Blad gemeenschappelijke regeling van Sociaal
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Sociaal | Blad gemeenschappelijke regeling 2024, 2510 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Sociaal | Blad gemeenschappelijke regeling 2024, 2510 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden
De Wet maatschappelijke ondersteuning 20151 draagt iedere gemeente op maatwerkvoorzieningen te bieden ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van ingezetenen die daar op eigen kracht, met hulp, met mantelzorg of met hulp van personen uit hun sociale netwerk niet of onvoldoende toe in staat zijn.
De gemeenten moeten er dus voor zorgen dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Het begrip maatwerkvoorziening geeft al aan dat deze voorziening op de individuele persoon is toegesneden. Daarom kan in deze Beleidsregels dan ook geen uitputtende opsomming worden gegeven van alle maatwerkvoorzieningen die de gemeenten kunnen aanbieden. Wel worden in Hoofdstuk 5 de meest voorkomende maatwerkvoorzieningen beschreven.
Maatwerk betekent ook dat ernaar wordt gestreefd om een cliënt naar een niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn of haar situatie past. Wel geldt daarbij dat deze compensatie ertoe moet leiden dat de cliënt op een aanvaardbare manier zelfredzaam is en kan participeren. De ondersteuning gaat dus niet zo ver dat de gemeente rekening kan en moet houden met álle wensen van de cliënt ten aanzien van de zelfredzaamheid en participatie.
Het onderzoeksverslag beschrijft de cliëntsituatie, mogelijkheden, beperkingen, alternatieve oplossingen en eventuele andere of algemene (gebruikelijke) voorzieningen en beantwoordt de vraag wat de goedkoopst passende oplossing is voor de ondersteuningsvraag en of een maatwerkvoorziening de passende oplossing voor deze ondersteuningsvraag is.
Artikel 3.6 Voorliggende voorziening
Een voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet, die voor zover zij een passende en toereikende oplossing biedt, vóór gaat op de verstrekking van een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo.
Artikel 3.11 Vermijdbaarheid en voorzienbaarheid
Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd wanneer deze wordt aangevraagd zonder dat rekening is gehouden met een reeds bestaande beperking en de te verwachten ontwikkeling daarvan.
Hoofdstuk 5. Maatwerkvoorzieningen: resultaten
Paragraaf 5.1 Het voeren van een gestructureerd huishouden
Artikel 5.1 Omschrijving resultaat ‘voeren van een gestructureerd huishouden'
Paragraaf 5.2 Zelfredzaamheid in het dagelijks leven
Artikel 5.5 Individuele begeleiding
Artikel 5.15 Persoonsgebonden budget
Bij het bepalen van de omvang van het persoonsgebonden budget ten behoeve van dagbesteding wordt een normering gehanteerd, die gerelateerd is aan de noodzakelijke (groeps)begeleiding en de daarmee te behalen resultaten. Deze normering staat in Bijlage 2, onder Domein zinvolle dagbesteding.
Paragraaf 5.4: Ontlasten mantelzorgers
Artikel 5.19 Beoordelingskader Kortdurend verblijf
Naast de criteria om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf uitgewerkt in artikel 4.6 van de Verordening gelden de volgende voorwaarden:
Artikel 5.23 Omschrijving resultaat 'Normaal gebruik van de woning'
Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties of te wel de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Hieronder worden in ieder geval verstaan eten, slapen en lichaamsreiniging, en/of het verzorgen van een kind dat geheel afhankelijk is van zijn verzorger(s).
Artikel 5.25 Beoordelingskader Woonvoorzieningen
Ten slotte beoordeelt het Dagelijks Bestuur of het resultaat wonen in een geschikt huis te bereiken is door het plaatsen van een aanbouw. In de beoordeling neemt het Dagelijks Bestuur mee of de aanbouw kan worden hergebruikt of dat met herstel in de oorspronkelijke staat rekening moet worden gehouden.
Artikel 5.26 Afweging: aanpassen of verhuizen
Bij deze afweging zullen alle relevante aspecten worden meegewogen. Die aspecten zijn, onder andere, de financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt, de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de cliënt en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg.
