Toelichting bij de arbeidsvoorwaarden vrijwillige brandweer Hoofdstuk I
§ 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
werkingssfeer
Vrijwilligers bij de regionale brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet het veiligheidsbestuur als werkgever op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een rechtspositieregeling voor hen vaststellen. De rechtspositie van de vrijwilligers bij de brandweer wordt in dit hoofdstuk geregeld. De NRGA is niet van toepassing.
Artikel 3
overleg met vakorganisaties
In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegde gezag van de veiligheidsregio voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.
§ 2 Aanstelling en bevordering
Artikel 6
aanstelling in vaste of tijdelijke dienst
Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen of de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst. Een aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van te voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling.
Een eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee jaren. Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger in aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger; bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is het mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke aanstelling te verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke proefaanstelling is drie jaar en er kunnen maximaal twee tijdelijke aanstellingen verleend worden.
Artikel 7
voorwaarden voor aanstelling
Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger. Een belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar behoren te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij aangesteld kan worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek gekeurd.
Artikel 7a
(Vervallen)
Artikel 9
bevordering
Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens niet zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover beslist de werkgever. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale aanstellings- en bevorderingsbesluiten.
Artikel 10
(Vervallen)
§ 3 Relatie hoofdwerkgever
Artikel 12
informatie aan hoofdwerkgever
De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger goed inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking hieraan verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder werktijd werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel de veiligheidsregio als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden rekening te houden met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet.
De vrijwilliger moet de veiligheidsregio informatie geven over zijn hoofdwerkgever die er, onder meer, toe strekt dat de veiligheidsregio in contact kan komen met de hoofdwerkgever. De vrijwilliger heeft daarnaast de plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over een aantal praktische zaken die bij het vrijwilligerschap horen.
§ 4 Vergoedingen
Artikel 14 en 15
vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen in een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte van de vergoeding verschilt per rang en per activiteit; zie hiervoor de bijlage.
Een deel van de vergoeding wordt door de fiscus aangemerkt als onkostenvergoeding.
Omdat de mogelijkheid om een deel van de vergoeding onbelast te verstrekken gebaseerd is op fiscale wetgeving is dit niet in de artikelen nogmaals geregeld.
De systematiek is als volgt. In de jaarvergoeding is een bedrag begrepen ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening. Deze vergoeding bedraagt voor alle vrijwilligers € 136,- per jaar. In de jaarvergoeding voor officieren is een onkostenvergoeding begrepen van € 2,- per activiteit die in het kader van de beroepsuitoefening is verricht, niet zijnde daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening.
Voor de vrijwilligers beneden de rang van adjunct-hoofdbrandmeester (niet zijnde de brandmeester, tevens ondercommandant) werkt het iets anders. Voor elke betaalde activiteit is in de vergoeding daarvoor een onkostenvergoeding begrepen van € 2,-.
De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de vrijwilligers.
Artikel 17
vergoeding voor langdurige aanwezigheid
De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die een groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak meerdere dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de langdurigheidstoeslag komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom twee, de vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden.
De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer hij vijf uur of langer ingezet wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van de inzet; duurt de inzet bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger over alle zes uren de vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt alleen verstrekt over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus gevolgd wordt; de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van de vijf uren en over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor kazerneringsdiensten.
Wanneer een veiligheidsregio werkt met kazerneringsdiensten voor vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van artikel 19 lokaal een vergoedingsregeling vastgesteld worden.
Artikel 18
consignatievergoeding
Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten de kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.
Artikel 19
kazerneringsdienst
LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij de brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal worden naar de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de rechtspositie van de vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te treffen over vergoeding van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke aard.
Artikel 22
gratificatie
Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op vrijwilligers bij de brandweer. De lokale regeling over gratificaties en andere vormen van flexibele beloning is niet van toepassing op de vrijwilligers.
Artikel 23
fiscaal aantrekkelijke regelingen.
Hoofdstuk 5 van de NRGA maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een veiligheidsregio een dergelijke regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van maken. Of de vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt van individuele factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de fiscus stelt aan gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze regelingen voor vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik van kan maken.
De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien van deelname zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt de lokale regeling ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van gebruikmaking van fiscaal gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere aanspraken niet van toepassing op de vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in de mogelijkheid om de vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale randvoorwaarden gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.
§ 5 Verzekeringen en schadevergoeding
Artikel 28
schade aan kleding en uitrusting
Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit in onder voorwaarden vergoed door de werkgever. Dit artikel beperkt zich tot de schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van de werkgever om bij een dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale slijtage. . Het is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door standaard de schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.
§ 6 Zwangerschap
Artikel 29
zwangerschap
De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig en gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels vastgelegd in wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. De eisen die aan de werkgever gesteld worden, in combinatie met de aard van het brandweerwerk zijn van dien aard dat ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook voor vrouwen die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg mogelijk stadium haar zwangerschap meldt.
§ 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger
Artikel 30
beschikbaarheid van de vrijwilliger
De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel korpsen werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met consignatie- of kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is het van belang dat de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de brandweerdienst en dat de korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie niet beschikbaar is.
Artikel 31
verplichtingen
Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op grond van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire maatregel op te leggen wegens plichtsverzuim.
Artikel 32
eed of belofte
Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de middelen om bewuster om te gaan met integriteit.
Artikel 33
verboden
Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot een disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de veiligheidsregio kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een brandweervoertuig voor een privé verhuizing.
Artikel 34
gebruik van motorrijtuig
Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer de werkgever daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder toestemming van de werkgever toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van eventuele schade de werkgever niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan.
Het al dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de aansprakelijkheid van de werkgever jegens derden ex artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die aan een derde wordt toegebracht door één van de werknemers.
Artikel 35
kledingvoorschriften
Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister is voorgeschreven.
§ 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de dienst
Artikel 39
disciplinaire straffen
Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele vergoeding.
