet de werkgever het functioneren van de ambtenaar, de aard van zijn functie en de sociale situatie van de ambtenaar in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever nagaan of een andere functie binnen de VrAA tot de mogelijkheden behoort.
Een ambtenaar kan op grond van het eerste lid, onder b, worden ontslagen als hij willens en wetens onjuiste gegevens heeft verstrekt om een aanstelling bij de werkgever te kunnen krijgen.
Voorwaarde is wel dat de werkgever geen aanstelling met de ambtenaar zou zijn aangegaan als hij wel over de juiste gegevens had beschikt.
Het eerste lid, onder c, kan alleen toegepast worden als met voldoende zekerheid vaststaat dat de ambtenaar zich inderdaad ‘kennelijk willekeurig’ aan zijn verplichting heeft onttrokken.
Hiervoor is onderzoek nodig. Door de eisen die aan deze ontslaggrond worden gesteld, wordt hij in de praktijk niet of nauwelijks toegepast.
Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het ontslag met terugwerkende kracht te laten ingaan tot de datum waarop het recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n) is vervallen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer sprake is van schorsing onder inhouding van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) indien de ambtenaar wordt vervolgd wegens een vrijheidsstraf of is veroordeeld tot een vrijheidsstraf (artikel 13.31, eerste lid, onder a en b) of indien tijdens de voorlopige hechtenis het salaris en de toegekende salaristoelage(n) op basis van artikel 3.2 (recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen) is stopgezet.
Bij ontslag met terugwerkende kracht moet de rechtszekerheid in acht worden genomen, wat inhoudt dat de ambtenaar op het moment van het ingaan van het ontslag bekend was met de feiten op grond waarvan hem ontslag wordt gegeven. Wanneer het salaris en de toegekende salaristoelage(n) volledig zijn stopgezet wordt de rechtszekerheid op dit punt niet geschonden door het ontslag met terugwerkende kracht. Gezien de situatie bij het ontslag met terugwerkende kracht is er geen minimale aanzeggingstermijn.
Artikel 12.14 ontslag bij bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
Lid 1
De hoofdregel is dat aan de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt ontslag wordt verleend. Voor het aanvragen van een pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds geldt geen ontslagvereiste.
Lid 2
Indien het dienstbelang vereist dat de ambtenaar doorwerkt na de AOW-gerechtigde leeftijd en hij hiermee instemt, wordt er geen ontslag verleend wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De aanstelling wordt voortgezet en de ambtenaar blijft dan pensioen opbouwen.
Een andere mogelijkheid is dat de ambtenaar wel wordt ontslagen en aansluitend een nieuw dienstverband krijgt.
Bij een nieuwe aanstelling na de AOW- gerechtigde leeftijd wordt er geen pensioen meer opgebouwd, tenzij de ambtenaar op vrijwillige basis pensioen blijft opbouwen. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de werkgever als de ambtenaar in financieel opzicht voordeliger (tenzij de ambtenaar vrijwillig pensioen blijft opbouwen, dan is hij duurder uit).
Bij voortzetting van het dienstverband verschillen het bruto-netto traject en de premieafdracht van de situatie waarin na de AOW-gerechtigde leeftijd een nieuw dienstverband is aangegaan.
In het navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen.
|
|
Continuering dienstverband (art. 12.14 tweede lid NRGA)
|
Nieuw dienstverband (art. 2.2 NRGA)
|
|
Ingangsdatum OP
|
Na afloop dienstverband of eerder of later op verzoek van ambtenaar
|
M.i.v. eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt (of eerder op verzoek ambtenaar, of later op verzoek ambtenaar indien hij vrijwillig pension blijft opbouwen)
|
|
Opbouw OP/NP
|
Tot einde dienstverband
|
Stopt op eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt Stopt op eerste dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt (tenzij de ambtenaar vrijwillig pensioen blijft opbouwen)
|
|
Premie AAOP
|
Ja
|
Nee
|
|
Premie OP
|
Ja
|
Nee (ja bij vrijwillige pensioenopbouw, hogere premie)
|
|
Premie NP
|
Ja
|
Nee (ja bij vrijwillige pensioenopbouw, hogere premie)
|
|
Premie voor de voorwaardelijke inkoop
|
Nee
|
Nee (ja bij vrijwillige pensioenopbouw, hogere premie)
|
|
Pseudopremie WW
|
Nee
|
Nee
|
|
Premie WIA / Whk
|
Nee
|
Nee
|
Artikel 12.15 ontslag dienstverband na de AOW-gerechtigde leeftijd
Lid 1
Op twee manieren kunnen ambtenaren na de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst zijn van de VrAA. De eerste mogelijkheid betreft iemand die na zijn AOW-gerechtigde leeftijd in dienst treedt van de VrAA. Dit is mogelijk op grond van de bepalingen uit hoofdstuk 2 (Aanstelling en arbeidsovereenkomst). De tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn aanstelling of arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 12.14, tweede lid, na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de wens van een van de partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.
Hierbij geldt een opzegtermijn van één maand.
Lid 2
In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018 dat de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte kan worden ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de AOW- gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort. De termijn van 13 weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet vastgelegd.
Artikel 12.16b ontslag 4 jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd (Regeling 50-100)
Voorbeeld
Stel, de straatmaker regeling 50-100 heeft als geboortedatum 23 januari 1960 en krijgt AOW vanaf 23 oktober 2027 (AOW leeftijd 67 jaar + 9 maanden).
4 jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd is in zijn geval dus 23 oktober 2023.
Hem wordt ontslag verleend per 1 november 2023.
Artikel 12.17 ontslag tijdens zwangerschap
Het verbod tot ontslag van een zwangere ambtenaar is beperkt tot de gronden die in dit artikel worden genoemd. Het is wel mogelijk om op andere dan de in dit artikel genoemde gronden tot ontslag over te gaan. Strafontslag is bijvoorbeeld altijd mogelijk. Ook is er geen sprake van een verbod tot ontslag bij een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd.
Artikel 12.18 ontslag vertegenwoordigers ondernemingsraad
Dit artikel regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-)OR-leden en -commissieleden. Het tweede lid biedt wel de mogelijkheid de in dit lid genoemde ontslaggronden te gebruiken. Net als bij artikel 12.17 is strafontslag mogelijk.
Artikel 12.19 salaris en salaristoelage(n) na herroepen of vernietiging ontslagbesluit
In dit artikel gaat het om de ambtenaar die na ontslag ander werk heeft gevonden. Door vernietiging van het besluit tot ontslag door de rechter komt hij met terugwerkende kracht weer in dienst van de VrAA. De inkomsten die hij heeft gehad bij zijn nieuwe baan worden afgetrokken van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die hij met terugwerkende kracht krijgt uitbetaald. De verwervingskosten worden van de inkomsten afgetrokken.
Onder verwervingskosten vallen alle kosten die de ambtenaar heeft moeten maken in verband met het verkrijgen van zijn nieuwe baan. Voorbeelden hiervan zijn opleidingskosten of reiskosten.
