TOELICHTING OP DE VERORDENING BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING
Artikel 1 algemene bepalingen.
De regeling bovenwettelijke uitkeringen kent twee soorten uitkeringen:
- de aanvullende uitkering als aanvulling op de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW);
- de aansluitende uitkering, die na afloop van de WW-uitkering tot uitkering komt.
Artikel 16 van de WW noemt als voorwaarden voor een WW-uitkering:
- het verlies van vijf arbeidsuren of tenminste de helft van het aantal zijn arbeidsuren per kalenderweek (werkloosheid);
- het verlies van recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren;
- beschikbaarheid om arbeid te verrichten.
Het centrale begrip in de WW is dus 'verlies van arbeidsuren' (werkloosheid), terwijl in de wachtgeld- en uitkeringsregeling het begrip 'ontslag' essentieel was. Dit verschil blijkt vooral bij de beëindiging van een tijdelijke uitbreiding van het aantal arbeidsuren. Volgens de systematiek van de wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht op uitkering leiden, omdat er geen sprake was van ontslag. Volgens de WW ontstaat er wel recht op uitkering omdat er sprake is van verlies van arbeidsuren.
Als gevolg van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering kent de WW een maximum dagloon. De bovenwettelijke regeling bij werkloosheid hanteert dit maximum niet. Dit betekent dat de berekeningsgrondslag nimmer wordt afgetopt. Een eventueel hoger inkomen wordt volledig meegenomen voor de berekening van de bovenwettelijke uitkering.
De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met 46 WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij werkloosheid.
Artikel 2, lid 1 voorwaarden voor recht op aanvullende uitkering
Om in aanmerking te komen voor een aanvullende uitkering moet men in ieder geval voldoen aan de vereisten voor de loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende uitkering.
In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW worden de voorwaarden genoemd voor een loongerelateerde WW- uitkering en een vervolguitkering:
- het verlies van arbeidsuren, en;
- de referte-eis: men moet in de periode van 39 weken voorafgaande aan het ontslag tenminste gedurende 26 weken gewerkt hebben.
Er bestaat geen recht op WW indien betrokkene:
- recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);
- volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;
- rechtens van zijn vrijheid is beroofd;
- de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
Recht op WW geeft niet automatisch recht op een aanvullende uitkering. In de verordening worden de ontslaggronden die recht geven op een aanvullende uitkering expliciet en limitatief genoemd.
Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos wordt.
Het recht op een aanvullende uitkering wordt dan alleen beoordeeld op basis van de werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij de gemeente.
Artikel 2, lid 2.
De aanvullende uitkering komt niet tot uitkering in de situatie waarin de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer (minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering) recht heeft op een suppletie krachtens hoofdstuk VII-A van het Ambtenarenreglement.
Artikel 3 berekeningsgrondslag.
Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering wordt de berekeningssystematiek van het dagloon WW gevolgd, echter zonder toepassing van de maximum dagloongrens. Er zijn verschillen tussen de grondslag 'bezoldiging' en de grondslag 'dagloon'.
Het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privé project heeft invloed op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt dus door in de hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.
Artikel 4 indexering.
Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering dienovereenkomstig wordt aangepast. Dit is een voortzetting van de regeling zoals die in de wachtgeld- en uitkeringsverordening was opgenomen.
Artikel 5, lid 2 hoogte van de aanvullende uitkering.
Gedurende de eerste vijftien maanden van het recht op een aanvullende uitkering is het uitkeringspercentage hoger (80% van het ongemaximeerde dagloon) dan die van de loongerelateerde uitkering van de WW (70% van het gemaximeerde dagloon). Na vijftien maanden zijn de percentages van de WW en de aanvullende uitkering gelijk, namelijk 70%. Omdat de aanvullende uitkering uitgaat van het ongemaximeerde dagloon, kan er bij een bezoldiging hoger dan het maximum dagloon ook dan nog recht bestaan op een aanvullende uitkering.
Artikel 5, lid 3.
Op grond van artikel 20 WW kan het recht op een loongerelateerde WW-uitkering eindigen, bijvoorbeeld wanneer er geen sprake meer is van werkloosheid. Wanneer betrokkene vervolgens opnieuw werkloos wordt, zonder dat deze nieuwe WW-rechten heeft opgebouwd, herleeft het recht op WW-uitkering (artikel 21 WW). Bij herleving van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW zoveel later als de beëindiging van de uitkering heeft geduurd. Het gaat hier om een verlenging van de WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW.
Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van vijftien maanden waarin de WW wordt aangevuld tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Bij herleving van het recht op uitkering blijft de verlaging naar 70% dus plaatsvinden 15 maanden na de ingangsdatum van de uitkering.
Artikel 6 beëindiging uitkering.
Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, eindigt ook het recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk. In artikel 20 van de WW zijn de gronden voor de beëindiging van het recht op een WW--uitkering opgenomen. Het gaat hierbij om situaties als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van de uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een uitkering krachtens de ZW.
De bepalingen van de WW over de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering werken dus door naar de bovenwettelijke regeling.
Het recht op een aanvullende uitkering kan dus in de regel niet herleven, wanneer betrokkene uit een nieuwe baan opnieuw werkloos wordt. Dit kan wel wanneer betrokkene in zijn nieuwe baan geen nieuw recht op WW heeft opgebouwd voor hetzelfde aantal uren. Omdat dit reïntegratie-belemmerend zou kunnen werken is in artikel 32 de mogelijkheid van een reïntegratiepremie geïntroduceerd.
Artikel 7 herleving.
Ook hier blijkt de nauwe relatie tussen het recht op een WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Ingevolge artikel 21 van de WW herleeft het recht op de oude WW-uitkering (en dus ook de aanvullende uitkering) wanneer na afloop van een gehele of gedeeltelijke beëindiging van dat recht (bijvoorbeeld wegens ziekte) geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan. Herleving houdt in, dat de hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden bepaald door de eerste werkloosheidsdag van de 'oorspronkelijke' werkloosheid (de 'WW-klok' loopt dus gewoon door). Herleving is dus iets anders dan opschorting. Bij opschorting wordt de uitkering tijdens de onderbreking stopgezet en wordt na de uitkering na de onderbreking voortgezet alsof er geen onderbreking is geweest (zie ook artikel 8).
Artikel 8 verlenging.
Ingevolge artikel 43 en 50 WW - die van overeenkomstige toepassing zijn op artikel 8 - eindigt de uitkering, indien het recht op een WW-uitkering na beëindiging na verloop van tijd herleeft, zoveel later als de onderbreking heeft geduurd. Dit betekent dat de duur van de uitkering tijdens de - naar later blijkt, tijdelijke - beëindiging als het ware wordt opgeschort.
Artikel 9, lid 1 verplichtingen en sancties.
Op de aanvullende uitkering is het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing (inclusief de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid). Een boete in de zin van de WW wordt niet overeenkomstig toegepast op de aanvullende uitkering. Anderzijds wordt een in het kader van de WW opgelegde boete niet gecompenseerd door een verhoging van de aanvullende uitkering.
Daarentegen werkt een maatregel in de zin van de Werkloosheidswet wel door in de aanvullende uitkering. Bij een maatregel moet worden gedacht aan een besluit van de uitvoeringsinstelling om de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken. Indien voor de WW een maatregel wordt opgelegd van 10%, wordt het uitkeringspercentage van de WW verlaagd van 70% naar 60%.
Doordat het verplichtingen- en sanctieregime van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, wordt de aanvullende uitkering met een zelfde deel verminderd. Een sanctie van 10% bij een aanvulling tot 80% van de berekeningsgrondslag leidt dus tot een vermindering van de aanvulling met 10/80 deel.
Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.
Artikel 9, lid 2 en 3.
Wanneer een ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 89, eerste lid onder a Ambtenarenreglement (AR) om zich vrijwillig als eerste voor reorganisatieontslag in aanmerking te laten komen, kan het sanctieregime van de WW ongewenste consequenties met zich mee brengen.
Volgens artikel 24, lid 1, onderdeel a WW is betrokkene dan immers verwijtbaar werkloos en kan hem op grond van artikel 27 WW een sanctie worden opgelegd.
De meest voor de hand liggende sanctie is een (al dan niet blijvende) gedeeltelijke, dan wel een gehele weigering van de uitkering.
In het geval van de gedeeltelijke weigering wordt er een aanvulling op de aanvullende uitkering toegekend. Daardoor wordt het effect van de korting op de WW-uitkering tenietgedaan. In het geval van de gehele weigering van de WW- uitkering kan er geen sprake zijn van een verhoging van de aanvullende uitkering. Daarom wordt in dat geval een speciale gemeentelijke werkloosheidsuitkering toegekend, eventueel aangevuld met de aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de WW van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10 anticumulatie (nieuwe inkomsten).
