Blad gemeenschappelijke regeling van GBLT

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GBLTBlad gemeenschappelijke regeling 2021, 309Beleidsregels



Wijzigingsbesluit Leidraad invordering GBLT

Besluit van het dagelijks bestuur van GBLT tot wijziging van de Leidraad invordering GBLT.

 

Het dagelijks bestuur van GBLT;

 

besluit:

ARTIKEL I

De Leidraad invordering GBLT, vastgesteld bij besluit van 12 maart 2020, wordt als volgt gewijzigd:

 

A

Artikel 25.7.1 wijzigt als volgt:

De eerste volzin van de eerste alinea wordt vervangen door:

‘Als de belastingschuldige het niet eens is met een door de ontvanger genomen beslissing op grond van artikel 25, eerste lid of tweede lid, van de wet, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij het Dagelijks bestuur van GBLT’.

 

B

Artikel 26.1.2 wijzigt als volgt:

De tweede en derde alinea worden vervangen door:

‘Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger stelt de belastingschuldige in dat geval in de gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken op het daartoe bestemde formulier in te dienen.

 

In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het verzoek af.’

 

C

Artikel 73.5.1 wijzigt als volgt:

  • 1.

    In de eerste volzin van de tweede alinea wordt ‘120 dagen’ vervangen door ‘een periode van maximaal 240 dagen’.

  • 2.

    De vierde zin van de tweede alinea vervalt.

  • 3.

    De aanhef onder ‘Schuldregelingsovereenkomst’ komt als volgt te luiden:

  • ‘Nadat de schuldhulpverlener de ontvanger schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maanden als:’

  • 4.

    De tweede en derde alinea onder de opsomming worden vervangen door een nieuwe alinea, luidende:

  • ‘Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener streeft ernaar dit onderzoek af te ronden binnen 120 dagen, maar uiterlijk binnen 240 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, zet de schuldhulpverlener de schuldregelingsovereenkomst voort; hij stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet tijdig in het tot stand brengen van de schuldregeling, dan beëindigt hij de schuldregelingsovereenkomst.’

D

Artikel 73.5.5 wijzigt als volgt:

  • 1.

    In de zin achter het eerste gedachtestreepje wordt ‘120 dagen’ door ‘240 dagen’ vervangen.

  • 2.

    Na de opsomming wordt een nieuwe, tweede alinea toegevoegd, luidende:

  • ‘Het uitstel wordt in de situatie genoemd bij het eerste gedachtestreepje niet ingetrokken als blijkt dat een verzoek om een schuldregeling, als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet, is ingediend bij de rechter. De ontvanger trekt het uitstel in deze situatie niet eerder in, dan nadat de rechter heeft beslist op het verzoek.’

E

Artikel 14.1.1 komt te vervallen.

 

F

Artikel 14.1.10 komt te vervallen.

 

G

Artikel 14.1.11 komt te vervallen.

 

H

Artikel 14.2.4 komt te luiden:

  • 1.

    Het beslag wordt gelegd op zoveel zaken als, naar het oordeel van de belastingdeurwaarder, in elk geval nodig is voor dekking van de openstaande schuld inclusief rente en kosten.

  • 2.

    Gezien het bepaalde in artikel 441, derde lid, Rv, wordt geen beslag gelegd op zaken indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. De belastingdeurwaarder kan wel beslag leggen op deze zaken als de belastingschuldige door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen. Daarvan is sprake als het aannemelijk is dat het onbetaald blijven van de belastingschulden waarvoor beslag wordt gelegd, te wijten is aan onwil van de belastingschuldige of als het aannemelijk is dat door de executoriale verkoop van de betreffende zaken kan worden voorkomen dat belastingschulden verder oplopen.’

I

De tweede zin in de alinea na de opsomming in artikel 14.2.8 beginnende met ‘De belastingdeurwaarder betekent’ en eindigend met ‘475, tweede lid, Rv.’ wordt vervangen door:

‘De belastingdeurwaarder betekent in dat geval een formulier als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv, binnen drie dagen nadat de derde zich erop heeft beroepen dat hij het beslag niet behoeft te dulden.’

