Blad gemeenschappelijke regeling van ISD BOL
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
ISD BOL | Blad gemeenschappelijke regeling 2022, 1406 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
ISD BOL | Blad gemeenschappelijke regeling 2022, 1406 | beleidsregel |
Beleidsregels Boete ISD BOL 2023
Het dagelijks bestuur ziet af van een bestuurlijk boete en volstaat met het geven van een schríftelijke waarschuwing, als bedoeld in artikel 2aa van het Boetebesluit, indien:
de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
Bij recidive wordt de fictieve draagkracht bij een boeteoplegging die is berekend volgens de regels uit de vaste rechtspraak vermenigvuldigd met 150%.
De onder 5 lid 1 genoemde periode wordt dan:
Artikel 7 - Kwijtschelding boete
Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de in artikel 18a lid 13 Participatiewet, artikel 20a lid 12 IOAW en IOAZ, neergelegde bevoegdheid om op verzoek van de belanghebbende de bestuurlijke boete waarbij geen sprake is van opzet of grove schuld, geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling.
Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een boete voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
Artikel 9 - Invordering, kwijtschelding en heronderzoeken
Met betrekking tot invordering, kwijtschelding en heronderzoeken in verband met boeten geldt, voor zover de wet en onderhavig beleid niet anders bepaald, het regime zoals vastgelegd in paragraaf 2, 3, en 4 van hoofdstuk 2 van de Beleidsregels Debiteuren ISD BOL 2023.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur d.d. 14 december 2022.
de Voorzitter,
de Secretaris,
Toelichting op de beleidsregels
Met de invoering van de bestuurlijke boete is de gemeente (sociale dienst) verplicht een bestuurlijke boete op te leggen en deze met de lopende uitkering te verrekenen. De bestuurlijke boete dient opgelegd te worden in het geval de uitkeringsgerechtigde niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 Participatiewet I artikel 13 lid 1 IOAW. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Uiteraard wordt ook de ten onrechte verstrekte bijstand teruggevorderd. N.a.v. recente uitspraken dient de boetewetgeving op meerdere punten per 1-1-2017 gewijzigd te worden. Hierbij heeft ook een verruiming van de waarschuwingsmogelijkheid plaatsgevonden: fraude tot € 150,- benadeling en de zelfmelder binnen 60 dagen. Hiermee zijn de oude beleidsregels niet meer actueel en kent de wet nu een ruimere toepassing.
Gelet op de Toeslagenaffaire en de gewijzigde kijk op fraude in de afgelopen jaren is altijd maatwerk aan de orde. Mede hierdoor is de regeling in artikel 2 aangevuld met het volstaan met een waarschuwing bij een benadelingsbedrag lager dan € 150,00.
Op grond van artikel 18a lid 3 Participatiewet legt het dagelijks bestuur een bestuurlijke boete op indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag. Het bestuur kan echter op grond van artikel 18a lid 4 Participatiewet afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Wanneer er een waarschuwing is gegeven zoals bedoeld in artikel 2 en belanghebbende schendt opnieuw de inlichtingenplicht binnen 2 jaar na afgifte van de waarschuwing zonder benadelingsbedrag, dan wordt er een boete opgelegd van 25 euro. Een bedrag van 25 euro boete bij de eerstvolgende schending van de inlichtingenplicht wordt gezien als een redelijk bedrag gezien het feit dat er geen sprake is van een benadelingsbedrag. Hierbij is aansluiting gezocht met artikel 2 lid 11 Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Vervolgens wordt bij iedere nieuwe schending van de inlichtingenplicht de boete verhoogd met 25 euro. Dit betekent dus:
Eerste schending: waarschuwing
Tweede schending binnen 2 jaar: 25 euro
Vierde schending: 75 euro etc.
met een bovengrens van € 150,00.
Wanneer dezelfde tweede schending pas na 2 jaar plaatsvindt wordt opnieuw eerst een waarschuwing gegeven. Alvorens tot verhoging van de boete wordt overgegaan dient er sprake te zijn van een onherroepelijk besluit voor de voorgaande boete.