Artikel 12.20 overgangsbepaling
Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op de ambtenaar van wie de eerste dag van arbeidsongeschiktheid lag vóór 1 januari 2004. Deze ambtenaren kunnen in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wao. De oude artikelen 1121 en 1121a ARA, zoals die golden op 30 juni 2006, zijn op hen van toepassing.
Het derde en vierde lid zijn opgenomen omdat de Wao een aantal bepalingen kent op grond waarvan na beëindiging van de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw recht op een Wao-uitkering bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de invoering van de Wia het recht op een Wao-uitkering voor deze personen in stand te laten. Dit betekent dat wanneer de ambtenaar in aanmerking kan komen voor een Wao-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de Wia, ook al ligt de eerste dag van arbeidsongeschiktheid op grond van de NRGA op of na 1 januari 2004. De oude artikelen 1121 en 1121a ARA zoals die golden op 30 juni 2006, zijn op hem van toepassing.
Artikel 12.21
Ambtenaren die arbeidsongeschikt zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet dat ontslag pas na 36 maanden van arbeidsongeschiktheid mag plaatsvinden.
Artikel 12.22
Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 12.8 tiende lid, of artikel 12.8a, negende lid, van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 arbeidsongeschikt zijn geworden.
Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 arbeidsongeschikt zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid 13 weken heeft geduurd de arbeidsongeschiktheid te melden bij het UWV. Als de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur verlengd.
Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid 42 weken heeft geduurd de arbeidsongeschiktheid te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de loondoorbetalingsverplichting.
Artikel 13.1 verbod toegang tot werkplek
De maatregelen in deze paragraaf zijn bedoeld om de organisatie de gelegenheid te geven eventuele interne onderzoeken te houden of om rust binnen de organisatie te krijgen. De maatregelen kunnen hun vervolg vinden in een straf zoals geregeld in artikel 13.6.
Het besluit om een ambtenaar de toegang te ontzeggen tot zijn werkplek moet berusten op goede gronden en op een behoorlijke afweging van de belangen en kan maar eenmaal plaatsvinden.
Bij de maatregel van verbod toegang werkplek is altijd een belangenafweging nodig. Uit jurisprudentie blijkt dat een verbod toegang werkplek niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk, de werkgever zal zich hieraan moeten houden.
Artikel 13.2 schorsing met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
Een schorsing op grond van dit artikel vindt bijvoorbeeld plaats als er onduidelijkheid is over de omstandigheden en de feiten van een strafrechtelijke vervolging. De organisatie heeft dan nog de tijd om nader onderzoek te verrichten. Ook kan het de rust binnen het organisatie-onderdeel ten goede komen.
Artikel 13.3 schorsing met gedeeltelijke doorbetaling of zonder doorbetaling
Er is in ieder geval sprake van een strafrechtelijke vervolging, als:
- a.
een dagvaarding wordt uitgebracht jegens de verdachte ambtenaar;
- b.
een strafbeschikking wordt uitgevaardigd jegens de verdachte ambtenaar.
De inverzekeringstelling duurt in beginsel drie dagen. Als de officier van justitie binnen de vastgestelde termijn van drie dagen tot de conclusie komt dat er nog geen definitieve beslissing kan worden genomen voor wat betreft de verdere gang van zaken, dan kan hij de inverzekeringstelling verlengen met maximaal drie dagen.
Na de inverzekeringstelling kan de voorlopige hechtenis volgen. De voorlopige hechtenis bestaat uit 2 delen. Het eerste deel is inbewaringstelling. Dit duurt maximaal 14 dagen. Daarna kan de officier van justitie aan de rechter vragen de verdachte nog langer vast te houden. Dat heet gevangenhouding. Dit duurt maximaal 30 dagen en kan twee keer met 30 dagen verlengd worden. De rechtbank kan tevens in een aantal situaties een bevel tot gevangenneming geven. Dit duurt maximaal 30 dagen en kan twee keer met 30 dagen verlengd worden.
Wat betreft de in artikel 13.3 eerste lid onder c NRGA genoemde grond geldt dat in ieder geval sprake is van een redelijke mate van verdenking van het plegen van een ambtsmisdrijf als:
- a.
een doorzoeking plaatsvindt in een woning en/of kantoor in het kader van de verdenking van een ambtsmisdrijf jegens de ambtenaar;
- b.
bij het leggen van (conservatoir) beslag op bezittingen van de ambtenaar die verdacht wordt van een ambtsmisdrijf.
Bij een schorsing op grond van dit artikel kan de eerste zes weken maximaal eendere deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden ingehouden.
Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven kan ook besloten worden om minder dan eendere deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te korten.
Bij inhouding van het salaris wordt het premieloon verlaagd, wat leidt tot een lagere premieafdracht. De afdracht van de pensioenpremie ondergaat geen wijziging. Indien sprake is
van een vermindering van maximaal eendere van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), moet de ambtenaar minimaal een bedrag behouden dat overeenkomt met 90% van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.
Indien geen sprake is van doorbetaling, is er uiteraard geen sprake van een minimaal bedrag dat de ambtenaar moet behouden.
Indien de aantijgingen onomstreden onjuist blijken te zijn, kunnen de genomen maatregelen ongedaan gemaakt worden.
Artikel 13.4 plichtsverzuim
In deze paragraaf is de bevoegdheid neergelegd een ambtenaar disciplinair te straffen. Door de ruime formulering van het gedrag dat verwijtbaar is en plichtsverzuim oplevert, moet er zorgvuldig te werk worden gegaan bij toepassing hiervan. Het gedrag moet de ambtenaar ook kunnen worden toegerekend. In artikel 11.1 (vervulling functie) en in de toelichting op dat artikel is geregeld hoe de ambtenaar zich hoort te gedragen.
Artikel 13.5 procedure verantwoording
Als er een verdenking is van plichtsverzuim wordt de volgende procedure gevolgd:
Om te beginnen is er een onderzoeksfase waarin alle relevante feiten worden verzameld. In deze fase is het niet verplicht om de ambtenaar te horen. In verband met de zorgvuldigheid van het onderzoek is het echter wel aan te raden om de ambtenaar te horen. Na de onderzoeksfase vindt er een verantwoordingsgesprek plaats. Tijdens dit gesprek wordt de ambtenaar geïnformeerd over alle feiten die zijn verzameld en over het gedrag dat hem wordt verweten. De ambtenaar kan dan zijn reactie geven over de verzamelde feiten. Als tijdens het gesprek al duidelijk is dat een voornemen bestaat een straf op te leggen, dan wordt dit hem meegedeeld. De ambtenaar moet nu tijdens het gesprek in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze op het voornemen kenbaar te maken. Als pas na dit gesprek blijkt dat het voornemen bestaat om de ambtenaar een straf op te leggen wordt dit de ambtenaar schriftelijk meegedeeld met een vermelding van het gedrag dat de ambtenaar wordt verweten. De ambtenaar moet dan alsnog in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Het gaat hier immers om het voornemen een besluit te nemen waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij mogelijk bezwaar tegen zal hebben. Deze procedure is een uitwerking van de hoorprocedure op grond van artikel 4:8 Awb. Tijdens het gesprek is het voor partijen verstandig om met twee personen aanwezig te zijn om eventuele latere misverstanden te voorkomen.