TOELICHTING OP DE BEGRIPSBEPALINGEN EN HET TOEPASSINGSGEBIED HOOFDSTUK II
Artikel 1, lid 1 onder b
De toelagen en toeslagen die onder het begrip bezoldiging vallen op 31-12-2015 zijn:
- a.
de structurele inconveniëntentoeslag, bedoeld in artikel 3.2 (methode rangordenen inconveniënten (MRI));
- b.
de verhoging van de garantietoeslag, bedoeld in artikel 3.3 (bodemgarantietoeslag MRI);
- c.
de persoonlijke toeslag, genoemd in artikel 3.8, vierde lid, (salaris bij bevordering);
- d.
de persoonlijke toelage, genoemd in artikel 3.17, eerste lid;
- e.
de regelmatig terugkerend overwerktoeslag genoemd in artikel 3.27;
- f.
de beschikbaarheidstoeslag, genoemd in artikel 3.29;
- g.
de waarnemingstoeslag, genoemd in artikel 3.33;
- h.
de roostertoeslag, genoemd in artikel 3.34;
- i.
de arbeidsmarkttoeslag, genoemd in artikel 3.36;
- j.
de toeslag lager leidinggevende, genoemd in artikel 3.37;
- k.
de afbouwtoelage, genoemd in artikel 3.40;
- l.
de blijvende garantietoeslag, genoemd in artikel 3.41 (toegekend voor 1 MEI 2015);
- m.
de aflopende garantietoeslag, genoemd in artikel 3.42 (toegekend voor 1 MEI 2015);
- n.
de bevroren garantietoeslag, bedoeld in artikel 3.43 (toegekend voor 1 MEI 2015); (omzetting aflopende garantietoeslag);
- o.
de reorganisatietoeslag, genoemd in paragraaf 10 van hoofdstuk 3;
- p.
de garantietoeslag, genoemd in artikel 3.53.
Daarnaast vallen de volgende toelagen, toeslagen en vergoedingen onder het begrip bezoldiging:
- a.
de brandweertoeslag (artikel 7a t/m 7d in dit hoofdstuk);
- b.
de toelage duikploegleider (artikel 8 in dit hoofdstuk);
- c.
de incidentele inconveniëntentoeslag, zijnde de duiktoeslag en gaspaktoeslag (artikel 9 in dit hoofdstuk);
- d.
de piketvergoeding (artikel 11b, met uitzondering van lid 10 in dit hoofdstuk);
- e.
de feestdagtoeslag (artikel 12d in dit hoofdstuk);
- f.
de vergoeding gekazerneerde diensten (artikel 21c in dit hoofdstuk)
Artikel 1, lid 1 onder c
De toelagen en toeslagen die onder het begrip wedde vallen op 31-12-2015 zijn:
- a.
de structurele inconveniëntentoeslag, genoemd in artikel 3.2 (methode rangordenen inconveniënten (MRI));
- b.
de verhoging van de garantietoeslag, bedoeld in artikel 3.3 (bodemgarantietoeslag MRI);
- c.
de persoonlijke toeslag, genoemd in artikel 3.8, vierde lid (salaris bij bevordering);
- d.
de persoonlijke toelage, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, voor zover toegekend voor een duur van langer dan één jaar;
- e.
de waarnemingstoeslag, genoemd in artikel 3.33;
- f.
de incidentele inconveniëntentoeslag, genoemd in artikel 3.38;
- g.
de garantietoeslag, genoemd in artikel 3.53, gerekend naar de maand waarin de toelage of toeslag betaalbaar wordt gesteld;
- h.
de inkomensgarantie, genoemd in artikel 21.23 (ambulancepersoneel).
Daarnaast vallen de volgende toelagen, toeslagen en vergoedingen onder het begrip wedde:
- a.
de toelage duikploegleider (artikel 8 in dit hoofdstuk);
- b.
de incidentele inconveniëntentoeslag, zijnde de duiktoeslag en gaspaktoeslag (artikel 9 in dit hoofdstuk).
Artikel 1, lid 2 en 3
Met ingang van 1 januari 2016 wordt een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk ingevoerd in de CAR UWO: hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Het nieuwe beloningshoofdstuk is van toepassing op brandweerpersoneel. Ten behoeve van brandweerpersoneel in dienstroosters heeft het LOGA twee uitzonderingen gemaakt op hoofdstuk 3 en een tweetal aanvullingen toegevoegd.
De artikelen 3.11 NRGA (toelage onregelmatige dienst) en 3.18 NRGA (overwerkvergoeding) zijn niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een dienstrooster. Hiervoor in de plaats gelden de in dit hoofdstuk opgenomen brandweertoeslag en overwerkregeling, zoals deze golden op 31 december 2015.
Hoofdstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van een vergoeding vanwege het verschuiven van een rooster. Voor de ambtenaar die werkzaam is in een dienstrooster geldt hiervoor in de plaats de in dit hoofdstuk opgenomen toeslag bij roosterwijziging, zoals deze gold op 31 december 2015.
Hoofdstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van functiegebonden toelagen zoals duikploegleider, duiker, gaspakdrager. Voor de ambtenaar die werkzaam is in en dienstrooster geldt hiervoor in de plaats de in dit hoofdstuk opgenomen functietoelagen, zoals deze golden op 31 december 2015.
Daarnaast zijn in afwijking van hoofdstuk 3 twee afzonderlijke lokale regelingen vastgesteld ten aanzien van beschikbaarheid, te weten de piketregeling en de regeling gekazerneerde diensten.
Bovenstaande lokale brandweerspecifieke toelagen en vergoedingen kunnen in lokaal overleg worden gewijzigd.
TOELICHTING VAKANTIE EN VERLOF ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN HOOFDSTUK II
Artikel 4 lid 1
In verband met het vervallen van een aantal functies is het eerste lid aangepast. De indeling van vakantieperioden is ongewijzigd gebleven.
Artikel 4 lid 5
De Lokale Advies- en Arbitrage Commissie (LAAC) heeft uitspraak gedaan in het geschil met
betrekking tot de omvang van de vakantie voor personeel in de uitrukdienst. De LAAC heeft bepaald dat “de omvang van het verlof, zoals dat reeds lange tijd wordt toegekend door de werkgever niet met een beroep op een nieuw inzicht over de interpretatie van de letterlijke tekst van de regeling eenzijdig kan worden gewijzigd, zonder daarbij de gebruikelijke regels die gelden voor de wijziging van de arbeidsvoorwaarden na te leven”.
Met de vakbonden is afgesproken dat de LAAC-uitspraak m.b.t. de omvang van het verlof in de rechtspositieregeling zal worden opgenomen. Deze afspraak wordt gestand gedaan door in de ARBAA vast te leggen dat de omvang van het basisverlof 307,2 uren/jaar bedraagt. Deze verlofaanspraak is van toepassing op personeel dat vóór 1 januari 2013 bij de uitrukdienst in dienst is getreden bij BAA. De verlofaanspraken van het zittend personeel worden hiermee dan ook volledig gerespecteerd.
Nieuwe medewerkers in de uitrukdienst, in dienst tredend vanaf 1 januari 2013, kunnen geen aanspraak maken op historisch gegroeide verlofaanspraken. De omvang van het verlof voor deze medewerkers, is vastgesteld op 48/36e van het basisverlof (158,4 uur) als vermeld in de tabel van artikel 6.1, tweede lid, van de NRGA voor de groep van 21 tot en met 34-jarigen. Voor dat personeel komt de omvang van het basisverlof neer op 211,2 uren/jaar (8,8 verlofdiensten/jaar).
