Toestemming voor de opslag van verf- en harsachtige producten en verwerking en bewerking en transporteren hiervan aan Snekertrekweg 57 en 59 te Leeuwarden

1 Besluit

1.1 Aanvraag

Gedeputeerde Staten van Fryslân heeft op 11 maart 2021 een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen voor een revisievergunning. De aanvraag is ingediend door Zandleven Coatings BV (Waldijk beheer bv). De aanvraag is geregistreerd onder nummer 5902845.

De aanvraag heeft betrekking op de locatie Snekertrekweg 57 en 59 te Leeuwarden.

De volgende activiteiten zijn aangevraagd:

  • Milieu (revisie).

De aanvraag betreft een revisievergunning voor de opslag van verf - en harsachtige producten en verwerking en bewerking en transporteren hiervan. Met de voorliggende aanvraag wijzigt het aantal inpandige PGS 15-bunkers en de BRZO status.

De aanvraag betreft:

  • -

    elf opslagvoorzieningen voor opslag tot maximaal 10 ton gevaarlijke stoffen per voorziening;

  • -

    opslagvoorzieningen voor grondstoffen;

  • -

    opslag in boven- en ondergrondse tanks;

  • -

    4 productieruimtes;

  • -

    uitpandige opslagvoorzieningen voor lege emballage.

1.2 Besluit

Gedeputeerde Staten van Fryslân besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

  • 1.

    de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen overeenkomstig de aanvraag en de bij de aanvraag behorende bescheiden;

  • 2.

    dat de vergunning wordt verleend voor de volgende activiteiten:

    • a.

      het veranderen en reviseren van het in werking hebben van een inrichting voor de opslag, verwerking en bewerking en transporteren van verf- en harsachtige producten;

  • 3.

    dat de volgende stukken deel uitmaken van de vergunning:

    • het aanvraagformulier;

    • de bijlagen 0 t/m 24 van de aanvraag (zie overzicht bijlagen versie 3.0 dd 02-04-2021).

  • 4.

    dat er voorschriften aan de vergunning worden verbonden;

  • 5.

    dat de voorschriften § 2.2 in werking blijven gedurende 3 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren;

  • 6.

    voor zover de vergunningaanvraag niet in overeenstemming is met de gestelde voorschriften, de voorschriften bepalend zijn;

  • 7.

    dat de vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

1.3 Ondertekening

Gedeputeerde Staten van Fryslân,

namens dezen,

Mevrouw N.D. Baars

Directeur Omgevingsdienst Groningen

1.4 Verzending

Verzonden op: 5 juli 2021.

De volgende stukken worden meegezonden met het besluit:

  • Aanvraagformulier;

  • bijlagen 1 t/m 24;

  • overzicht bijlagen versie 3.0 van 02-april-2021.

Een exemplaar van dit ontwerpbesluit is verzonden aan:

  • aanvrager;

  • gemachtigde;

  • provincie Fryslân;

  • College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden;

  • Bestuur van de Veiligheidsregio Fryslân, Postbus 612, 8901 BK Leeuwarden;

  • Inspectie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Postbus 90801, 2509 LV Den Haag;

  • Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Postbus 20901, 2500 EX Den Haag;

  • Inspectie voor de Leefomgeving en Transport, Postbus 16191, 2500 BD te Den Haag.

1. VOORSCHRIFTEN ALGEMEEN

1.1 Algemeen

1.1.1 Voor de definities van de begrippen wordt integraal verwezen naar het gestelde in Af­deling 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij in de navolgende voor­schriften anders is bepaald.

1.2 Goedkeuring plannen

1.2.1 Indien op grond van een vergunningvoorschrift een plan of rapport ter goedkeuring aan bevoegd gezag moet worden overgelegd, dan moet dit plan of rapport binnen drie maanden nadat de vergunning in werking is getreden naar bevoegd gezag zijn gezonden.

1.2.2 Wijzigingen op het goedgekeurde plan moeten vóór invoering aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Deze wijzigingen worden na goedkeuring geacht deel uit te maken van het goedgekeurde plan, tenzij een andere procedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is.

1.3 Afvalscheiding

1.3.1 Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:

  • papier en karton;

  • Productie verliezen en andere gevaarlijke afvalstoffen;

  • elektrische en elektronische apparatuur;

  • kunststoffolie;

1.4 Opslag van afvalstoffen

1.4.1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

1.4.2 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen

1.5 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.5.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

  • a.

    alle gebouwen en de installaties met hun functies;

  • b.

    alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

1.5.2 Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.5.3 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.5.4 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

1.5.5 Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen die aangereden kunnen worden door verkeer moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

1.5.6 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van niet tot de inrichting horende woningen wordt voorkomen.

1.6 Instructies

1.6.1 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.6.2 De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aan wijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.7 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

1.7.1 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

1.7.2 Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

1.7.3 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.8 Registratie

1.8.1 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

  • a.

    alle overige voor de inrichting geldende milieuvergunningen en meldingen;

  • b.

    de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

  • c.

    de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

  • d.

    de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik.

1.8.2 De documenten genoemd in voorschrift 1.8.1 onder c en d moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

1.8.3 Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

1.9 Bedrijfsbeëindiging

1.9.1 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.9.2 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

2. BODEM

2.1 Doelvoorschriften

2.1.1 Het bodemrisico van een bodembedreigende activiteit moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de NRB 2012.

2.2 Bodemonderzoek

2.2.1 Een tussentijds onderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd:

  • -

    op aanwijzing van het bevoegd gezag nadat een redelijk vermoeden van bodemverontreiniging is ontstaan;

  • -

    Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het tussentijds onderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het tussentijdsonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden danwel plaatsvinden.

Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.

Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen – binnen 3 maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd – nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothese(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt.

Eindonderzoek

2.2.2 Binnen drie maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk 1 maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.

Herstelplicht (bodemsanering)

2.2.3 Indien uit het onderzoek, bedoeld in de voorschriften 2.2.1 dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in het onderzoek als bedoeld in het nulsituatieonderzoek.Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

3. EXTERNE VEILIGHEID

3.1 Brandbestrijding

3.1.1 Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen met gevaarlijke stoffen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

3.1.2 In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.

3.1.3 Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.

3.1.4 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds:

  • a.

    voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

  • b.

    goed bereikbaar zijn;

  • c.

    als zodanig herkenbaar zijn.

3.1.5 Het terrein moet zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken. 1.2 Opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties (PGS 31)

3.2.1 De opslag van oplosmiddelen en bindmiddelen in bovengrondse en ondergrondse tanks moet voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 31:2018 versie 1.1

  • a.

    2.2.1, 2.2.2. tot en met 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9 2.2.12, 2.2.14, 2.2.15, 2.2.16 2.2.21;

  • b.

    2.2.22,;

  • c.

    2.2.24, 2.2.26 ;

  • d.

    2.2.39 tot en met 2.2.43;

  • e.

    2.3.1 tot en met 2.3.8;

  • f.

    2.3.10, tot en met 2.3.15;

  • g.

    3.1.1, 3.1.2;

  • h.

    3.2.1, 3.2.3 en 3.2.4;

  • i.

    3.2.5 tot en met 3.2.8, 3.2.10 tot en met 3.2.15, 3.2.17 tot en met 3.2.20;

  • j.

    5.2.1 tot en met 5.2.3;

  • k.

    5.3.1;

  • l.

    5.3.6 en 5.3.10;

  • m.

    5.4.1 tot en met 5.4.4;

  • n.

    5.5.1 tot en 5.5.3;

  • o.

    5.6.1 tot en met 5.6.3;

  • p.

    5.7.1;

  • q.

    5.8.1;

  • r.

    6.2.1 6.2.3;

  • s.

    6.3.1 tot en met 6.3.3;

  • t.

    6.4.1, 6.4.4 tot en met 6.4.6 ;

  • u.

    6.4.7;

  • v.

    6.4.9 ;

  • w.

    6.6.1;

  • x.

    6.8.1 tot en met 6.8.2;

Vergunninghouder mag afwijken ten aanzien van het gestelde in de voorschriften 2.2.4, 2.2.7, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.10, 2.3.11, 5.2.2 op grond van gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

3.3 Overige voorschriften

3.3.1 Buiten gebruik gestelde procesapparatuur, procesleidingen en tanks moeten zijn gereinigd en worden geïsoleerd van andere in gebruik zijnde installaties bijvoorbeeld door middel van afblinden.

3.3.2 Installaties met gevaarlijke stoffen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij in elke situatie op een veilige manier uit bedrijf kunnen worden genomen.

3.4 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)

3.4.1 Binnen de inrichting mogen de hierna volgende maximale hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in de daarvoor bestemde opslagvoorzieningen:

opslagplaats

maximale hoeveelheid (ton)

toegestane ADR klasse

4001

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

4002

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

4003

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5001

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5002

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5003

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5004

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5005

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5006

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5007

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

5008

10

CMR, ADR, 3, 4.1, 8 en 9

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen in de bovengenoemde opslagvoorzieningen moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15:2016:

  • o

    paragraaf 3.1: voorschriften 3.1.1, 3.1.2, 3.1.3, 3.1.5;

  • o

    paragraaf 3.2: voorschriften 3.2.1, 3.2.2, 3.2.6, 3.2.7, 3.2.8, 3.2.9, 3.2.10;

  • o

    paragraaf 3.4: voorschriften 3.4.1, 3.4.3 t/m 3.4.11;

  • o

    paragraaf 3.5: voorschriften 3.5.1, 3.5.3;

  • o

    paragraaf 3.7: voorschriften 3.7.1 t/m 3.7.7;

  • o

    paragraaf 3.11: voorschriften 3.11.1 en 3.11.2;

  • o

    paragraaf 3.13: voorschriften 3.13.1, 3.13.2 en 3.13.3;

  • o

    paragraaf 3.14: voorschriften 3.14.1 en 3.14.2;

  • o

    paragraaf 3.15: voorschrift 3.15.1;

  • o

    paragraaf 3.16: voorschrift 3.16.1;

  • o

    paragraaf 3.17: voorschriften 3.17.1, 3.17.2 en 3.17.3;

  • o

    paragraaf 3.18: voorschrift 3.18.1;

  • o

    paragraaf 8.5.2: voorschrift 8.5.2.

3.4.2 In afwijking van voorschrift 3.4.1 mag in 4003 de opslag van maximaal 8 gasflessen (ADR klasse 2) stikstof plaatsvinden. Deze opslag moet naast de eisen uit voorschrift 3.4.1 voldoen aan voorschrift 6.1.3, 6.2.1, 6.2.2, 6.2.7, 6.2.9, 6.2.10, 6.2.11, 6.2.12, 6.2.14, 6.2.15, 6.2.17, 6.2.18 en 6.2.19.

3.4.3 De opslagvoorzieningen 4001 t/m 4003 en 5001 t/m 5008 moeten voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15:2016:

  • o

    paragraaf 4.6: voorschrift 4.6.1;

  • o

    paragraaf 4.7: voorschrift 4.7.1;

  • o

    paragraaf 4.8: voorschriften 4.8.11.

3.4.4 Voor een opslagvoorziening moet de nominale bluswateropvangcapaciteit:

  • indien stoffen van ADR-klasse 8 zijn opgeslagen, ten minste 50 % bedragen van de nominale capaciteit;

  • indien stoffen van ADR-klasse 3 zijn opgeslagen, ten minste 25 % bedragen van de nominale capaciteit.

3.4.5 De stapelhoogte in de opslagvoorziening bedraagt maximaal 2.8 meter.

3.5 Gelijkwaardigheid opslagvoorzieningen PGS 15

3.5.1 Voor de opslagvoorzieningen 4001 t/m 4003 en 5001 t/m 5008 moet een vrije ruimte van 5 meter worden aangehouden, welke geheel vrij van opslag moet worden gehouden. Deze moet duidelijk zijn gemarkeerd.

3.5.2 De deuren dienen eenzijdig getest te zijn in combinatie met de 5 meter vrije ruimte aan de voorkant van de opslagvoorzieningen. In afwijking van het gestelde van voorschrift 3.2.9 PGS 15:2016 behoeven de opslagvoorzieningen dan niet te voldoen aan de eis van tweezijdig testen zoals bedoeld in NEN 6069.