Paragraaf 5.7: Lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Artikel 5.33 Vervoersvoorziening
Wanneer is vastgesteld dat er geen gebruik wordt gemaakt van Herstelgerichte Ondersteuning en uit onderzoek blijkt dat collectief vraagafhankelijk vervoer niet of onvoldoende compenserend is voor het oplossen van het probleem, wordt gecompenseerd met een individuele voorziening in de vorm van een bijdrage in de kosten van individueel vervoer, een autoaanpassing of een gesloten of open buitenwagen (scootmobiel).
Artikel 5.33a Beoordelingskader Vervoersvoorziening
Daartoe vindt een individuele beoordeling plaats, waarbij onder andere wordt gekeken naar de vervoersbehoefte, de daadwerkelijke afstand tot de bushalte of treinstation en de mogelijkheden die de cliënt heeft om korte ritten te maken. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar de afwegingen in artikel 4.8. van de Verordening.
Artikel 5.34 Medisch noodzakelijke begeleiding in collectief vervoer
Wanneer medisch noodzakelijke begeleiding is geïndiceerd, rijdt de begeleider gratis mee.
Artikel 5.39 Vergoeding vervoerskosten
Het persoonsgebonden budget voor de kosten van gebruik van een eigen auto of van een taxi of rolstoeltaxi dient ter dekking van de werkelijke kosten tot een vastgesteld maximum per jaar.
Artikel 5.41 Vervoersbehoefte cliënt
Het Dagelijks Bestuur houdt bij het bepalen van de vervoersbehoefte rekening met de leeftijd van cliënt:
Kinderen jonger dan 5 jaar: zij hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een aparte voorziening hoeft te worden getroffen. Gevallen waarin deze regel onredelijk zou werken, worden individueel beoordeeld. Ook kan het in sommige gevallen noodzakelijk zijn om op basis van de beperkingen van het kind een aangepaste autostoel te verstrekken om het eigen vervoer van het gezin mogelijk te maken;
Kinderen van 5 tot en met 11 jaar: zij hebben geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte, omdat zij vrijwel altijd bij het verplaatsen begeleid kunnen worden door de ouders. Omdat er al sprake kan zijn van wezenlijke sociale contacten, kan worden overwogen een vervoersvergoeding tot de helft van de norm (in kilometers) toe te kennen;
Kinderen van 12 tot 15 jaar: hebben een enigszins ontwikkelend verplaatsingsgedrag. Er kan zo nodig een vervoersvergoeding tot 3/4 van de norm (in kilometers) worden toegekend. Hieraan voorafgaand moet worden beoordeeld worden of het kind leerbaar is om zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer;
Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving
Artikel 6.5 Toetsing rechtmatigheidstoezicht
Wanneer een melding wordt ontvangen waaruit twijfels blijken over de kwaliteit, doelmatigheid of (on)rechtmatigheid van ondersteuning wordt op basis van de volgende limitatieve indicatoren besloten of verder onderzoek noodzakelijk is:
Artikel 6.6 Toetsing kwaliteitstoezicht
In de Wet staan in artikel 3.1, tweede lid kwaliteitseisen voor de ondersteuning beschreven. Deze zijn hieronder verder uitgewerkt.2 De toezichthouder onderzoekt deze punten via dossieronderzoek, observaties, locatiebezoek, en vraaggesprekken met cliënt, sociaal netwerk en de zorgaanbieder.
De voorziening wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid o.b.v. de professionele standaard.
De aanbieder heeft passend beleid ontwikkeld. Denk hierbij aan kwaliteitszorg, personeelsbeleid, opleiding en scholing, melding van calamiteiten en geweldsincidenten, melding van huiselijk geweld en kindermishandeling, omgang met en de uitwisseling van persoonsgegevens, afhandeling van klachten en cliëntparticipatie.
Hoofdstuk 7 Beëindiging, herziening, intrekking, terugvordering, regres en hardheidsclausule
Als het letsel gevolg is van een ongeval waarbij de schuld bij een derde ligt of als er een andere vorm van aansprakelijkheid is, dan is in veel gevallen een schadevergoeding voor de getroffen ingezetene mogelijk. Bij een melding en een aanvraag wordt de noodzaak voor ondersteuning vastgesteld op de gebruikelijke wijze zoals beschreven in artikel 3.1 van deze Beleidsregels.
