Blad gemeenschappelijke regeling van Drechtsteden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
DrechtstedenBlad gemeenschappelijke regeling 2021, 886algemeen verbindend voorschrift (verordening)



Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden

DE DRECHTRAAD

 

Gezien het voorstel van het Drechtstedenbestuur van 12 mei 2021 en 9 september 2021;

 

Gelet op de artikelen 2.1.3, eerste tot en met vierde lid, 2.1.4a, eerste tot en met derde lid en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 5.4, eerste en derde lid Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 6 van de Gemeenschappelijke regeling Drechtsteden;

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de navolgende:

 

Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden, die de geactualiseerde Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden en het Wijzigingsbesluit daarvan omvat, zoals deze beide ter besluitvorming voorliggen in de Drechtraad d.d. 5 oktober 2021

 

 

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet.

    • b.

      Budgetplan: het budgetplan is een plan waarin de cliënt omschrijft hoe hij de ondersteuning gaat regelen en welk budget daar bij hoort.

    • c.

      Collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen tegelijk gebruikt kan worden.

    • d.

      Drechtstedenbestuur: het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden.

    • e.

      Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres.

    • f.

      Hulpverlener: de persoon of organisatie die ondersteuning levert en die wordt betaald uit een persoonsgebonden budget.

    • g.

      Ingezetene: een persoon die woont in één van de gemeenten die zijn aangesloten bij de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden.

    • h.

      Maatwerkvoorziening: de maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, te verstrekken als voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

    • i.

      Mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1.1.1 van de wet biedt.

    • j.

      Melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

    • k.

      Ondersteuningsplan: een door de cliënt en de gecontracteerde aanbieder overeengekomen plan dat een concrete invulling bevat van de door deze aanbieder te verlenen ondersteuning aan de cliënt, gebaseerd op de geïndiceerde ondersteuning.

    • l.

      Onderzoeksverslag: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.

    • m.

      Persoonsgebonden budget: een maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag waaruit namens het Drechtstedenbestuur betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken.

    • n.

      Persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de wet.

    • o.

      Sociale Dienst Drechtsteden: de organisatie die, als onderdeel van de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden, voor inwoners in de Drechtsteden voor wat betreft de wet de maatwerkvoorzieningen uitvoert.

    • p.

      Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling.

    • q.

      Voorziening in natura: een maatwerkvoorziening die in eigendom, in bruikleen of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt.

    • r.

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening/bestuurlijke bevoegdheid

  • 1.

    Deze verordening betreft de maatwerkvoorzieningen met betrekking tot de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur kan, onverminderd het bepaalde in deze verordening, nadere regels stellen over:

    • a.

      het bepaalde in hoofdstuk 7;

    • b.

      welke eisen, in aanvulling op de in artikel 8.1 gestelde eisen, worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Het Drechtstedenbestuur kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van artikel 10.1, lid 2 en 3.

  • 4.

    Het Drechtstedenbestuur kan in de nadere regels de pgb-bedragen vast overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.

  • 5.

    Het Drechtstedenbestuur kan nadere regels stellen over (het bepalen van) de kostprijs én daarbij, in afwijking van het eerste en tweede lid van artikel 5.2, de kostprijs op een lager bedrag vaststellen.

  • 6.

    Het Drechtstedenbestuur kan nadere regels stellen over de maximale termijn waarover voor bepaalde maatwerkvoorzieningen een bijdrage is verschuldigd.

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

Artikel 2.1 Melding

  • 1.

    De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

  • 2.

    De melding moet elektronisch (via de website), telefonisch of mondeling plaatsvinden.

  • 3.

    Het Drechtstedenbestuur bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, en, indien de cliënt een e-mailadres heeft opgegeven, per e-mail.

  • 4.

    Het Drechtstedenbestuur wijst de cliënt op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen een persoonlijk plan in te dienen.

 

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

Het Drechtstedenbestuur wijst cliënten die een melding doen en hun mantelzorgers op de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner.

 

Artikel 2.3 Onderzoek en gesprek

  • 1.

    Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek met de cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur vraagt voor het gesprek aan de cliënt alle gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen.

 

Artikel 2.4 Het onderzoeksverslag

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger een onderzoeksverslag.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt toe aan het onderzoeksverslag én verstrekt het aangepaste onderzoeksverslag aan de cliënt of diens vertegenwoordiger.