TOELICHTING ZIEKTEKOSTENVERZEKERING BRANDWEERPERSONEEL, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 10A TOT EN MET 10E VAN HOOFDSTUK II
Artikel 10a
Onder repressieve incidentenbestrijding wordt verstaan de werkzaamheden die verricht moeten worden in het (met lint) afgezette brongebied, zijnde de werkzaamheden van o.a. brandweermedewerkers in 24-uursdienst, de (hoofd)officieren van dienst en adviseurs gevaarlijke stoffen.
Gezien de bijzondere gezondheidsrisico’s bij deze werkzaamheden geldt voor de medewerkers een aparte ziektekostenregeling. De werkgever sluit een collectief contract af voor een basisverzekering en de meest uitgebreide aanvullende verzekering. De betrokkene declareert eventuele ziektekosten rechtstreeks bij de zorgverzekeraar.
Artikel 10d
Ziektekosten die in het geheel niet vergoed worden door de zorgverzekeraar komen niet in aanmerking voor een vergoeding door de werkgever.
Artikel 10e
De werkgever betaalt de verzekeringspremie jaarlijks vooruit aan de zorgverzekeraar. De betrokkene dient op grond van de Wet op de Loonbelasting 1964 de loonheffing te betalen over het bedrag dat als premie door de werkgever is betaald. Hiervoor is de compensatie bedoeld.
TOELICHTING PIKETREGELING BRANDWEER AMSTERDAM-AMSTELLAND, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 11A TOT EN MET 11D
I
Voor ambtenaren aangesteld door het Veiligheidsbestuur Amsterdam-Amstelland is de beschikbaarheidsregeling van het NRGA (paragraaf 3, hoofdstuk 3 NRGA) niet van toepassing. Hiervoor in de plaats is de piketregeling als opgenomen in hoofdstuk II ARBAA gekomen. Voor vrijwilligers geldt de piketregeling van hoofdstuk I ARBAA.
II
Hoofdstuk II ARBAA beperkt zich hierdoor niet langer tot aanvullende resp. afwijkende arbeidsvoorwaarden voor alleen de beroepsbrandweer. Hoofdstuk II is een hoofdstuk geworden voor alle medewerkers aangesteld door de Veiligheidsbestuur Amsterdam-Amstelland, waarin de aanvullende resp. afwijkende arbeidsvoorwaarden van de NRGA zijn opgenomen De aanspraken voor de vrijwilligers beperken zich tot het bepaalde in hoofdstuk I ARBAA.
Artikel 11a
In dit artikel worden de definities gegeven voor de nieuwe piketregeling. BAA wil één piketregeling voor alle opgelegde piketten in de organisatie. Verschillen tussen de vroegere 10/16 piketvergoeding voor officieren en andere medewerkers (NRGA artikel 3.13 e.v.) behoren hierdoor tot het verleden. Als een medewerker de verplichting opgelegd krijgt om zich buiten zijn rooster beschikbaar te houden voor het verrichten van werkzaamheden die of tot zijn functie behoren of tot het van toepassing zijnde piketprofiel, dan geldt de piketregeling van hoofdstuk II ARBAA (art.11a t/m 11d). Voor de vrijwilligers geldt een soortgelijke piketregeling, opgenomen in hoofdstuk I ARBAA.
Eerste lid
De beschrijving en waardering van de piketprofielen geschiedt met behulp van de MRF. Als de piketwerkzaamheden gelijk zijn aan de werkzaamheden van de (koude) functie waarvoor een functietypering is opgenomen dan is de functietypering het piketprofiel.
Kantoortijden zijn gedefinieerd als de uren gelegen tussen 08.00 en 16.30 uur. Alleen de piketuren buiten deze tijden komen voor vergoeding in aanmerking.
De opkomsttijden vloeien voort uit wet- en regelgeving resp. het operationeel handboek grootschalig optreden. De OR stelt de opkomsttijden formeel vast.
Tweede/derde lid
Het opleggen van piketdiensten geschiedt door het bevoegd gezag voor de duur dat de ambtenaar voldoet aan de gestelde eisen. Als dit niet langer aan de orde is dan komt de verplichting te vervallen.
Deze criteria worden in overleg met de OR vastgesteld (o.a. profcheck) Bij niet langer voldoen aan de criteria komt de verplichting tot het vervullen van een piket te vervallen.
Artikel 11b
Eerste lid.
Piketvergoeding bestaat over alle uren vallende buiten de kantoortijden van 08.00 tot 16.30 uur. Deze aanspraak is ontkoppeld van het voor de ambtenaar geldende werkrooster en gaat uit van een 36-urige werkweek Voor medewerkers in deeltijd wordt geen uitzondering gemaakt voor het hogere aantal piketuren per week. Voor een ieder geldt bij een weekpiket 168-36=132 uur piket. Zie ook de toelichting bij artikel 11d eerste lid.
Tweede lid
Salariëring geschiedt naar het salaris van het piketprofiel. Als bij deze salariëring sprake is van weddebestanddelen dan worden die meegenomen in de berekening van de vergoeding.
Weddebestanddelen voortvloeiende uit de salariëring van de koude functie vallen dus buiten de berekening van de piketvergoeding.
Als geen sprake is van een apart piketprofiel maar werkzaamheden uit de reguliere functietypering die in piketdiensten worden verricht dan worden de bij die koude functie behorende weddebestanddelen wel meegenomen. De salarisschaal van de functietypering is dan tevens de salarisschaal van het piketprofiel.
Derde lid
De vergoeding wordt berekend naar het salarisbedrag van de koude functie zolang dit zich bevindt tussen het minimum en maximum van de salarisschaal vastgesteld voor het piketprofiel. De berekeningsbasis voor de piketvergoeding loopt dan mee met de periodieken in de koude functie. Als het maximum in de koude salarisgroep wordt bereikt zonder dat sprake is van het bereiken van het maximum van de salarisschaal van het piketprofiel, dan worden de nog resterende periodieken in de salarisschaal van het piketprofiel in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.4 NRGA (salarisverhoging) doorlopen.
Voorbeeld:
Salarisschaal koude functie: schaal 10, periodiek 9; € 3852
Salarisschaal piketprofiel: schaal 11 minimum: € 3253 en maximum € 4721
Het bedrag van € 3852 bevindt zich tussen het minimum en maximum van schaal 11.
Schaal 10, periodiek 9 is dus het bedrag waarnaar de piketvergoeding en de meergewerkte uren (artikel 11 d) worden berekend. Een jaar na het bereiken van het maximum van schaal 10 (€ 4105) wordt de piketvergoeding/meergewerkte uren berekend naar het naasthogere bedrag in schaal 11 t.w. € 4193. De jaren daarna worden de periodieken in schaal 11 tot het bereiken van het maximum doorlopen.
Zevende/achtste lid
Dit zijn de bestaande percentages van de oude 10/16 regeling voor officieren. Percentages die breed binnen de brandweersector worden gehanteerd.