3.5.3 De productieruimten 1, 2 en 3 en de PGS 15 opslagvoorzieningen 4001,4002, 4003 en 5001 t/m 5008 moeten zijn uitgevoerd zoals is beschreven in het UPD nr. 2302-20-01E dat is beoordeeld door de geaccrediteerde inspectie-instelling Kiwa R2B (inspectierapport d.d. 29-01-2021), met een:

  • -

    brandmeldinstallatie met ruimtebewaking conform NEN 2535, en;

  • -

    blusschuiminstallatie op grond van NFPA11, brandgrootte 1, snelle detectie, 12 minuten sterkte van de constructie en een volschuimtijd van 2 minuten per ruimte.

3.5.4 Bij inwerkingtreding van deze vergunning moet de in voorschrift 3.5.3 bedoelde blusschuiminstallatie bedrijfsgereed zijn.

3.6 Bouwbesluit 2012 Gelijkwaardigheid productieruimten

3.6.1 Productieruimten 1, 2 en 3 moeten zijn voorzien van een blusschuimbeveiliging op basis van ruimte blussing. De blusschuiminstallatie moet worden aangestuurd door een brandmeldsysteem.. De volschuim tijd mag maximaal 2 minuten bedragen en moet voldoen aan de uitgangspunten zoals omschreven in het UPD nr.23-20-01E.

3.6.2 Productieruimte 1, 2 en 3 moeten zijn voorzien van een brandmeldsysteem welke in geval van brand, de in deze ruimte aanwezige schuim blusinstallatie activeert.

3.7 Werkvoorraad gevaarlijk stoffen

3.7.1 De werkvoorraad ADR geclassificeerde stoffen en CMR stoffen in de productieruimtes dient te voldoen aan voorschrift 3.1.3 van de PGS 15: 2016. De werkvoorraad dient dan ook na werktijd en/of sluitingstijd uit de productieruimtes te zijn verwijderd en afgevoerd naar een PGS 15-opslagvoorziening.

3.8 Opslag gevaarlijke stoffen in de productieruimten 1,2 en 3

3.8.1 In de productieruimtes mogen onderstaande hoeveelheden ADR- en CMR-geclassificeerde gevaarlijke stoffen worden opgeslagen (opslaglocatie in de productieruimtes 1, 2 of 3 zie plattegrondtekening bijlage 20 van de aanvraag):

1= Middenstelling PR3 max: 5000 kg

2= Bunkers onder nieuwe bordes PR2 max: 1400 kg

3= Stelling PR2 max: 1100 kg

4 = Tegenover TDF PR1 max: 500 kg

3.8.2 Per opslaglocatie moeten onderstaande opslagvoorwaarden voor de opslag van ADR- en CMR-geclassificeerde stoffen in acht worden genomen (zie plattegrondtekening bijlage 20 van de aanvraag):

Locatienr

Max. opslaghoogte (in meter)

Emballage

1

2,05

Metaal

2

1,75

Metaal

3

2,40

Metaal

4

1,00

Metaal

3.8.3 Per ruimte geldt de in de tabel opgenomen volschuimhoogte en maximale opslaghoogte voor brandbare stoffen overeenkomstig het UPD nr. 2302-20-01E

Ruimte

Volschuimhoogte (m)

Maximale opslaghoogte (m)

Productieruimte 1

3.2 meter

2.6 meter

Productieruimte 2

4.4 meter

3.8 meter

Productieruimte 3

4.4 meter

3.8 meter

PGS 15 opslag voorzieningen

3.4 meter

2.8 meter

3.8.4 Binnen een afstand van 10 meter tot de buitengevels van productieruimten 1, 2 en 3 mogen geen goederen worden opgeslagen.

3.9 Tijdelijke opslag in productieruimte 3

3.9.1 De tijdelijke opslag, in afwachting van afvoer, moet voldoen aan de volgende voorschriften van PGS 15:2016:

  • voorschrift 5.2.2;

  • paragraaf 5.4: voorschriften 5.4.1 (m.u.v. voorschrift 3.2.4, par. 3.10, par. 3.12, par. 3.15, par. 3.16, par. 3.19), 5.4.2, 5.4.5, 5.4.6, 5.4.7, 5.4.8;

  • paragraaf 5.7.1: voorschriften 5.7.4, 5.7.5.

Toelichting

De tijdelijke opslag moet aan het eind van de werkdag van de werkvloer zijn verwijderd

3.9.2 Binnen deze productieruimte mag maximaal 1 vak worden ingericht voor de tijdelijke opslag.

3.9.3 Het vak moet worden gesitueerd op minimaal 1,5 meter afstand van de middenstelling in deze ruimte.

3.9.4 In het vak mogen maximaal 6 ton gevaarlijke stoffen waaronder brandbare vloeistoffen ADR 3 tijdelijk worden opgeslagen.

3.10 Specifieke voorschriften

3.10.1 De verladingsactiviteiten moeten worden uitgevoerd door de vervoerder en onder permanent toezicht van een vakbekwaam medewerker. Beiden hebben goed zicht op het lospunt.

3.10.2 Per jaar mag het aantal lossingen voor oplosmiddelen ( 49 per jaar) en bindmiddelen (129 per jaar) bedragen. Dit moet worden vastgelegd in een logboek.

3.11 Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur

3.11.1 Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies, welke niet of slecht functioneert, moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.

3.11.2 De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat ze door terzake kundig personeel worden geaccepteerd.

3.12 Uitgangspuntendocument (UPD)

3.12.1 Het uitgangspuntendocumenten moeten iedere vijf jaar door een voor deze verrichting geaccrediteerde inspectie instelling worden beoordeeld.

3.12.2 De in het voorgaande voorschrift bedoelde inspectie-instelling moet op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17020 zijn geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Het goedgekeurde uitgangspuntendocument, alsmede het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling moet binnen de inrichting aanwezig zijn.

3.12.3 In geval van verandering dan wel aanpassing van de brandbeveiligingsinstallatie moeten de (nieuwe) uitgangspunten vooraf worden beoordeeld door een voor deze verrichting geaccrediteerde inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 3.12.2 van deze beschikking.

3.12.4 Het (nieuwe) uitgangspuntendocument alsmede de beoordeling ervan moeten zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de verandering dan wel aanpassing van de brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen.

3.12.5 Iedere twaalf maanden, of korter indien de ontwerpnorm dat voorschrijft, na aanleg van de brandbeveiligingsinstallatie moet door een voor deze verrichting geaccrediteerde inspectie A-instelling of door een op basis van EN 45011 door de Raad van Accreditatie geaccrediteerde certificatie-instelling worden beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie functioneert en is onderhouden conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten.

3.12.6 Het in voorschrift 3.12.5 bedoelde goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet binnen twee maanden na goedkeuring van de uitgangspunten aan het bevoegd gezag worden toegezonden.

3.12.7 Met betrekking tot de brandbeveiligingsinstallatie moeten de volgende documenten binnen de inrichting aanwezig zijn:

  • a.

    het goedgekeurde uitgangspuntendocument;

  • b.

    een beoordeling door het bevoegd gezag met betrekking tot de actualiteit van het uitgangspuntendocument;

  • c.

    het goedkeurend inspectierapport of certificaat van de opleveringinspectie;

  • d.

    de rapporten of certificaten van de in voorschrift bedoelde periodieke functionering-onderhoudsinspecties.

De onder b., c. en d. genoemde documenten moeten tevens in kopie aan het bevoegd gezag en de regionale brandweer worden toegezonden.

3.12.8 De opslag van gevaarlijke stoffen dient in overeenstemming te zijn met hetgeen vermeld is in het uitgangspuntendocument.

4. ENERGIE 

4.1 Energierelevante inrichting

4.1.1 Vierjaarlijks, te beginnen 1 januari 2022 moet een (geactualiseerd) energieonderzoek worden ingediend. Het energie-efficiëntieplan moet de volgende elementen bevatten:

  • a)

    een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel);

  • b)

    een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen en waarin ook de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus, zijn weergegeven;

  • c)

    per maatregel (techniek/voorziening):

    • de jaarlijkse energiebesparing;

    • de (meer) investeringskosten;

    • de verwachte economische levensduur;

    • de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden;

    • een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing;

    • de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is.

  • d)

    good house keeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing.

  • e)

    een energie uitvoeringsplan voor de energiebesparende maatregelen. In het energie uitvoeringsplan is ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd.

  • f)

    Indien sprake is van actualisatie van het energieonderzoek en de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d en e uit het energieonderzoek.

4.1.2 Vergunninghouder mag een maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de vervangen maatregel.

4.1.3 De maatregelen die zijn aangegeven in energie uitvoeringsplan moeten binnen de daarin aangegeven termijnen worden uitgevoerd.

4.1.4 Vergunninghouder mag een maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins aan het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte groter dan die van de vervangen maatregel.

4.1.5 Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het energieonderzoek actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. In geval de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d en e uit het energieonderzoek.

Het geactualiseerde energieonderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energieonderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.

5. GELUID

5.1 Algemeen

5.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

5.1.2 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,Lt veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, mag op rekenpunt 09-A ,dat op 25 meter afstand van de inrichtingsgrens is gelegen niet meer bedragen dan 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

5.1.3 In de dagperiode mag het maximaal geluidsniveau, LAmax, gecorrigeerd met de meteocorrectie Cm, op rekenpunt 003-A, Harlingerweg 70 , niet meer bedragen dan 65 dB(A) in de dagperiode.

5.1.4 De in deze paragraaf genoemde geluidsniveaus dienen te worden bepaald en beoordeeld volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, 1999. De beoordelingshoogte op beoordelingspunt 09_A bedraagt 5 meter boven het plaatselijk maaiveld niveau. De beoordelingshoogte bij beoordelingspunt 003-A bedraag 1,5 meter boven het plaatselijk maaiveld niveau.

5.2 Specifieke voorschriften

5.2.1 Het in deze vergunning met betrekking tot het maximale geluidniveau gestelde is niet van toepassing op het laden of het lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

5.2.2 Gedurende het laden of het lossen mag de motor van het voertuig waarin wordt geladen of waaruit wordt gelost niet in werking zijn tenzij het in werking zijn van de motor noodzakelijk is voor het laden en het lossen.

5.2.3 Het laden en lossen van goederen mag uitsluitend plaatsvinden op het terrein van de inrichting.

6. PROCESINSTALLATIES

6.1.1 Ter voorkoming van ongewenste uitstroming moeten productafsluiters in productieleidingen die naar de lucht afvoeren en die tijdens normaal bedrijf niet worden gebruikt (maar wel ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden) zijn voorzien van blindflenzen of afsluitdoppen.

6.1.2 Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.

6.1.3 De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.

6.1.4 De capaciteit van het rioleringssysteem moet zodanig zijn dat hemelwater en/of de hoeveelheid bluswater dat vrijkomt bij het maatgevend bedrijfsbrandweerscenario, kan worden afgevoerd.

6.1.5 Vergunninghouder moet altijd beschikken over een actueel onderhoudsschema en controleplan van de procesinstallatie. 

7. AFVALWATER EN WATERBESPARING

7.1.1 Bedrijfsafvalwater mag alleen in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

  • de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur;

  • de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk;

  • de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

7.1.2 Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd moet aan de volgende eisen voldoen:

  • de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008);

  • de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012);

  • het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.

7.1.3 Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NEN-norm.

7.1.4 De volgende stoffen mogen niet worden geloosd:

  • stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken;

  • stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken;

  • stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken;

  • grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen.

2 Procedure

2.1 Uitgebreide procedure

Dit besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Aangezien bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag geen MER moet worden gemaakt hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.

2.2 Volledigheid aanvraag

Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen.

De aanvraag is daarnaast getoetst aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) en op inhoud beoordeeld. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen.

2.3 Projectbeschrijving

De aanvraag betreft een revisievergunning voor de opslag van verf- en harsachtige producten en verwerking en bewerking en het transporteren hiervan. Met de voorliggende aanvraag wijzigt het aantal inpandige PGS 15-bunkers en de BRZO status.

De aanvraag betreft:

  • -

    elf opslagvoorzieningen voor opslag tot maximaal 10 ton gevaarlijke stoffen per voorziening;

  • -

    opslagvoorzieningen voor grondstoffen;

  • -

    op-en overslag in boven en ondergrondse tanks;

  • -

    4 productieruimtes;

  • -

    uitpandige opslagvoorzieningen voor lege emballage.