 

Artikel 2.5 De aanvraag

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet door of namens de cliënt schriftelijk worden ingediend door middel van een door het Drechtstedenbestuur vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksverslag.

 

Artikel 2.6 Medewerking cliënt en huisgenoten

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur is, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet, in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op te roepen in persoon te verschijnen op een door het Drechtstedenbestuur te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      de cliënt, en bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten, op een door het Drechtstedenbestuur te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    De cliënt en diens huisgenoten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 3.

    Indien de cliënt of diens relevante huisgenoten geen gehoor kunnen geven aan de oproep op een door het Drechtstedenbestuur te bepalen plaats en tijdstip te verschijnen, dan kan een huisbezoek plaatsvinden, waaraan de cliënt en huisgenoten verplicht hun medewerking moeten verlenen.

 

Artikel 2.7 Advisering

Het Drechtstedenbestuur is bevoegd om, indien dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, zich te laten adviseren door een daartoe aangewezen instantie.

 

Artikel 2.8 Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur kan, indien dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en/of het bepalen van de benodigde maatwerkvoorziening, een ondersteuningsplan laten opstellen.

  • 2.

    Artikel 2.6 is van overeenkomstige toepassing.

 

HOOFDSTUK 3 BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING

Artikel 3.1 Uitgangspunt bij beoordeling maatwerkvoorziening

Het Drechtstedenbestuur neemt het onderzoeksverslag, en indien aanwezig het ondersteuningsplan, als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening.

 

Artikel 3.2 Algemene toegangscriteria

  • 1.

    Er bestaat aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie, en

    • b.

      voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is, en

    • c.

      indien deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

    • d.

      voor zover de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie niet kan verminderen of wegnemen:

      • 1.

        op eigen kracht;

      • 2.

        met gebruikelijke hulp;

      • 3.

        met mantelzorg;

      • 4.

        met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

      • 5.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen;

      • 6.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;

      • 7.

        door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten.

  • 2.

    Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      indien de cliënt geen ingezetene is;

    • b.

      voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de cliënt toereikend en passend te zijn of die de kosten van de voorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt;

    • c.

      indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

    • d.

      indien de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt;

    • e.

      indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, evalueren of nakomen van het ondersteuningsplan;

    • f.

      indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt.

    • g.

      indien sprake is van een verzoek voor een voorziening, die al eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij:

      • de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of

      • de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of

      • de eerder verstrekte voorziening in onvoldoende mate ondersteuning biedt.

    • h.

      indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat:

      • 1.

        de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.6 van deze verordening of

      • 2.

        een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.6 van deze verordening.

 

Artikel 3.3 Bijzondere toegangscriteria in verband met wonen

Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening ter compensatie van door een cliënt ondervonden beperkingen in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning indien:

  • a.

    sprake is van een maatwerkvoorziening in een woongebouw dat specifiek is gericht op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat

    • 1.

      reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten; of

    • 2.

      voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen;

  • b.

    de maatwerkvoorziening betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor de rolstoel;

  • c.

    de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

  • d.

    de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud;

  • e.

    de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het Drechtstedenbestuur;

  • f.

    de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.

 

Artikel 3.4 Omvang maatwerkvoorziening voor vervoer

Een te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie stelt de cliënt in staat zich lokaal te verplaatsen met een omvang van maximaal 2000 kilometer per jaar.

 

Artikel 3.5 Primaten

  • 1.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het Drechtstedenbestuur het primaat van collectieve voorzieningen, zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur, hanteren.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het Drechtstedenbestuur het primaat van verhuizen toepassen.

 

Artikel 3.6 Individuele begeleiding

Er bestaat geen aanspraak op individuele begeleiding:

  • a.

    indien verblijf een noodzakelijk onderdeel is van het totale ondersteuningspakket.

  • b.

    voor zover de compensatie kan worden bereikt met dagbesteding.