Artikel 35 WW bepaalt dat, indien arbeid wordt verricht voor minder dan 5 uren (of voor minder dan de helft van het aantal verloren arbeidsuren), de WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt verricht. Wanneer arbeid wordt verricht voor 5 uren of meer of voor tenminste de helft van het aantal verloren arbeidsuren, leidt dat in de WW tot vermindering van de werkloosheid waardoor de uitkering berekend wordt over een kleiner aantal uren werkloosheid.
Artikel 11 scholing.
De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in deze artikelen, werklozen kunnen studeren met behoud van uitkering. Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk geachte scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een aanvullende uitkering.
Artikel 12, lid 1 aanvulling op ZW-uitkering.
Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die optreedt vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin kan er recht bestaan op de aanvullende uitkering. Bepalend is of betrokkene daar recht op zou hebben gehad als hij niet ziek was geweest.
Artikel 12, lid 2.
Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale uitkering gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel 5 zou ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.
Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie ook (de toelichting op) artikel 8. In artikel 43, tweede en derde lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering in dat geval alleen opschuift voor zover het ziektegeval langer dan drie maanden heeft geduurd. Wanneer de betrokkene in de laatste drie maanden van de vervolguitkering ziek wordt en ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou zijn verstreken, kan het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven. Wanneer de ziekte valt in de laatste drie maanden van de WW-uitkering, bestaat er recht op een aanvulling op de ZW-uitkering tot aan het moment waarop WW- uitkering zonder ziekte beëindigd zou worden. Wanneer betrokkene daarna geen recht heeft op een aansluitende uitkering, ontvangt hij slechts een uitkering krachtens de ZW van 70% van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder aanvulling. In het geval er wel recht bestaat op een aansluitende uitkering, gaat de aansluitende uitkering direct in na het bereiken van de einddatum.
De uitkering krachtens de ZW wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.
Artikel 12, lid 3.
In geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof waarop recht ontstaat na het ontslag, wordt het ziekengeld van artikel 29a van de Ziektewet (100% van het gemaximeerde dagloon) aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde dagloon. Wanneer er aansluitend op het zwangerschaps- en bevallingsverlof sprake is van ziekte, valt de betrokkene onder de algemene regel van artikel 12, eerste lid.
Artikel 13 overlijdensuitkering.
Op basis van artikel 35 en 36 van de ZW hebben de nabestaanden van de overleden uitkeringsgerechtigde aanspraak op een overlijdensuitkering. Deze overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld over een maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering vult deze uitkering van de ZW aan tot aan 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken.
Artikel 14 aansluitende uitkering: diensttijd.
Voor berekening van de duur van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de diensttijd doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden.
Tevens wordt de tijd meegeteld die door de "Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP" als ambtelijke diensttijd wordt uitgesloten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als deelnemer aan een werkgelegenheids-verruimende maatregel.
Er gelden enkele uitzonderingen. In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de aansluitende uitkering. Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de vaststelling van de duur van de aansluitende uitkering.
De waardeoverdracht van pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP leidt niet tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken op een aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient evenmin te worden meegenomen als diensttijd.
Artikel 15, lid 2
uitkeringsvoorwaarden.
Zoals ook al bij artikel 2 is vermeld, ontstaat er niet in alle gevallen waarin er ontslag plaatsvindt, recht op WW. De relevante ontslaggronden uit het Ambtenarenreglement worden expliciet genoemd. Zie ook de toelichting op artikel 2.
Artikel 15, lid 2.
Wanneer door de uitvoeringsinstelling na een reorganisatieontslag de WW-uitkering wegens een sanctie geweigerd wordt en er krachtens artikel 9, derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend, bestaat er recht op een aansluitende uitkering.
Artikel 15, lid 3.
In geval van ontslag op basis van artikel 89 AR is er alleen recht op een aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.
Artikel 15, lid 4.
Het recht bestaat op een aansluitende uitkering gaat in op de eerste dag van de werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op een uitkering op basis van de WW bestaat.
Artikel 15, lid 5.
De aansluitende uitkering komt niet tot uitkering in de situatie waarin de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een suppletie krachtens hoofdstuk VII-a van het AR. Recht op een suppletie heeft de ambtenaar die is ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Na afloop van het recht de suppletieregeling kan er aanspraak op een aansluitende uitkering bestaan wanneer de duur van de aansluitende uitkering nog niet is verstreken.
Artikel 16, lid 1 uitkeringsduur.