Artikel 7.4 Hardheidsclausule; afwijken van de verordening of beleidsregels
Er moet worden afgeweken van deze beleidsregels, indien toepassing daarvan voor een of meer cliënten gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Dit wordt de ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’ genoemd.
Aldus besloten in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 2 december 2024
D.J. van Maanen, C.C. van Benschop
Secretaris, Voorzitter
Bijlage 1 PROTOCOL huishoudelijke ondersteuning
In de Wet is, onder andere, geregeld dat mensen die hulp nodig hebben bij het zo zelfstandig mogelijk functioneren in het dagelijks leven, ondersteuning kunnen krijgen van de gemeente. In de Verordening zijn (o.a.) de algemene bepalingen, de vormen van individuele voorzieningen etc. nader uitgewerkt met daaraan gekoppeld de beleidsregels.
Het protocol Huishoudelijke ondersteuning Drechtsteden (hierna: protocol) is een bijlage bij de beleidsregels. Het protocol biedt de indicatiesteller handvatten voor het al dan niet stellen van een indicatie.
I.2 Huishoudelijke ondersteuning
I.2.1 Hulp bij huishoudelijke ondersteuning
Hulp is ‘de normale’, dagelijkse ondersteuning die huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Hiermee wordt in de toegangsbeoordeling rekening gehouden. Het uitgangspunt is dat de huisgenoten samen verantwoordelijk zijn voor het eigen huishouden, de eigen gezondheid, levensstijl en de wijze waarop het huishouden wordt gevoerd. Huisgenoten nemen daarom de huishoudelijke taken over, die de cliënt zelf niet (meer) uit kan voeren (de hulp). Hulp gaat vóór op een maatwerkvoorziening.
Bij hulp wordt het volgende in aanmerking genomen:
1. Leeftijd van de huisgenoot.
De leeftijd van de huisgenoot is medebepalend bij het vaststellen van mogelijkheden voor het leveren van hulp. Van huisgenoten wordt het volgende verwacht:
18 jaar tot en met 22 jaar wordt verwacht dat zij een deel van de huishoudelijke taken overnemen ter grootte van een eenpersoonshuishouden. Hiertoe behoren: het schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken, één kamer, het doen van de was en boodschappen, het verzorgen van de maaltijden, afwassen en opruimen, eventueel begeleiden van jongere gezinsleden. Let op: verschillende onderdelen hebben een hogere vervuilingsgraad wanneer meerdere personen hiervan gebruik maken. Dit valt buiten de taken van de 18 tot en met 22-jarige.
2. Beperkingen en overbelasting
Als er sprake is van hulp dan gaat dit vóór op huishoudelijke ondersteuning. Is er sprake van dreigende (vastgestelde) overbelasting dan kan 6 tot 16 weken ondersteuning ingezet worden zodat de huisgenoten in de gelegenheid worden gesteld om zelf naar een structurele oplossing te zoeken. Ook is het zinvol te onderzoeken of lokaal voorzieningen voor kortdurende ondersteuning tot de mogelijkheden behoren. De indicatie stopt automatisch na afloop van deze 6 tot 16 weken. Cliënten worden niet benaderd voor een heronderzoek. Dit wordt opgenomen in de beschikking. De beslissing voor deze tijdelijke ondersteuning wordt altijd, na overleg met een van de allround consulenten, genomen. Als er, na afloop van deze 6 tot 16 weken ondersteuning, een aanvraag wordt ingediend voor voortzetting van de indicatie dan is een medisch onderzoek naar de belastbaarheid noodzakelijk.
3. Gebrek aan kennis/leerbaarheid
Het feit dat een huisgenoot niet gewend is de taken uit te voeren of de taken niet kan uitvoeren, omdat hij niet weet hoe dat moet, zijn in beginsel geen redenen voor compensatie op grond van de Wet. Wel kan er een tijdelijke indicatie worden gesteld voor maximaal 6 weken voor het aanleren van taken.
Wanneer in redelijkheid kan worden verondersteld dat de huishoudelijke taken niet (meer) aan te leren zijn in verband met een gebrek aan leerbaarheid, dan kan huishoudelijke ondersteuning worden geïndiceerd voor huishoudelijke taken die anders tot de hulp zouden worden gerekend.