 

HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.6 van de wet bestaat er geen aanspraak op een persoonsgebonden budget:

    • a.

      indien de cliënt het door het Drechtstedenbestuur vastgestelde budgetplan niet of onvolledig ingevuld heeft overgelegd;

    • b.

      indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het Drechtstedenbestuur te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • c.

      indien de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

    • d.

      indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt verzekerde jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

    • e.

      indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;

    • f.

      indien naar het oordeel van het Drechtstedenbestuur onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;

    • g.

      indien de cliënt naar het oordeel van het Drechtstedenbestuur redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren, tenzij de cliënt het beheren laat uitvoeren door een derde die wel in staat kan worden geacht het persoonsgebonden budget te beheren;

    • h.

      indien de beperkingen kunnen worden gecompenseerd met een collectieve voorziening;

    • i.

      indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is;

    • j.

      indien sprake is van vervanging van een maatwerkvoorziening in natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken;

    • k.

      indien bekend is dat de cliënt op een zodanige termijn gaat verhuizen dat de afschrijftermijn van de maatwerkvoorziening ten tijde daarvan nog niet zal zijn verstreken;

    • l.

      indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;

    • m.

      voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding buiten Nederland.

  • 2.

    Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een persoonsgebonden budget indien het persoonsgebonden budget wordt besteed bij een hulpverlener die voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de hulpverlener biedt ondersteuning die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend;

    • b.

      de hulpverlener werkt actief en integraal samen met andere hulpverleners/aanbieders in het belang van de cliënt, en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij hulp die wordt geboden vanuit het sociale netwerk van de cliënt;

    • c.

      de hulpverlener werkt aantoonbaar (met een ondersteunings- of zorgplan) aan de doelen van de beschikking;

    • d.

      de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen:

      • Ondersteuningsplan/zorgplan per cliënt waarin gemaakte afspraken en communicatie zijn opgenomen;

      • Urenregistraties

      • Urendeclaraties

      • Evaluaties

    • e.

      de hulpverlener kan aangeven wanneer andere ondersteuning is gewenst of wanneer op- of afgeschaald dient te worden;

    • f.

      de hulpverlener moet, als dat wordt gevraagd, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hebben die niet ouder is dan 12 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum van de ondersteuningsverlening;

    • g.

      de hulpverlener handelt niet in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels, misleidt niet, pleegt geen fraude en biedt geen ondeskundige ondersteuning, en heeft dit in het verleden ook niet gedaan.

 

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen is gelijk aan de prijs van de goedkoopst passende voorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het Drechtstedenbestuur aan de gecontracteerde aanbieder zou zijn verschuldigd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget voor vervoerskosten bedraagt:

    • a.

      voor het gebruik van een bruikleen auto: maximaal € 793,47 per jaar;

    • b.

      voor het gebruik van een (eigen) auto: maximaal € 982,99 per jaar;

    • c.

      voor het gebruik van een taxi: maximaal € 1.312,04 per jaar;

    • d.

      voor het gebruik van een rolstoeltaxi: maximaal € 1.947,23 per jaar;

    • e.

      voor de medisch noodzakelijke begeleiding in het collectief vervoer: maximaal € 223,88 per jaar.

  • 3.

    Bij dienstverlening is sprake van een gedifferentieerde tariefstelling voor inkoop via een persoonsgebonden budget bij een professionele hulpverlener en inkoop bij een niet-professionele hulpverlener of persoon uit het sociaal netwerk.

  • 4.

    Van een professionele hulpverlener is sprake indien de hulpverlener voldoet aan de in artikel 4.1, tweede lid opgenomen eisen én voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de hulpverlener staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      de hulpverlener beschikt aantoonbaar over een afgeronde opleiding die passend is bij de te verrichten activiteiten en voldoen aan de kwaliteitseisen die voor betreffende ondersteuning worden gesteld;

    • c.

      de hulpverlener voldoet bij het verrichten van de activiteiten aantoonbaar aan de relevante professionele en branchegerichte standaarden;

    • d.

      de hulpverlener zorgt voor vervanging bij diens afwezigheid, zodat de ondersteuning gegeven blijft worden;

    • e.

      de hulpverlener behoort niet tot het sociale netwerk van de cliënt;

    • f.

      de hulpverlener heeft een meldplicht bij calamiteiten en geweld, en doet dit bij de Dienst Gezondheid & Jeugd;

    • g.

      de hulpverlener heeft een heldere en eenduidige administratie van de gemaakte ondersteuningsuren. Deze administratie bevat ten minste de volgende onderdelen:

      • cliëntadministratie

      • ondersteuningsplan/zorgplan per cliënt waarin gemaakte afspraken, risico-inventarisatie (veiligheid) en communicatie is opgenomen

      • urenregistraties

      • urendeclaraties

      • evaluaties

      • zorgovereenkomsten met derdenbeding

      • diploma's van de medewerkers per functie (indien van toepassing)

      • VOG van de medewerkers (indien van toepassing)

      • meldcode huiselijk geweld

    • h.

      de hulpverlener conformeert zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • i.

      de hulpverlener werkt met een systematische kwaliteitsbewaking en kan dit aantonen met een in zijn branche geldend kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking hebbende op ondersteuning, maatschappelijke en/of aanpalende dienstverlening.

  • 5.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening is, indien sprake is van dienstverlening door een professionele hulpverlener, die de ondersteuning verleent vanuit een van de in artikel 5.22, eerste lid, onderdeel a tot en met c Regeling langdurige zorg genoemde situaties en die de ondersteuning verleent conform de geldende kwaliteitsstandaarden:

    • a.

      bij kortdurend verblijf gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het Drechtstedenbestuur de verblijfscomponent van kortdurend verblijf heeft gecontracteerd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten;

    • b.

      bij huishoudelijke ondersteuning gelijk aan het per 1 januari van het kalenderjaar geldende loon uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg behorende bij de hoogste trede van functiegroep ‘Hulp bij het huishouden’, vermeerderd met 20% in verband met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren en bij huishoudelijke ondersteuning+ gelijk aan het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning, vermeerderd met 22,5%;

    • c.

      bij overige diensten gelijk aan de onderliggende prijs waarvoor het Drechtstedenbestuur deze diensten heeft gecontracteerd, met dien verstande dat het persoonsgebonden budget nooit hoger is dan de werkelijke kosten.

  • 6.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor dienstverlening bedraagt, indien sprake is van dienstverlening door een niet-professionele hulpverlener of een persoon uit het sociaal netwerk, waaronder begrepen de personen waarop artikel 5.22, derde lid van de Regeling langdurige zorg van toepassing is:

    • a.

      bij kortdurend verblijf per etmaal gelijk aan anderhalf maal het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag;

    • b.

      bij individuele begeleiding per uur gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag;

    • c.

      bij dagbesteding per dagdeel gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid, Regeling langdurige zorg genoemde bedrag;

    • d.

      bij huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning+ per uur gelijk aan het per 1 januari van het kalenderjaar geldende minimumloon als bedoeld in artikel 8 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per uur, vermeerderd met 20%.

 

Artikel 4.3 Besteding persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget moet volledig worden besteed aan de ondersteuning en het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt.

  • 2.

    De cliënt hoeft, indien het persoonsgebonden budget is verstrekt voor ondersteuning die bestaat uit dienstverlening, van het persoonsgebonden budget 5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van € 20,- per jaar en een maximum van € 250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato.

 

HOOFDSTUK 5 BIJDRAGE

Artikel 5.1 Maatwerkvoorziening

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, met uitzondering van:

    • a.

      woningaanpassingen voor minderjarige kinderen;

    • b.

      de vergoeding voor het gebruik van een bruikleenauto, een (eigen) auto, een taxi of rolstoeltaxi;

    • c.

      elektrische deuropeners in gemeenschappelijke ruimten;

    • d.

      de verhuiskostenvergoeding.

  • 2.

    De cliënt betaalt een bijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer, die per rit bestaat uit een opstaptarief à € 0,60 en een kilometertarief van € 0,13.

  • 3.

    De startdatum van de bijdrage is de datum waarop de ondersteuning aanvangt.

 

Artikel 5.2 Kostprijs

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het Drechtstedenbestuur de maatwerkvoorziening in natura betrekt van een gecontracteerde aanbieder, inclusief de reparatie- en onderhoudskosten.

  • 2.

    De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget.