2.4 Bevoegd gezag

Gelet op de projectbeschrijving en op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage, zijn wij bevoegd te beslissen op de aanvraag omgevingsvergunning. Wij zijn er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Verder moeten wij ervoor zorgen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

De activiteiten van de inrichting vallen onder één of meerdere categorieën van bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor) waarvoor geldt dat Gedeputeerde Staten bevoegd gezag kunnen zijn. Aangezien de inrichting een inrichting is waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is, zijn wij op grond van artikel 2.4 Wabo in samenhang met artikel 3.3 en bijlage I onderdeel C van het Bor bevoegd om te beslissen op de aanvraag. Wij zijn er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving aan de orde komen. Verder moeten wij ervoor zorgen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

De inrichting valt onder meer onder categorie 1a (Bevi) en 4.4, van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van de in de inrichting aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen die de lage drempelwaarde uit Bijlage 1 van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 overschrijdt, is dat besluit van toepassing op de inrichting.

Daarom zijn wij op grond van artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid, van het Bor het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen.

Aangezien er sprake is van activiteiten die onder categorie 4.4 onder b vallen is er sprake van een vergunningplichtige inrichting.

2.5 Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo en de artikelen 6.1 tot en met 6.4 Bor, hebben wij de aanvraag ter advisering verzonden aan:

  • Burgemeester en wethouders van Leeuwarden;

  • waterschap Wetterskip Fryslân;

  • het bestuur van de Veiligheidsregio Fryslân.

  • de minister van Infrastructuur en Milieu (Rijkswaterstaat);

  • de toezichthouder van de Arbeidsomstandighedenwet;

en de gelegenheid geboden om te adviseren op de aanvraag.

De aanvraag heeft betrekking op het oprichten, veranderen, veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting die behoort tot één van de in bijlage III Bor aangewezen categorieën. Daarom is, gelet op artikel 6.3 lid 2 Bor, het ontwerpbesluit ook ter advisering aan de inspecteur gezonden.

Wij hebben op 9 april 2021advies op de aanvraag ontvangen van Veiligheidsregio Fryslân:

  • het advies houdt in:

Uit de aanvraag volgt dat Zandleven met dusdanig veel gevaarlijke stoffen werkt dat deze inrichting onder de werking valt van het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo 2015) en daarmee ook automatisch valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Veiligheidsregio Fryslân heeft in haar advies gekeken naar onderstaande aspecten:

  • -

    Externe Veiligheid.

    • plaatsgebonden risico;

    • groepsrisico.

  • -

    Zelfredzaamheid effectgebied/ risicobron.

  • -

    Brzo 2015:

    • Kennisgeving.

  • -

    Advies risico’s en brandweerzorg.

    • te borgen dat Zandleven aan risicocommunicatie moet doen op basis van artikel 8 van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015, zodat de bedrijfshulpverlening maar ook bedrijven en aanwezigen in de omgeving zich kunnen voorbereiden op de scenario’s met het bijbehorende handelingsperspectief. De aangevraagde gelijkwaardigheden en bijbehorende uitgangspunten duidelijk/expliciet te verwoorden in de vergunning. De openstaande punten uit het doorlopen toezichttraject van afgelopen periode te bespreken met Zandleven en zo nodig te laten aanpassen in de aanvraag of op te nemen in de vergunning. Veiligheidsregio Fryslân te betrekken bij het verdere proces, zoals bij het opstellen van de ontwerpbeschikking.

In de inhoudelijke overwegingen wordt nader op dit advies ingegaan en is aangegeven hoe wij dit advies bij onze besluitvorming hebben betrokken.

2.6 Kennisgeving en terinzagelegging

Van dit ontwerpbesluit wordt kennisgegeven door publicatie in het Friesch Dagblad, de Leeuwardercourant en op de website van provincie Fryslân.

Het ontwerpbesluit met de daarbij behorende stukken liggen in het provinciehuis van provincie Fryslân gedurende zes weken ter inzage.

2.7 Zienswijzen

Tussen 10 mei 2021 tot en met 21 juni 2021 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is op 3 juni 2021 een zienswijze ingediend. De zienswijze is ontvankelijk en in behandeling genomen en is als volgt samengevat:

Zienswijze en reactie op de zienswijze

1. Opslag gevaarlijke stoffen

De aanvraag bevat een beschrijving van de opgeslagen gevaarlijke stoffen in tien bunkers. In Tabel 23 van de aanvraag is aangegeven dat in bunker B 5008 maximaal 9999 kg ADR 4.1 (VG I, VG II en VG III) wordt opgeslagen. De overige bunkers hebben volgens tabel 23 geen opslag van ADR 4.1. In het UPD is echter in paragraaf 2.3 aangegeven dat in alle tien de opslagbunkers ADR 4.1 wordt opgeslagen en dat geen ADR 4.1 VG I wordt opgeslagen. De aanvraag is niet consistent op het punt van ADR 4.1 en de verpakkingsgroep. Daarnaast is in het ontwerpbesluit aangegeven in voorschrift 3.4.1 dat in alle elf de bunkers ADR 4.1 mag worden opgeslagen. De verpakkingsgroep is daarbij niet aangegeven (dus zijn alle drie de verpakkingsgroepen toegestaan). De opslag van ADR 4.1 in alle bunkers is echter niet aangevraagd. Tevens is niet beoordeeld of aan hoofdstuk 8 van PGS 15 wordt voldaan. In het ontwerpbesluit is alleen aan hoofdstuk 3, 4 en 5 van PGS 15 getoetst. Voor ADR 4.1 VG I, II en III gelden conform hoofdstuk 8 speciale eisen waaraan nog dient te worden getoetst.

Ad 1: In voorschrift 3.4.1 is inderdaad de opslag van ADR 4.1 toegestaan en zijn er geen voorwaarden gesteld aangaande de max. toegestane hoeveelheid per opslagruimte en verpakkingsgroep.

Door Zandleven zijn dergelijke stoffen wel aangevraagd blijkens bijlage 12c en bijlage 12d:

Deze stoffen zijn door Zandleven in de kennisgeving ingedeeld in de categorie P5c zijnde ADR 3. Echter is op grond van de H-zinnen van de vermelde H-zin H228 wel degelijk sprake van stoffen/mengsel categorie 1 en categorie 2. Hiermee vallen deze stoffen in ADR 4.1 VG II en III.

In het aanvraagformulier is in tabel 23 inderdaad een hoeveelheid van maximaal 9999 kg ADR 4.1 vermeld in bunker B5008.

Aan het ontwerp- besluit is voorschrift 8.5.2 PGS 15 niet verbonden. Aangezien de opslagvoorziening "nagenoeg" voldoet aan bn1 zoals vastgelegd in voorschrift 3.5.3 middels een automatisch blussysteem is het vastleggen van de verpakkingsgroep dan ook niet nodig.

De zienswijze is deels gegrond. Aan vergunningvoorschrift 3.4.1 is PGS 15 voorschrift 8.5.2 toegevoegd.

2. ADR 2

In tabel 23 is in geen van de bunkers de opslag van ADR 2 aangevraagd. In voorschrift 3.4.1 wordt echter in bunker 4003 de opslag van 10 ton ADR 2 vergund en in voorschrift 3.4.2 zijn 8 gasflessen stikstof in bunker B4003 vergund (conform bijlage 23). Ook in het UPD (nr 2302-20-01E d.d. 27 januari 2021) is geen ADR 2 opgenomen. Omdat volgens tabel 23 geen ADR 2 is aangevraagd dient de opslag van ADR 2 in voorschrift 3.4.1 en 3.4.2 te worden verwijderd. Indien ADR 2 wel wordt aangevraagd dient aan hoofdstuk 6 van PGS 15 te worden getoetst en dient dit op 8 gasflessen stikstof te worden gemaximeerd in plaats van 10 ton.

De zienswijze is gegrond. De voorschriften 3.4.1 en 3.4.2 zijn aangepast.

3. ADR 3, 8 en 9

In tabel 23 is aangegeven in welke bunkers ADR 3, 8 en 9 liggen opgeslagen. Dit komt niet overeen met de toegestane ADR-klasse zoals beschreven in voorschrift 3.4.1. Voor bunker 4001, 4002 en 4003 is alleen opslag van ADR 3 aangevraagd en geen ADR 2, 4.1, 8 en 9. Voor bunker 5008 is geen opslag van ADR 8 aangevraagd. Voor bunker 5006 is geen opslag van ADR 4.1 aangevraagd. Voor de bunkers 5001 tot en met 5005 en bunker 5007 is geen opslag van ADR 4.1 en 9 aangevraagd. Tabel 23 in de aanvraag komt ook niet overeen met de beschrijving in paragraaf 2.3 van het UPD.

Ad 3: De aangevraagde ADR-klassen heeft Zandleven wel opgenomen in bijlage 12c, 12d en 23. Deze zijn niet gespecificeerd per bunker. Naar onze mening is dit als zodanig ook niet nodig om voorschrift 3.4.1 aan te passen aan de gegevens in tabel 23 en het UPD hierop aan te passen. Met het gerealiseerde beschermingsniveau in de bunkers is de verpakkingsgroep voor de toegestane ADR-klassen 3, 4.1, 8 en 9 niet bepalend.

De zienswijze is deels gegrond.

4. Beschermingsniveau PGS 15

In het UPD is aangegeven dat aan beschermingsniveau 2a van PGS 15 is getoetst. In het document Aanvraag Revisievergunning verzoek tot gelijkwaardigheid (d.d. 09-03-2021) is aangegeven dat vanwege acht afwijkingen van PGS 15 gelijkwaardigheid wordt aangevraagd. Bij zeven afwijkingen is aangegeven dat als extra maatregel een brandmeldinstallatie en een brandblusinstallatie er voor zorgt dat de ruimte waarin de blussing plaats dient te vinden, zeer snel na detectie volledig is gevuld met schuim.

Voor de opslag van ADR 3 geldt conform hoofdstuk 3 een maximum van 2500 kg. Volgens voorschrift 3.4.1 mogen de elf bunkers samen tot 10 ton ADR bevatten. Dit betekent dat toetsing aan hoofdstuk 3 van PGS 15 niet volstaat en maatregelen zoals door de aanvrager voorgesteld (detectie en blussing) worden opgelegd. Indien detectie en blussing worden voorgeschreven dient getoetst te worden aan tabel 4.1 van PGS 15 en de daarbij behorende voorschriften uit hoofdstuk 4 te worden opgenomen (zoals bijvoorbeeld 4.8.1, 4.8.7, 4.8.8, 4.8.9 en 4.8.10). Immers in elf bunkers kan ADR 3 worden opgeslagen tot in totaal maximaal 110 ton ADR 3. Dat maakt dat ook beschermingsniveau 1 dient te zijn gerealiseerd. Het UPD toetst enkel aan beschermingsniveau 2a, maar dient ook aan beschermingsniveau 1 te toetsen. In het UPD is opgenomen dat niet aan voorschrift 4.8.7 van PGS 15 is getoetst. Getoetst is aan de afgeleide doelstelling (CCV-Inspectieschema BB-AD) en niet aan het CCV-Inspectieschema Uitgangspuntendocumenten Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen (UPD-PGS) en CCV-Inspectieschema Brandbeveiliging PGS. Het UPD dient hierop aangepast te worden.

Ad 4: Wij hebben op grond van de toegestane hoeveelheid ADR 3 van 2500 kg in alle 11 PGS 15 bunkers een maximale hoeveelheid ADR 3 van 10 ton toegestaan. Ter invulling van gelijkwaardigheid hebben wij voor elke bunker voorgeschreven dat deze moet zijn uitgerust met een VBB-systeem.

Zandleven beschikt over een bestaand VBB-systeem dat is aangelegd in de productieruimten. Hiervoor is een UPD opgesteld (op grond van het Bouwbesluit). Dit bestaande systeem wordt uitgebreid in alle 11 bunkers. (uitbreiding als 1 bluszone waarbij bij activatie alle 11 bunkers tegelijk worden volgeschuimd). Het ontwerp van het bestaande VBB-systeem is gebaseerd op de doelstelling beheersing van een brand in de productieruimten en niet op de doelstelling van PGS 15 zijnde blussen van een brand. Wij zijn echter van mening dat het hanteren van verschillende inspectieschema's voor zowel de productieruimten en de PGS-bunkers resulteert in meer onduidelijkijkheid en kan dit juist mogelijk leiden tot calamiteiten. Met de vergunning wordt er geen beschermingsniveau, zoals bedoeld in PGS 15, voorgeschreven.

In het kader van gelijkwaardigheid is er een in de productieruimten en de PGS-15-opslagen een blusschuiminstallatie aanwezig. Ontworpen, aangelegd en onderhouden aan de hand van de systematiek zoals beschreven in PGS 15.

De zienswijze is ongegrond.