Fysieke afwezigheid van de huisgenoot geldt in principe niet als reden voor compensatie. Ieder (volwassen) mens wordt geacht een volledige school- of werkweek (inclusief reistijden) te hebben en deze te combineren met zijn huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten heeft niet tot gevolg dat de huisgenoot deze huishoudelijke taken niet kan doen, maar dat hij de uitvoering van de huishoudelijke taken plant op momenten waarop de huisgenoot wel thuis is. Ook afwezigheid vanwege overwerk, vrijwilligerswerk, sportactiviteiten etc. leidt niet tot ondersteuning. De verantwoordelijkheid voor het huishouden gaat voor op andere activiteiten. De huisgenoot dient daarom zoveel mogelijk te streven naar een zodanig activiteitenprogramma, dat zijn verantwoordelijkheden thuis daar niet onder lijden.
Een uitzondering geldt voor langdurige afwezigheid (meer dan 6 etmalen), waardoor uitstelbare taken te lang blijven liggen. Echter wordt van de huisgenoot, in die gevallen verwacht, dat hij ernaar streeft deze situatie zo kort mogelijk te laten zijn.
Indicatiesteller dient huisgenoten die hulp leveren in het kader van het indicatieonderzoek altijd persoonlijk te horen.
Bij uitval van één van de ouders is de andere ouder verplicht de ondersteuning en zorg voor de kinderen over te nemen. Ook dit wordt gezien als hulp. Hulp voor kinderen omvat de aanwezigheid (toezicht, ook wel ‘opvang’ genoemd) van een verantwoordelijke ouder of derde persoon en de ‘verzorging’ van het kind conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind.
Voor ondersteuning, verzorging en opvang van kinderen geldt als uitgangspunt dat het gebruik van kinderopvang of crèche als algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening redelijk is tot 5 dagen per week. Als dit niet beschikbaar of adequaat is en eventueel andere voorliggende mogelijkheden uitgeput zijn (denk aan mogelijkheden als: regeling voor ondersteuningsverlof, mantelzorg, crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder, indien aanwezig), dan kan er een indicatie zijn voor maximaal 40 uur per week voor een periode van 3 maanden voor oppas en opvang. Structurele opvang van kinderen in het kader van de Wet is niet mogelijk. Als degene die de hulp kan leveren niet beschikbaar is (degene die deze ondersteuning zou moeten leveren is niet aanwezig of heeft zelf beperkingen) dan is huishoudelijke ondersteuning op tijdelijke basis mogelijk als er sprake is:
Wanneer de eigen mogelijkheden reeds maximaal worden gebruikt of afwezig zijn of er is overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan huishoudelijke ondersteuning maximaal 3 maanden worden ingezet.
7. Terminale ondersteuning of chronische situaties
Als huisgenoten en mantelzorger(s) zwaar belast worden met ondersteuningstaken door een chronische situatie van degene die zij moeten ondersteunen kunnen de normeringen betreffende hulp soepeler worden gehanteerd. Wanneer er aanspraak wordt gemaakt op huishoudelijke ondersteuning in verband met een sterk verkorte, bekende levensverwachting kan overleg van de indicatiesteller met de huisarts noodzakelijk zijn.
8. Weekopname, weekenden thuis
Wanneer een kind of partner in de weekenden thuiskomt, valt het huishouden onder hulp van de ouders/partner tenzij deze hier niet toe in staat zijn/is. Voor de huishoudelijke taken waartoe de ouders/partner niet in staat zijn/is, kan een indicatie gegeven worden voor de dagen dat het kind/de partner thuis is boven op de indicatie die er is voor de thuiswonende ouders/partner.
9. Vakantieperiode niet thuiswonenden
Wanneer een kind of partner voor een vakantieperiode thuiskomt, valt het huishouden onder hulp van de ouders/partner tenzij deze hier niet toe in staat zijn/is. Voor de huishoudelijke taken waartoe de ouders/partner niet in staat zijn/is, kan een indicatie gegeven worden voor de dagen dat het kind/de partner thuis is boven op de indicatie die er is voor de thuiswonende ouders/partner.