 

HOOFDSTUK 6 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 6.1 Beëindiging

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen of opschorten, indien:

    • a.

      niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of de verordening, waaronder de in hoofdstuk 3 en 4 genoemde toegangscriteria;

    • b.

      de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen of in een ziekenhuis;

    • c.

      de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de maatwerkvoorziening;

    • d.

      de cliënt is overleden;

    • e.

      de cliënt niet meer beschikt over de met een persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening of de in eigendom verleende maatwerkvoorziening in natura, terwijl de periode waarover de maatwerkvoorziening is toegekend nog niet is verstreken.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur heeft het recht om de bestaande aanspraak op een maatwerkvoorziening tussentijds opnieuw te beoordelen, met een eventueel ongunstiger besluit tot gevolg, onder toepassing van een overgangstermijn.

 

Artikel 6.2 Herziening en intrekking

Het Drechtstedenbestuur kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien:

  • a.

    niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening.

  • b.

    beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;

  • c.

    de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

 

Artikel 6.3 Terugvordering

  • 1.

    Indien het besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken, kan Drechtstedenbestuur, onverminderd artikel 2.4.1 van de wet:

    • a.

      het ten onrechte genoten betaalde persoonsgebonden budget terugvorderen;

    • b.

      de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het Drechtstedenbestuur, indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening is beëindigd op grond van artikel 6.1 lid 1 onder e:

    • a.

      het deel van het persoonsgebonden budget terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover het persoonsgebonden budget is toegekend;

    • b.

      het deel van de geldwaarde van de maatwerkvoorziening in natura terugvorderen dat betrekking heeft op de nog niet verstreken periode waarover de maatwerkvoorziening is in natura is toegekend.

 

HOOFDSTUK 7 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 7.1 Fraudepreventie

Het Drechtstedenbestuur voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het Drechtstedenbestuur cliënten informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op maatwerkvoorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

 

Artikel 7.2 Controle

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het Drechtstedenbestuur onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het Drechtstedenbestuur en de cliënt resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

 

HOOFDSTUK 8 KWALITEIT

Artikel 8.1 Kwaliteitseisen

De aanbieder van een voorziening zorgt voor een goede kwaliteit van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat:

  • a.

    de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is;

  • b.

    de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • c.

    de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

  • d.

    de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

  • e.

    de voorziening voldoet aan de door de aanbieder en het Drechtstedenbestuur overeengekomen kwaliteitseisen.

 

Artikel 8.2 Prijs-kwaliteitverhouding levering voorzieningen door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het Drechtstedenbestuur houdt bij het leveren van hulpmiddelen en woningaanpassingen en het vaststellen van de tarieven daarvan, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te leveren hulpmiddelen of woningaanpassingen;

    • b.

      de kwaliteitseisen van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

    • c.

      de reële marktprijs van het hulpmiddel of de woningaanpassing, en

    • d.

      de eventuele extra taken die in verband met het hulpmiddel of de woningaanpassing van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • 1.

        aanmeten, levering en plaatsing van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • 2.

        instructie over het gebruik van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • 3.

        onderhoud van het hulpmiddel of de woningaanpassing;

      • 4.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).

 

 

HOOFDSTUK 9 KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling

  • 1.

    Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening heeft een regeling voor afhandeling van klachten van cliënten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het Drechtstedenbestuur toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.

 

Artikel 9.2 Regeling voor medezeggenschap

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het Drechtstedenbestuur, een regeling voor medezeggenschap heeft.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het Drechtstedenbestuur toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.

 

HOOFDSTUK 10 BURGER- EN CLIËNTENPARTICIPATIE

Artikel 10.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het Drechtstedenbestuur betrekt ingezetenen van de gemeenten, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het Drechtstedenbestuur stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het Drechtstedenbestuur zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

 

Artikel 10.2 Regionale Adviesraad Wmo 2015

  • 1.

    De Regionale Adviesraad Wmo 2015 adviseert het Drechtstedenbestuur gevraagd en ongevraagd:

    • a.

      over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot de maatwerkvoorzieningen;

    • b.

      bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal.

  • 2.

    Het doel van de Regionale Adviesraad Wmo 2015 is om, vanuit een onafhankelijke positie, een optimale betrokkenheid te bewerkstelligen van burgers bij het voorbereiden, vaststellen, uitvoeren en evalueren van het beleid met betrekking tot maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    De Regionale adviesraad Wmo 2015 bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 10 leden en maximaal 13 leden, met minste de volgende leden:

    • a.

      leden uit de lokale adviesraden Wmo 2015, waarbij iedere lokale adviesraad Wmo 2015 van de gemeenten die zijn aangesloten bij de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden één lid afvaardigt;

    • b.

      drie leden die ervaringsdeskundigen zijn uit de sectoren Zorg Thuis, GZ en GGZ.