5. Kwantitatieve risicoberekening (QRA)

Zoals in het advies van IL&T op de ingetrokken aanvraag van december 2020 is aangegeven, dienen tanks altijd in een QRA te worden meegenomen. Het feit dat de bovengrondse tanks inpandig zijn is geen argument om ze niet in de QRA bij de nieuwe aanvraag mee te nemen. De ontstekingskans mag bij de ondergrondse tanks niet gehanteerd worden om ze niet te selecteren voor de QRA (d.d. 10-02-2021). Bovengrondse en ondergrondse tanks zijn onterecht niet meegenomen in de QRA (tabel 17 en 22 van de Handleiding Risicoberekeningen Bevi versie 3.3). Hierdoor is niet op de juiste wijze het risico bepaald en kan niet beoordeeld worden of aan het Bevi wordt voldaan.

Ad 5: De bovengrondse tanks zijn niet meegenomen in de QRA. Deze bevinden zich in de productieruimte (een afgeschermd deel van de ruimte met een WBDBO van 60 min). Bij het vrijkomen van een vloeistof gevolgd door ontsteking zal de plas beperkt blijven tot de ruimte zelf.

Gelet hierop heeft het niet meenemen van deze activiteit geen gevolgen voor de berekende externe risico's. Het effect komt immers niet buiten de inrichtingsgrens.

Voor de ondergrondse tanks zijn naar onze mening terecht de ontstekingskans meegewogen. Hiermee is de kans van optreden van het scenario 1E-10 en valt hiermee onder de afkapgrens van de Hrb.

De zienswijze is ongegrond.

6. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

Door Zandleven worden (potentiele) Zeer Zorgwekkende Stoffen als gevolg van de activiteiten geëmitteerd. Zoals aangegeven in het ZZS-overzicht bij de aanvraag zijn dat diverse kankerverwekkende en reprotoxische stoffen.

Op 1 januari 2016 is de zogenaamde minimalisatieverplichting voor emissies van ZZS naar de lucht vastgelegd in het Activiteitenbesluit (art 2.4 lid 2). Op grond van artikel 2.4, lid 3 van het Activiteitenbesluit had Zandleven in januari 2021 voor het eerst informatie over de emissies van ZZS naar de lucht en de mogelijkheden om de emissies van die stoffen te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken aan het bevoegd gezag moeten rapporteren. Uit de ontwerpbeschikking kan niet afgeleid worden of Zandleven in januari 2021 een rapportage heeft overgelegd waarmee voldaan zou worden aan 5-jaarlijkse minimalisatieverplichting als bedoeld in het Activiteitenbesluit (art 2.4 lid 3). Uit de aanvraag en het ontwerpbesluit blijkt dat er geen zicht is op de emissies en het beperken van de (p)ZZS. Door het ontbreken van deze informatie kunnen de aard, omvang en duur van de (p)ZZS emissies of toetsing aan emissiegrenswaarden of immissiegrenswaarden (MTR en VR) en de minimalisatie van de (p)ZZS niet beoordeeld worden. Nu deze informatie ontbreekt moet mogelijk tot 2026 gewacht worden op de eerste ZZS-rapportage. Daarom dient deze informatie alsnog bij het bedrijf op gevraagd te worden of een voorschrift in de vergunning op te nemen dat Zandleven verplicht om binnen zes maanden na vergunningverlening een rapportage over de minimalisatie, de emissies en immissies van (p)ZZS in moet dienen.

Ad4: Zandleven heeft op ons verzoek alle grondstoffen geanalyseerd op aanwezigheid van ZZS en potentiele ZZS (pZZS). Zandleven heeft aangegeven dat er geen sprake is van indirecte lozingen van ZZS maar wel van emissies naar de lucht. Er is geen getalsmatige opgave gedaan. Van een aantal stoffen wordt aangegeven dat deze worden uit gefaseerd.

Zoals door ILT reeds is aangeven is hier het Activiteitenbesluit rechtstreeks op Zandleven van toepassing. Door toezicht wordt hierop geacteerd. De door ILT benoemde informatie is reeds opgevraagd.

Wij achten de zienswijze ongegrond.

3 Inhoudelijke overwegingen

1.1 BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

Een actueel overzicht van de BBT-conclusies vindt u op de website van Kenniscentrum InfoMil www.infomil.nl/bbt-conclusies.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • -

    de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • -

    de toepassing van stoffen die minder gevaarlijke zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening (nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • -

    de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • -

    vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • -

    de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • -

    de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • -

    de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • -

    de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • -

    het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • -

    de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • -

    de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op basis van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

1.1.1 Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Op grond van artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT, zoals opgenomen in de bijlage bij deze Regeling.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, als aangewezen in bijlage 1 van de Ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor):

  • -

    PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15: 2016);

  • -

    Nederlandsche Richtlijn Bodembescherming 2012;

  • -

    PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen: Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties (PGS 31: 2018 v 1.0).

1.1.2 Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

1.2 AFVALWATER

1.2.1 Het kader voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater.

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • -

    Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening.

  • -

    Lozen van huishoudelijk afvalwater.

Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

In het kader van de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringstechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Bij de stand der veiligheidstechniek wordt aangegeven dat het hemelwater en gemorst product van de overslagplaatsen worden opgevangen in een opvangbak/tank die tenminste de inhoud van een transporteenheid kan bevatten.

1.2.2 Beoordeling en conclusie

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn uitsluitend de voorschriften voortvloeiend uit de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” opgenomen.

1.3 BODEM

1.3.1 Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en hoofdstuk 2 van in het Activiteitenbesluit. Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.

De bodembedreigende activiteiten

Binnen de inrichting vinden de volgende bodembedreigende activiteiten plaats:

  • -

    de op- en overslag van gevaarlijke stoffen in PGS 15 ruimtes:

  • -

    productie en opslag van gevaarlijke stoffen in productieruimtes 1, 2, 3 en 4;

  • -

    opslag van gevaarlijk stoffen in tanks.

Beoordeling en conclusie

Nulsituatie-onderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatie-onderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatie-onderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Het nulsituatie-onderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek te worden uitgevoerd.

Het nulsituatie-onderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

  • -

    de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;

  • -

    de locatie van bemonsteringspunten, rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;

  • -

    de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;

  • -

    de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatie-onderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden, als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit, moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Voor de inrichting is een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Sinds het uitvoeren van het bodemonderzoek zijn er geen wijzigingen geweest ten aanzien van bodembedreigende activiteiten.

Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat, is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd.

Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging

Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatie-onderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen.

1.4 OVERWEGINGEN EXTERNE VEILIGHEID

1.4.1 Algemeen

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de uitgevoerde activiteiten, processen en de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

  • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

  • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risico­dragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het verbeeld de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgevonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.

Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor de maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Besluit Risico's Zware Ongevallen 2015

Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich

op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dit gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).

Op grond van de aangevraagde hoeveelheden gevaarlijke stoffen wordt de lage drempelwaarde in de groep milieugevaren zoals vastgelegd in bijlage I, deel 1 (kolom 2) van de Seveso III-richtlijn overschreden. Een kennisgeving Brzo maakt deel uit van de aanvraag.

De inrichting wordt hiermee aangemerkt als lage drempelinrichting.

Conform artikel 7 lid 1, 2 en 6 Brzo 2015 en artikel 4 en 5 van de bijbehorende Regeling (Rrzo 2015) dient Zandleven haar veiligheidsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen vast te leggen in een document (Preventie Beleid Zware Ongevallen, Pbzo) dat voldoet aan het bepaalde in bijlage III van de Seveso-richtlijn en is tevens verplicht om een veiligheidsbeheersysteem (VBS, artikel 7 lid 6 Brzo 2015) te hebben geïmplementeerd.

Domino-effecten

Met behulp van het instrument domino-effecten hebben wij onderzocht bij welke inrichtingen een verhoogde kans op een zwaar ongeval is ten gevolge van de aanwezigheid van risicobepalende factoren bij de in de onmiddellijke nabijheid gelegen inrichtingen die ook onder het Brzo 2015 vallen. Deze bedrijven worden aangemerkt als een domino-bedrijf en moeten ingevolge artikel 8 van het Brzo 2015 worden aangewezen.

Tot groepen inrichtingen kunnen onder andere inrichtingen behoren die zijn gelegen binnen een veiligheidscontour zoals bedoeld in artikel 14 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, is een dergelijke veiligheidscontour niet vastgesteld.

Daarnaast is in de nabijheid van de inrichting geen andere Brzo-inrichting gelegen. De dichtstbijzijnde Brzo-inrichting, Gascentrum Noord te Grou, bevindt zich op een afstand van meer dan 11 km en hiermee buiten de maximale dominoafstand van 1.600 meter.

Wij concluderen dat er geen sprake is van een domino-bedrijf.

Regeling beoordeling afstand tot natuurgebieden milieubeheer

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan een Brzo-bedrijf moet het bevoegd gezag ervoor zorg dragen dat de afstand van de inrichting tot een waardevol of kwetsbaar natuurgebied voldoende is om de gevolgen van een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen voor dit gebied te beperken.

In de “Regeling beoordeling afstand tot natuurgebieden milieubeheer” is vastgelegd dat het bevoegd gezag de getroffen maatregelen betrekt bij de beoordeling van de afstand. Als te beschermen natuurgebieden zijn aangewezen de Natura-2000 gebieden en gebieden behorend tot Natuurwerk Nederland.

In de omgeving van de inrichting zijn geen aangewezen natuurgebieden aanwezig die nadelige gevolgen zouden kunnen ondervinden van zware ongevallen binnen de inrichting. Het dichtstbijzijnde gebied betreft "De Groote Wielen" dat op een afstand van meer dan 5.7 km ligt. Gebaseerd op de resultaten van de bij de aanvraag gevoegde QRA concluderen wij dat voor de aangevraagde activiteiten de afstand tot waardevolle en/of kwetsbare natuurgebieden voldoende is.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Op grond van artikel 2, eerste lid onder a valt de inrichting onder de reikwijdte van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) .

Kwantitatieve Risico Analyse (QRA)

Bij de aanvraag is een kwantitatieve risico-analyse (QRA) opgesteld (“Kwantitatieve risicoanalyse Zandleven Coatings B.V") revisie 5..0 d.d. 10-2-2021 en het rekenbestand "rekenmodel QRA R5.0. De QRA is opgesteld conform de Handleiding risicoberekeningen Bevi versie 4.2 en met de versie Safeti-NL 8.3.

Plaatsgebonden risico (10-6 contour)

Uit de berekening blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour (PR) van 10-6 per jaar, voor een beperkt deel buiten de inrichtingsgrens ligt. Binnen deze berekende PR 10-6 contour bevinden zich geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. De inrichting voldoet hiermee aan de grenswaarde voor kwetsbare objecten.

Het vigerend planologisch kader is vastgelegd in het bestemmingsplan "Spoordok". De gronden binnen de PR 10-6 contour hebben de bestemming "bedrijfsdoeleinden". De contour ligt op ca. 3 m vanaf de terreingrens van Zandleven. Volgens de regels van het bestemmingsplan mogen gebouwen op minimaal 2 meter vanaf de zijdelingse terreingrens worden gebouwd. Zomede ligt de contour op een zeer beperkt deel over een geprojecteerd beperkt kwetsbaar object. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtwaarde van het Bevi. Aangezien de inrichting een reeds bestaande inrichting betreft met voor externe veiligheid relevante activiteiten, wordt het afwijken van de richtwaarde door ons acceptabel geacht.

Groepsrisico

Het door de inrichting veroorzaakte groepsrisico is vastgesteld in de QRA. Het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden bedraagt circa 38 meter en wordt veroorzaakt door een plasbrand xyleen ten gevolge van het vrijkomen van de gehele inhoud uit de tankauto.

Binnen het invloedsgebied bevinden zich objecten die tot de inrichting behoren, een zeer beperkt deel van het voormalige terrein van Brada en een gebouw aan de Snekertrekweg 61 (Stichting Boeier Catharina).

Er wordt geen groepsrisico berekend.

Het Bevi verplicht ons aandacht te besteden aan:

  • -

    de personendichtheid in het invloedsgebied;

  • -

    het groepsrisico versus de oriëntatiewaarde;

  • -

    de verandering van het groepsrisico;

  • -

    de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;

  • -

    de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding van een ramp;

  • -

    de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen.

Aangezien er geen groepsrisico is berekend, kan een verantwoording achterwege blijven.