Artikel 13.6 straffen
De terugzetting in een lager gewaardeerde functie betekent ook dat de ambtenaar voor die periode het salaris krijgt dat hoort bij die lager gewaardeerde functie.
Bij een vermoeden van plichtsverzuim moet, voordat tot disciplinaire strafoplegging wordt overgegaan, verplicht advies worden gevraagd aan de Directie Juridische Zaken over de voorgenomen straf. Er is in ieder geval sprake van een schending van de integriteit in het geval van:
- ■
- ■
- ■
- ■
manipulatie van of misbruik van (de toegang tot) informatie;
- ■
misbruik van bevoegdheden;
- ■
onverenigbare functies, bindingen of activiteiten;
- ■
verspilling en misbruik van eigendommen van de VrAA;
- ■
uitoefening van (fysiek) geweld, bedreiging en intimidatie;
- ■
(strafbare) misdragingen in vrije tijd van ambtenaren, bestuurders, arbeidscontractanten, uitzendkrachten en gedetacheerden van de VrAA.
Voor elke straf geldt dat er sprake moet zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het geconstateerde plichtsverzuim.
Bij de straf genoemd onder artikel 13.6, eerste lid onder c wordt het wettelijk minimum voor vakantieverlof in acht genomen.
Op grond van het derde lid kan het strafontslag met terugwerkende kracht ingaan. De ambtenaar moet in dat geval wel weten of behoort te weten dat een strafontslag dreigt. Vaak zal hij dit weten doordat een onderzoek naar eventuele integriteitschendingen loopt en hij van het lopende onderzoek en de consequenties op de hoogte wordt gesteld.
Artikel 13.7 voorwaardelijke straf
Een voorwaardelijke straf wordt gebruikt om gedurende een bepaalde periode een ‘stok achter de deur te hebben’ of om de ambtenaar een tweede kans te geven. Indien zich vervolgens een nieuw plichtsverzuim voordoet, zal afgewogen moeten worden of dit aanleiding is om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen.
Een ‘licht’ plichtsverzuim - bijvoorbeeld het niet verschijnen bij een afspraak met de bedrijfsarts - is meestal niet voldoende grond voor het ten uitvoer brengen van een eerder opgelegd voorwaardelijk strafontslag. Uiteraard zijn de omstandigheden van het geval altijd van doorslaggevend belang bij de beoordeling van de vraag of gebruik kan worden gemaakt van de in dit artikel gegeven bevoegdheid.
Artikel 13.8 tenuitvoerlegging straf
Een straf is onherroepelijk geworden als er voor de ambtenaar geen mogelijkheid meer is om bezwaar te maken of in beroep of hoger beroep te gaan. Als tot een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de straf is besloten, moet dit expliciet in het besluit worden vermeld.
Artikel 17.1a
Zie voor de wervings- en selectieprocedure voor de topfunctionaris intranet.
Artikel 17.1 voorrangsvolgorde bij het vervullen van een vacature
Lid 1
Boventallige mobiliteitskandidaten en arbeidsongeschikte ambtenaren voor wie de vacature passend is, hebben bij vacatures binnen de gemeente voorrang op alle overige kandidaten.
Om gebruik te kunnen maken van de voorrangspositie hoeft er voor de arbeidsongeschikte ambtenaar geen WIA-beschikking te zijn of een bepaalde datum of formele mijlpaal te zijn genomen. Op het moment dat er geconcludeerd wordt dat deze ambtenaar niet meer in zijn eigen functie kan terugkomen en er een andere passende functie voorhanden is, heeft betrokkene een voorrangs-status. Dit vereist dus maatwerk en is niet eenduidig aan te geven. De arbeidsdeskundige en/of de bedrijfsarts zijn samen de aangewezen personen om te beoordelen en op basis daarvan te adviseren of een medewerker wel of niet geschikt is voor de eigen dan wel andere functie.
Let op: als er ergens een reorganisatie speelt, moet, voordat de vacature gemeentebreed aan de overige medewerkers en de onder punt 2 genoemde uitzendkrachten kan worden uitgezet, worden beoordeeld of er medewerkers zijn die op de vacature moeten worden geplaatst, omdat zij nog niet in het reorganisatiedomein konden worden geplaatst. Zie de artikelen 16.10 en 16.28.
Lid 2
Onder uitzendkrachten worden de medewerkers verstaan op wie de CAO voor Uitzendkrachten ABU of NBBU van toepassing is.
Artikel 17.2 bekendmaking van de vacature
Dit hoofdstuk is van toepassing op iedereen die intern of extern solliciteert bij de gemeente Amsterdam.
De gemeente Amsterdam vindt het van groot belang dat de sollicitant duidelijkheid krijgt over zijn positie tijdens de sollicitatieprocedure. Daarom is dit hoofdstuk opgesteld waarin de rol van verschillende functionarissen tijdens de sollicitatie en de te volgen procedure is beschreven.
Het is in uitzonderingsvallen mogelijk af te wijken van de in dit hoofdstuk beschreven uitgangspunten, mits dit vooraf gemotiveerd aan de sollicitant bekend is gemaakt.
De gemeente Amsterdam streeft ernaar dat haar personeelsbestand een afspiegeling vormt van de beroepsbevolking wat betreft sekse, seksuele voorkeur, handicap, etniciteit, leeftijd, scholing, et cetera. Zij gaat er daarbij van uit dat de verschillen tussen mensen de creativiteit en flexibiliteit in het organisatie-onderdeel verhoogt. Een organisatie die divers is samengesteld, kan alle capaciteiten en vaardigheden van die samenstelling benutten om met elkaar originele oplossingen te bedenken voor nieuwe problemen en zal eerder in staat zijn om trends en mogelijkheden te onderscheiden om daarop in te springen.
Ieder organisatie-onderdeel van de gemeente Amsterdam kan, afhankelijk van de opbouw van haar personeelsbestand, een accent leggen op specifieke kenmerken.
Bij de ontwikkeling en uitvoering van het personeelsbeleid wordt daarom rekening gehouden met de gewenste diversiteit van het personeelsbestand. Het is dus mogelijk dat, gelet op de samenstelling van het personeelsbestand van een bepaald onderdeel, de voorkeur uitgaat naar een specifieke invulling van de vacature. Dit moet in de vacaturetekst duidelijk tot uiting worden gebracht.
Geïnteresseerden in de aangeboden functie hebben recht op nadere informatie over de functie, het organisatie-onderdeel en de sollicitatieprocedure. Daarom moet altijd een contactpersoon worden aangewezen waartoe geïnteresseerden zich kunnen wenden.
In de vacaturetekst wordt aangegeven in welke fase de vacature is, gelet op artikel 17.1
Het is mogelijk de sollicitatieprocedure geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan een extern bureau. Dit hoofdstuk blijft ook dan van toepassing.