Wanneer een alleenstaande voor een vakantieperiode thuiskomt, wordt er, wanneer hier aanleiding toe is, een indicatie gegeven voor de dagen dat de alleenstaande thuis is.
I.2.2 Normering huishoudelijke ondersteuning bij persoonsgebonden budget
Bij het bepalen van de omvang van het persoonsgebonden budget wordt een normering gehanteerd. Deze tijdsnormering is afgeleid van het door Bureau HHM ontwikkelde Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning (juni 2019). Dit normenkader is in meerdere gevallen door de rechtbank en de CRvB beoordeeld als 'objectief, onafhankelijk en deugdelijk'. Het voldoet aan de criteria die eerder door de CRvB zijn gesteld, echter met uitzondering van het onderdeel dat betrekking heeft op de bij het resultaat wasverzorging opgenomen normtijden (zie I.2.2.7).
Het normenkader kan worden benut voor onderbouwing van de omvang van Huishoudelijke Ondersteuning. In dit kader wordt per onderdeel de frequentie en/of benodigde tijd aangegeven. Afhankelijk van de cliëntsituatie is het denkbaar dat er gemotiveerd afgeweken wordt van de normtijden en dat er meer of minder tijd geadviseerd wordt.
I.2.2.1 Gemiddelde cliëntsituatie
Voor het vaststellen van de normtijden in het Normenkader door bureau HHM (zie 1.2.2) is gebruik gemaakt van een 'gemiddelde cliëntsituatie'. Op basis van individuele casuïstiek in diverse onderzoeken heeft bureau HHM een beeld gevormd van de gemiddelde cliënt die huishoudelijke ondersteuning krijgt. Door uit te gaan van deze gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Zo wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:
I.2.2.2 Invloedsfactoren op gemiddelde cliëntsituatie
Deze gemiddelde cliëntsituatie is niet van toepassing op elke cliënt, vandaar dat er invloedsfactoren meegewogen kunnen worden. In het Normenkader van bureau HHM (zie 1.2.2.) zijn deze verwoord als 'meer inzet' of 'minder inzet'. Als een van deze of meerdere invloedsfactoren van toepassing zijn op een cliëntsituatie, dan leiden deze niet automatisch tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon.
Bij het vaststellen van de omvang van huishoudelijke ondersteuning wordt onder meer gecorrigeerd voor zelfredzaamheid, ofwel de eigen mogelijkheden van de cliënt. Daarnaast kan er gecorrigeerd worden voor de grootte van de woning en bij een gelijkvloerse woning bijvoorbeeld door het inzetten van een robotstofzuiger met dweilfunctie.
De invloedsfactoren zijn door bureau HHM in het Normenkader (zie 1.2.2) als volgt omschreven:
Hieronder wordt verstaan de fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt:
Hierbij wordt beoordeeld of er beperkingen en belemmeringen zijn die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers:
Hieronder wordt verstaan de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Samenstelling van het huishouden:
Hieronder wordt verstaan het aantal personen en de leeftijd van de leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet per se extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit staat los van de verzorging van huisdieren. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.
In sommige gevallen is extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.
Bewerkelijkheid van de woning:
In sommige gevallen is extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.
Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld te stofzuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
1.2.2.3 Inhoud basisactiviteiten
I.2.2.4 Frequentie structurele basisactiviteiten
I.2.2.4 Frequentie incidentele basisactiviteiten
I.2.2.5 Normenkader huishoudelijke ondersteuning in minuten per week
I.2.2.6 Normtijden (structurele en incidentele) basisactiviteiten per week
Bij het bepalen van deze normtijden is rekening gehouden met hetgeen iemand, eventueel met ondersteuning vanuit het eigen netwerk, nog zelf aan activiteiten kan verrichten.
1 Totaal kan afwijken door afronding van som der onderdelen.
2 Bij volledige overname betreft het een normtijd van gemiddeld 125,1 minuten per week.
I.2.2.7 Normenkader voor wasverzorging
Als gevolg van een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2023:2470) kan in het geval wasverzorging als maatwerkvoorziening noodzakelijk is, bij het bepalen van het te behalen resultaat niet worden uitgegaan van het HHM Normenkader voor Huishoudelijke Ondersteuning. In plaats daarvan wordt gebruik gemaakt van de normering zoals deze is ontwikkeld door de Landelijke Vereniging van Indicatie Organen, nu CIZ.