 

J

Na artikel 14.4.1, wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.1a. Geen beslag op coronabonus zorgprofessional

De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.

 

K

Na artikel 14.4.5a wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.5b. Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland

Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, stelt de ontvanger bij het leggen van derdenbeslag geen vrij te laten bedrag vast als bedoeld in artikel 475a, vijfde lid, Rv. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt dat bedrag aan de belastingschuldige, nadat op het derdenbeslag is afgedragen.

 

L

Na artikel 14.4.5b (nieuw) wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

14.4.5c. Toepassing 5%-regeling

Deze bepaling is niet van toepassing voor GBLT.

 

M

Artikel 14.4.6 komt te vervallen.

 

N

Artikel 14.4.7 komt te vervallen.

 

O

Artikel 14.4.8 komt te vervallen.

 

P

In de zinsnede tussen de haakjes in de eerste zin van artikel 19.1.6 wordt ‘op vorderingen tot bepaalde periodieke uitkeringen’ vervangen door ‘op vorderingen van de belastingschuldige op derden’.

 

Q

Na artikel 19.1.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

19.1.6a. Toepassing 5%-regeling

Deze bepaling is niet van toepassing voor GBLT.

 

R

Na artikel 19.1.6a (nieuw) wordt het volgende, nieuwe artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

19.1.6b. Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional

De ontvanger doet geen vordering op grond van artikel 19, eerste lid, van de wet, voor een bonus die door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder voor de bonus een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds een vordering is gedaan, is de zorgaanbieder niet verplicht die bonus aan de ontvanger af te dragen, of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.

 

S

Artikel 19.1.8 wijzigt als volgt:

  • 1.

    In de eerste zin wordt ‘periodieke betalingen’ vervangen door ‘een vordering heeft op een derde’.

  • 2.

    In de tweede zin wordt ‘periodieke betalingen’ vervangen door ‘vordering op de derde’.

T

In de eerste zin van de eerste alinea van artikel 19.3.2 komt ‘(artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet)’ te vervallen.

 

U

De eerste alinea van artikel 19.3.3 beginnende met ‘Als een vordering’ en eindigend met ‘en 475d Rv toe.’ wordt vervangen door:

Als een vordering wordt gedaan op periodieke uitkeringen waarvoor geen beslagvrije voet geldt en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d tot en met 475e Rv toe.

 

V

Artikel 19.3.4 komt te luiden:

19.3.4. Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

Als de ontvanger een vordering doet op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, ten laste van een belastingschuldige van wie geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet vast overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv. Zodra de ontvanger bekend wordt met het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger alsnog de juiste beslagvrije voet vast en past deze toe vanaf de eerstvolgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten is.

 

W

Artikel 19.3.5 komt te luiden:

19.3.5. Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet

Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv de beslagvrije voet vast bij het doen van een vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Na de vooraankondiging van de vordering kan de belastingschuldige door middel van het aanleveren van informatie de ontvanger op de hoogte stellen over zijn leefsituatie en bronnen van inkomsten. Als de belastingschuldige aantoont wat zijn leefsituatie en inkomen is, stelt de ontvanger op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet vast. Als de belastingschuldige geen inzicht verschaft of onduidelijkheid blijft bestaan over zijn leefsituatie en inkomstenbronnen blijft de ontvanger uitgaan van de beslagvrije voet overeenkomstig artikel 475da, vierde lid, Rv.

Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, komen in mindering op de beslagvrije voet. Indien de belastingschuldige kenbaar maakt dat de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld, maar niet de juiste informatie verstrekt voor de goede vaststelling ervan, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn alsnog de juiste informatie te verstrekken. Indien de belastingschuldige de juiste informatie binnen de door de ontvanger gestelde termijn aanlevert, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet met ingang van de inhouding volgend op het moment waarop de belastingschuldige kenbaar maakte dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld.

Als de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.

 

X

Artikel 19.3.6 komt te vervallen.

 

Y

Artikel 26.2.12, derde alinea wijzigt als volgt:1. In sub A wordt ‘63’ vervangen door: ‘65’.2. In sub B wordt ‘56’ vervangen door: ‘58’.