Artikel 17.6 sollicitatiegesprek
Tussen de bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden en de ondernemingsraad zijn afspraken gemaakt waarin is vastgelegd hoe de diversiteit van de sollicitatiecommissie wordt vormgegeven. De samenstelling van de sollicitatiecommissie is ook afhankelijk van het personeelsbestand. De leidinggevende is verantwoordelijk voor een goed verloop van de sollicitatieprocedure.
Artikel 17.7 inwinnen van informatie
Onder eindfase van de sollicitatieprocedure, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan het stadium dat de sollicitatiecommissie in de sollicitant een geschikte kandidaat ziet voor de vacature. Het is in het kader van het Amsterdamse integriteitsbeleid verplicht om informatie in te winnen. Als de sollicitant hier niet in toestemt, eindigt voor hem de sollicitatieprocedure.
Op grond van het tweede lid mag alleen worden gevraagd naar inlichtingen die van belang zijn voor de inhoud en eisen van de te vervullen functie. Inlichtingen over familieleden of andere aspecten van het sociale milieu van de sollicitant, vallen hier niet onder.
Artikel 17.8 psychologisch onderzoek
Op grond van het derde lid wordt de uitkomst van het psychologisch onderzoek niet verstrekt aan de leden van de sollicitatiecommissie, maar alleen aan de personeelsfunctionaris die bij de sollicitatie betrokken is.
Artikel 17.9 verklaring omtrent gedrag
Meer over de verklaring omtrent gedrag is geregeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Informatie hierover is te vinden op internet, zie: www.justitie.nl.
Artikel 17.10 medische keuring
Een medische keuring vindt alleen plaats als specifieke eisen aan de functie zijn gesteld, die in medische termen kunnen worden vertaald.
§ 4 Afronding Sollicitatieprocedure
Artikel 17.11 beëindiging van de sollicitatieprocedure
De reiskosten worden op grond van het vierde lid vergoed op basis van een treinkaartje tweede klas.
Volgens het vijfde lid worden sollicitatiebrieven uiterlijk vier weken na afloop van de sollicitatieprocedure vernietigd. De sollicitant kan verzoeken om de stukken eerder te vernietigen. Informatie hierover is te vinden op internet, zie: www.cbpweb.nl.
Artikel 17.12 klachtrecht
Als een ambtenaar met de boventalligheidsstatus meent dat bij het vervullen van een vacature geen rekening is gehouden met zijn voorrangsrecht, kan hij op grond van hoofdstuk 16 (Reorganisatie) bezwaar maken bij het college.
Na de aanstelling of afwijzing is het voor de ex-sollicitant ook mogelijk om een klacht over de sollicitatieprocedure in te dienen.
Op grond van de Awb is het alleen voor een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet mogelijk om bezwaar in te dienen tegen een besluit tot benoeming of afwijzing. Een klacht kan door iedere sollicitant worden ingediend.
Artikel 18.1
Een organisatie mag persoonsgegevens alleen verzamelen en verwerken als daar een goede reden voor is, of als de betrokken persoon daar zelf toestemming voor heeft gegeven. Het bijhouden van een personeelsadministratie is een gerechtvaardigde reden om persoonsgegevens te verwerken. Deze administratie mag geen bijzondere gegevens bevatten, zoals gegevens over iemands ras, politieke gezindheid, godsdienst of levensovertuiging, gezondheid, seksuele leven, lidmaatschap van een vakvereniging en strafrechtelijke persoonsgegevens.
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft regels ter bescherming van de privacy van personen.
Gegevens van de voormalig ambtenaar worden bewaard om wederzijdse rechten en plichten te kennen die ook na het einde van het dienstverband van belang zijn. Bijvoorbeeld omdat dit op grond van de belastingwetgeving verplicht is.
Informatie over de bescherming van persoonsgegevens is beschikbaar op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) https://www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/
Artikel 18.2 inhoud en bewaartermijn personeelsdossier
De Archiefwet 1995 en de daarop gebaseerde regelgeving geven voorschriften voor het beheer van overheidsinformatie, waaronder ook de bewaartermijnen. In deze regelgeving wordt onder einde van een dienstverband ook de beëindiging wegens pensionering of overlijden verstaan.
Interne memo's of e-mails komen in principe niet voor in het personeelsdossier, tenzij het gaat om bijlagen in belangrijke zaken. De ambtenaar moet hiervan op de hoogte zijn.
Vierde lid
Lopende zaken, die door uitdiensttreding, pensionering of overlijden niet meer afgehandeld kunnen worden, blijven in het personeelsdossier.
Artikel 18.3 toegang tot het personeelsdossier
De ambtenaar en het diensthoofd hebben toegang tot het personeelsdossier. Eveneens hebben leidinggevenden en andere medewerkers toegang tot het personeelsdossier voor zover hun bevoegdheden dit toestaat en het noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functie. Zo is voor een leidinggevende inzage in het personeelsdossier noodzakelijk. Dit in tegenstelling tot een voormalig leidinggevende. Bij interne sollicitatieprocedures wordt geen toegang tot het personeelsdossier verleend aan de beoogde leidinggevende. De beoogde leidinggevende heeft weliswaar geen toegang tot het personeelsdossier, maar mag wel referenties opvragen. Mocht er sprake zijn van in het verleden gepleegde schendingen, dan kan het Bureau Integriteit in het voorkomende geval geconsulteerd worden over mogelijke risico's die aan de aanstelling verbonden zijn. Zie hiervoor ook de Handleiding Screening Personeel van Bureau Integriteit.
Gegevens mogen alleen aan derden worden verstrekt als:
- a.
de ambtenaar daar ondubbelzinnig toestemming voor heeft gegeven;
- b.
het noodzakelijk is om een wettelijke plicht na te komen, of
- c.
omdat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling.
Daarnaast gelden de volgende richtlijnen:
Lid 2 volgt uit de taken van de stedelijk directeur t.o.v. de RVE-manager volgens het Bevoegdhedenbesluit.
Op grond van artikel 17.7 (het inwinnen van informatie) mag met toestemming van de sollicitant wel informatie worden ingewonnen bij het andere organisatie-onderdeel.
Bij detachering of arbeidstherapie hebben alleen functionarissen toegang tot het personeelsdossier van de ambtenaar die onder verantwoordelijkheid vallen van het eigen organisatie-onderdeel. Indien de medewerker RVE-manager is, hebben alleen functionarissen toegang tot het personeelsdossier van de ambtenaar die onder verantwoordelijkheid vallen van de stedelijk directeur. Dit volgt uit de taken van de stedelijk directeur t.o.v. de RVE-manager volgens het Bevoegdhedenbesluit.
Als een ambtenaar uit dienst treedt van de gemeente en binnen de uiterlijke bewaartermijn van het personeelsdossier weer bij de gemeente in dienst treedt, wordt zijn oude personeelsdossier weer geopend.
Lid 3 volgt uit de taken van de algemeen directeur t.o.v. de stedelijk directeur volgens het Bevoegdhedenbesluit.
Artikel 18.4 verzet opname en/of gebruik persoonsgegevens in het personeelsdossier
De ambtenaar heeft het recht om te weten wat er met zijn persoonsgegevens gebeurt. Hij mag zijn gegevens inzien en vragen om correctie. Tevens kan hij verzet aantekenen tegen het gebruik van zijn persoonsgegevens. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij het registreren van zijn seksuele geaardheid of geloofsovertuiging of het kunnen inzien van afgehandelde loonbeslagen. Artikel 40, eerste lid, Wbp is van toepassing.