Wij hebben op 9 april 2021 een advies ontvangen van de VR. In het advies geeft de VR het navolgende aan: Uit de QRA valt op te maken dat rondom Zandleven geen groepsrisico is. Aan de hand van de gebruikte populatiegegevens is het berekende maximaal aantal slachtoffers niet hoger dan 10 personen. Ondanks dat de invloedsgebieden van de activiteiten verladen van bindmiddelen en verladen van grondstoffen wel buiten de inrichtingsgrens komen, is het op basis van het Bevi niet nodig om een verantwoording van het groepsrisico op te stellen. De VR voorziet ook niet de directe noodzaak om een verantwoording van het groepsrisico op te stellen, maar geven nog enkele adviespunten meegeven ten aanzien van de zelfredzaamheid.

Zelfredzaamheid effectgebied/ risicobron

Volgens de QRA gaat het invloedsgebied niet over objecten met daarin verminderd zelfredzamen. Hierdoor voorzien wij geen directe knelpunten in het kader van zelfredzaamheid.

Het invloedsgebied is daarentegen wel gelegen over een object van Vitens, waardoor de aanwezigen dienen te vluchten van de bron af bij een (dreigend) scenario bij Zandleven. Het groepsrisico gaat alleen over dodelijke slachtoffers. De effecten van een mogelijk incident bij deze inrichting zijn groter dan alleen het invloedsgebied (o.a. gezondheidsrisico’s).

Wij adviseren om Zandleven aan risicocommunicatie te laten doen op basis van artikel 8 van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015), zodat bedrijven in de omgeving de bedrijfshulpverlening kunnen voorbereiden op de scenario’s met het bijbehorende handelingsperspectief.

De VR ziet verder geen aanleiding om in te gaan op de overige elementen van de verantwoordingsplicht.

1.4.2 Borging uitgangspunten QRA

Uit de QRA blijkt dat de volgende scenario's bepalend zijn voor het plaatsgebonden risico:

  • -

    V1a breuk losslang bindmiddelen ingrijpen operator (59%).

Omdat dit scenario zo bepalend is voor het risico zijn de uitgangspunten die in de QRA zijn gebruikt in dit besluit als volgt vastgelegd:

  • -

    V1a: Ten aanzien van het toezicht op de losactiviteiten hebben wij in de voorschriften bepaald dat lossing uitsluitend mag plaatsvinden onder toezicht van personeel van vergunninghouder. Daarnaast hebben wij de aangevraagde aantallen lossingen voor oplosmiddelen ( 49 per jaar) en bindmiddelen (129 per jaar) in de voorschriften vastgelegd.

Eindconclusie Plaatsgebonden risico en Groepsrisico

Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen en dat de “rest-” risico’s in voldoende mate worden beheerst.

1.4.3 Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart

Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting van Zandleven valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling. Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd. Het id-nummer van de inrichting is 24254.

1.4.4 Warenwetbesluit drukapparatuur

Bij Zandleven Coatings is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.

1.4.5 Relatie met Atex

Gasexplosie

Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij Zandleven Coatings bestaat in de productieruimtes of in de nabijheid daarvan door de aanwezigheid van vrijgekomen brandbaar gas de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.

De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gasexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gasexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden ten aanzien van gasexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

1.4.6 (Intern) bedrijfsnoodplan

In de arbeidsomstandighedenwetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5 c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties. In artikel 2.0c van de Arbeidsomstandighedenregeling is geregeld wat er tenminste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden ten aanzien van een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden omdat dit ook in de PGS 15, voorschrift 3.19.1 wordt geregeld.

1.4.7 Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende PGS richtlijnen relevant:

  • -

    PGS 15: Opslag verpakte gevaarlijke stoffen in emballage, PGS15:2016;

  • -

    PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen: Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties PGS 31 2018 v 1.1.

1.4.8 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen in emballage PGS 15:2016

Algemeen

Ten behoeve van de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen is de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen" opgesteld. Deze richtlijn (versie 1.0, september 2016) geeft de huidige milieutechnische inzichten weer ten aanzien van de organisatorische maatregelen en voorzieningen voor een opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. De PGS 15 is onder andere van toepassing op verpakte CMR en ADR-geclassificeerde stoffen. De PGS 15 is vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.

De richtlijn maakt onderscheidt in opslagvoorzieningen voor hoeveelheden tot 10.000 kg en hoeveelheden groter dan 10.000 kg. Daarnaast worden onder andere ook eisen gesteld aan opslag van gasflessen en spuitbussen.

Opslag gevaarlijke stoffen in emballage (< 10 ton)

Binnen de inrichting bevinden zich in het brandcompartiment magazijn droge grondstoffen (oppervlakte 1066 m2, bouwkundig uitgevoerd 20 min WBDBO) 11 inpandige PGS 15-bunkers met een opslagcapaciteit < 10 ton:

  • -

    bunker 5001 t/m 5008;

  • -

    bunker 4001 t/m 4003.

De inpandige PGS 15 bunkers zijn uitgevoerd als brandcompartimenten met 60 min WBDBO zoals bedoeld in de PGS 15. Het magazijn "grondstoffen" is uitgevoerd met een WBDBO van 20 minuten. Het magazijn "droge grondstoffen" grenst aan productieruimte 2 (uitgevoerd met een WBDBO van 60 min) en aan productieruimte 4 (uitgevoerd met een WBDBO van 60 min).

De bunkers 4001 t/m 4003 en 5001 t/m 5008 zijn uitgerust met brandwerende schuifdeuren. Van deze deurconstructie kan niet worden aangetoond dat deze volledig voldoen aan voorschrift 3.2.9 PGS 15:2016 (aantoonbaarheid tweezijdige EI1 brandwerendheid volgens NEN-EN 1634-1 zoals vereist in NEN 6069).

Voor de bovenbeschreven afwijking van de brandwerendheid van de deuren verzoekt Zandleven om gelijkwaardigheid. In het vervolg wordt onder 'beoordeling gelijkwaardigheid' op dit verzoek ingegaan.

De overige opslagruimtes 4004, 4005, 5009 en 5010 worden niet meer gebruikt als PGS 15-bunkers. In deze opslagruimtes worden non-ADR en non-CMR of aanverwante stoffen opgeslagen.

Deze ruimtes worden niet meer gezien als brandcompartiment.

Voor de aangevraagde situatie is sprake van 11 inpandige opslagvoorzieningen < 10 ton. Hiermee wordt afgeweken van het gestelde in voorschrift 3.2.4 PGS 15:2016. Dit voorschrift bepaalt dat maximaal 2.500 kg verpakte gevaarlijke stoffen per inpandige opslagvoorziening mag worden opgeslagen. Met de aangevraagde hoeveelheid van 11x<10 ton is er sprake van een overschrijding van de toegestane hoeveelheid benoemd in voorschrift 3.2.4 PGS 15:2016.

Voor de afwijking van voorschrift 3.2.4 PGS 15:2016 verzoekt Zandleven gelijkwaardigheid. In het vervolg wordt onder 'beoordeling gelijkwaardigheid' op dit verzoek ingegaan.

Beoordeling gelijkwaardigheid

In de aanvraag is aangegeven dat volgende maatregelen en voorzieningen worden getroffen voor de invulling van gelijkwaardigheid.

  • 1.

    Ten aanzien van de afwijkingen van het gestelde in de PGS 15 onder 0.3 ad c, tweezijdige brandwerendheid, en van voorschrift 3.2.9 met betrekking tot de deuren (keuringseis EI1) van PGS 15 wordt voorgesteld om een vrije ruimte aan de buitenzijde van 5 meter aan te houden van de bunkers. De bunkers 5001 t/m 5008 en 4001 t/m 4003 liggen direct naast elkaar. In de directe omgeving bevinden zich geen andere installaties en er worden geen activiteiten uitgevoerd. Tegenover de bunkers zijn, buiten de 5 meter zone, opslagruimtes gesitueerd waar non-ADR en non-CMR of aanverwante stoffen worden opgeslagen. In de aanvraag is aangegeven dat de vrije ruimte op een zichtbare wijze zal worden aangegeven.

    De aan te houden vrije ruimte leggen wij vast in de voorschriften. Naar onze mening wordt hiermee de kans op brandoverslag vanuit het magazijn grondstoffen naar een PGS bunker in voldoende mate gereduceerd. Hiermee is het naar onze mening mogelijk om de aanwezige deurconstructies toe te staan. Wij achten het niet redelijk om van de aanvrager aanpassing respectievelijk vervanging van deze constructie te eisen.

    In de voorschriften hebben wij voor voorschrift 3.2.9 PGS 15:2016 een afwijkend voorschrift opgenomen voor alle PGS 15-bunkers.

  • 2.

    De bunkers 5001 t/m 5008 en 4001 t/m 4003 worden voorzien van een blusschuimvoorziening (VBB-systeem zijnde Hi-ex-inside air). Bij de aanvraag is een UPD opgenomen, document "Uitgangspuntendocument Brandbeveiliging blusschuimsysteem met brandmeld- en ontruimingsinstallatie, nr. 2302-20-01E, rev. E d.d. 27-1-2021" waarin het VBB-systeem is beschreven. De bunkers worden uitgevoerd als één blussectie. Dat betekent dat alle bunkers gelijktijdig worden geblust. De volschuimtijd bedraagt 2 minuten.

    Voornoemde wordt als gelijkwaardigheid aangevraagd voor de afwijking van voorschrift 3.2.4 (maximaal 2.500 kg verpakte gevaarlijke stoffen per inpandige opslagvoorziening) en tweezijdige brandwerendheid en van voorschrift 3.2.9 van de PGS15:2016 met betrekking tot de deuren EI1 (voor de brandwerendheid van binnen naar buiten). Bij het beoordelen en stellen van voorschriften van het VBB-systeem is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 4 van de PGS 15:2016.

Productopvang

De op grond van voorschrift 4.7.1 PGS 15 vereiste productopvangcapaciteit bedraagt ca. 1000 liter (10% aanwezige vloeistoffen) uitgaand van de opslag in metalen verpakking.

In het UPD is dit in par. 6.5.5. nader ingevuld. Elke bunker is uitgerust met een vloeistofdrempel (4 cm) waarmee binnen de bunker ca. 1600 liter kan worden opgevangen.

Bluswateropvang

In het UPD is in par. 6.5.5. de bluswateropvang nader ingevuld. De berekende hoeveelheid voor alle 11 bunkers is berekend op 3200 liter (gebaseerd op blusactie die gelijktijdig plaatsvindt in elke bunker) en dus ca. 300 liter per bunker. Deze hoeveelheid kan in de bunker worden opgevangen.

Op basis van bovenstaand concluderen wij dat met toepassing van een Hi-ex-blussysteem in elke opslagbunker vergunning kan worden verleend voor de aangevraagde inpandige opslag in 11 opslagvoorzieningen in het magazijn grondstoffen op basis van gelijkwaardigheid.

Met inachtneming van de vrije ruimte wordt het risico op brandoverslag vanuit de ruimte naar de bunker geminimaliseerd.

1.4.9 Tijdelijke opslag verpakte gevaarlijke stoffen productieruimte 3

Aangevraagd wordt de tijdelijke opslag zoals bedoeld in par. 5.7 van PGS 15 tijdens aanwezigheid van personeel.

Productieruimte 3 vormt samen met productieruimte 2 één brandcompartiment (WBDBO 60 min) van 1280 m2. De ruimte grenst aan de brandcompartimenten (60 min WBDBO) van het kantoor en traforuimte. Productieruimte 3 maakt onderdeel uit van het aanwezige VBB-systeem (blusschuimsysteem).

Met deze voorziening wordt de gehele ruimte binnen 2 minuten vol geschuimd.

De tijdelijke opslagvoorziening in productieruimte 3 betreft eindproducten die aan het einde van de werkdag worden afgevoerd. Het betreft eindproducten (halffabricaten/gereed product) waarvan ADR 3 in metalen verpakkingen (zie bijlage 6b). In die zin is het gebruik van deze opslagvoorziening anders dan waarop voorschrift 5.7.3 van de PGS 15:2016 toeziet. In de aanvraag wordt verzocht om in het vak maximaal 6 ton ADR 3 toe te staan. De aanwezige productopvang in deze ruimte is voldoende om deze hoeveelheid binnen de ruimte op te vangen. Het vak dient te worden gerealiseerd en te worden gemarkeerd op minimaal 1,5 meter afstand tot de stelling die zich in het midden van de ruimte bevindt met de opslag van werkvoorraad. Gelet hierop nemen wij niet alle voorschriften van par. 5.7 van PGS 15 op in deze vergunning en staan alleen de aangevraagde hoeveelheid toe.