  • 4.

    Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de regionale Wmo adviesraad zijn uitgesloten raadsleden van de in lid 3 onder a genoemde gemeenten, medewerkers van de GR Drechtsteden en de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Drechtstedenbestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van de Drechtsteden zijn betrokken.

  • 5.

    Het Drechtstedenbestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale adviesraad Wmo 2015 de voorzitter en leden van de Regionale adviesraad Wmo 2015.

  • 6.

    Het Drechtstedenbestuur stelt, onverminderd de vorige leden, een nader reglement voor de Regionale adviesraad Wmo 2015 vast.

     

     

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het Drechtstedenbestuur kan in bijzondere gevallen op verzoek van de cliënt ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 11.2 Indexering

De Drechtraad kan de in deze verordening opgenomen bedragen jaarlijks per 1 januari indexeren.

 

Artikel 11.3 Evaluatie

Evaluatie van het door de Drechtsteden gevoerde beleid vindt plaats via de reguliere bestuursrapportages, of op verzoek van de Drechtraad.

 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

  • 1.

    De voorgaande versie van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden, zoals vastgesteld op 1 december 2020, wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van een op grond daarvan genomen besluit totdat het Drechtstedenbestuur, onder intrekking van dit besluit, een nieuw besluit op grond deze verordening heeft genomen.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen op grond van de voorgaande versie van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden, zoals vastgesteld op 1 december 2020, genomen besluiten, worden afgehandeld op grond van die voorgaande versie van de Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden, zoals vastgesteld op 1 december 2020.

 

Artikel 11.5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2022.

 

Artikel 11.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Drechtsteden”.

 

 

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de Drechtraad van 5 oktober 2021.

de regiogriffier, de voorzitter,

E. Boers, mr. A.W. Kolff

Toelichting

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen. Daarbij is ervoor gekozen om de wettelijke begripsbepalingen niet over te nemen. Uitzondering daarop zijn de begrippen maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget. Die zijn wel vastgelegd in artikel 1.1 om te verduidelijken dat een maatwerkvoorziening twee leveringsvormen kent (natura en pgb) en dat een persoonsgebonden budget een leveringsvorm van een maatwerkvoorziening is.

 

Lid 1 onder e Hoofdverblijf

Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De persoon met beperkingen dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de Basisregistratie Personen, aan te tonen.

 

Lid 1 onder o Voorliggende voorziening

Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Wet langdurige zorg).

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

 

Artikel 2.1 Melding

Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. In principe kan iedereen een signaal afgeven dat iemand behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet, waarop een onderzoek door het Drechtstedenbestuur moet volgen, kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Dat hoeft dus niet de cliënt zelf te zijn, maar kan bijvoorbeeld ook een mantelzorger of familielid zijn.

 

De melding moet via de website van de Sociale Dienst Drechtsteden plaatsvinden. De burger kan ook bellen naar de Afdeling Klantenservice (AKS) bellen en dan vult AKS het meldingsformulier voor de burger in (telefonisch). Als de burger zich meldt bij het loket, kan de loketmedewerker de melding op de site invullen. De cliënt heeft na bevestiging van de melding zeven dagen de tijd een persoonlijk plan in te leveren. Het gaat hier om zeven dagen, niet om zeven werkdagen.

 

De wet voorziet in een procedure voor spoedeisende gevallen, waarbij het college onverwijld na de melding beslist tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de cliënt.

 

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

Dit artikel bepaalt overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de wet dat het Drechtstedenbestuur de cliënt na de melding inlicht over de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Voor deze cliëntondersteuning is geen bijdrage verschuldigd.