Op grond van gewijzigde wet- en regelgeving geldt voor belanghebbenden met een inkomen onder de beslagvrije voet de hoogte van het inkomen voor het bepalen van de voor beslag vatbare ruimte steeds 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor personen waarop de kostendelersnorm van toepassing is dient men dan 5% van de van toepassing zijnde kostendelersnorm als uitgangspunt voor het bepalen van de voor beslag vatbare ruimte te nemen (artikel 5 onderdeel c Participatiewet in combinatie met artikel 22a Participatiewet).
Bij de beoordeling van de boete wordt rekening gehouden met de financiële draagkracht. Als referentie inkomen voor de voor beslag vatbare ruimte wordt uitgegaan van de toepasselijke bijstandsnormen benoemd in artikel 475c t/m e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering én van de kostendelersnorm ex artikel 22a Participatiewet.
Door het toepassen van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, óók voor niet uitkeringsgerechtigden, worden discussies over wat nu precies het inkomen is voorkomen. Daarnaast worden hierdoor de boetes bij personen met inkomsten niet buiten proportioneel hoog. Door het hanteren van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm blijven de op te leggen boete bedragen redelijk betaalbaar.
Bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete dient het bestuur - als een belanghebbende beschikt over inkomen op bijstandsniveau - rekening te houden met het feit dat een belanghebbende de boete binnen een redelijke termijn van maximaal 2 jaar moet kunnen afbetalen. Hiermee wordt voorkomen dat een belanghebbende zeer lang op het absolute minimum blijft leven. Als een belanghebbende beschikt over een inkomen uit arbeid dat de bijstandsnorm ruim overschrijdt, geven zijn financiële omstandigheden geen aanleiding om de boete verder te matigen wegens verminderde draagkracht (zie CRvB 18-07-2017, nr. 15/6752 WWB).
In verband hiermee moet de hoogte van de boete zodanig worden begrensd dat een belanghebbende bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet, de boete in het geval van:
* opzet: binnen 24 maanden moet kunnen voldoen;
* grove schuld: binnen 18 maanden moet kunnen voldoen;
* normale verwijtbaarheid (geen opzet en geen grove schuld): binnen 12 maanden moet kunnen voldoen;
*verminderde verwijtbaarheid: binnen 6 maanden moet kunnen voldoen.
Er moet rekening worden gehouden met de draagkracht van een belanghebbende. Recidive verhoogt het benadelingsbedrag. Maar daarna moet nog worden beoordeeld of de boete moet worden gematigd in verband met de draagkracht van belanghebbende. Wordt de draagkracht berekend volgens het reguliere kader, dan kan de beoogde extra bestraffing voor het plegen van een herhaalde overtreding gedeeltelijk teniet worden gedaan. Om dit te voorkomen verlengd het bestuur bij recidive de aflostermijn in verband met draagkracht met 150%. Daarmee wordt recht gedaan aan de extra bestraffing die passend en geboden is voor het plegen van een herhaalde overtreding. Hiermee blijft het bestuur binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing (zie CRvB 03-09-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3052).
In het eerste lid is beschreven dat het bestuur, op verzoek van een belanghebbende, de mogelijkheid heeft om een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Om de mogelijkheid ook daadwerkelijk te kunnen toepassen dient het bestuur belanghebbende te verplichten mee te werken aan het oplossen van zijn schulden. Dit kan o.m. via wegwijzer geldzaken maar ook via schuldhulpverlening of een schuldregeling te realiseren en hieraan mee te werken. In het tweede lid is beschreven dat het bestuur, als belanghebbende een schuldregeling succesvol heeft doorlopen en er geen nieuwe boete is opgelegd, daadwerkelijk de boete geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 9 - Invordering, kwijtschelding en heronderzoeken
Toevoeging met “onderhavig beleid” omdat anders artikel 6 en artikel 8 elkaar tegenspreken. Zonder deze aanvulling is er sprake van strijdigheid met het vigerende kwijtscheldingsbeleid zoals opgenomen in de Beleidsregels Debiteuren.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 11 - Inwerkingtreding, overgangsrecht, vervallen bestaande uitvoeringsregels
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2022-1406.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.