De maximale stapelhoogte in het vak is conform het UPD 3,60 meter. Wij sluiten in lijn met de door Zandleven aangevraagde stapelhoogte voor de tijdelijke opslag aan bij 1.0 meter of een pallet.

De aangevraagde tijdelijke opslag kan worden toegestaan met 6 ton ADR 3. Voor de tijdelijke opslag in productieruimte 3 nemen wij een aantal voorschriften van par. 5.7 in de vergunning op.

1.4.10 Gelijkwaardigheid opslag gevaarlijke stoffen in productieruimte 1, 2 en 3

In de leeswijzer en de tekening plattegrond locatie gevaarlijke stoffen (bijlage 20) van de aanvraag zijn de aangevraagde hoeveelheden gevaarlijke stoffen in de productieruimten 1, 2 en 3 beschreven. Dit betreffen:

  • -

    productieruimte 1: max. 500 kg ADR, CMR;

  • -

    productieruimte 2: max. 2.500 kg ADR, CMR;

  • -

    productieruimte 3: max. 5.000 kg ADR, CMR

In productieruimte 1 betreft dit maximaal 500 kg ADR, , CMR in metalen containers op de op tekening aangeven locatie 4. Tot een hoogte van maximaal 1,00 meter, zoals vermeld in de leeswijzer. 

In productieruimte 2 betreft dit, zoals vermeld in de leeswijzer:

  • voor locatie 2 maximaal 1400 kilogram ADR, CMR tot een hoogte van 1,75 meter;

  • voor locatie 3 maximaal 1100 kilogram ADR, CMR tot een hoogte van maximaal 2,40 meter.

In productieruimte 3 betreft dit locatie 1 met maximaal 5.000 kg ADR, CMR in metalen emballage. Tot een hoogte van maximaal 2,40 meter, zoals vermeld in de leeswijzer.

Deze productieruimten zijn voorzien van een VBB-systeem. Bij activatie wordt de ruimte binnen 2 minuten volgeschuimd. Gelet hierop kunnen de aangevraagde opslag hoeveelheden worden toegestaan.

Opgemerkt wordt dat onder de gelijkwaardigheid voor de opslag van gevaarlijke stoffen in de productieruimte niet de werkvoorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen valt. Onder de werkvoorraad wordt verstaan: de voorraad verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte is opgesteld.

  • de werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn;

  • per gevaarlijke stof mag (voor iedere werkvoorraad) ten hoogste één aangebroken

  • verpakkingseenheid aanwezig zijn, plus één reserve. Indien een dagvoorraad uit

  • meer dan één verpakkingseenheid bestaat, dan mag er een dagvoorraad staan plus

  • één reserve verpakkingseenheid;

  • de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere

  • transportmiddelen;

  • de werkvoorraad mag het vluchten niet belemmeren;

  • gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen die als werkvoorraad in een productie- of

  • werkruimte of nabij een procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in

  • deugdelijke verpakking, die bestand is tegen de desbetreffende gevaarlijke stof;

  • indien de werkvoorraad bestaat uit een hoeveelheid van meer dan 50 l dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een lekbak of een gelijkwaardige voorziening.

Voor de werkvoorraad dient onder andere te worden voldaan aan voorschrift 3.1.3 en 5.2.2 de PGS 15: 2016. De werkvoorraad dient dan ook na sluitingstijd van de werkvloer te zijn verwijderd.

1.4.11 Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties PGS 31:2018

Binnen de inrichting bevinden zich de volgende tankinstallaties:

  • -

    uitpandig ondergrondse opslagtanks:

    • opslagtank A, B, C, D (inhoud 20 m3/tank);

    • opslagtank E, F, G (inhoud 10 m3/tank)

  • voor de opslag van PGS-klasse 2 vloeistoffen;

  • -

    inpandige bovengrondse opslagtanks:

    • opslagtanks A, A, B, B, (inhoud 10 m3/tank) voor de opslag van PGS-klasse 2 en 4;

    • opslagtanks C, F (inhoud 12.5 m3/tank) voor de opslag van PGS-klasse 2;

    • opslagtank D (inhoud 25 m3/tank) voor de opslag PGS-klasse 2;

    • opslagtanks E, F (inhoud 22 m3/tank) voor de opslag van PGS-klasse 2.

De tanks C/D/F en E/F zijn combitanks.

De bovengrondse tanks bevinden zich in een apart brandcompartiment dat onderdeel uitmaakt van het magazijn grondstoffen. Het betreft deels multi-gecompartimenteerde tanks. In de opslagruimte zijn scheidingsconstructies aangebracht, echter geen brandscheidingen.

Gelet hierop is er sprake van de inpandige opslag van 134 m3 in tankinstallaties > 10 m3. In de ruimte zelf vinden geen brandgevaarlijke activiteiten plaats.

Deze tankopslag valt onder het toepassingsgebied van PGS 31 en specifiek inpandige tankopslag geplaatst in een bouwwerk met een WBDBO van 60 min, waarbij behoudens de opslag van brandbare vloeistoffen in opslagtank geen (brandgevaarlijke) activiteiten plaatsvinden in het bouwwerk.

In de aanvraag is geen toetsing opgenomen of deze tanks voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn.

De bovengrondse opslagtanks zijn gesitueerd in het grondstoffen magazijn in een apart brandcompartiment. Dit brandcompartiment maakt geen onderdeel uit van het VBB-systeem.

Gelet hierop gelden de voorschriften ten aanzien van o.a. passieve brandbescherming (voorschriften 2.2.17 en 2.2.18) voor de aangevraagde situatie niet.

Deze ruimte is aangesloten op de branddetectie en brandmeldinstallatie (= ruimte harstanks). In het brandcompartiment vinden geen brandgevaarlijke activiteiten plaats.

De relevante voorschriften uit de PGS 31 hebben wij opgenomen in de vergunning.

Aan onderstaand voorschrift wordt niet voldaan:

voorschriften 2.2.23 en 2.2.47: De voorschriften bepalen dat rondom een stalen tank een afstand van 25 cm (inspectieafstand) moet worden gehouden en de onderlinge afstand tussen de tanks. De tanks zitten echter zeer dicht tegen de muur van de productieruimte waarmee niet meer aan de afstand wordt voldaan. Aangezien dit een reeds bestaande tankinstallatie betreft die eerder ook al is gekeurd, zien wij daarom geen reden om deze voorschriften op te nemen.

1.4.12 Bouwbesluit 2012

De gelijkwaardigheidsbepaling van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt, voor zover hier van

belang, dat aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift niet behoeft te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid

en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften. In het tweede lid van dit artikel is verder nog geregeld, dat een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in het eerste lid bij het gebruik van het bouwwerk in stand wordt gehouden.

Aanleiding

In de leeswijzer behorend bij de aanvraag is een verzoek om gelijkwaardigheid ingediend op grond van artikel 1.3 van het Bouwbesluit voor de brandveiligheid van de navolgende ruimtes:

  • brandscheiding tussen productieruimte 1 en 4;

  • brandscheiding die zich boven de schuifdeur, tussen productieruimte 2 en het magazijn Grondstoffen bevindt van gebouwd is en of deze min. 60 minuten brandwerend is, met classificatie (R)EI, (conform NEN 6069:2005/A1:2005);

  • WBDBO van 20 minuten tussen productieruimte 2 en het kantoorgedeelte;

  • brandscheiding tussen productieruimte 2 en het magazijn grondstoffen.

  • brandwerendheid productieruimte 3.

Toetsingskader

Uit de ingediende gegevens bij genoemde aanvraag blijkt dat de inrichting niet voldoet aan de brandcompartimenteringseisen zoals opgenomen in artikel 2.14, van het Bouwbesluit 2012. Het verzoek heeft betrekking op het verkrijgen van een rechtsoordeel van het bevoegd gezag over de vraag of de voorgestelde brandveiligheidsvoorzieningen gelijkwaardige voorzieningen zijn in relatie tot artikel 2.14 van het Bouwbesluit 2012 met een beroep op artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012.

Beoordeling gelijkwaardigheid brandveiligheidsvoorzieningen

Zoals blijkt uit het verzoek om gelijkwaardigheid wijken de brandveiligheidsvoorzieningen af ten opzichte van de regels zoals gestelde in artikel 2.14 van het Bouwbesluit 2012.

Door Zandleven Coatings BV is een gelijkwaardige oplossing aangedragen. Deze gelijkwaardige voorziening is omschreven in de navolgende rapportage:

  • Rapport Econstruct kenmerk 180344 (bijlage 14 van de aanvraag);

  • UPD nr.2302-20-01E (bijlage 01 van de aanvraag).

Door Zandleven Coatings BV is voor de volgende items een gelijkwaardige oplossing aangedragen:

  • 1.

    Aantonen dat de draagconstructie in productieruimte 1 bij een brand gedurende 60 minuten gevolgen heeft voor de integriteit van de brandscheiding tussen productieruimte 1 en de kantine en/of het kantoorgedeelte.

  • 2.

    Aantonen waarvan de brandscheiding die zich boven de schuifdeur, tussen productieruimte 2 en het magazijn Grondstoffen bevindt van gebouwd is en of deze minimaal 60 minuten brandwerend is, met classificatie (R)EI, (conform NEN 6069:2005/A1:2005).

  • 3.

    Borging van de WBDBO van 20 minuten tussen productieruimte 2 en het kantoorgedeelte.

  • 4.

    In geval van brand in productieruimte 2, aantonen dat de draagconstructie in productieruimte 2 gedurende 60 minuten gevolgen heeft voor de integriteit van de brandscheiding tussen productieruimte 2 en het magazijn grondstoffen.

  • 5.

    Borging van de WBDBO van 20 minuten tussen productieruimte 3 en het kantoorgedeelte is geborgd.

  • 6.

    In geval van brand in productieruimte 3, aantonen dat de draagconstructie in productieruimte 3 gedurende 60 minuten gevolgen heeft voor de integriteit van de brandscheiding van het kantoor/ toilet en de trafo-/ laagspanningsruimte.

Zandleven Coatings BV heeft als gelijkwaardigheid het toepassen van een combinatie van een brandmeldinstallatie en brandblusinstallatie toegepast. De brandblusinstallatie zorgt er voor dat de ruimte waarin de blussing plaats dient te vinden, zeer snel na detectie volledig is gevuld met schuim. Hierdoor heeft een volledige brand geen kans om te ontstaan. Hierdoor wordt gerealiseerd dat:

  • 1.

    de draagconstructie van de brandscheidingen niet binnen 60 minuten kan bezwijken;

  • 2.

    de WBDBO van 60 minuten wordt gerealiseerd;

  • 3.

    geen brandoverslag plaatsvinden naar het kantoorgedeelte;

  • 4.

    de draagconstructie van de brandscheidingen niet binnen 60 minuten kan bezwijken;

  • 5.

    er geen brandoverslag plaatsvinden naar het kantoorgedeelte;

  • 6.

    de draagconstructie van de brandscheidingen niet binnen 60 minuten kan bezwijken.

Voor brandblusinstallatie is een nieuw ‘uitgangspunten-document’ (UPD) opgesteld met kenmerk UPD nr.2302-20-01E. Het sprinkler systeem wordt onderhouden en gecontroleerd in overeenstemming met het UPD.

Wij zijn van oordeel dat sprake is van een gelijkwaardigheid voorziening. Voor voornoemde situaties zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.

1.5 ENERGIE

1.5.1 Energie

Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting. Volgens de aanvraag betreft het 456.000 kWh elektriciteit en 97.000 m3 gas per jaar. In afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin het landelijke kader voor inrichtingen type A en B is vastgelegd, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten óf een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit namelijk als energierelevant bestempeld. Wij sluiten aan bij dit beleid. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een verantwoord zuinig energiegebruik te komen. Deze toetsing heeft het volgende ingehouden:

De aanvraag bevat geen energiebesparingsonderzoek. Ook kan niet met behulp van algemeen beschikbare maatregellijsten/informatiebladen/databank voldoende worden vastgesteld welke rendabele energiebesparende maatregelen voor de inrichting gelden. Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden waarin van de vergunninghouder wordt verlangd dat het een energieplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen energiebesparende maatregelen.

1.6 GELUID

1.6.1 Algemeen

Het bedrijf Zandleven Coatings B.V. heeft een aanvraag om een revisievergunning in het kader van de WABO bij het college Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân ingediend. De inrichting is gevestigd aan de Snekertrekweg 57 te Leeuwarden op het bedrijventerrein Spoordok. Bij de aanvraag is een akoestisch onderzoek toegevoegd, namelijk het onderzoek "Zandleven Coatings B.V. te Leeuwarden, datum 22 januari 2020, projectnummer 0419383.00. Het bedrijf produceert en ontwikkelt hoogwaardige hightech, protective marine coatings voor staalconstructies in zowel nieuwbouw als onderhoud, onshore en offshore. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt).