Negende lid
Berekeningsgrondslag voor de piketvergoeding is in het tweede tot en met vijfde lid bepaald. Deze berekeningsgrondslag wordt verlaagd van 100% naar 75% als de opkomsttijd tussen de 30 en 60 minuten ligt. De piketvergoeding wordt dan over 75% van het betreffende salarisbedrag berekend.
Tiende lid
De regionale commissiesleutelfunctionarissen bepaalt welke functionaris onder het vrije instroompiket vallen. Dit zijn anno juli 2009:
- •
alle operationele functionarissen ingedeeld in een hard piket die op het moment van oproep geen (piket)dienst hebben;
- •
(backup)staffunctionaris OT;
- •
(backup)staffunctionaris COPI;
- •
hoofd actiecentrum Brandweer Amsterdam;
- •
Oproep geschiedt door de communicator of door de manager ORK resp. de dienstdoende HOVD, al dan niet ter aflossing.
Indien de werkzaamheden aanvangen voor afloop van de werktijd van de medewerker(s) en na afloop van de werktijd doorloopt, is van vrije instroom geen sprake en bestaat geen aanspraak op de vergoeding. Van enige oproep is dan geen sprake.
Artikel 11c
Uitbetaling geschiedt op basis van de opgelegde diensten zijnde de diensten volgens rooster alsmede de extra opgelegde diensten in verband met vervanging. Onderlinge ruilingen vallen hier buiten.
Artikel 11d
Eerste lid
Aanspraak op een vergoeding voor meergewerkte uren bestaat eerst als sprake is van werkzaamheden verricht buiten de eigen werktijd. Piketwerkzaamheden die aanvangen voor afloop van de reguliere werkzaamheden en nadien doorlopen worden gerekend te zijn begonnen op het tijdstip van afloop van de eigen werktijd.
Indien voor het verrichten van werkzaamheden van het piket de woning moet worden verlaten, eindigt het piket op het tijdstip dat de woning weer wordt bereikt.
Tweede lid
Uitgangspunt voor de nieuwe piketregeling is betaling in geld, zowel voor het zich beschikbaar houden als het verrichten van werkzaamheden tijdens het piket. Compensatie in tijd is alleen aan de orde als het tijdstip van de meergewerkte uren noodzaken tot het in acht nemen van rusttijden in de daarop volgende werkdag. Van keuze is geen sprake; men compenseert de uren in de aansluitende eerste werkdag in overleg met de leidinggevende.
Derde lid
Piketdiensten veronderstellen meer te werken uren. Hierdoor ontstaat aanspraak op compensatie in geld of in tijd. Met inachtneming van de eisen van wet- en regelgeving (o.a.ATW/ATB) wordt het piketrooster opgesteld. Door het in acht nemen van rusttijden als de werkzaamheden na 23.00 uur zijn verricht, worden de normen van ATW/ATB niet overschreden.
Deze meergewerkte uren zijn geen overuren. Dit geeft o.a. ruimte om de meergewerkte uren ongeacht de hoogte van de salarisgroep te compenseren in tijd of geld.
Vierde lid
De ATW kent specifieke regels in acht te nemen bij consignatiediensten (piketdiensten).
De regels in het kort bij consignatie zijn:
- •
medewerker mag niet langer dan 13 uur per 24 uur werken, inclusief de uren die voortkomen uit oproepen;
- •
per 4 weken kan de medewerker maximaal 14 dagen oproepbaar zijn;
- •
per 4 weken moet de medewerker minimaal tweemaal 2 aaneengesloten dagen niet werken en ook niet oproepbaar zijn etc.
Tevens is bepaald dat een oproep niet geldt als een onderbreking van de dagelijkse of wekelijkse rusttijd. Artikel 4.4. NRGA gaat uit van 11 uur rusttijd tussen het einde van het overwerk en de daaropvolgende begintijd. De arbeidsuren tijdens piket zijn in het derde lid niet aangemerkt als zijnde overwerk. De ATW merkt de uren van een oproep niet aan als een onderbreking van de rusttijd. Het bepaalde in artikel 4.4 NRGA is derhalve voor de piketdiensten als in deze regeling bepaald, niet aan de orde. De regels van de ATW en ATB worden zonder meer nageleefd.
Zesde/zevende lid
Ondanks het niet aanmerken van de arbeidsuren als overwerk heeft de ambtenaar die werkzaamheden verricht naar een piketprofiel in schaal 8 of lager, aanspraak op een toeslag over de arbeidsuren tijdens piket overeenkomstig de in dit lid opgenomen percentages.
Tiende lid
Indien sprake is van arbeidstijd tijdens extra (buiten het vastgestelde rooster) gelopen piketdiensten in de weekenden dan kan op verzoek van de medewerker de vergoeding in geld worden omgezet in compensatie in tijd. Op deze wijze kan dan een “alternatieve” weekenddag worden gecreëerd. Gelet op de keuze om ook 4x 9 uur te werken is hier een maximum van 9 uur aangehouden. Aan opname van deze uren kunnen voorwaarden worden gesteld.
Wegvallen respectievelijk verminderen van de piketvergoeding
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in paragraaf 8 hoofdstuk 3 NRGA wordt voldaan, bestaat aanspraak op een blijvende of aflopende garantietoelage. Indien sprake is van het tijdelijk beëindigen van de verplichting tot het vervullen van piketdiensten kan – tenzij sprake is van eigen schuld of toedoen – analoog aan het bepaalde in paragraaf 3 hoofdstuk 3 NRGA een aflopende garantietoelage worden toegekend
Ingangsdatum en nabetalingen en herijking piketten C2000 en BOT
De nieuwe piketregeling kent een ingangsdatum van 1 januari 2009. Als uit de herrekening een negatief saldo blijkt, zal niet tot terugvordering worden overgegaan.
Gelet op het nieuwe salarissysteem kan de reguliere betaling niet voor 1-1-2010 aanvangen.
Nabetaling geschiedt in twee delen; november 2009 voor de eerste drie kwartalen 2009 en in het eerste kwartaal 2010 voor het laatste kwartaal 2009.
Op dit moment vindt een actualisatie plaats van nut en noodzaak van een aantal piketten. De betreffende medewerkers blijven aanspraken op grond van de betreffende NRGA artikelen behouden totdat over deze actualisatie is beslist.
Deze beslissing dient wel voor 1 maart 2010 genomen te worden. Is dit niet het geval dan vindt alsnog overgang naar de nieuwe piketregeling plaats. Wordt besloten geen piket meer te handhaven dan vindt een herrekening op basis van de nieuwe regeling plaats en kan bij een positief verschil tot nabetaling worden overgegaan.