Verzorging kleding en linnengoed
*In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.
I.2.2.8 Normenkader voor boodschappen
normtijd voor boodschappen staat in I.2.2.5 Normenkader huishoudelijke ondersteuning in minuten per week.
I.2.2.9 Normenkader voor maaltijden
De normtijd voor maaltijden staat in I.2.2.5 Normenkader huishoudelijke ondersteuning in minuten per week.
*Of zoveel minder als het deel dat de cliënt hierin zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.
I.2.2.10 Normenkader voor kindzorg
Kindzorg wordt incidenteel en gedurende een beperkte periode aangeboden aan ouders om hen de tijd te geven om een structurele oplossing te vinden. Het Normenkader van HHM bevat hiervoor geen normen. De urenindicatie zal daarom worden gebaseerd op de CIZ-normtijden
I.2.2.11 Normering activiteiten ten behoeve van de verzorging van kinderen
Deze normtijden worden gebruikt bij het berekenen van de totale benodigde tijd voor de activiteiten met betrekking tot kinderen. Hiervoor wordt de normtijd vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en het aantal keer per week. Dit levert dan de totaaltijd op van de activiteiten met betrekking tot kinderen, met een maximum van 40 uur per week.
Het is hierbij mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.
Bijlage 2 Individuele begeleiding
De individuele begeleiding is verdeeld in vijf productcategorieën, waarbij de aard van de primaire werkzaamheden bepalend is:
Individuele begeleiding 0 (IB0)
IB0 is bedoeld als waakvlamfunctie. Het is erop gericht om een vinger aan de pols te houden en de cliënt (eventueel met behulp van zijn netwerk) naar het punt te brengen dat hij zodanig zelfredzaam is, dat hij zelfstandig, dan wel met behulp van algemene voorzieningen, de regie over zijn leven kan voeren. Bij IB0 houdt de begeleider vinger aan de pols en is bereikbaar voor ondersteuningsvragen van klant. IB0 is in beginsel een afschaalmogelijkheid en geschikt voor klanten die op alle leefgebieden van de ZRM stabiel zijn en redelijk in staat worden geacht om zonder begeleiding verder te groeien. In veel gemeenten is voor deze voorziening een algemene voorziening of begeleiding vanuit het Wijkteam ingericht (of ze zijn bezig dit in te richten). Daarom vinden deze indicaties altijd plaats in afstemming met het wijkteam
Individuele begeleiding 1 (IB 1)
De ondersteuning is erop gericht om door toezicht de feitelijke situatie te monitoren en/of door stimulans ervoor te zorgen dat de cliënt (eventueel met behulp van zijn netwerk) zelf in staat is de vereiste activiteiten te ondernemen. Waar mogelijk wordt de ondersteuning op termijn afgebouwd. Hierover kan worden afgestemd met het wijkteam.
Individuele begeleiding 2 (IB 2)
De ondersteuning is erop gericht door aanleren en oefenen de cliënt (eventueel met behulp van zijn netwerk) naar het punt te brengen dat hij deze op een afzienbaar moment zelfstandig kan ondernemen of de cliënt te brengen naar het voor hem maximaal haalbare niveau. Deze vorm van ondersteuning is altijd eindig en van beperkte duur. De begeleiding kan kortdurend ook dienen om (ten behoeve van het indicatieproces) een scherper beeld te krijgen van een nieuwe cliënt.
Individuele begeleiding 3 (IB 3)
De ondersteuning is erop gericht om de cliënt (eventueel met behulp van zijn netwerk) te helpen bij het verrichten van de vereiste activiteiten (samendoen), al dan niet in combinatie met het overnemen van taken en/of het voeren van regie door de professional omdat de cliënt deze niet zelf kan uitvoeren. Deze vorm van ondersteuning is aan de orde in complexe situaties (multiproblematiek) die vragen om intensieve begeleiding. Deze ondersteuning wordt, waar mogelijk, afgebouwd of afgeschaald.
Individuele begeleiding 4 (IB 4)
De ondersteuning is erop gericht door stimuleren, aanleren en oefenen de cliënt (eventueel met behulp van zijn netwerk) naar het punt te brengen dat hij zodanig zelfredzaam is, dat hij zelfstandig kan wonen en zo nodig met een lichtere vorm van ondersteuning de regie over zijn leven kan voeren.