In deze representatieve bedrijfssituatie wordt beoordeeld de invloed van:

  • -

    Het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau;

  • -

    Maximale geluidsniveaus, en;

  • -

    Indirecte hinder

1.6.2 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

De gemeente Leeuwarden heeft (nog) geen geluidsnota Industrielawaai opgesteld waardoor het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau getoetst wordt aan de adviezen uit hoofdstuk 4 van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. In dit hoofdstuk 4 wordt geadviseerd om het geluidshinderniveau te toetsen aan de richtwaarde behorend tot een omgevingstypering met als doel de gevoelige objecten zoals woonbestemmingen te beschermen. De omgeving van de inrichting kan worden getypeerd als woonwijk in een stad waarvoor een richtwaarde van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode wordt geadviseerd. Een overschrijding van de richtwaarde is toelaatbaar tot het heersend referentieniveau van het omgevingsgeluid. Indien niet aan een referentieniveau kan worden voldaan kan onder een bestuurlijke afweging een hogere geluidsgrenswaarde worden afgegeven. In deze bestuurlijke afweging dient te worden meegewogen of het bedrijf voldoet aan best beschikbare technieken en of aanvullende maatregelen opwegen tegen het rendement in geluidsreductie en de investering die hiervoor moet worden gemaakt. Het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dient te zijn gebaseerd op een representatieve bedrijfssituatie. Dit is de bedrijfssituatie waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperioden.

Bij de aanvraag om vergunning is als bijlage een akoestisch onderzoek bijgevoegd. Het betreft hier het onderzoek met als titel "Zandleven Coatings BV te Leeuwarden", projectnummer 0419383, definitieve versie, datum 22 januari 2020.

De inrichting is gelegen op het bedrijventerrein Spoordok. De dichtstbijzijnde gevoelig objecten zijn woonbootligplaatsen aan de Harlingertrekweg die op circa 60 meter ten noorden van de inrichtingsgrens zijn gelegen. Op het bedrijventerrein bevinden zich bedrijfswoningen namelijk de bedrijfswoning aan de Snekerweg 35a en de bedrijfswoning aan de Marshalweg 10 die op een afstand van 280 meter ten zuidwesten van de inrichting is gelegen. De woning aan de Snekerweg 35a ligt op een grote afstand van de inrichting. Bij de woonbootligplaatsen is het geluidshinderniveau bepalend.

De werkzaamheden vinden binnen de inrichting 5 dagen per week in de dagperiode plaats. De reguliere productietijden zijn van 07.30 tot 16.00 uur. Kantoorwerkzaamheden duren tot ongeveer 17.00 uur. In tabel 3.2 zijn de aantallen en vervoersbewegingen per etmaalperiode weergegeven (mobiele geluidsbronnen). In tabel 3.4 is de representatieve bedrijfssituatie van de vast opgestelde geluidsbronnen (puntbronnen) weergegeven. In tabel 4.1 van het akoestisch onderzoek van 22 januari 2020 zijn de uitgangspunten van de geluidvermogen niveaus weergegeven.

De gehanteerde bronvermogens van vrachtwagens en personenauto's komen overeen met de gebruikelijke gehanteerde bronvermogens. Bovendien zijn de bronvermogens van de vrachtwagens gebaseerd op het onderzoek van Peutz "Onderzoek naar geluidvermogen niveaus van vrachtverkeer bij lage snelheden" gepubliceerd in vakblad Geluid, maar 2013. Voor de gehanteerde binnen geluiddrukniveaus Lp in de bedrijfshallen wijken niet af van soort gelijke geluid drukniveaus met vergelijkbare werkzaamheden. Het spectrum van de gehanteerde bronvermogens wijken tevens niet af van een industrielawaai spectrum.

1.6.3 Best beschikbare technieken

In het akoestisch onderzoek wordt aangegeven dat luidruchtige apparatuur zijn voorzien van geluiddempende voorzieningen. Tevens speelt hier tevens mee dat deze installatie op grond van de Wabo aan een bepaalt geluidniveau dienen te voldoen. Noodzaak voor aanvullende maatregelen zijn alleen noodzakelijk indien een geluidniveau in de directe omgeving niet inpasbaar zou zijn.

Op grond van de representatieve bedrijfssituatie bedraagt de geluidsbelasting op de woonbootligplaats Harlingertrekweg 70 ten hoogste 40 dB(A) in de dagperiode en 39 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan. In de avond- en nachtperiode is de luchtbehandelingskast (bronnen 008, 010, 011, 015, op de hallen 2 en 6) de maatgevende geluidsbronnen. Tevens is de geluidsbelasting getoetst aan de vigerende geluidsvoorschriften getoetst. Op 25 meter afstand van de inrichtingsgrens bedraagt het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 44 dB(A) in de dag- avond en nachtperiode. Het geluidshinderniveau dat wordt aangevraagd is lager dan in de vigerende milieuvergunning in voorschriften is vastgelegd.

1.6.4 Maximale geluidsniveaus

Maximale geluidsniveaus zijn kortstondige verhogingen van het geluidsniveau die ontstaan tijdens een handeling zoals container handelingen, op en overslag materialen, voertuigbewegingen etc. De Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening stelt dat ter plaatse van een geluidsgevoelig object gestreefd moet worden naar een maximaal geluidsniveau van 10 dB boven door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Geadviseerd wordt om maximale geluidsniveaus te beperken tot een geluidsniveau van maximaal 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Maximale geluidsniveaus bedragen op het maatgevende object aan de Harlingertrekweg 70 te hoogste 63 dB(A) in de dagperiode. Deze worden veroorzaakt optrekken en afremmen van een vrachtwagen binnen de inrichting. In de avond- en nachtperiode vinden op het buitenterrein geen activiteiten plaats. Het onderzoek heeft wel in haar berekening rekening gehouden met de luchtbehandelingskasten, echter geven deze geluidsbronnen een maximaal geluidsniveau van ten hoogste van 42 dB(A) in de avond- en nachtperiode bij de Harlingertrekweg 70. Aan de grenswaarden voor maximale geluidsniveaus wordt ruimschoots voldaan.

1.6.5 Indirecte hinder

Verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting kan ook indirecte hinder met zich meebrengen. Het gaat hierbij om geluidhinder die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de inrichting, maar die wel aan de inrichting is toe te rekenen. Voor indirecte hinder ten gevolge van mobiele geluidsbronnen (bijvoorbeeld vrachtwagens) geldt een beperking van de reikwijdte. In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is deze reikwijdte opgenomen en is op verschillende manieren vast te stellen. Voor het opnemen van beperking wordt door de Handreiking geadviseerd om de geluidsbelasting te toetsen aan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer'.

In deze circulaire wordt als streefwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde als voorkeursgrenswaarde 55 dB(A) etmaalwaarde en als maximale grenswaarde 65 dB(A) etmaalwaarde gehanteerd. Uit de berekening is de geluidsbelasting als gevolg van indirecte hinder op de woonbootligplaats aan de Harlingertrekweg 72 maatgevend en bedraagt ten hoogste 36 dB(A) in de dagperiode. Aan de streefwaarde zoals genoemd in de circulaire geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting van 29 februari 1996 wordt ruimschoots voldaan.

1.6.6 Trillingen

Binnen de inrichting zijn geen installaties aanwezig die eventueel trillinghinder bij omliggende (bedrijfs)gebouwen veroorzaken. Om die reden zien wij geen redenen toe om beperkingen betreffende voorkomen van trillinghinder in voorschriften op te gaan nemen.

1.6.7 Toelichting geluidsvoorschriften

Ter plaatse van de woonbootligplaatsen wordt ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening adviseert. Deze geluidsniveaus zijn zodanig laag dat deze niet met controle geluidsmetingen kunnen worden gecontroleerd aangezien vanuit de omgeving stoorgeluid aanwezig is waardoor maskering plaatsvindt. Om die reden is een geluidsgrenswaarde op 25 meter afstand van de inrichtingsgrens voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen. Ook hier geldt dat de berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zeer laag is. Om die reden is de geluidsgrenswaarde van Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau afgerond naar 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avond en nachtperiode. Bij deze geluidsgrenswaarde is ter plaatse van de woonbootligplaatsen nog steeds sprake van een aanvaardbaar hinderniveau. Betreft maximale geluidsniveaus wordt opgemerkt dat deze alleen in de dagperiode plaatsvinden om die reden worden maximale geluidsniveaus in de dagperiode begrensd. Omdat volgens de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening geluidsgevoelige objecten dienen te worden beschermd tegen maximale geluidsniveaus is de geluidsgrenswaarde op de maatgevende beoordelingspunt, namelijk rekenpunt 003-A ter plaatse van de Harlingerweg 70 in voorschriften vastgesteld.

1.6.8 Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieu hygiënisch aanvaardbaar.

Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met deze maatregelen en voorzieningen.

1.7 LUCHT en GEUR

1.7.1 Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift vastgesteld. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel. 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de best beschikbare technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal branches zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.

1.7.2 Wetgeving

Voor de aangevraagde activiteiten is artikel 2.7a van afdeling 2.3 uit het Activiteitenbesluit van toepassing.

1.7.3 Beoordeling geurhindersituatie

Geurrelevante processen

In de inrichting vinden de volgende geurrelevante processen plaats:

  • -

    Mengen van grondstoffen waaronder oplosmiddelen tot coatings;

  • -

    Afvullen van de coatings in vaten.

Geurbronnen

De volgende geurbronnen zijn binnen de inrichting aanwezig:

  • -

    3 emissiebronnen van productieruimte 1

  • -

    4 emissiebronnen van productieruimte 2

  • -

    2 emissiebronnen van productieruimte 3

  • -

    2 emissiebron van productieruimte 4

Geurbestrijdingsmaatregelen

Door het bedrijf worden geen specifieke geurbestrijdingsmaatregelen toegepast. Wel worden de productieruimtes middels gecombineerde puntafzuiging en ruimteluchtafzuiging via het dak naar de buitenlucht geleid en op 2 meter boven de daklijn uitgestoten. Hierdoor worden diffuse geuremissies zoveel mogelijk voorkomen.

Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving

De inrichting van Zandleven is gelegen op een bedrijventerrein aan de Snekertrekweg 57/59 te Leeuwarden en wordt ontsloten door de Heliconweg (N357), Marshallweg en ten noorden van Zandleven ligt de Harlingervaart. Zandleven wordt omgeven door kantoren, bedrijven en bedrijfsmatige activiteiten. Dit betreft volgens de beleidsregels van de provincie Fryslan geurgevoelige objecten in de categorieën C (kantoren). De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten in categorie B (woningen in gebiedscategorie Werken) zijn de woonboten op de Harlingervaart tegenover Zandleven. De dichtstbijzijnde woonboot ligt op ca. 65 meter afstand van de gevel. De dichtstbijzijnde woning in de gebiedscategorie A ligt op 250 meter afstand van de gevel in de woonwijk ten noorden van de inrichting.

Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau

In de bij de aanvraag gevoegde geurnotitie dat is opgesteld door adviesbureau Anteagroup wordt aangegeven dat er sprake zou zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau in de omgeving van Zandleven. Dit wordt geconcludeerd door Anteagroup vanwege het feit dat er geen geurklachten bekend zijn over de geuremissies van Zandleven. En daarmee zou worden voldaan aan zowel het landelijk als provinciaal geurbeleid. Het ontbreken van geurklachten wil echter niet zeggen dat er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau in de omgeving. Conform artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit dient door een geuronderzoek, uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065, te worden bepaald of er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau in de omgeving. Door het ontbreken van geurklachten kunnen wij op basis van artikel 2.7a op dit moment geen geuronderzoek verlangen van Zandleven. Artikel 2.7a is een rechtstreekwerkend voorschrift ten aan zien van geurhinder. Indien er geurklachten ontstaan in de toekomst kan het bevoegde gezag een geuronderzoek verlangen van Zandleven en eventueel maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen van geurhinder.

Conclusie

Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geuremissie ten gevolge van de aangevraagde ongewijzigde activiteiten geen onaanvaardbaar geurhinderniveau zal veroorzaken ter plaatse van de geurgevoelige objecten in de omgeving. Het opleggen van (maatwerk)voorschriften is nu niet noodzakelijk. Artikel 2.7a uit het Activiteitenbesluit is het rechtstreeks werkend voorschrift waarmee afdoende geborgd is dat er handhavend kan worden opgetreden bij het veroorzaken van geurhinder.