TOELICHTING OVERIGE ARTIKELEN VAN HOOFDSTUK II
Artikel 12a
Hoofdregel is dat overwerk zo veel mogelijk in vrije tijd wordt gecompenseerd en, als het niet mogelijk is, de uren ter compensatie voor maximaal 50% worden uitbetaald. Bij het vaststellen of een ambtenaar in aanmerking komt voor overwerkvergoeding in geld of vrije tijd wordt gekeken naar de salarisschaal waarin de ambtenaar is ingeschaald. De ambtenaar die is ingeschaald in salarisschaal 8 of lager ontvangt bij overwerk uren ter compensatie. Als het niet mogelijk is alle overuren met vrije tijd te compenseren moet de werkgever ervoor zorgen, dat de ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld minimaal de helft van de gemaakte overuren binnen de termijn van drie maanden op te nemen. De ambtenaar mag niet in de situatie worden gebracht dat zijn recht op compensatie van overuren vervalt. Bij vakantie of ziekte wordt de periode van drie maanden verlengd met de periode waarin het om die reden niet mogelijk was de uren op te nemen.
Een ambtenaar die in salarisschaal 9 tot en met 11 is ingeschaald heeft geen recht op uitbetaling van de uren ter compensatie. In bijzondere gevallen kan het overwerk wel gecompenseerd worden in vrije tijd. Het is aan de werkgever om te beoordelen wat een bijzonder geval is. Als een ambtenaar een salaris heeft in salarisschaal 11a of hoger, heeft hij geen recht op uren ter compensatie of uitbetaling ervan.
Artikel 12c
Bij de uitbetaling van overwerktoeslag voor overwerk dat niet is verricht op zaterdag en zondag geldt dat de totaal uit te betalen toeslag wordt verminderd met één uur met het laagste overwerkpercentage. Hierdoor ontstaat de drempel dat meer dan één uur per week moet worden overgewerkt om in aanmerking te komen voor de overwerktoeslag. Dit geldt ook voor deeltijders
Artikel 14
Voor de berekening van de grondslag FLO wordt overeenkomstig artikel 27b.2 NRGA meegenomen:
- a.
Het salaris als bedoeld in artikel 1.1. onder ii;
- b.
- c.
De eindejaarsuitkering (inclusief Amsterdamse eindejaarsuitkering van 0,35%);
- d.
De functioneringstoelage;
- e.
De waarnemingstoelage, en
- f.
de in artikel 1.4 (bezoldigingsbestanddelen) genoemde toelagen, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, berekend over ene periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 27b4, artikel 27b20, artikel 27b25, zesde lid, artikel 27b.26, artikel 27b.47 en artikel 27b.52. De bezoldiging bedoeld in artikel 27b.20 en 27b.25, na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.
Daarnaast worden voor de berekening van de grondslag FLO tevens meegenomen de toeslagen, toelagen en vergoedingen als bedoeld in de artikelen 7a t/m 7d, 8, 9, 11b met uitzondering van lid 10, 12d en 21c in dit hoofdstuk.”
Artikel 15
Eerste lid
Hiermee behoeft dus niet gespecificeerd meer te worden dat het gaat om een bijzonder geval zoals in artikel 12a van dit hoofdstuk. Als de bevelvoerder overwerk opgedragen krijgt, heeft hij aanspraak op een gelijk aantal uren compensatie in tijd. Dus zowel bij 2 uur als bij 24 uur overwerk.
Artikel 15
Tweede lid
Uitgangspunt is dat de meergewerkte uren in tijd worden gecompenseerd. Ter voorkoming van een toename van het verlof (verlofberg) is een tijdlimiet gesteld waarbinnen de uren ook daadwerkelijk moeten zijn opgenomen.
Artikel 15
Derde lid
Uren die na negen maanden niet zijn opgenomen worden uitbetaald. Gelet op het feit dat hier sprak is van een aanstelling van 48 uur tegen een salaris van 36 uur, wordt bij betaling de uren teruggerekend met de factor 36/48. Een extra gewerkte dienst van 24 uur leidt dus tot een uitbetaling van 18 uur op basis van de wedde per uur.
Artikel 16
De vaste aflosvergoeding is een aanvulling op artikel 9.4 NRGA (dienstreis met eigen vervoermiddel om reden van dienstbelang) specifiek voor reiskosten bij een aflosbeweging tussen twee kazernes.
Een medewerker in de uitrukdienst heeft opdracht gekregen van zijn leidinggevende om naar een andere kazerne te gaan om daar werkzaamheden te gaan verrichten. Voor deze aflosbeweging wordt een vaste aflosvergoeding betaald.
Evenwel, indien de betreffende medewerker terugkeert naar zijn eigen kazerne, dan wel naar een andere gaat, zonder daar werkzaamheden te verrichten en van daaruit naar huis gaat, valt dit onder woon-werkverkeer. Vergoeding van reiskosten woon-werkverkeer valt buiten de regeling voor de vaste aflosvergoeding.
De hoogte van de aflosvergoeding is gebaseerd op de gemiddelde afstand tussen de kazernes van de brandweer en de kilometervergoeding voor een dienstreis met gebruik van een eigen vervoermiddel om reden van dienstbelang (artikel 9.4, lid 2 NRGA). Bij wijziging in de bedragengids NRGA van de reiskostenvergoeding m.b.t. artikel 9.4, lid 2 zal de hoogte van de vaste reiskostenvergoeding worden herberekend.
Ook voor het reizen van de woning naar de werklocatie bestaat aanspraak op de aflosvergoeding. Voorts dient de medewerker zelf zorg te dragen voor het vervoer van zijn plunjebaal/kist. Eventueel kan hij in overleg met de leidinggevende gebruik maken van de bezorgfaciliteiten binnen de dienst, via het Centraal Logistiek Transport/FO.
Artikel 19
Samenloop van beide aanspraken (toepassen seniorenregeling en aanspraken op grond van bezwarende functie) is niet aan de orde. Juist het feit dat een functie bezwarend is, geeft aanspraken op herplaatsing na het vervullen van de functie voor een bepaalde duur resp. het eerder mogen stoppen met die werkzaamheden (hoofdstuk 27a en 27b NRGA).
TOELICHTING REGELING GEKAZERNEERDE DIENSTEN BRANDWEER AMSTERDAM-AMSTELLAND, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 21A TOT EN MET 21C
Artikel 21b
Voor medewerkers in de uitrukdienst bedraagt een 24-uurs dienst de helft van de diensttijd. In lijn hiermee bedraagt de gekazerneerde dienst voor de ambtenaar in dagdienst de helft van de werktijd (50% van 36 uur), namelijk 18 werkuren. Er resteren dan nog 18 werkuren die in de betreffende werkweek worden vervuld. Indien hij volgens het voor hem vastgestelde rooster meer uren dient te werken dan 36 maakt hij afspraken met zijn leidinggevende op welke wijze hij die uren alsnog zal vervullen.
Voorbeelden.