IB4 kan uitsluitend worden geboden indien aan de volgende criteria wordt voldaan:
Onder een geclusterde woonsetting wordt een kleinschalige woonomgeving 3 verstaan:
2. Overzicht resultaatsgebieden
Onderstaande tabel geeft aan wat de met individuele begeleiding te bereiken resultaten zijn per domein. De levensdomeinen "geestelijke gezondheid" en "verslaving" zijn samengenomen, evenals "lichamelijke gezondheid" en "ADL".
Individuele begeleiding 1,2 en 3
1. Partners, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling
Alle begeleiding van de cliënt door een volwassen huisgenoot is hulp als er sprake is van een kortdurende ondersteuningssituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.
Als het gaat om een chronische situatie is de begeleiding van een volwassen cliënt hulp wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door een volwassen huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een cliënt:
Activiteiten en omvang van de individuele begeleiding
Bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding wordt een aantal uren en/of minuten toegekend dat nodig is om de geformuleerde doelen te bereiken. De omvang van de individuele begeleiding hangt onder andere af van de fase van de begeleiding:
De volgende tabel geeft een grove indicatie van het aantal minuten per week dat voor bepaalde domeinen nodig is. Het betreft hier een richtlijn, waarbij in elk individueel geval moet worden beoordeeld of met de in deze richtlijn genoemde tijdseenheid voldoende compensatie wordt geboden. De richtlijn geldt in deze afweging als grondlijn.
Onderstaande tabel geeft aan wat de met dagbesteding te bereiken resultaten zijn per domein.
1. Belevingsgerichte dagbesteding (BL)
Belevingsgerichte dagbesteding is gericht op stabilisatie van de beperking, (progressief) ziektebeeld en het behoud van autonomie en ondersteunt cliënten als zij vanwege beperkingen (nog) niet in staat zijn om hun dagen goed te structureren en/of een zinvolle invulling van hun dagen te geven. Belevingsgerichte dagbesteding heeft het doel om cliënten te begeleiden bij het structuur geven aan de dag en een zinvolle invulling hiervan. De activiteiten vinden plaats in groepsverband en hebben geen arbeidsmatig karakter. Daarnaast is de dagbesteding gericht op:
2. Belevingsgerichte dagbesteding intensief ( BLi )
Bij de belevingsgerichte dagbesteding is er een zware, intensieve variant. Deze intensieve variant is enkel aan de orde als de cliënt in aanmerking komt voor belevingsgerichte dagbesteding (zie criteria boven) en daarnaast voldoet aan een van de volgende criteria:
Arbeidsmatige dagbesteding is een vervangende activiteit voor werk of school, als dit niet op reguliere of aangepaste wijze, zoals aangepast (speciaal) onderwijs of via al dan niet gesubsidieerde arbeid op basis van de participatiewet, kan worden gerealiseerd. Arbeidsmatige dagbesteding is een vorm van werken met professionele begeleiding voor cliënten met een beperkt ontwikkelingspotentieel, dat (zeer waarschijnlijk) niet gaat leiden tot (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan of vrijwilligerswerk. De activiteiten die gedaan worden, zijn vergelijkbaar met werk. Bij deze vragen moet steeds worden afgewogen of Beschut Werk een passende alternatieve oplossing zou kunnen zijn.
Onder dagbesteding wordt hier niet verstaan een welzijnsactiviteit als zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.