De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de oude wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het percentage dat over de diensttijd wordt genomen. Anders dan bij de aanvullende uitkering kan het recht op de aansluitende uitkering in beginsel niet worden opgeschort. Een uitzondering hierop vormt artikel 24: scholing (zie ook de toelichting op artikel 21, tweede lid).
Artikel 16, lid 2.
Degene die op de ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, heeft - mits voldaan wordt aan de overige voorwaarden - recht op een aansluitende uitkering tot diens 65-jarige leeftijd. Deze bepaling komt in de plaats van de oude regeling van het verlengde wachtgeld (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60).
Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Doordat de aansluitende uitkering eindigt op de eerste van de daarop volgende maand kan er samenloop optreden. De AOW-uitkering wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.
Artikel 17 berekeningsgrondslag.
De berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering is het dagloon WW, echter zonder toepassing van het maximum dagloon (zie ook de toelichting op artikel 3).
Artikel 18 indexering.
Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt aangepast.
Artikel 19 uitkeringshoogte.
De hoogte van de WW plus aanvullende uitkering is na 15 maanden gelijk aan de na-wettelijke uitkering (beide 70%). De overgang zal in de regel dan ook geen consequenties hebben voor de hoogte van de totale uitkering die de betrokkene ontvangt.
Artikel 20, lid 1 beëindiging.
Tijdens de aansluitende uitkering bestaat er geen recht meer op WW. Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering van overeenkomstige toepassing verklaard Dit betekent dat het recht op een aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als bij een WW- uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW).
Artikel 20, lid 2.
Ingevolge artikel 7, onderdeel a van de ZW heeft de WW-gerechtigde tijdens ziekte recht op een uitkering krachtens de ZW. In dat geval bestaat er geen recht op WW (artikel 19 WW).
Tijdens de aansluitende uitkering bestaat er tijdens ziekte in de regel geen recht op een ZW-uitkering. Wanneer de WW-gerechtigde echter ziek is, is hij niet beschikbaar om arbeid te verrichten en derhalve niet werkloos in de zin van de WW. Het recht op WW zou dan eindigen en daarmee ook het recht op de aansluitende uitkering (volgens het vorige lid). Dit is niet de bedoeling. Daarom blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan wanneer men ziek is zonder recht op een ZW-uitkering. De uitkeringsduur wordt in dat geval niet opgeschort.
Artikel 20a nawerking Ziektewet.
Op grond van artikel 46 van de ZW kan er ook binnen een maand na afloop van de WW-uitkering tijdens ziekte recht ontstaan op een ZW-uitkering (nawerking). De situatie kan dan ontstaan dat betrokkene recht heeft op zowel een aansluitende uitkering als een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd.
Artikel 21, lid 1 herleving.
Indien na afloop van de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid, geen nieuw recht op een uitkering is ontstaan, herleeft het recht op de aansluitende uitkering.
Zie voor een verdere toelichting op het begrip herleving de toelichting op artikel 7.
Artikel 21, lid 2.
De artikelen 43 en 50 van de WW geven een regeling voor een verlenging van de duur van de WW-uitkering (zie ook in de toelichting op artikel 8).
Deze WW-bepalingen zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de aansluitende uitkering. De aansluitende uitkering wordt dus niet opgeschort wanneer de aansluitende uitkering herleeft na een beëindiging.
Artikel 22, lid 1
verplichtingen en sancties.
Hoewel de WW formeel niet meer van kracht is, blijft het verplichtingen- en sanctieregime op de aansluitende uitkering van toepassing.
Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt het restant van de sanctie uitgevoerd op de aansluitende uitkering.
Artikel 22, lid 2.
Het ZW-regime is van toepassing wanneer betrokkene door nawerking tijdens de periode van een aansluitende uitkering recht heeft op een ZW-uitkering.
Artikel 23 anticumulatie.
Volgens de WW leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de werkloosheid en derhalve tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt verricht voor minder dan 5 uren en minder dan de helft van het aantal verloren arbeidsuren. De aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt verricht.
Artikel 24 scholing.
Hoewel de WW tijdens de aansluitende uitkering niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven aan de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat uitkeringsgerechtigden na toestemming en onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, kunnen studeren met behoud van uitkering. Tijdens de scholing wordt de duur van de uitkering onderbroken; de einddatum verschuift. Het recht op aansluitende uitkering wordt hier dus - bij wijze van uitzondering - opgeschort.
Artikel 25 overlijdensuitkering.