Ambtenaar heeft een afgesproken werkrooster van 4 x 9 uren = 36 uren/week.
Hij vervult een gekazerneerde dienst; deze staat voor 18 werkuren.
Hij moet dan nog 18 werkuren in die week vervullen.
Omtrent de vervulling hiervan vindt overleg plaats tussen de leidinggevende en de ambtenaar.
Ambtenaar heeft een afgesproken werkrooster van 5 x 8 uren = 40 uren/week
Hij verricht een gekazerneerde dienst: deze staat voor 18 werkuren.
Hij moet dan nog 22 werkuren in die week vervullen.
Omtrent de vervulling hiervan vindt overleg plaats tussen de leidinggevende en de ambtenaar.
Ambtenaar is deeltijder en heeft een afgesproken werkrooster van 30 uur/week.
Hij verricht een gekazerneerde dienst: deze staat voor 18 werkuren.
Hij moet dan nog 12 werkuren volmaken.
Hierover vindt overleg plaats tussen de leidinggevende en de ambtenaar.
Artikel 21c
De berekening van de toeslag is gebaseerd op de brandweertoeslag voor de bevelvoerder. De bevelvoerders vervullen ongeveer 88 diensten per jaar. De maandelijkse brandweertoeslag voor bevelvoerders bedraagt € 541,54 per maand.
De verhouding in diensten tussen officieren en bevelvoerders leidt tot een factor van 0,415 ( 36,52 diensten per officier van dienst per jaar: 88 diensten per jaar voor de bevelvoerders). De brandweertoeslag komt dan uit op
0,415 x € 541,54 = € 224,74 per maand. Per dienst leidt dit tot een bedrag van
€ 224,74 : 3 = € 74,91 voor de Officier van Dienst. Indien inroostering voor gekazerneerde diensten plaatsvindt in de loop van het kalenderjaar, bestaat aanspraak op de toeslag vanaf de datum van inroostering.
De berekende bedragen zijn als toeslagen in de regeling opgenomen.
Overgangssituatie.
In 2012/2013 zijn wijzigingen overeengekomen m.b.t. deze regeling. Daarbij is afgesproken dat de aanspraak op de toeslag per maand eerst bestaat als er sprake is van minimaal 30 en maximaal 36 diensten, d.w.z. als er minimaal 10 en maximaal 12 ambtenaren in het rooster zijn opgenomen. Het aantal ambtenaren in het rooster 2011, 2012 en 2013 is groter. Afgesproken is dat 2014 een overgangsjaar is in het streven te komen tot 10 resp. 12 ambtenaren.
Als dit aantal in 2014 nog wordt overschreden, ontvangen alle ambtenaren die in het rooster voor 2014 zijn opgenomen € 211,87 per maand voor het vervullen van gekazerneerde diensten.
Indien in 2014 een ambtenaar het rooster verlaat, wordt diens plaats niet door een andere officier van dienst ingenomen, maar vindt een aanpassing van het rooster plaats met de overige ambtenaren. Deze bijstelling van het rooster kan worden herhaald totdat er minimaal 10 ambtenaren in het rooster zijn opgenomen.
Tevens is overeenstemming bereikt (ingangsdatum 1 januari 2010) over het aantal uren van een gekazerneerde dienst, t.w. 18 werkuren. Tot deze datum was dit 16 werkuren.
De ingangsdatum voor de verhoogde toeslagen voor gekazerneerde diensten is 5 april 2011. De toeslag voor een extra gewerkte dienst is van toepassing met ingang van 1 januari 2013.
Toelichting bij hoofdstuk III Keuringen brandweerpersoneel
Algemeen
In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring voor repressief brandweerpersoneel geregeld.
Artikel 1
Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden, wordt de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een aanstellingskeuring en een periodiek medische keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers (beroeps en vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Onder aanstelling in de functie van bevelvoerder, manschap A en B wordt hier niet verstaan de rechtspositionele aanstelling, maar het toegekende takenpakket door BAA op basis van de functies zoals vermeld in het BPV. De werkgever heeft de mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en periodieke medische keuring wordt verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn dat het uitoefenen van de functie belastend is voor de gezondheid van de medewerker, dan wel risico’s voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet op de medische keuringen in acht te worden genomen.
Artikel 2
Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in de functie van manschap A en B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de brandweer waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische geschiktheid worden gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook gekeurd moet worden. Onder indiensttreding in de functie van manschap A en B of bevelvoerder wordt hier niet verstaan de rechtspositionele indiensttreding, maar het na indiensttreding toegekende takenpakket door BAA op basis van de functies zoals vermeld in het BPV
Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen. Deze staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de functie, waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid.
De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage 1 behorende bij dit hoofdstuk. Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel instituut ontwikkeld.
Artikel 3
Het LOGA heeft een model gemaakt over het rechtspositioneel kader bij keuringen. Hierin staan de rechten en plichten van de werkgever en de medewerker bij keuring. Dit model is onder meer te vinden op vng.nl.
Lid 1
Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de brandweermedewerker en vanwege de bescherming van de gezondheid en veiligheid van derden bij de uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om de medische geschiktheid van de medewerker ook na aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van de medewerker in de nabije toekomst.
Lid 2
De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in samenwerking met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het PPMO geeft inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het werk van de medewerkers.
Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker nu of op termijn zijn werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan ondernemen de werkgever en de medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is de medewerker klaar te stomen voor een andere functie. Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken over hoe omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er genomen kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011 gereed.
Lid 3 en 4
De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker. Bij indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt iedere medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische testen.
Lid 6
Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling van welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden vastgesteld in hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.
Artikel 4
De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie daarom getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor gebruikt worden.
Toelichting bij Hoofdstuk IV Regeling Organisatorische rechten BAA
Artikel 2
De Wet op de ondernemingsraden (Wor) bepaalt dat de ondernemer degene is die de onderneming in stand houdt. Dit kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn. Voor de Brandweer Amsterdam-Amstelland betekent dit dat de rechtspersoon de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland ondernemer is in de zin van de Wor.
Onder de onderneming wordt verstaan de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland als genoemd in artikel 3 van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland 2024.
Artikel 3
In de Wor is opgenomen dat de bestuurder de ondernemer vertegenwoordigt in het overleg met de OR. De bestuurder is de ambtenaar die in de onderneming de hoogste zeggenschap uitoefent. Dit betekent dat de commandant van BAA de bestuurder is in de zin van de Wor.
Op grond van artikel 23, vijfde lid, Wor kan de bestuurder zich laten vervangen door een medebestuurder of door een in de onderneming werkzame persoon die beschikt over bevoegdheden om namens de ondernemer overleg te voeren met de OR.