 

Artikel 2.3 Onderzoek en gesprek

Het onderzoek en de inhoud daarvan is al uitgebreid omschreven in de wet. Daarom is bewust gekozen de wijze van toegang summier in de verordening op te nemen. Wel bepaalt het eerste lid dat een gesprek altijd deel uitmaakt van het onderzoek. Bij voorkeur vindt het gesprek mondeling bij de cliënt thuis plaats (daarbij kan een familielid, hulpverlener of onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn). Is een gesprek thuis niet mogelijk, dan wordt uitgeweken naar een spreekuur bij de SDD of bij een dienstverlener. Tot slot kan in sommige gevallen ook een telefoongesprek volstaan (bv bij aanpassing van een reeds bestaande voorziening). Afhankelijk van de melding en de situatie wordt bepaald hoe het gesprek vorm wordt gegeven.

 

Artikel 2.4 Het onderzoeksverslag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 7 van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt verstrekt. Dit wordt het onderzoeksverslag genoemd.

 

Artikel 2.5 De aanvraag

Dit artikel beschrijft wie de aanvraag kan doen en hoe de aanvraag kan worden gedaan. Een aanvraag kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt.

 

Artikel 2.6 Medewerking cliënt en huisgenoten

Dit artikel is grotendeels een nadere uitwerking van de medewerkingsplicht van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen of gebruikelijke hulp verlangd kan worden, is het van belang om ook de huisgenoten en hun mogelijkheden te kunnen beoordelen. Daarom bevat het tweede lid de verplichting voor de huisgenoot om medewerking te verlenen.

 

Artikel 2.7 Advisering

Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening een beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is biedt dit artikel daartoe de mogelijkheid.

 

HOOFDSTUK 3 BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING

 

Artikel 3.2 Algemene toegangscriteria

 

Lid 1

 

Onder a

Lid 2 onder a bepaalt dat een voorziening langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te bereiken resultaat voor een cliënt die terminaal is, dient gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemands gehele verdere leven noodzakelijk zijn. De gebruikelijke regel is dat een voorziening, naar inschatting, langer dan 6 maanden noodzakelijk moet zijn. Dit sluit aan bij de maximale uitleentermijn van 6 maanden waarvan de kosten, zolang de huidige regels van toepassing zijn, voor rekening van de AWBZ komen.

 

Onder b

De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest goedkope te zijn. Datgene wat de cliënt als een meest passende oplossing voor zijn beperkingen beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het verantwoord zijn van de voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van de voorziening, speelt een rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet verantwoord zijn van een voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Onder c

Dit onderdeel regelt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Daarvan is bij voorbeeld geen sprake indien de maatwerkvoorziening een anti-revaliderende werking heeft.

 

 

Onder d

Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving, of met algemene voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, moet er een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Dus het Drechtstedenbestuur zal zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of anderszins) kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen.

 

Lid 2

 

Onder a

Uit artikel 1.2.1 van de wet volgt dat de cliënt aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening in de gemeente waar hij ingezetene is. De wet bevat geen definitie van “ingezetene”. In de verordening is daaraan invulling gegeven door te bepalen dat de cliënt zijn woonplaats in een van de zeven gemeenten van de Drechtsteden moet hebben.

 

Onder b

De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet worden vergoed. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering.

 

Onder h

In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt opgenomen. En in artikel 2.6 van deze verordening is voor de cliënt en, bij de beoordeling van gebruikelijke hulp, diens huisgenoten een specifieke medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld en volgt een afwijzende beschikking.

 

Artikel 3.3 Bijzondere toegangscriteria in verband met wonen

Dit artikel bevat een aantal weigeringsgronden dat verband houdt met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning).

 

Artikel 3.4 Omvang maatwerkvoorziening voor vervoer

De omvang van een te verstrekken voorziening voor vervoer wordt begrensd op maximaal 2000 km. Deze grens is overgenomen uit de WVG/Wmo-jurisprudentie. Daarin is bepaald dat een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van ongeveer 1500 tot 2000 kilometer per jaar, in beginsel toereikend is om de cliënt in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Als de vervoersbehoefte lager is, kan ook een lager aantal kilometers toegekend worden.

 

Artikel 3.5 Primaten

Dit artikel regelt het primaat van collectieve voorzieningen, zoals collectief vervoer (lid 1) en het primaat van verhuizen (lid 2). Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Beide primaten zijn al bekend van onder de WVG en de Wmo.

 

HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

 

Artikel 4.1 Criteria persoonsgebonden budget

Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. In aanvulling daarop bevat dit artikel in het eerste lid een aantal weigeringsgronden voor een persoonsgebonden budget. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ. Het tweede lid bevat de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de hulpverlener.

