Uit bovenstaande volgt dat het zinvol is om uitvoering te geven aan artikel 7 lid 2 van onze verordening tegenprestatie naar vermogen.
Er moeten meer criteria in komen aan de hand waarvan de consulent (diagnose en tegenprestatie) naar vermogen) kan inschatten of en wanneer er sprake is van verdringing en hoe de consulent verdringing kan voorkomen.
Zoals vermeld zijn er nauwelijks gemeenten te vinden die deze criteria al hebben opgesteld. Wij hebben daarom vooral literatuur geraadpleegd.
Uit de omschrijvingen van wat verstaan wordt onder de tegenprestatie naar vermogen zijn de criteria meer specifiek af te leiden.
Wat is de tegenprestatie naar vermogen?
Het naar vermogen verrichten van door het dagelijks bestuur opgedragen
- a)
onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
- b)
worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid (n die
- c)
niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt,
Deze definitie omschrijft de activiteit (“maatschappelijk nuttig” en additioneel) en
het feit dat voor deze activiteit niet betaald mag worden (“onbeloond”).
Gecombineerd zijn dan de volgende criteria te formuleren die met name betrekking hebben op additioneel en onbeloond.
Het begrip “maatschappelijk nuttig” biedt onvoldoende houvast om vandaar uit enig criterium
af te leiden. (Immers: wanneer is een activiteit maatschappelijk nuttig? Dit begrip wordt niet nader omschreven in de wetgeving en er is (voor zover bekend nog geen jurisprudentie over. Het kan gaan om activiteiten die nuttig zijn voor de lokale omgeving of voor de gemeente zelf. Maar ook de ontwikkeling van de uitkeringsgerechtigde die de tegenprestatie uitvoert wordt als maatschappelijk nuttig beschouwd. Bijvoorbeeld omdat de tegenprestatie mensen weer actief krijgt. Dit kan op de lange termijn helpen om de kosten voor de gemeenschap te reduceren. Dus m.a.w. bijna elke activiteit zou hieronder kunnen vallen).
Nadere regels
- □
De werkzaamheden moeten additioneel van aard zijn. Ze dienen zich te onderscheiden van de reguliere betaalde werkzaamheden: het moet om iets extra’s gaan waar normaal gesproken geen reguliere werknemers voor te vinden zijn.
Hierbij kan nog opgemerkt worden dat als alleen een onkosten-of een vorm van vrijwilligersvergoeding betaald wordt dat er dan toch sprake is van onbetaalde werkzaamheden. Gaat het om een onkostenvergoeding op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten dan hoeft hier niets mee gedaan te worden met betrekking tot de uitkering. Dit kan anders liggen bij een vrijwilligersvergoeding.
- □
Additionele werkzaamheden omvatten aanvullende activiteiten die onder normale bedrijfseconomische omstandigheden niet bedrijfseconomisch rendabel zijn om een gezonde bedrijfsvoering op orde te houden.
- □
Het moet gaan om activiteiten waar evident geen betaling tegenover staat. Het mag daarom niet gaan om activiteiten waarvoor de bijstandsgerechtigde of een ander normaal gesproken betaald wordt of eerder (minder dan één jaar geleden) nog betaald werd. Dit is het geval als eerder bestaande arbeidsplaatsen met vergelijkbare werkzaamheden binnen deze periode zijn wegbezuinigd bij de betreffende (overheids-)organisatie.
- □
Er mag geen vacature openstaan voor dezelfde of bijna dezelfde activiteiten als die bij de tegenprestatie zouden worden uitgevoerd.
- □
Er mogen geen eisen worden gesteld aan de productie die de bijstandsgerechtigde levert.
- □
Het mag geen werk zijn waarbij de bijstandsgerechtigde volledig zelfstandig moet functioneren.
- □
Het mag niet blijken dat het de werkgever vooral om gratis arbeidskrachten te doen is.
- □
Aan de hand van ervaringen in de praktijk kunnen deze nadere regels in de loop van de tijd al dan niet nog verder verfijnd of uitgebreid worden
Controlerend orgaan
Wie gaat bovenstaande nadere regels toetsen?
Je zou dit aan bijvoorbeeld aan een regionaal werkend orgaan kunnen toewijzen met als taak om te toetsen of er in de gemeente verdringing plaatsvindt. Zo’n controleorgaan moet dan volledig op de hoogte zijn van het fenomeen verdringing: wat houdt het in, waar wordt het door veroorzaakt en hoe kan het voorkomen worden? Dit orgaan moet vervolgens structureel onderzoek verrichten in de praktijk. Dit kan op verschillende manieren: het kan onder andere bedrijfsbezoeken doen bij betrokken werkgevers, het kan in gesprek gaan met reguliere werknemers, het kan navraag doen naar de ervaringen van bijstandsgerechtigden zelf en het kan een meldpunt openstellen waar iedereen melding kan doen van vermeende gevallen van verdringing.
Voor zover bekend kennen wij zo’n orgaan niet in de Bollenstreek en de vraag is natuurlijk of wij het zo zwaar zouden moeten optuigen (dit mede, omdat zoals hiervoor gesteld, het niet bekend is in hoeverre er nu daadwerkelijk sprake is van verdringing bij de tegenprestatie in de Bollenstreek).
Vandaar dat deze taak (voorlopig) overgelaten kan worden aan de consulent diagnose en tegenprestatie naar vermogen Voorstelbaar is dat zij eind 2018 met een notitie komen waarin zij hun bevindingen heirover neerleggen/
Dit kan aanleiding zijn om het beleid aan te passen. Het kan ook aanleiding is om het beleid op dit punt te verbreden en aan het SPW te vragen om bij de uitvoering van re-integratietrajecten, waarbij gewerkt wordt met behoud van uitkering, eveneens alert te zijn op verdringing (voor zover zij dat al niet zijn.) Het SPW zou dan bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van verdringingscriteria zoals die zijn geformuleerd in meer genoemd wetsontwerp verdringingstoets bij re-integratietrajecten1