Artikel 13 regelt het recht op een overlijdensuitkering tijdens een de aanvullende uitkering. In artikel 25 is vastgelegd dat er een gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van overlijden tijdens de aansluitende uitkering. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in welk geval artikel 13 nog van toepassing is, bestaat er geen aanspraak meer op een ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval geheel bovenwettelijk.
Artikel 26, lid 1 verhuiskosten.
Wanneer betrokkene elders arbeid ter hand gaat nemen, kan hem een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden toegekend van ƒ 5.000. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid. De verhuiskostenvergoeding kan alleen op aanvraag worden toegekend. Betrokkene zal de noodzakelijke informatie moeten overleggen. De tegemoetkoming in de verhuiskosten is een instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie in het arbeidsproces. Hierdoor kan een eventuele belemmering bij aanvaarding van een functie waarvoor een verhuizing noodzakelijk is, worden weggenomen.
Artikel 26, lid 2.
Indien de uitkeringsgerechtigde een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden toegekend voor zo ver deze hoger is dan de tegemoetkoming van de nieuwe werkgever.
Artikel 27, lid 1 verhuiskosten.
In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten. De opsomming is cumulatief: er moet aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan.
Artikel 27, lid 2.
Om te voorkomen dat de tegemoetkoming eventueel moet worden teruggevorderd, is vastgelegd dat de vergoeding achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend, moet komen vast te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd.
Artikel 28, lid 1
reïntegratietoeslag
.
De reïntegratietoeslag wil bevorderen dat een uitkeringsgerechtigde ook een nieuwe functie aanvaardt die lager wordt beloond. Recht op de toeslag bestaat wanneer het nieuwe dagloon minimaal 10% lager is zijn dan het dagloon in de oude betrekking. Net als bij de verhuiskostenvergoeding moet de reïntegratietoeslag worden aangevraagd.
Betrokkene zal de noodzakelijke informatie moeten overleggen.
Artikel 28, lid 2.
Om te voorkomen dat er berekeningen met lang durende terugwerkende kracht moeten worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort gehouden.
Artikel 28, lid 3.
Wanneer het dagloon daalt doordat er sprake is van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking, wordt het dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het dagloon in de nieuwe betrekking.
Artikel 28, lid 4.
Er dient een dienstverband van tenminste één jaar te zijn overeengekomen. Na afloop daarvan heeft betrokkene meestal nieuwe WW-rechten opgebouwd. Alleen bij tussentijdse werkloosheid (bijvoorbeeld ontslag tijdens de proeftijd), zal het eerste WW-recht - inclusief bovenwettelijke uitkering - weer herleven.
De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw berekend bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een aanspraak op reïntegratietoeslag kan worden ontleend.
Artikel 28, lid 5.
De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten bij werkhervatting voor een gering aantal uren. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan vijf uur en minder dan de helft van het aantal verloren arbeidsuren. In een dergelijk geval is er geen sprake een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering verminderd met 70 % van de nieuwe inkomsten.
Ook wanneer aan de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend (artikel 32) of de overgangsbepaling voor wat het anticumulatie-regime betreft van toepassing is (artikel 35), bestaat er geen recht op een reïntegratietoeslag.
Artikel 29, lid 1
reïntegratietoeslag
.
De duur van de reïntegratietoeslag is niet gelijk aan de volledige periode waarin nog recht zou bestaan hebben op een bovenwettelijke uitkering, aan driekwart van dat aantal gehele jaren.
Artikel 30, lid 4
reïntegratietoeslag
.
Betrokkene is verplicht om maandelijks bepaalde informatie te verstrekken. Wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen, kan het recht op reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld en daardoor niet tot uitkering komen.
Artikel 31, lid 4
reïntegratietoeslag
.
Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als betrokkene binnen zijn nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon behoudt.
Artikel 32, lid 1
reïntegratiepremie
.
De reïntegratiepremie is bedoeld om terugkeer naar het arbeidsproces te stimuleren. Er bestaat alleen aanspraak op deze premie wanneer het recht op een bovenwettelijke uitkering is ingegaan. Dit betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het ontslag gaat werken, niet voor de premie in aanmerking komt.
Artikel 33, lid 1
reïntegratiepremie
.
Het criterium in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven' als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever betekent dat de omstandigheden op de dag voorafgaand aan de werkhervatting bepalend zijn voor de berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis. Hetzelfde geldt voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een sanctie geen invloed. Wanneer op de dag voor de werkhervatting een uitsluitingsgrond voor het recht op WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte), waardoor het recht op uitkering geheel is beëindigd kan de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot uitbetaling komen na de herleving van het recht op uitkering.