 

Artikel 4.2 Hoogte persoonsgebonden budget

Dit artikel bevat de regels voor het bepalen van de hoogte van het persoonsgebonden budget.

 

 

Artikel 4.3 Besteding persoonsgebonden budget

Het is van belang dat een persoonsgebonden budget op een goede wijze en inzichtelijk wordt besteed en aan de ondersteuning waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld. Wel hoeft de cliënt een klein gedeelte (5%) van het persoonsgebonden budget, met een maximum van € 250,- niet te verantwoorden.

 

HOOFDSTUK 5 BIJDRAGE

 

Artikel 5.1 Maatwerkvoorziening

Dit artikel regelt dat een cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een bijdrage is verschuldigd, met een uitzondering voor de in het eerste lid genoemde voorzieningen. Het tweede lid regelt de eigen bijdrage voor het collectief vervoer. Deze bestaat niet uit het abonnementstarief, maar een bijdrage per rit.

 

Artikel 5.2 Kostprijs

In dit artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget.

 

HOOFDSTUK 6 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

 

De wettelijke bepalingen over met name terugvordering zijn summier en artikel 2.3. 10 van de wet maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

 

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het Drechtstedenbestuur moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.

 

In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het Drechtstedenbestuur op grond van de wet overgaan tot terugvordering. Er is voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg moet geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. De onverschuldigdheid staat ook vast indien een toegekend persoonsgebonden budget dat is bedoeld voor een bepaalde periode (bijv. pgb voor aanschaf van een scootmobiel) voor afloop van deze periode wordt beëindigd omdat de cliënt niet meer beschikt over de met het pgb aangeschafte voorziening, bijvoorbeeld door verkoop van deze voorziening. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het Drechtstedenbestuur de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.

 

HOOFDSTUK 7 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

 

In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het Drechtstedenbestuur controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het Drechtstedenbestuur kan bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

 

HOOFDSTUK 8 KWALITEIT

 

Artikel 8.1 Kwaliteitseisen

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

 

Artikel 8.2 Prijs-kwaliteitverhouding levering voorzieningen door derden

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).

 

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

 

Vierde lid

Het Drechtstedenbestuur kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6 lid 1 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit lid een aantal andere aspecten genoemd waarmee het Drechtstedenbestuur bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) voor hulpmiddelen en woningaanpassingenrekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

HOOFDSTUK 9 KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP

 

Artikel 9.1 Regeling voor klachtenafhandeling

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Dit artikel legt aan iedere aanbieder de verplichting op om een klachtenregeling te hebben. Het Drechtstedenbestuur zal toezien op de naleving daarvan.

 

 

Artikel 9.2 Regeling voor medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het Drechtstedenbestuur moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het Drechtstedenbestuur dat noodzakelijk vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat geval ziet het Drechtstedenbestuur ook toe op de naleving ervan.

 

HOOFDSTUK 10 BURGER- EN CLIËNTENPARTICIPATIE

 

Artikel 10.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet, dat bepaalt dat een aantal onderwerpen ten aanzien van de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken, in de verordening moeten worden geregeld.

 

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo 2015-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het Drechtstedenbestuur overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven (zie wel nog artikel 10.2).

 

Artikel 10.2 Regionale Adviesraad Wmo 2015

Dit artikel bepaalt dat er een Regionale Adviesraad Wmo 2015 is die de cliëntenparticipatie invult, voor zover het gaat om onderwerpen die betrekking hebben op maatwerkvoorzieningen. Ook regelt het artikel het doel van deze Regionale Adviesraad Wmo 2015 (lid2) en de kaders voor de samenstelling daarvan (lid 3 tot en met 5). Het Drechtstedenbestuur stelt een reglement vast, waarin een verdere uitwerking staat van andere onderwerpen, zoals de faciliteiten voor en de overlegstructuur van de Regionale Adviesraad Wmo 2015.

 

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Dit artikel geeft aan dat het Drechtstedenbestuur in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het Drechtstedenbestuur er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, immers, bij de afwegingen gaat het al om een individuele beoordeling. Als desondanks bij die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet.

 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

Dit artikel bevat het overgangsrecht.