Treasurystatuut Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking De Bevelanden 2024

Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden;

gelet op Artikel 212, lid 1 en 2c van de Gemeentewet en artikel 1, lid a van de Wet Fido

besluit:

vast te stellen het navolgende Treasurystatuut Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking De Bevelanden 2024.

Artikel 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

1.1 Financiering: het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen;

1.2 Geldstromenbeheer: al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);

1.3 Intern liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen;

1.4 Kasgeldlimiet: een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeenschappelijke regeling bij aanvang van het jaar;

1.5 Koersrisico: het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen;

1.6 Kredietrisico: de risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit;

1.7 Liquiditeitenbeheer: het financieren en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;

1.8 Liquiditeitenplanning: een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid;

1.9 Rating: de inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier;

1.10 Renterisico: het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeenschappelijke regeling door rentewijzigingen;

1.11 Renterisiconorm: een bij de aanvang van enig jaar op basis van de Wet fido gefixeerd percentage van het totaal van de vaste schuld van de gemeenschappelijke regeling dat bij de realisatie niet mag worden overschreden;

1.12 Rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;

1.13 Saldobeheer: het beheer van de Dagelijkse saldi op de rekeningen;

1.14 Rentevisie: toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling;

1.15 Solvabiliteitsratio: Status die door een bancaire toezichthouder in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (lidstaten van de Europese Unie uitgebreid met Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend;

1.16 Treasuryfunctie: de treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, financiering, kasbeheer en debiteuren en crediteurenbeheer;

1.17 Uitzetting: het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer;

1.18 Wet FIDO: Wet financiering decentrale overheden.

Hoofdstuk 2 Doelstellingen van de Treasuryfunctie

Artikel 2 Doelstellingen van de treasuryfunctie

De treasuryfunctie van de gemeenschappelijke regeling dient tot:

2.1 Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

2.2 Het beschermen van vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s, liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s;

2.3 Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities;

2.4 Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet fido respectievelijk de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut.

Hoofdstuk 3 Risicobeheer

Artikel 3 Uitgangspunten risicobeheer

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

 

  • 1.

    Conform artikel 2, lid van de Wet fido worden liquide middelen op het dagelijks werkkapitaal na, bij de Nederlandse Staat aangehouden op een rekening-courant of in deposito;

  • 2.

    De gemeenschappelijke regeling verstrekt anders dan BBZ-kredieten geen leningen, maar het Algmeen Bestuur kan het Dagelijks Bestuur per geval toestemming verlenen om leningen aan derden uit hoofde van haar publieke taak te verstrekken, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen over de financiële positie en kredietwaardigheid van de desbetreffende partij;

  • 3.

    Het gebruik van derivaten is niet toegestaan.

Artikel 4 Renterisicobeheer

4.1 De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet fido;

  • 1.

    De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet fido;

  • 2.

    Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanning;

  • 3.

    De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand.

  • 4.

    Binnen de kaders gesteld onder 3 en 4 streeft de gemeenschappelijke regeling naar spreiding in de rentetypische looptijden van de uitzettingen.

Artikel 5 Intern liquiditeitsrisicobeheer

De gemeenschappelijke regeling beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een korte termijn liquiditeitenplanning (looptijd tot één jaar), alsmede een meerjarige liquiditeitenplanning met een looptijd van minimaal 4 jaar.

Hoofdstuk 4 Financiering

Artikel 6 Uitgangspunten financiering

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

  • 2.

    Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) te gebruiken teneinde het renteresultaat te optimaliseren;

  • 3.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen zijn: onderhandse leningen;

  • 4.

    De gemeenschappelijke regeling vraagt offertes op bij minimaal twee instellingen alvorens een financiering wordt aangetrokken, welke schriftelijk dan wel digitaal worden vastgelegd.

Artikel 7 Relatiebeheer

De gemeenschappelijke regeling beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Bankrelaties dienen wat betreft hun kredietwaardigheid minimaal te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 6 en hun bancaire condities worden ten minste eens in de 4 jaar beoordeeld;

  • 2.

    Financiële instellingen (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen in landen met minimaal een AA-rating gevestigd te zijn en onder Nederlands of anderszins EER-toezicht te vallen, zoals De Nederlandse Bank en de Verzekeringskamer.

  • 3.

    Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar te hebben ontvangen.

  • 4.