1.7.4 Algemeen

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtsreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.

1.7.5 Emissies naar de lucht afkomstig van de inrichting

Inleiding luchtemissies

Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats die emissies naar de lucht tot gevolg hebben. De activiteiten die hier plaats vinden hebben betrekking op het produceren van verf/lakproducten. Hiervoor worden grondstoffen en oplosmiddelen met elkaar vermengd tot een coating. Een meer gedetailleerde beschrijving wordt in de onderstaande hoofdstukken gegeven.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies afkomstig van de productie-installaties en verbrandingsinstallaties alsmede van diffuse emissies.

Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting zijn de volgende gasgestookte installaties aanwezig:

  • 1.

    Nefit topline HR100 van 106 kW;

  • 2.

    2 keer een Remeha GAS 2020 ACE van 300 kW elk.

De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 uit het Activiteitenbesluit zijn echter met betrekking tot gasgestookte installaties alleen van toepassing op installaties met een vermogen groter dan 400 kW. Dit is weergegeven in artikel 3.10b. Hiermee zijn de emissie-eisen uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing op de stookinstallaties bij Zandleven.

Voor deze installaties geldt wel het keurings- en onderhoudseisen uit het Activiteitenbesluit. Dit is opgenomen in artikel 3.10p van het activiteitenbesluit en artikel 3.7m van de Activiteitenregeling.

Toetsing

Aangezien de emissie-eisen uit artikel 3.2.1 niet van toepassing zijn op deze stookinstallaties is er ook geen sprake van een toetsing aan emissie-eisen. Voor deze installaties zijn in deze vergunning geen voorschriften opgenomen.

1.7.6 Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van stikstofemissies van voertuigen. Deze emissies zijn beschouwd in het onderdeel luchtkwaliteit. Tevens kan er sprake zijn van VOS emissies van productie-installaties. Bij het mengen van grondstoffen en oplosmiddelen komen VOS vrij in de productieruimte. Deze emissies worden zoveel mogelijk puntgericht afgezogen en gemengd met de ruimteafzuiging en vervolgens bovendaks op 2 meter hoogte uitgestoten. Er zullen derhalve naar verwachting geen relevante diffuse emissies vrijkomen bij de reguliere werkzaamheden.

Toetsing

Op deze diffuse emissies gelden de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Voor diffuse emissies is toetsen aan een emissiegrenswaarde niet praktisch. Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 2.7 tweede lid van het Activiteitenbesluit in een maatwerkbesluit maatregelen vastleggen om diffuse emissies te beperken. Van deze mogelijkheid maken wij geen gebruik aangezien er geen handelingen met grondstoffen in de buitenlucht plaats vinden en in de productieruimten er puntafzuiging en ruimteafzuiging plaats vindt.

Oplosmiddeleninstallatie

Voorschriften specifiek voor oplosmiddelen zijn geregeld in afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit en in afdeling 2.4 van de Activiteitenregeling. Deze voorschriften gelden voor alle typen inrichtingen met oplosmiddeleninstallaties die de drempelwaarden uit artikel 2.28 overschrijden. Voor Zandleven betreft het de volgende activiteit waardoor zij onder afdeling 2.11 vallen: Vervaardigen van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen.

Door Zandleven is in de aanvraag aangegeven dat er op jaarbasis 480.000 kg Vluchtige Organische Stoffen per jaar worden gebruikt. Hiermee wordt de drempelwaarde van meer dan 100 ton oplosmiddelenverbruik per jaar uit tabel 2.28 van artikel 2.28 van afdeling 2.11overschreden.

Binnen deze activiteit worden stoffen en mengsels gebruikt met een gevarenaanduiding: H350 kankerverwekkend, H360D reprotoxisch, H360F reprotoxisch. Dit is door Zandleven aangegeven in de aangeleverde ZZS stoffenlijst.

Voor stoffen en mengsels met een bepaalde gevarenaanduiding boven de drempelwaarden volgens tabel 2.30 gelden aparte emissie-eisen, die ook gelden wanneer gebruik wordt gemaakt van een reductieprogramma. Deze mogen namelijk niet als diffuse emissie vrijkomen (tenzij het technisch en economisch niet haalbaar is) en moeten binnen zo kort mogelijke tijd vervangen worden door een minder schadelijk alternatief.

Toetsing

Uit de beoordeling blijkt dat de geldende drempelwaarde van artikel 2.28 Activiteitenbesluit wordt overschreden. Uit de stukken bij de aanvraag is niet te herleiden of aan de totale en diffuse-emissiegrenswaarden van tabel 2.28a en tabel 2.28b wordt voldaan.

In de inrichting worden wel stoffen en of mengsels gebruikt met de in het artikel 2.30 vermeldde eigenschappen boven de drempelwaarden van tabel 2.30. Uit de stukken van de aanvraag is niet te herleiden of de in tabel 2.30 vermeldde emissiegrenswaarden worden overschreden.

Meetvoorschriften voor Oplosmiddeleninstallaties zijn geregeld in afdeling 2.4 van de Activiteitenregeling.

Niet-reguliere emissies/storingen

Niet reguliere emissies zijn incidentele emissies veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, zoals:

  • onderhoud

  • schoonmaak

  • ongelukken

  • start- en stopprocedures die weinig voorkomen (bijvoorbeeld voor continue processen)

  • storingen

Emissies veroorzaakt door gebruikelijke start- en stopprocedures waarvoor het bedrijf de reguliere emissiebeperkende voorzieningen gebruiken kan, vallen onder de reguliere emissies. 

Toetsing

Op basis van artikel 5.7, eerste lid, onder f, van het Bor worden voorschriften opgenomen met betrekking tot het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden.

Het bevoegd gezag kan ook maatwerkvoorschriften stellen om niet reguliere emissies te beperken op grond van de technische kenmerken van de installatie. Dit op grond van artikel 2.7 eerste lid van het Activiteitenbesluit.

Ten aanzien van het voorkomen van storingen merken wij op dat Zandleven beschikt over en werkt volgens een onderhouds- en inspectiesysteem, wat er op gericht is om preventief onderhoud te plegen. Hiermee worden storingen en lekkages zo veel mogelijk voorkomen.

In voorschrift 6.1.5 is opgenomen dat er een preventieve inspectie en onderhoudsplan geïmplementeerd moet zijn.

Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) 

Zorgwekkende stoffen vallen onder de stofklassen MVP1, MVP 2 en ERS zoals opgenomen in tabel 2.5 uit artikel 2.5 uit het Activiteitenbesluit. Artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en behorende Activiteitenregeling gelden.

De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.

Toetsing

Indien de grensmassastroom wordt overschreden dan moet inzicht worden gegeven hoe de emissie van ZZS bijdragen aan de immissie. Als het bedrijf een grensmassastroom overschrijdt dan moet deze ook inzicht geven hoe de emissie van ZZS bijdragen aan de immissie. Dit kan bijvoorbeeld met een verspreidingsberekening. Het bevoegd gezag toetst vervolgens aan het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). De berekening van de immissieconcentratie moet het bedrijf in overleg met haar bevoegd gezag uitvoeren. Het bedrijf moet de resultaten van deze immissieberekening rapporteren aan het bevoegd gezag. Als de emissie onder de grensmassastroom blijft, is toetsing aan het MTR niet nodig. Het uitgangspunt is dat de grensmassastroom voldoende bescherming geeft om immissiegrenzen te waarborgen.

Maatwerk

Er zijn geen BBT conclusies voor de activiteiten met ZZS voor Zandleven van toepassing. De emissiegrenswaarden van artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit zijn van toepassing voor de stoffen die worden geëmitteerd bij Zandleven. Door Zandleven is geen aanvraag gedaan tot het stellen van maatwerk om af te wijken van de emissiegrenswaarden uit artikel 2.5. Wij zien geen aanleiding om bij maatwerkbepaling van de emissiegrenswaarden uit artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit af te wijken.

Conclusie

Door Zandleven worden Zeer Zorgwekkende Stoffen als gevolg van de activiteiten geëmitteerd. Afdeling 2.3 artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit is ten aanzien van deze stoffen rechtstreeks werkende regelgeving waar Zandleven aan dient te voldoen.

1.7.7 Luchtkwaliteit

Toetsen aan luchtkwaliteitseisen

De aangevraagde activiteiten, leveren een bijdrage aan concentraties verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Om aan te tonen dat er wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen, heeft Zandleven een onderzoek naar het effect op de luchtkwaliteit uit laten voeren: Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd als een rapport met kenmerk 21910037.R02 opgesteld door Anteagroup, gedateerd op 27 februari 2019.

Wettelijk kader

De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is opgenomen onder titel 5.2 (“Luchtkwaliteitseisen”) van de Wm. In bijlage 2 bij de Wm zijn grens- en richtwaarden opgenomen voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. Grenswaarden zijn er opgenomen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof: PM10, PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Er is een richtwaarde opgenomen voor ozon en er zijn richtwaarden gedefinieerd voor het totale gehalte van de stoffen benzo(a)pyreen, arseen, cadmium en nikkel in de PM10 fractie.

  • In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 zijn regels en voorschriften opgenomen voor het meten en berekenen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de Regeling zijn gestandaardiseerde rekenmethodes opgenomen. De gestandaardiseerde rekenmethodes geven resultaten die rechtsgeldig zijn.

Beschouwde stoffen en grenswaarden

  • In de Nederlandse situatie zijn de concentraties NO2 en PM10 kritisch ten opzichte van de grenswaarden. In het kader van deze aanvraag zijn de concentraties van die stoffen in detail berekend en getoetst aan de wettelijke grenswaarden, inclusief het effect van de aangevraagde activiteiten. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden opgenomen.

Tabel 1. Grenswaarden NO2 en PM10

Stof

Grenswaarde

Toetsingsperiode

NO2

(stikstofdioxide)

40 μg/m³

Jaargemiddelde

200 μg/m³

Uurgemiddelde, mag max. 18 keer per kalenderjaar overschreden worden

PM10 

(fijn stof)

40 μg/m³

Jaargemiddelde

50 μg/m³

24 uurgemiddelde, mag maximaal 35 keer per kalenderjaar overschreden worden.

Wat betreft de stoffen zwaveldioxide, stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen, benzo(a)pyreen, arseen, cadmium, nikkel en ozon treden de laatste jaren nergens in Nederland overschrijdingen van grens- of richtwaarden op. De concentraties van deze stoffen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag, dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden in Groningen redelijkerwijs uitgesloten is. De voornoemde stoffen zijn daarom niet nader in detail in beeld gebracht.

Grenswaarde PM2,5

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie. In het NSL zijn maatregelen opgenomen om te voldoen aan de grenswaarde voor PM10. Deze maatregelen zijn er tevens op gericht om te voldoen aan de grenswaarde voor PM2,5. Wij gaan er daarom vanuit dat wanneer aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, tevens aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.

Luchtkwaliteitsonderzoek

In het door de aanvrager bijgevoegde rapport is beschouwd wat de bijdragen zullen zijn aan de omgeving met betrekking tot de uitstoot van NOx en PM10 en PM2,5 als gevolg van de aangevraagde activiteiten van Zandleven. De beschouwde bronbijdragen betreffen de o.a. de uitstoot van verbrandingsmotoren van de diverse transport- en personenautobewegingen en de gasgestookte CV-installatie.

Conclusie

Uit de aanvraag en de door Antea opgestelde beoordeling luchtkwaliteit blijkt dat door de verandering van de inrichting de emissie(s) van de desbetreffende stoffen gelijk blijven. Er worden geen nieuwe activiteiten ontplooid binnen de inrichting. Tevens wordt de productie niet uitgebreid. Het aantal vervoersbewegingen is zeer beperkt. Wij kunnen derhalve de vergunning verlenen zonder te toetsen aan bovengenoemde grens- en richtwaarden.

1.8 OVERIGE ASPECTEN

1.8.1 Artikel 2.22 derde lid Wabo jo. artikel 5.7 eerste lid Bor

Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie (artikel 5.7 eerste lid Bor) zijn in paragraaf 2.2 van deze vergunningvoorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op: het beëindigen van het bedrijf. Deze voorschriften blijven gedurende 3 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.

1.8.2 Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

1.9 CONCLUSIE

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het aangevraagde milieuonderdeel zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

 

Naar boven