Artikel 4
Artikelen 17 en 18 Wor worden in acht genomen. Conform artikel 18 Wor wordt de tijd vastgesteld die OR en de commissieleden redelijkerwijs nodig hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken Wor-bestuurder en OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is. Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het convenant. In het algemeen is het niet wenselijk om voor lange tijd achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.
Artikel 5
Onderwerpen van medezeggenschap, bedoeld in het eerste lid onder c, kunnen niet op twee overlegtafels tegelijkertijd liggen. Het is aan de vakorganisaties en de OR om tot een verdeling van de onderwerpen te komen. Onderwerpen die zijn voorbehouden aan het LOAV, bedoeld in het tweede lid, zijn:
- 1.
de primaire loonontwikkeling;
- 2.
- 3.
algemeen aanvullende rechten met betrekking tot arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid bij een dienstongeval.
Artikel 6
In het Georganiseerd Overleg wordt de werkgever vertegenwoordigd door een lid van het Dagelijks Bestuur en de commandant.
Artikel 7
De bonden van overheidspersoneel die partij zijn bij het Georganiseerd Overleg zijn ABVAKABO/FNV, CNV Publieke Zaak, het Ambtenarencentrum (AC), de Belangvereniging Brandweer (BVB) en de CHMF. Per vakbond bestaat de werknemersvertegenwoordiging uit één bestuurder, die zich (kunnen) laten bijstaan door één kaderlid.
Artikel 10
Van de vergadering worden notulen opgemaakt, die in afschrift naar de leden van de vergadering worden gezonden. De vastgestelde vergaderverslagen worden gepubliceerd op intranet.
Artikel 13
In het tweede lid is bepaald dat het dienstbelang per geval wordt bekeken en de belangen van zowel de werkgever als de ambtenaar worden afgewogen.
Artikel 14
De ambtenaar moet schriftelijk aantonen dat hij als afgevaardigde vergaderingen bijwoont van statutaire organen van vakorganisaties, vakcentrales of van internationale ambtenarenorganisaties.
Het tweede lid geeft aan dat het toe te kennen verlof per vakorganisatie is gemaximeerd. Als twee kaderleden het maximale verlof benutten, kan aan de overige kaderleden geen verlof meer worden toegekend. Om te bepalen of het maximaal toe te kennen verlof is bereikt, is in artikel 12 de bepaling opgenomen dat de vakorganisatie het aantal leden in dienst van BAA jaarlijks opgeeft.
Artikel 15
De ambtenaar heeft recht op betaald verlof voor het ontplooien van bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten binnen een vakcentrale, een vakorganisatie of binnen BAA. Het gaat hier om zogenaamde kaderleden.
Kaderleden verrichten op verzoek van de vakorganisatie allerlei taken ten behoeve van de vakorganisatie. De activiteiten moeten de doelstelling van de vakorganisatie ondersteunen. De vakorganisatie geeft bij de opgave van het aantal leden in dienst van BAA tevens aan welke leden kaderleden zijn.
Artikel 16
Om van de verloffaciliteit voor het deelnemen aan een cursus gebruik te kunnen maken moet de ambtenaar zijn aangewezen door een vakorganisatie. De werkgever kan verlangen dat de ambtenaar verantwoording aflegt over het verlof door middel van het overleggen van verslagen of uitnodigingen.
Artikel 17
Het vakbondsverlof dat de ambtenaar kan worden toegekend is gemaximeerd. Het gaat om de optelling van de drie verschillende soorten verlof die deze regeling kent.
Hoofdstuk V
Reorganisaties en Sociaal Plan BAA
§ 1 Reorganisatie
Toelichting
Met nadruk wordt gesteld dat de opsomming in het tweede lid niet limitatief is. In alle andere gevallen is het aan het Veiligheidsbestuur om te bepalen of een reorganisatie als ingrijpend wordt aangemerkt. Daartoe is het noodzakelijk dat de voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, dan wel de portefeuillehouder brandweerzaken binnen dat bestuur tijdig van reorganisatievoornemens op de hoogte is.
Artikel 2A afwijzing boventallige
mobiliteitskandidaat
Toelichting lid 1
Gezien het belang van een nieuwe functie voor een boventallige
mobiliteitskandidaat
, wordt in dit artikel de noodzaak tot een inhoudelijke, schriftelijke onderbouwing van een eventuele afwijzing nog eens benoemd. Dit is feitelijk een herhaling van de regels in de sollicitatiecode NRGA. In de praktijk wordt nogal eens telefonisch een toelichting gegeven op een afwijzing, waarbij alleen de afwijzing ‘sec’ nog schriftelijk wordt bevestigd. Voor boventallige mobiliteitskandidaten kan daarmee niet worden volstaan. Zij kunnen slechts worden afgewezen indien aantoonbaar is dat de vacature niet is te beschouwen als een passende functie. De criteria voor een passende functie zijn in artikel 13 limitatief opgesomd.
Zowel voor het eigen inzicht in de kans op het vinden van een nieuwe functie als voor de afwijzende organisatie is een duidelijke onderbouwing van een eventuele afwijzing noodzakelijk. De kandidaat kan hiermee samen met zijn loopbaanadviseur kijken of er bijvoorbeeld gewerkt moet worden aan vergroting van kennis of competenties. Anderzijds is voor de afwijzende organisatie in geval van bezwaar tegen een afwijzing een goed schriftelijk dossier als inhoudelijke onderbouwing voor de afwijzing noodzakelijk. Van het plaatsingsgesprek wordt een gespreksverslag gemaakt. Hieruit moet blijken welke inhoudelijke gronden voor afwijzing aanwezig zijn. Zie hiervoor ook de toelichting hieronder.
Toelichting lid 2
Alle bezwaren tegen het niet plaatsen op een functie die volgens betrokkene als passend is te beschouwen, worden door de commandant behandeld. Dit vanuit het belang van uniformiteit binnen BAA op dit punt. Bij
het behandelen van het bezwaarschrift zal getoetst worden of de vacature voor de boventallige
mobiliteitskandidaat
als passend was te beschouwen conform de definitie daarvan in het Sociaal Plan BAA. Let er goed op dat voor de beoordeling of een functie ‘passend’ is voor een boventallige
mobiliteitskandidaat
andere criteria gehanteerd worden dan bij de selectie van ‘de meest geschikte kandidaat’. Zie ook de toelichting bij lid 1.
Artikel 4 toepassing
Bij elke reorganisatie hoort een sociaal plan. De bevoegdheid om een sociaal plan met de vakorganisaties af te sluiten komt uitsluitend toe aan het Veiligheidsbestuur van VRAA. Dit vanuit de gedachte dat de regels bij reorganisaties voor alle ambtenaren in dienst van BAA gelijk dienen te zijn. Het BAA heeft hiervoor met de vakorganisaties het Sociaal Plan BAA afgesloten. Dit sociaal plan is van toepassing op de gehele organisatie van BAA met uitzondering van de vrijwilligers. Afwijkingen en toevoegingen zijn niet toegestaan. Het Sociaal Plan BAA kent als uitzondering dat het niet van toepassing is bij verzelfstandiging, privatisering of uitplaatsing. In die gevallen wordt door het Veiligheidsbestuur een apart sociaal plan afgesloten, gelet op het specifieke karakter van die situatie.