    Artikel 11 is niet van toepassing bij het aantrekken van financieringsmiddelen.

Hoofdstuk 5 Kasbeheer

Artikel 8 Geldstromenbeheer

Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te beperken wordt:

  • 1.

    Het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op elkaar en de liquiditeiten- planning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig worden nagekomen;

  • 2.

    Het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank.

Artikel 9 Saldo- en liquiditeitenbeheer

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende richtlijnen:

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling streeft naar concentratie van de overtollige liquiditeiten binnen één rentecompensatiecirquit bij de bank met de gunstigste condities;

  • 2.

    Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan de gemeenschappelijke regeling kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt de kasgeldlimiet niet overschreden;

  • 3.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening-courant;

  • 4.

    Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn rekening-courant, daggeld, spaarrekening en deposito’s;

  • 5.

    Bij het extern uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan;

Hoofdstuk 6 Administratieve organisatie en interne controle

Artikel 10 Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:

  • 1.

    De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasuryactiviteiten zijn vastgelegd in het Treasurystatuut;

  • 2.

    Bij de uit te voeren treasury-activiteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

  • 3.

    Iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen principe), waarbij voor transacties met een looptijd korter dan één jaar autorisatie achteraf geldt en voor transacties met een looptijd langer dan één jaar autorisatie vooraf geldt;

  • 4.

    De uitvoering en controle geschiedt door afzonderlijke functionarissen;

  • 5.

    De uitvoering en registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen.

    • 1.

      Tegenpartijen wordt opdracht gegeven de bevestigingen van leningen en uitzettingen te versturen naar de financiële administratie zonder tussenkomst van de personen die bevoegd zijn tot het sluiten van de transacties;

    • 2.

      De transacties worden direct geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten en gecontroleerd door de functionaris die belast is met de interne controle;

    • 3.

      De administratieve organisatie en interne controle waarborgen dat:

  • 6.

    De uitvoering rechtmatig en doelmatig is;

  • 7.

    De treasuryactiviteiten adequaat kunnen worden uitgevoerd en bijgestuurd;

  • 8.

    De juistheid, tijdigheid en volledigheid van de informatie verzekerd zijn.

Artikel 11 Verantwoordelijkheden

De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeenschappelijke regeling staan in onderstaande tabel gedefinieerd. 

Functie

Verantwoordelijkheden

Algemeen Bestuur

  • 1.

    Het vaststellen van het Treasurystatuut

  • 2.

    Het vaststellen van de financieringsparagraaf in de begroting en de jaarrekening

  • 3.

    Het houden van toezicht op het Treasurybeleid en de uitvoering hiervan;

Dagelijks Bestuur

  • 1.

    Het uitvoeren van het Treasurybeleid;

  • 2.

    Het achteraf bekrachtigen van de afgesloten transacties;

  • 3.

    Het bij de Jaarrekening rapporteren aan het Algemeen Bestuur over de uitvoering van het Treasurybeleid.

Directeur

  • 1.

    Het uitvoeren van de gemandateerde Treasury-activiteiten conform het treasurystatuut en de treasuryparagraaf;

  • 2.

    Het zorgdragen voor juiste verantwoording van de uitvoering van de gemandateerde treasury-activiteiten;

  • 3.

    Het rapporteren aan Dagelijks Bestuur over de uitvoering van het treasurybeheer;

  • 4.

    Het opzetten van administratieve richtlijnen op het gebied van treasury;

  • 5.

    Het bewaken van de kwaliteit van de treasuryprocessen.

Budgethouders

  • 1.

    Het zorgdragen voor een goede kwaliteit van de informatie die hun teams aanleveren aan de medewerker treasury met betrekking tot toekomstige uitgaven en inkomsten

  • 2.

    Het zorgdragen voor het tijdig aanleveren van betrouwbare operationele informatie over toekomstige geldstromen aan de medewerker treasury;

  • 3.

    Het fiatteren van betalingen en ontvangsten voor hun budgetten.

Medewerker treasury

  • 1.

    Het uitvoeren van de activiteiten m.b.t. de deelfuncties risicobeheer, financiering en gelstromenbeheer. Deze activiteiten moeten conform dit treasurystatuut en de treasuryparagraaf worden uitgevoerd en de transacties dienen geautoriseerd te zijn door de manager Bedrijfsvoering;

  • 2.