De dagbesteding is gericht op:
het aanleren van vaardigheden ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie d.m.v. arbeidsmatige activiteiten. De inzet is gericht op maximaal haalbare persoonlijke ontwikkeling door activerende activiteiten, maar (zeer waarschijnlijk) geen zicht op doorstroom naar (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan of vrijwilligerswerk, en/of
4. Arbeidsmatige dagbesteding intensief ( AMi )
Bij de arbeidsmatige dagbesteding is er een zware, intensieve variant. Deze intensieve variant is enkel aan de orde indien de cliënt in aanmerking komt voor arbeidsmatige dagbesteding (zie criteria boven) en daarnaast voldoet aan een van de volgende criteria:
5. Ontwikkelingsgerichte dagbesteding (OG):
Ontwikkelingsgerichte dagbesteding is een vorm van werken met professionele begeleiding, biedt structuur en invulling van de dag en is een manier om de kans op een 'gewone' baan te vergroten. Deze dagbesteding is bedoeld voor cliënten die ontwikkelpotentieel hebben, momenteel nog niet zelfstandig kunnen werken, maar dit met hulp (deels) wel kunnen en die kunnen leren in de toekomst wel (deels) in een gewone baan te werken. De ontwikkelingsgerichte dagbesteding is gericht op het lange(re) termijn ontwikkelpotentieel van cliënt en gericht op uitstroom binnen 3 jaar uit de maatwerkvoorziening naar een vervolgplaats (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan of vrijwilligerswerk. Waar nodig is deze dagbesteding ondersteunend aan behandeling en gericht op herstel. Daarnaast is de dagbesteding gericht op:
Ontwikkelingsgerichte dagbesteding is tijdelijk voor de duur van maximaal 3 jaar. Bij twijfel tussen deze dagbesteding en arbeidsmatige dagbesteding is het ontwikkelingspotentieel van de cliënt leidend. Wel wordt dan de indicatie dagbesteding voor een half jaar verstrekt en na deze periode getoetst of de cliënt inderdaad in de juiste categorie geplaatst is. Na dat half jaar wordt beoordeeld of er sprake is van enige vooruitgang. Zo nodig wordt een arbeidsdeskundig (onafhankelijk) advies ingewonnen.
toezicht dat geboden wordt op basis van actieve observatie, die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren, waardoor tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/ (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de ingezetene kan worden voorkomen.
Permanent toezicht omvat altijd boven gebruikelijk toezicht. Permanent toezicht kan verschillende aangrijpingspunten hebben en verschillen in intensiteit. Het toezicht kan gericht zijn op:
Het gaat hier vooral om cliënten met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap. Actieve observatie van de hulpverlener is noodzakelijk om tijdig zorg te kunnen bieden. Als er zorg geboden moet worden, moet dat ook direct gebeuren. Voorbeelden zijn ouderen met dementie die willen opstaan en vergeten zijn dat ze niet meer mobiel zijn, mensen met niet goed instelbare epilepsie met een risico op een status epilepticus, verzekerden met ernstige hart- en/of longaandoeningen waarbij zuurstoftekort dreigt, en mensen met ernstige slikstoornissen en verslikrisico.
Het gaat hier bijvoorbeeld om cliënten met regieverlies (VG, PG, Psychosociaal) die niet zelf om hulp of zorg vragen. Er is continu zorg nodig waarbij de hulpverlener actief moet observeren. Voorbeelden: continu sturing en structuur bieden (bij cliënten met een verstandelijke beperking en/of met ASS-autisme spectrum stoornis) om dagelijks voorkomende en door cliënt niet goed begrepen situaties uit te leggen/te verduidelijken zodat cliënt hiermee kan omgaan, of continu sturing en structuur bieden om problemen op te lossen. Er zijn dan zowel beperkingen in de sociale redzaamheid als stoornissen in de psychosociale functies (geheugen en denken, concentratie, perceptie van de omgeving en motivatie) of angststoornissen. Het kan ook gaan om cliënten die vanwege hun lichamelijke handicap zware fysieke beperkingen hebben die niet met hulpmiddelen te compenseren zijn. Zij hebben frequente hulp en begeleiding nodig bij het uitvoeren van allerlei dagelijkse activiteiten en zijn zelf niet (meer) in staat om hulp in te roepen.
Het gaat hier om cliënten met gedragsproblemen, waarbij het ook kan gaan om zogenaamd internaliserend (naar binnen gericht) probleemgedrag. Dit kan voortkomen uit een psychiatrische of psychogeriatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waarbij actieve observatie noodzakelijk is om tijdig te kunnen ingrijpen. Een ander voorbeeld: een cliënt die zich onvoldoende kan uiten/verstaanbaar maken (communicatienood) en daardoor probleemgedrag zal gaan vertonen (woede-uitbarstingen, frustratie) als er niet steeds hulp bij de communicatie geboden wordt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2024-2510.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.