 

Z

Artikel 26.2.19 wijzigt als volgt:

  • 1.

    ‘33’ wordt vervangen door: ‘34’.

  • 2.

    ‘74’ wordt vervangen door: ‘76’.

 

AA

Artikel 73.5.1 wijzigt als volgt:

  • 1.

    De opsomming komt te luiden:

    • a.

      de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen;

    • b.

      de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a);

    • c.

      een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;

    • d.

      een schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen conform de Module Schuldregeling in het kader van schuldhulpverlening voor ondernemers van de NVVK of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;

    • e.

      het aannemelijk is dat het bedrijf of beroep tijdens en na het volledig hebben doorlopen van de schuldregeling met een levensvatbare bedrijfsuitoefening kan worden voortgezet, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer;

    • f.

      redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden - in aanmerking zou komen voor een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW;

    • g.

      aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.

  • 2.

    De eerste alinea na de opsomming beginnende met ‘Op basis van de’ en eindigend met ‘beroep zal uitoefenen.’ wordt vervangen door:

  • De voorwaarden onder d en e zijn niet van toepassing op een ex-ondernemer indien aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf zal uitoefenen of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.

  • 3.

    Na de eerste alinea na de opsomming wordt een nieuwe, tweede alinea, ingevoegd, die komt te luiden:

  • De ontvanger kan ervoor kiezen om aanslagen, waarvoor hij redelijkerwijs derden aansprakelijk kan stellen, niet te betrekken in de schuldregeling, voor zover deze ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer. Artikel 26.3.2 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

AB

Artikel 73.5a wijzigt als volgt;

De laatste zin van de eerste alinea beginnende met ‘Dit betekent onder meer’ en eindigend met ‘niet zijnde ondernemers.’ wordt vervangen door:

Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen.

ARTIKEL II

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2021, met dien verstande dat:

    • a.

      artikel I, onderdelen A tot en met D terug werkt tot en met 1 juli 2020;

    • b.

      artikel I, onderdelen J en R, terugwerkt tot en met 1 oktober 2020;

    • c.

      artikel I, onderdelen E tot en met I, M, N en O, terugwerkt tot en met 10 november 2020;

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: eerste wijzigingsbesluit Leidraad invordering GBLT.

Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur in zijn vergadering van 17 maart 2021.

[handtekening]

M.A. van Helden

Directeur

[handtekening]

B.J. Bussink

Voorzitter

TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A, betreft een aanpassing van de formulering van artikel 25.5.1 om beter tot uitdrukking te brengen dat een belastingschuldige administratief beroep kan instellen in alle gevallen waarin hij het (deels) niet eens is met een door de ontvanger genomen beslissing op grond van artikel 25, eerste lid of tweede lid, van de wet 1 . Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdeel B, betreft een aanpassing van de formulering van artikel 26.1.2 om het beleid beter in lijn te brengen met de (mogelijkheden van de) huidige uitvoeringspraktijk. De belastingschuldige die kwijtschelding wil vragen, is verplicht dit te doen op een daartoe bestemd formulier. Als een belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding doet op een andere wijze (bijvoorbeeld gecombineerd in een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag), stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid het verzoek om kwijtschelding alsnog op het daartoe bestemde formulier te doen. Door deze wijziging kan de ontvanger volstaan met een verwijzing naar het digitaal beschikbare formulier. Toezending van het formulier per post blijft mogelijk.

 

Artikel I, onderdeel C, subonderdelen 1, 2, en 4 betreffen een aanpassing van de in artikel 73.5.1 genoemde termijnen om het beleid in lijn te brengen met de aanpassing van het convenant dat de Belastingdienst en andere overheidscrediteuren met de NVVK hebben gesloten. De ontvanger zal in het nieuwe beleid gedurende maximaal 240 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen nemen, gerekend vanaf de dag van ontvangst van een afschrift van een stabilisatie-overeenkomst of een daarmee gelijk te stellen schriftelijke mededeling van een schuldhulpverlener. Daarnaast is de periode waarbinnen een schuldregeling uiterlijk tot stand moet komen na toekenning van het in artikel 73.5.1 bedoelde uitstel van betaling, aangepast. Om het beleid van GBLT zoveel mogelijk te laten aansluiten bij het rijksbeleid is deze wijziging in de Leidraad invordering GBLT overgenomen.