    Het vervaardigen van en het bewaken van de liquiditeitspositie op korte en lange termijn;

  • 3.

    Het aantrekken en uitzetten van gelden in het kader van het saldo- en liquiditeitenbeheer;

  • 4.

    Het beheren van de geldstromen;

  • 5.

    Het onderhouden van contacten met banken en financiële instellingen;

  • 6.

    Het afsluiten van contracten voortvloeiend uit bovenstaande deelfuncties;

  • 7.

    Het schriftelijk vastleggen van de treasurytransacties en het doorgeven hiervan aan de financiële administratie;

  • 8.

    Het voorbereiden van beleidsvoorstellen op treasurygebied;

  • 9.

    Het adviseren van de afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten en projecten;

  • 10.

    Het aanleveren van tijdige, volledige en betrouwbare gegevens aan de financiële administratie;

  • 11

    Het afleggen van verantwoording aan de manager Bedrijfsvoering over de uitvoering van de gemandateerde activiteiten.

Medewerker financiën

  • 1.

    Het juist en volledig administreren van de bezittingen, schulden, rechten, verplichtingen, inkomsten, uitgaven, ontvangsten en betalingen in de verplichtingen- en financiële administratie.

Medewerkers belast met de controle

  • 1.

    Het ontvangen van de orderbevestiging van derden en het controleren of deze overeenkomt met de transactie-informatie zoals verstrekt door de medewerker belast met treasury;

  • 2.

    Het uitvoeren van de interne controle op de uitgevoerde treasury-transacties en hierover rapporteren aan de manager Bedrijfsvoering;

Externe accountant

  • 1.

    Het in het kader van haar reguliere controletaak adviseren en controleren omtrent de feitelijke naleving van het treasurystatuut

Artikel 12 Bevoegdheden

In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasury-activiteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.

Bevoegde functionaris

(eerste handtekening)

Autorisatie door

(tweede handtekening)

Saldo-, liquiditeiten- en geldstromenbeheer

Betalingsopdrachten voorbereiden en versturen.

1e handtekeningzetter BNG

2de handtekeningzetter BNG

Bankrelatiebeheer

Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen.

Medewerker Treasury

Directeur

Bankcondities en tarieven afspreken.

Medewerker Treasury

Directeur

Financiering en uitzetting

Het afsluiten van kredietfaciliteiten.

Medewerker Treasury

Directeur

Het aantrekken van middelen via onderhandse leningen zoals vastgelegd in het Treasurystatuut, korter dan één jaar.

Medewerker Treasury

Directeur

Het aantrekken van middelen via onderhandse leningen zoals vastgelegd in het Treasurystatuut, langer dan één jaar.

Medewerker Treasury

Directeur

Het uitzetten van middelen zoals vastgelegd in het Treasurystatuut, korter dan één jaar.

Medewerker Treasury

Directeur

Het uitzetten van middelen zoals vastgelegd in het Treasurystatuut, langer dan één jaar.

Medewerker Treasury

Directeur

Artikel 13 Informatievoorziening

Met betrekking tot de treasury-activiteiten dient tenminste de in onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:

Informatie

Frequentie

Informatie-

verstrekker

Informatie-

Ontvanger

Overzicht van opgenomen en uitgezette middelen

Jaarlijks

Medewerker Treasury

Algemeen en Dagelijks Bestuur

Treasuryparagraaf in begroting

Jaarlijks

Medewerker Treasury

Algemeen en Dagelijks Bestuur

Treasuryparagraaf in jaarrekening

Jaarlijks

Medewerker Treasury

Algemeen en Dagelijks Bestuur

Lenings-/ uitzettingsbesluiten

Eerst volgende vergadering

Dagelijks Bestuur

Algemeen Bestuur

Artikel 14 Inwerkingtreding

  • 1.

    Het Treasurystatuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.

  • 2.

    Dit Treasurystatuut vervangt het “Treasurystatuut gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden 2014” zoals vastgesteld bij besluit van het Algemeen Bestuur van 8 december 2014.

Artikel 15 Citeerartikel

Deze verordening wordt aangehaald als: “Treasurystatuut gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden 2024”

Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden op 30 oktober 2023.

Namens deze,

drs. M.C. Noordhoek, de directeur

M.A. Fränzel MSc., de voorzitter

Naar boven