Artikel 5 Bureau van Werk naar Werk
Alle boventallige mobiliteitskandidaten worden ingeschreven bij het Bureau van Werk naar Werk. Tussen de afdeling P&O van BAA en Bureau van Werk naar Werk wordt, in overleg met de boventallige
mobiliteitskandidaat
, afgesproken hoe de begeleiding van de kandidaat plaatsvindt. De loopbaanadviseur kan dus een adviseur van BAA zijn, of een ambtenaar van het Bureau. Door de inschrijving bij het bureau wordt gegarandeerd dat de kandidaat als eerste inzicht heeft in alle relevante vacatures zodra die opengesteld worden. Zie voor de taken van het Bureau en de mogelijkheden bij vrijwillige mobiliteit de website
http://intranet.servicehuispersoneel.amsterdam.nl/bureau-werk-werk
Artikel 8 reorganisatie
Een wijziging in de organisatie waardoor één of meer betrokken ambtenaren niet rechtstreeks in hun rechtstreeks belang worden getroffen is geen reorganisatie zoals bedoeld in dit sociaal plan. Voorbeelden hiervan zijn het vervallen van formatieplaatsen waarop geen ambtenaren meer geplaatst zijn of uitbreiding van formatie die leidt tot de openstelling van vacatures. Deze definitie laat onverlet het adviesrecht voor medezeggenschap zoals vastgelegd in de WOR.
Artikel 13 passende functie
Toelichting lid 3
Voor zover mogelijk werkt de ambtenaar in de nieuwe functie wel 100% van de oorspronkelijke aanstellingsuren. Indien dit niet mogelijk is wordt verder gezocht naar een invulling voor de resterende uren. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden van dit artikel, vervalt de boventalligheidsstatus van de ambtenaar zodra de ambtenaar in de passende functie is geplaatst.
Toelichting 20
inpassingscommissie/plaatsingscommissie en 21 zienswijzecommissie
Het is raadzaam om bij grote reorganisaties of reorganisaties waarbij naar verwachting boventallige mobiliteitskandidaten zullen moeten worden aangewezen, een plaatsingscommissie en een zienswijzecommissie in te richten.
Artikel 30 bemiddelingstermijn
Toelichting lid 3
Het Sociaal Plan BAA is van toepassing op ambtenaren met een aanstelling in vaste dienst en ambtenaren in tijdelijke dienst bij wijze van proef. De laatste categorie komt na het goed verlopen van de proeftijd in vaste dienst. Daarom is het uitgangspunt ook dat herplaatsing in een vaste functie plaatsvindt.
Artikel 32 matching boventalligen
Toelichting lid 5
Vaste besluitvorming door het Veiligheidsbestuur is dat in geval het voorrangsrecht ten onrechte niet is gehonoreerd en plaatsing in de vacature niet meer tot de mogelijkheden behoort, het Veiligheidsbestuur oordeelt dat de ontslaggrond is vervallen. De ambtenaar zal in dat geval – desnoods
bovenformatief
– alsnog geplaatst moeten worden in de organisatie die hem heeft afgewezen voor de vacature.
Artikel 36 ontslagprocedure bij reorganisatie
Elk voornemen tot reorganisatie-ontslag wordt voorgelegd aan de centrale toetsingscommissie, zowel na 2 jaar als bij een verlenging als bij een tussentijdse beëindiging. Het advies kan het volgende inhouden:
- 1.
Een ontslag wordt doorgezet omdat:
- -
de ambtenaar 2 jaar is bemiddeld en niet herplaatst in een functie en
- -
er geen reëel perspectief is op effectieve plaatsing binnen redelijke termijn en
- -
de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht
- 2.
de bemiddelingstermijn moet worden verlengd omdat:
- -
er een reëel perspectief is op effectieve plaatsing binnen redelijke termijn, of
- -
de werkgever de afspraken uit de trajectovereenkomst niet of onvoldoende is nagekomen. De centrale toetsingscommissie adviseert over de duur van de verlenging.
- 3.
de bemiddelingstermijn moet worden verkort omdat de ambtenaar de afspraken uit de trajectovereenkomst niet of onvoldoende is nagekomen. De centrale toetsingscommissie adviseert over de duur van de verkorting.
Aan Bureau van Werk naar Werk wordt altijd advies gevraagd. Het advies is toegespitst op de vraag: hebben werkgever en ambtenaar voldoende inspanningen verricht om te komen tot een herplaatsing afgezet tegen de kansen op de arbeidsmarkt?
Artikel 37 niet-nakoming van afspraken uit de trajectovereenkomst of verplichtingen op grond van dit sociaal plan
In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen de trajectovereenkomst niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen optreden. Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de afspraken is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht. Als een gesprek niet
leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de partij die vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in de overeenkomst stelt de ander hiervan schriftelijk in kennis. Deze partij kan ook de centrale toetsingscommissie inschakelen. Dit is echter geen verplichting. Het inschakelen van de centrale toetsingscommissie is wel verplicht bij een ontslagvoornemen op grond van artikel 12.11 NRGA (zie tevens artikel 36).
De algemene sanctie voor het niet meewerken aan de trajectovereenkomst is beëindiging of verkorting van bemiddeling dan wel een verlenging in geval werkgever zich niet aan verplichtingen heeft gehouden. In zeer ernstige gevallen kan die verkorting leiden tot vrijwel onmiddellijke stopzetting van bemiddeling, stopzetten van loondoorbetaling, en in het uiterste geval zelfs tot ontslag. Bij niet-meewerken kan aan veel verschillende situaties gedacht worden, variërend van zich niet houden aan afspraken over sollicitaties of bemiddeling tot het niet komen opdagen op een opgedragen functie. Van belang is daarom zo snel mogelijk na het toekennen van de boventalligheidsstatus de wederzijdse afspraken, rechten en plichten helder vast te leggen in de trajectovereenkomst. Deze moet door beide partijen ondertekend worden.
Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend werk binnen of buiten de organisatie van BAA zonder redelijke grond weigert, volgt beëindiging van de trajectovereenkomst en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van artikel 12.11 NRGA) conform artikel 36 of eventueel ontslag op een andere grond, mocht die zich (ook) voordoen. Als de ambtenaar een passende functie weigert, eindigt de trajectovereenkomst. Hiermee wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat het voor de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook uitgedrukt door lid 4: als de ambtenaar zich zonder geldige reden niet houdt aan de afspraken uit de trajectovereenkomst, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan.
In beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.