 

Artikel I, onderdeel C, subonderdeel 3 betreft een redactionele aanpassing. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdeel D, subonderdelen 1 en 2, betreffen een aanpassing van de in artikel 73.5.5 genoemde termijn om het beleid in lijn te brengen met (de aanpassing van) het convenant dat de Belastingdienst en andere overheidscrediteuren met de NVVK hebben gesloten. De periode waarbinnen een schuldregeling uiterlijk tot stand moet komen na totstandkoming van de schuldregelingsovereenkomst, wordt verlengd naar 240 dagen. Daarnaast zal de ontvanger het uitstel niet intrekken in het geval dat is verzocht om toepassing van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet. Om het beleid van GBLT zoveel mogelijk te laten aansluiten bij het rijksbeleid is deze wijziging in de Leidraad invordering GBLT overgenomen.

 

De wijzigingen vanaf artikel I onderdeel E betreffen een herziening van het saneringsbeleid voor natuurlijke personen zijnde ondernemers, een uitzondering voor het beslag op de coronabonus van zorgprofessionals, enkele redactionele aanpassingen en een aantal benodigde aanpassingen, onder meer in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en een aantal onderdelen van de Wet herziening beslag- en executierecht.

 

Artikel I, onderdeel E, regelt dat artikel 14.1.1 van deze Leidraad vervalt. Er is namelijk al bij wet geregeld dat de tenuitvoerlegging van dwangbevelen geschiedt op de voet van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.2 Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdelen F en G, betreffen een wijziging van het beleid met betrekking tot de onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken. In de artikelen 14.1.10 en 14.1.11 van deze Leidraad is voorgeschreven hoe te handelen in het geval de ontvanger een onderhands bod ontvangt op zaken die door de belastingdeurwaarder in beslag zijn genomen. Hiermee wordt de onderhandse verkoop van in beslag genomen zaken gefaciliteerd ten behoeve van de ontvanger. In de memorie van toelichting bij de wet Herziening beslag- en executierecht3 wordt ingegaan op de wens van een aantal partijen om een onderhandse verkoop van beslagen roerende zaken mogelijk te maken zonder rechterlijke tussenkomst. De wetgever acht een dergelijke regeling om diverse redenen niet wenselijk.4 Gelet hierop komen de artikelen 14.1.10 en 14.1.11 te vervallen.

 

Artikel I, onderdeel H, betreft een wijziging van artikel 14.2.4 van deze Leidraad in verband met de wijziging van artikel 441, derde lid, Rv. Een van de uitgangspunten van de Wet herziening beslag- en executierecht5 is dat beslag en executie niet uitsluitend als pressiemiddel mogen worden gebruikt.6 De invoering van artikel 441, derde lid, Rv geeft hier invulling aan. Het is niet toegestaan zaken in beslag te nemen indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken aanmerkelijk minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie, tenzij de schuldeiser aannemelijk kan maken dat de schuldenaar door het beslag en de executie niet op onevenredig zware wijze in zijn belangen wordt getroffen.7 In de memorie van toelichting van de Wet herziening beslag- en executierecht staat dat hiervan in ieder geval sprake is als de schuldenaar wel kan betalen maar niet wil betalen. Bijvoorbeeld als de schuldenaar in kwestie over voldoende vermogensbestanddelen in het buitenland beschikt en zijn schuld desondanks niet betaalt. In dat geval is het aannemelijk dat de schuldenaar niet onevenredig in zijn belangen wordt getroffen door beslag op diens roerende zaken. Dit geldt ook in het geval dat door het beslag wordt voorkomen dat de schuld(en) van de schuldenaar (verder) oplopen. Dit kan ook het geval zijn bij belastingschulden. Denk hierbij aan het voorkomen van het oplopen van de motorrijtuigenbelastingschuld door de verkoop van een motorrijtuig.8 Met het nieuwe tweede lid in artikel 14.2.4 wordt invulling gegeven aan de tenzij-clausule van artikel 441, derde lid, Rv en wordt de in de memorie van toelichting beschreven reikwijdte van die clausule omgezet in een beleidsregel van de Leidraad. Tot slot wordt het nieuwe eerste lid van artikel 14.2.4 van de Leidraad in lijn gebracht met het nieuwe tweede lid.