Het recht van verzet houdt in dat de ambtenaar bij de werkgever een verzoek kan indienen tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens.
De beheerder (directeur rve PO) zoals gedefinieerd in het Protocol voor de gegevensverwerking en – verstrekking van alle personen die werkzaamheden verrichten voor de gemeente Amsterdam beoordeelt binnen 4 weken na ontvangst van het verzet of het gerechtvaardigd is.
Indien de directeur van de rve PO belanghebbende is, beoordeelt de gemeentesecretaris binnen 4 weken na ontvangst van het verzet of het gerechtvaardigd is.
Indien het verzet gerechtvaardigd is, wordt de verwerking van de betreffende persoonsgegevens direct beëindigd.
De regels over aantekenen van verzet zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en het Protocol voor de gegevensverwerking en –verstrekking van alle personen die werkzaamheden verrichten voor de gemeente Amsterdam.
Artikel 19.1
Uitgangspunt bij de regelgeving over ongewenst gedrag is de verantwoordelijkheid van de werkgever voor een veilige werkomgeving en de plicht werknemers te beschermen tegen discriminatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten. Dit is neergelegd in de Arbeidsomstandighedenwet.
In artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers en een beleid voert gericht op het voorkomen, en indien dat niet mogelijk is, beperken van psychosociale arbeidsbelasting. Ook bij het ontbreken van een (aanwijsbare) veroorzaker van ongewenst gedrag blijft de werkgever verantwoordelijkheid dragen voor het doen ophouden van ongewenst gedrag. De term ‘psychosociale arbeidsbelasting' is een nieuw begrip dat in de wet als volgt is gedefinieerd: "de factoren direct of indirect onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen". De begripsbepaling ongewenst gedrag in deze klachtenregeling verwijst naar de omschrijving van deze begrippen in de Arbeidsomstandighedenwetgeving.
Het wettelijk kader wordt daarnaast gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.
De gemeente Amsterdam heeft deze verantwoordelijkheid opgepakt door voor de behandeling van klachten op het gebied van ongewenst gedrag, aansluiting mogelijk te maken bij de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid van de VNG.
Deze regeling is deels gebaseerd op hoofdstuk 9 klachtbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en laat onverlet dat de klager aangifte bij de politie kan doen van:
- 1.
een overtreding van het discriminatieverbod, genoemd in artikel 429 quater Wetboek van Strafrecht;
- 2.
een strafbaar feit, bedoeld in artikel 160 en verder Wetboek van Strafvordering.
Deze regeling heeft betrekking op het geheel van ongewenst gedrag waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld.
Onder c
Het begrip ongewenst gedrag dient ruim te worden geïnterpreteerd. Alle vormen van verbale, fysieke en psychische agressie worden tot ongewenst gedrag gerekend, waaronder ook sociale
uitsluiting, negeren, pesten. Ter toelichting dient de omschrijving van de begrippen discriminatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten uit de memorie van toelichting op de Arbeidsomstandighedenwet zoals deze luidt per 1 januari 2009. De factoren "direct en indirect" onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie en agressie en geweld, pesten en werkdruk vallen onder het begrip psychosociale arbeidsbelasting. (...) Onder psychosociale arbeidsbelasting worden factoren in de arbeidssituatie verstaan, die stress veroorzaken.
Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd. (...) Seksuele intimidatie, kan zich voordoen in een aantal verschijningsvormen. Het kan gaan om dubbelzinnige opmerkingen, onnodig aanraken, gluren, pornografische afbeeldingen op het werk, maar ook om aanranding en verkrachting. De definitie van seksuele intimidatie geeft tevens aan dat hieronder moeten worden verstaan de gevallen waarin sprake kan zijn van seksuele chantage, zodanig dat de kans op promotie en beslissingen over het werk afhangt van verrichte seksuele diensten. Door dit gedrag kan een vijandige of seksueel intimiderende en kwetsende omgeving ontstaan die een aanslag is op de waardigheid van de betrokken werknemer. In een dergelijke omgeving kan tegelijkertijd psychologisch geweld gedijen die mogelijkerwijs ook ruimte biedt aan seksuele chantage als hiervoor bedoeld.
Onder pesten wordt verstaan alle vormen van intimiderend gedrag met een structureel karakter, van een of meerdere werknemers (collega's, leidinggevenden) gericht tegen een werknemer of een groep van werknemers die zich niet kan of kunnen verdedigen tegen dit gedrag. Een belangrijk element aangaande pesten op het werk is de herhaling van die gedraging in de tijd. Het gaat bij pesten dus niet om een eenmalige gedraging. Dit gedrag uit zich op verschillende manieren maar in het bijzonder door
- ■
- ■
Werken onaangenaam of onmogelijk maken
- ■
- ■
Roddelen/geruchten verspreiden
- ■
- ■
- ■
Deze opsomming is niet limitatief. Veelal is het doel van de dader om opzettelijk een andere persoon te kwetsen en te vernederen.
Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid. Bij agressie en geweld gaat het om gedragingen van verbaal geweld (uitschelden, beledigen) en fysiek geweld (schoppen, slaan, met een wapen dreigen of overvallen worden). Het kan ook gaan om psychisch geweld: bedreigen, intimideren, onder druk zetten, thuissituatie bedreigen en het beschadigen van eigendommen.´
Naast seksuele intimidatie, pesten, agressie en geweld wordt uitdrukkelijk ook discriminatie tot ongewenst gedrag in de zin van deze regeling gerekend. Voor uitleg van het begrip discriminatie wordt verwezen naar de Algemene wet gelijke behandeling. Wettelijk is het begrip discriminatie overigens niet gedefinieerd. De Awgb noemt de gronden waarop het maken van onderscheid verboden is.
Onder d
Een klacht is schriftelijk en mag niet anoniem worden ingediend. Bij de omschrijving van het begrip klacht is aangesloten op de ontvankelijkheideisen die de Awb stelt. In artikel 19.7 is opgenomen dat de klacht eventueel nog nadere gegevens bevat.
Onder e
Op grond van deze regeling kan iedereen die werkzaam is of is geweest in of voor de gemeente een klacht indienen. Dit betekent dat ook degenen die niet zijn aangesteld als ambtenaar, maar bijvoorbeeld werkzaam zijn als stagiair, vrijwilliger, gedetacheerde, interim-manager of als uitzendkracht gebruik kunnen maken van de klachtenregeling.
De ervaring leert dat vaak pas na verloop van tijd een formele klacht onver ongewenst gedrag wordt geuit, soms pas na beëindiging van het dienstverband. Voor de gemeente als werkgever zijn dergelijke klachten ook dan nog relevant. Behandeling van de klacht kan anleiding zijn om de aangeklaagde alsnog met maatregelen te confronteren of om de werking van het beleid te evalueren.