 

Artikel I, onderdeel I, wijzigt artikel 14.2.8 in verband met de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 475, tweede lid, Rv. Met deze wijziging wordt het moment waarop de daarin bedoelde termijn van drie dagen gaat lopen, gewijzigd. Nu artikel 461d Rv verwijst naar het bepaalde in artikel 475, tweede lid, Rv zal het formulier ook in enkelvoud worden betekend.

 

Artikel I, onderdelen J en R, introduceren twee nieuwe artikelen in de Leidraad, respectievelijk 14.4.1a en 19.1.6b, waarin een uitzondering is opgenomen voor de bonus die door zorgaanbieders aan zorgprofessionals wordt verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-199 . De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verstrekt hiervoor aan de zorgaanbieder een subsidie met als uitgangspunt dat een bonus van € 1.000 netto wordt uitbetaald aan de zorgprofessional. De zorgprofessionals krijgen deze bonus omdat ze tijdens de corona-crisis in de uitoefening van hun beroep een bijzondere prestatie hebben geleverd. Deze bonus kan mogelijk worden getroffen door een derdenbeslag onder de zorgaanbieder, bedoeld in artikel 475, eerste lid, Rv of een vordering op grond van artikel 19, eerste lid van de wet. Gezien het doel en uitgangspunt van de subsidie vinden wij het onwenselijk dat deze bonus onder het derdenbeslag of de vordering valt van de ontvanger. Daarom zijn in de Leidraad deze uitzonderingen opgenomen. De ontvanger zal de bonus van de zorgprofessionals dan ook niet opeisen. Dit schept bovendien duidelijkheid voor de zorgaanbieders als zij worden geconfronteerd met een derdenbeslag of een loonvordering van de ontvanger. Om te voorkomen dat er rechtsongelijkheid ontstaat tussen zorgprofessionals die de bonus al hebben ontvangen en nog moeten ontvangen, wordt aan deze bepalingen terugwerkende kracht toegekend naar het moment dat de subsidie op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 aangevraagd kon worden, te weten 1 oktober 2020. Eventuele bonussen, waarvoor deze uitzondering geldt, die na oktober 2020 aan de ontvanger zijn afgedragen op grond van een derdenbeslag of een loonvordering, zullen door de ontvanger worden gerestitueerd aan de zorgprofessionals.

 

Artikel I, onderdeel K introduceert met het nieuwe artikel 14.4.5b een laagdrempelige regeling in de Leidraad voor belastingschuldigen zonder adres in Nederland. Hiermee kunnen zij alsnog aanspraak maken op de bescherming van artikel 475a, vijfde lid, Rv. Voor schuldenaren zonder adres in Nederland, wordt bij het leggen van beslag op geldmiddelen namelijk niet op voorhand rekening gehouden met de in artikel 475a, vijfde lid, Rv, bedoelde vrij te laten bedragen. Zij hebben op grond van artikel 475a, zesde lid, Rv, de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken voor hen artikel 475a vijfde lid, Rv, van toepassing te laten verklaren. Met het nieuwe artikel 14.4.5b wordt geregeld dat belastingschuldigen op een meer toegankelijke manier aanspraak kunnen maken op de in artikel 475a, vijfde lid, Rv, bedoelde vrij te laten bedragen. Zij kunnen nu op grond van het nieuwe artikel 14.4.5b de ontvanger verzoeken die vrij te laten bedragen toe te passen zonder tussenkomst van de kantonrechter.