Onder f
Een klacht gericht tegen een persoon die uit dienst is of voor de gemeente Amsterdam heeft gewerkt, is in de regel moeilijk af te handelen. Zo kan onderzoek worden bemoeilijkt en kan aan gegrond verklaren van de klacht geen sanctie worden verbonden. In het laatste geval kan natuurlijk wel worden besloten dat de aangeklaagde niet meer mag werken voor de gemeente.
Artikel 19.2 contact vertrouwenspersoon
De vertrouwenspersoon kan een medewerker die persoonlijk om advies vraagt maar anoniem wil blijven, alleen adviseren en ondersteunen bij het zelf ondernemen van actie en de melding registreren.
Onder medewerker wordt niet alleen de ambtenaar verstaan maar ook bijvoorbeeld een stagiair, vrijwilliger, interim-manager of uitzendkracht. Ook een ex-medewerker die een klacht wil indienen, kan zich in eerste instantie wenden tot de vertrouwenspersoon.
Artikel 19.3 taken vertrouwenspersoon
De klager kan zijn klacht over ongewenst gedrag direct indienen bij de commissie of zich eerst wenden tot de vertrouwenspersoon. Een van de taken van de vertrouwenspersoon is het bemiddelen bij een klacht zodat de klacht mogelijk niet door de klachtencommissie hoeft te worden behandeld. De vertrouwenspersoon heeft daarnaast de taak tot het bijstaan van de klager bij het indienen van een klacht. De vertrouwenspersoon kan ook worden ingezet bij de vormgeving van het beleid gericht op het voorkomen van ongewenst gedrag. Bij onderdeel e wordt onder ‘andere personen binnen de organisatie’ begrepen: leidinggevenden, P&O medewerkers of bedrijfsmaatschappelijk werkers. In dit artikel wordt onder derden niet begrepen de commissie of een hoorcommissie in de zin van de Awb.
Er kunnen verschillende vertrouwenspersonen worden benoemd die al dan niet tewerkgesteld zijn bij het desbetreffende organisatie-onderdeel of met verschillende specialisaties op de diverse gebieden van ongewenst gedrag. Als één vertrouwenspersoon wordt benoemd is het noodzakelijk dat de vertrouwenspersoon op alle terreinen deskundig is.
Voor zover onduidelijkheid bestaat over de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon, wordt aangesloten bij het ‘Model Functieomschrijving Vertrouwenspersoon’ van de Landelijke Vereniging voor Vertrouwenspersonen. Informatie hierover is te vinden op internet, zie: www.lvvv.nl.
Artikel 19.4 verzending rapport vertrouwenspersoon
De werkgever draagt zorg voor verzending van een afschrift van het rapport, bedoeld in artikel 19.3, onder h, aan de ondernemingsraad en de commissie.
Artikel 19.5 instelling, taakstelling en samenstelling van de commissie
De commissie fungeert als adviesorgaan bij klachten over ongewenst gedrag. Voor de samenstelling van de commissie wordt gebruikgemaakt van een pool van deskundigen met ervaring in het behandelen van klachten over ongewenst gedrag en discriminatie en met kennis van de sector gemeenten. Afhankelijk van de aard van de ontvangen klacht wordt bij het samenstellen van de commissie gekeken naar specifieke deskundigheid en diversiteit (onder meer psychosociale, medische en juridische deskundigheid, man-vrouwverhouding). Er wordt op toegezien dat de betrokken commissieleden geen binding hebben met de organisatie waaruit de klacht afkomstig is.
Artikel 19.6 secretaris en administratie
De commissie wordt bij de behandeling van een klacht inhoudelijk ondersteund door een extern secretaris. Het algemeen secretariaat en de administratie rondom aansluitingen en declaratie van de kosten van een klachtenprocedure wordt gevoerd door het secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de VNG.
Gemeenten, maar ook individuele medewerkers van aangesloten gemeenten die overwegen een klacht in te dienen, kunnen voor nadere informatie rechtstreeks contact opnemen met het secretariaat van de commissie.
Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag
Postbus 30435
2500 GK Den Haag 070 373 8530
klachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nl
Artikel 19.7 indienen van de klacht
In deze regeling is gekozen voor rechtstreekse toegang tot de commissie. De werkgever is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht. Zie verder hierover artikel 19.13. Als een klager zich met een klacht richt tot de werkgever, zendt deze de klacht door naar de commissie. Voor het bepalen van de termijn geldt in dat geval de datum waarop de werkgever de klacht heeft ontvangen.
Na ontvangst wordt aan de klager een ontvangstbevestiging gestuurd en aan de werkgever wordt, zonder vermelding van betrokkenen, mededeling gedaan van de ontvangst van een klacht. Bij doorzending van een klacht wordt een overeenkomstige werkwijze gevolgd. Alle correspondentie geschiedt onder aantekening van persoonlijk en vertrouwelijk.
Artikel 19.8 in behandeling nemen van de klacht
Het is de taak van de commissie om de werkgever te adviseren in de beoordeling en afdoening van een klacht. Daartoe behoort ook de ontvankelijkheidtoetsing. Hierbij zijn vier situaties te onderscheiden:
- ■
De klacht valt binnen de regeling en wordt in behandeling genomen. In het kader van de behandeling stelt de commissie de werkgever op de hoogte van het bestaan van de klacht, voor zover hij hiervan nog niet op de hoogte was gesteld in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid (artikel 19.8, lid 1 en artikel 19.9, lid 2). De aangeklaagde wordt ten behoeve van de behandeling tijdig op de hoogte gesteld (artikel 19.10, lid 6).
- ■
De klacht valt niet binnen de regeling of wordt niet binnen redelijke termijn voorgelegd of valt onder de uitzonderingen van artikel 9:8 Awb. De commissie adviseert (dan wel: kan adviseren) de werkgever de klacht niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 19.8, leden 2 en 5 sub a) en b)). De aangeklaagde wordt in beginsel niet op de hoogte gesteld.
- ■
De klacht valt binnen de regeling maar klager heeft (nog) niet de lokaal verplichte stappen ondernomen. De commissie stelt klager hiervan op de hoogte. De werkgever wordt niet op de hoogte gesteld van de klacht, de aangeklaagde ook niet. Aan klager is de keuze om de verplichte stappen alsnog te doorlopen of af te zien van verdere actie (artikel 19.8, lid 2).
- ■
De commissie kan de klager de mogelijkheid geven om aan niet-ontvankelijkheid op basis van artikel 19.8, lid 5 sub c. te ontkomen door de gegevens van de klacht aan te vullen. De termijn van behandeling begint te lopen op het moment dat de gegevens van de klacht voldoende zijn aangevuld (zie art. 4:15 Awb).
Indieningstermijn (artikel 19.8 lid 5, sub a)
Een klacht is niet ontvankelijk indien deze niet is ingediend binnen een redelijke termijn nadat het ongewenst gedrag heeft plaats gevonden. Als richtlijn kan worden aangehouden een termijn van twee jaar (in afwijking van de termijn van een jaar uit artikel 9:8 van de Awb). De ervaring leert dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd worden ingediend, nadat de klager op andere wijze naar oplossingen heeft gezocht. De commissie kan een langere indieningtermijn dan twee jaar redelijk achten, indien de aard van de klacht daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld indien er sprake is van ernstige feiten. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een onderzoek naar de feiten moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat ongewenst gedrag heeft plaats gevonden.
Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid (artikel 19.8, lid 5, sub b. en artikel 9:8
Awb
)
In de Algemene wet bestuursrecht worden uitzonderingen op de plicht tot klachtbehandeling genoemd. Deze uitzonderingen zijn in deze regeling overgenomen. Indien er reeds een klacht over het gedrag is behandeld is de werkgever niet verplicht de klacht opnieuw in behandeling te nemen. Ook in gevallen van voor beroep vatbare besluiten en van samenloop met een opsporingsonderzoek is die plicht niet aanwezig. Beoordeeld zal moeten worden of de samenloop met de strafrechtelijke procedure onwenselijk is. Bepaald is dat de commissie kan adviseren om een dergelijke klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Het ligt voor de hand dat in dergelijke gevallen overleg gepleegd wordt tussen de commissie en de werkgever. Voorts geldt dat het een derde (in dit geval: de commissie) op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens in beginsel niet is toegestaan om strafrechtelijke gegevens te verwerken.
Een derde uitzonderingsgrond op de verplichte klachtbehandeling betreft de situatie dat het belang van de klager dan wel het gewicht van het ongewenst gedrag kennelijk onvoldoende is.
Artikel 19.10 horen
De werkgever kan een informant aanwijzen om de commissie van informatie te voorzien. Als informant kan bijvoorbeeld fungeren een P&O medewerker, een manager of de vertrouwenspersoon. Het gaat dan bijvoorbeeld over informatie over het gemeentelijke organisatie-onderdeel, de cultuur en de procedures bij ongewenst gedrag.
Hoor en wederhoor
De commissie past hoor en wederhoor toe. De commissie dient er met het oog hierop voor te zorgen dat de aangeklaagde tijdig op de hoogte is van de klacht en eventuele andere voor hem relevante stukken.
Er zullen doorgaans één of meer zittingen gehouden worden waarop betrokkenen gehoord worden. Omdat betrokkenen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord (artikel 19.10, lid 7) kan het nodig zijn dat men tweemaal tijdens de zitting wordt gehoord om te reageren op nieuwe informatie en op de zienswijzen van andere betrokkenen. Een andere mogelijkheid is dat men reageert op gespreksverslagen. Aan de commissie wordt overgelaten op welke wijze het wederhoor wordt gerealiseerd.
Verplichting tot medewerking
Ten behoeve van het onderzoek van de commissie stelt de werkgever zijn medewerkers in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 19.9, lid 3). Op grond van het goed ambtenaarschap zijn medewerkers in beginsel verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar een klacht. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het niet verlenen van medewerking door een medewerker als plichtsverzuim beschouwd worden.
Voor de aangeklaagde geldt dat deze niet verplicht kan worden om informatie te verstrekken die zijn positie kan schaden.
Bijstand
Indien een klager of een aangeklaagde zich laat bijstaan door een raadsman of -vrouw (advocaat, rechtsbijstandjurist) zijn de kosten daarvan voor eigen rekening. Betrokkenen kunnen ook kiezen voor een niet-professionele raadspersoon.
Betrokkene doet de commissie tijdig opgave van de naam en de hoedanigheid van degene(n), die hij meeneemt naar het hoorgesprek.
Artikel 19.11 omgang met persoonsgegevens
De commissie werkt met (persoons)gegevens, waartoe ook bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen behoren. Persoonsgegevens mogen door de commissie slechts verzameld en verwerkt worden met het doel een advies uit te brengen over de klacht. Grondslag hiervoor is de verplichting van de werkgever om klachten op zorgvuldige wijze te behandelen. De commissie verwerkt de gegevens op een veilige wijze. In de praktijk betekent dit dat de secretaris van de commissie de gegevens op zodanige wijze opslaat en communiceert dat er geen risico is op onbevoegde kennisname.
De vertrouwenspersoon heeft een absolute geheimhoudingsplicht die tegenover iedereen geldt.
Artikel 19.12 advies over de klacht
De werkgever dient de klacht binnen tien weken af te doen. Daarbinnen geldt de termijn van acht weken voor het advies van de commissie aan de werkgever.
Dat is alleen anders als de commissie op grond van artikel 19.8, tweede of derde lid, besluit een klacht niet in behandeling te nemen (lid 2) dan wel niet ontvankelijk te verklaren (lid3). In dat geval meldt de commissie dat binnen twee weken aan de werkgever (zie art 19.8, lid 4).
Er zijn twee soorten advies mogelijk: het advies over de gegrondheid van de klacht en het advies om de klacht niet ontvankelijk te verklaren.
De commissie is niet verplicht het afschrift van een advies tot niet-ontvankelijkverklaring aan de aangeklaagde te zenden. Dit wordt niet nodig geacht omdat het niet tot klachtbehandeling komt.
Artikel 19.13 afdoening van de klacht
De werkgever is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht. De wettelijke termijnen van de Awb gelden. Dit betekent dat de klacht binnen tien weken wordt afgedaan, met de mogelijkheid van verdaging voor ten hoogste vier weken. Er kan bijvoorbeeld verdaagd worden als de klachtencommissie niet binnen acht weken advies uitbrengt. In uitzonderlijke gevallen kan de commissie klager verzoeken schriftelijk in te stemmen met een verder uitstel van de termijn.
De conclusie van de werkgever in het kader van een klachtenprocedure, de afdoeningsbrief, is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. De afdoening van de klacht is geen besluit in de zin van de Awb en om die reden staat geen bezwaar en beroep open.
Als de conclusies van de klachtenprocedure aanleiding geven tot het nemen van een besluit, bijvoorbeeld tot het opleggen van een rechtspositionele maatregel, staat daar voor de belanghebbende de normale rechtsgang tegen open.
Als de klager ontevreden is over de afhandeling van de klacht, kan de klager zich wenden tot een externe klachtinstantie met een klacht over het bestuursorgaan. De werkgever dient klager in de afdoeningsbrief op deze externe klachtenprocedure (zoals de gemeentelijke of nationale ombudsman) te wijzen.
Niet-ontvankelijkheid
Indien de werkgever concludeert dat een klacht niet ontvankelijk is in de zin van deze regeling dient de klacht op andere wijze te worden behandeld. Op grond van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om een klacht behoorlijk te behandelen.
Openbaarheid
Informatie van een bestuursorgaan is in beginsel openbaar. Verstrekking van informatie blijft achterwege indien het persoonsgegevens betreft. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor schriftelijke stukken omtrent een klacht, zoals een verslag van het horen, het advies en de afdoeningsbrief. Verstrekking van deze documenten is mogelijk indien deze geanonimiseerd zijn, dat wil zeggen geen gegevens bevatten die tot personen herleidbaar zijn, of wanneer degenen op wie de persoonsgegevens betrekking hebben daarvoor toestemming geven.
Artikel 19.14 jaarverslag
De statistische gegevens van de klagers en aangeklaagden zijn in elk geval:
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
geboren in Nederland of niet.
Artikel 19.14A klachten over het functioneren van de commissie
De commissie voorziet door dit artikel in een klachtregeling over haar eigen functioneren. Deze beoordeling geschiedt door leden van de commissie die niet deelgenomen hebben aan de werkzaamheden van de commissie waartegen de klacht zich richt. In deze fase vindt geen nieuwe inhoudelijke beoordeling van de primaire melding plaats. Afhankelijk van de conclusies over de klacht met betrekking tot de procedure kan in tweede instantie wel een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de oorspronkelijke klacht plaatsvinden.
Artikel 20.1 ontheffing van overwerk, nachtdienst en beschikbaarheidsdienst
Dit artikel biedt de mogelijkheid om van de verplichting tot overwerk, ’s nachts werken en beschikbaarheidsdienst te worden ontheven. Het begrip nachtdienst is ruimer opgesteld dan in artikel 1.1, (begrippen) ook de tijd tussen 22.00 uur en 24.00 uur is inbegrepen. De ontheffing geldt voor het werken ’s nachts na 22.00 uur, tenzij de dienst start vóór 22.00 uur en uiterlijk om 24.00 uur eindigt.
De ontheffing geldt ook voor de ambtenaar van 55 jaar of ouder die werkt in de standaard werktijdenregeling en wegens dienstbelang arbeid moet verrichten op werktijden buiten het dagvenster.
Lid 2 en lid 4
Op het moment dat er binnen de gemeente Amsterdam leeftijdsfasebewust personeelsbeleid wordt ingevoerd, wordt in overleg met de vakbonden bekeken of en zo ja welke garantiebepalingen er komen voor de ambtenaren van 55 jaar of ouder die voorafgaande aan het tijdstip van de verleende ontheffing zonder wezenlijke onderbreking recht hadden op de beëindigde of verminderde toelage.
Artikel 20.3 arbeidsduurverkorting 60-jarigen
Als de ambtenaar gebruikmaakt van de arbeidsduurverkorting is het niet mogelijk om spaaruren op te bouwen. Uitgangspunt is dat de twee en half uur vermindering wekelijks wordt opgenomen.
Artikel 25.1 definities
Lid 1 stagiair
De stagiair is niet aangesteld in een dienstverband en ook niet werkzaam onder arbeidscontract, waardoor de andere hoofdstukken van de NRGA niet op hem van toepassing zijn.
De stageplek wordt uitsluitend gebruikt om de stagiair kennis te laten maken met een specifiek werkgebied. De stageplek wordt niet gebruikt om de stagiair reguliere werkzaamheden te laten verrichten of vacatureruimte te laten vullen.
Lid 3 duaal leertraject
Een student die in het kader van een duaal leertraject bij de VrAA komt werken wordt aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd. Het duaal leertraject komt voor in het (V)MBO en HBO waarbij de student gedurende zijn studie 1,5 jaar werkervaring opdoet. Een duale student kan binnen de organisatie ingezet worden als volwaardige medewerker.
Artikel 25.4 stagevergoeding
De stagiair ontvangt de stagevergoeding voor de uren dat hij werkt, na overlegging van zijn urendeclaratie. De stagevergoeding wordt op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 aangemerkt als een beloning. De vergoeding wordt bruto uitbetaald, waarbij loonheffing wordt ingehouden.
Bij ziekte wordt de stagevergoeding niet doorbetaald. De werkgever doet melding van de arbeidsongeschiktheid bij UWV en stelt UWV ook op de hoogte als de stagiair hersteld is. De werkgever vraagt een ziektewetuitkering aan bij UWV, die beoordeelt of hij er recht op heeft.
Het kan voorkomen dat de stagevergoeding op verzoek rechtstreeks aan de onderwijsinstelling wordt overgemaakt. In dat geval hoeft geen loonheffing te worden ingehouden. Voorwaarde is dat de stagevergoeding niet wordt doorgegeven aan de stagiair, maar wordt gebruikt voor algemene schoolse activiteiten.
Als de stagiair, bedoeld in artikel 25.1, lid 1, onderdeel b, bij de VrAA werkervaring opdoet maar een reguliere baan bij een andere werkgever heeft, dan heeft hij geen recht op de stagevergoeding. Het gaat hier niet om een vakantiebaan of parttime baantje van een stagiair, maar om een reguliere baan bij een andere werkgever.
Artikel 25.5 tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer
De stagiair met een OV-studentenkaart heeft geen recht op een tegemoetkoming, ongeacht of hij een week- of weekendkaart heeft. Aangenomen wordt dat hij geen reiskosten heeft. Ook als de stagiair een weekendkaart heeft, kan hij deze omzetten in een weekkaart.
Artikel 31.1 algemene bepalingen
Ambtenaren in dienst van de gemeente Amsterdam hebben bij ontslag recht op een gemeentelijke aanvulling op de werkloosheidsuitkering op grond van hoofdstuk 30a. Dit hoofdstuk bevat de regeling Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bij privatisering (BWP). Kort gezegd regelt de BWP dat als een ambtenaar in het kader van een privatisering uit gemeentedienst wordt ontslagen, hij nog enige jaren een beroep kan doen op de gemeentelijke BW-aanvulling in geval van ontslag bij de geprivatiseerde organisatie. Zonder de BWP zou hij bij dat ontslag alleen recht hebben op een gewone WW-uitkering. De uitbetaling van de BWP-uitkering vindt plaats na het ontslag uit de functie bij de privaatrechtelijke organisatie.
Wanneer de BWP van toepassing is, krijgt de betrokkene een aanvulling op de reguliere WW, conform de bepalingen van hoofdstuk 30a (Voorzieningen bij werkloosheid). Als er geen recht bestaat op een WW-uitkering, is er ook geen recht op een BW/BWP- uitkering. Zie hiervoor verder de bepalingen van hoofdstuk 30a.
De periode dat de ambtenaar recht heeft op wachtgeld of bovenwettelijke uitkering gaat in op de dag van het privatiseringsontslag. Voor degene wiens privatiseringsontslag betrekking had op een aanstelling in vaste dienst of op een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd die op de dag van ontslag drie jaar of langer had geduurd, vervalt het recht op bovenwettelijke uitkering als het ontslag bij de privaatrechtelijke organisatie niet binnen een termijn van zeven jaar na het privatiseringsontslag heeft plaatsgevonden. Na de termijn van zeven jaar moet de aanvraag voor bovenwettelijke uitkering binnen een maand worden ingediend. De duur en de hoogte van de uitkering zijn hetzelfde als dat de ambtenaar geen privatiseringsontslag zou hebben gekregen.
Voorbeeld
Een medewerker heeft op de datum van het privatiseringsontslag recht op een bovenwettelijke uitkering van 14 maanden. Als de medewerker na drie jaar bij een privaatrechtelijke organisatie wordt ontslagen, heeft hij dus geen recht meer op een bovenwettelijke uitkering. Als de medewerker één jaar na het privatiseringsontslag wordt ontslagen, heeft hij gedurende twee maanden recht op een aanvulling van de WW-uitkering.