 

Artikel I, onderdelen L en Q introduceren twee nieuwe artikelen in de Leidraad in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 10 , in het bijzonder het nieuwe artikel 475dc Rv; de zogeheten 5%-regeling 11 . Deze artikelen zijn niet van toepassing voor gemeenten en waterschappen omdat deze de 5%-regeling wel toepassen aan de hand van de rekenregels van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Artikel 475da, vierde lid, bepaalt dat de beslagvrije voet 95% van het maandelijkse inkomen betreft als het inkomen gelijk of lager is dan de bijstandsnorm die voor de inwoner geldt. Dit wordt specifiek benoemd omdat deze inkomensgroep door de oude berekening vaak weinig tot geen afloscapaciteit overhield. Daardoor lijkt het alsof de minimale afloscapaciteit van 5% alleen geldt voor inwoners met een inkomen op (of onder) bijstandsniveau. In artikel 475dc is echter opgenomen dat, indien de toepassing van de artikelen 475da en 475db (de artikelen die de berekening van de beslagvrije voet toelichten en beschrijven) leidt tot een beslagvrije voet die hoger is dan 95% van het maandelijkse inkomen, de beslagvrije voet alsnog op 95% van dat inkomen wordt vastgesteld. Ook voor andere inkomensgroepen geldt dus dat zij minimaal 5% afloscapaciteit hebben.

 

Artikel I, onderdelen M, N en O betreffen het vervallen van de artikelen 14.4.6, 14.4.7 en 14.4.8 in de Leidraad, als gevolg van een verandering van inzicht over waar het bepaalde in die artikelen hoort. Gelet op de meer instructieve aard van deze bepalingen en de wijziging van de in artikel 476a, eerste lid, Rv genoemde termijn, komen deze artikelen van de Leidraad te vervallen.

 

Artikel I, onderdelen P, S en T betreffen technische wijzigingen in verband met de inwerkintreding van de wijziging van artikel 19, eerste lid van de wet 12 . Deze wijziging betreft de introductie van de zogenoemde betalingsvordering. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Hierbij wordt opgemerkt dat het ministerie van Financiën en de Belastingdienst de decentrale overheden expliciet hebben verzocht voorlopig geen gebruik te maken van de betalingsvordering.

 

Artikel I, onderdeel U, betreft technische wijzigingen van artikel 19.3.3 in verband met de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 19, eerste lid van de wet 13 en de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 14 . Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel I, onderdeel R en S betreffen technische wijzigingen van respectievelijk artikel 19.3.4, 19.3.5, 24.1.1 in verband met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 15 . Een van de uitgangspunten daarvan is dat er in beginsel geen informatie van de belastingschuldige nodig is om de beslagvrije voet vast te stellen. 16 Deze wijzigingen houden verband daarmee en zijn bedoeld om het beleid van de Leidraad in lijn te brengen met de toepasselijke onderdelen van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 17 .

 

Artikel I, onderdeel X, betreft het vervallen van artikel 19.3.6 van de Leidraad. De Ambtenarenwet is met ingang van 1 januari 2020 vervangen door de Ambtenarenwet 2017 in verband met de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren 18 . Aangezien in de Ambtenarenwet 2017 en het Burgerlijk Wetboek geen bepalingen zijn opgenomen die gelijk zijn te stellen aan artikel 117 van de Ambtenarenwet, komt artikel 19.3.6 te vervallen.

 

In artikel I, onderdeel Y worden de normpremie ziektekostenverzekering voor een alleenstaande of alleenstaande ouder en de normpremie ziektekostenverzekering voor echtgenoten geactualiseerd naar de per 1 januari 2021 geldende bedragen.

 

In artikel I, onderdeel Z zijn de forfaitaire bedragen voor boeken en leermiddelen in artikel 26.2.12, derde alinea aangepast naar de per 1 januari 2021 geldende bedragen.

 

Artikel I, onderdelen AA en AB, betreffen de wijziging van respectievelijk, de artikelen 73.5.1 en 73.5a. Met deze wijzigingen wordt het beleid voor minnelijke schuldsaneringen voor natuurlijke personen (hierna: MSNP) ook opengesteld voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers. Het MSNP-beleid gold voorheen namelijk alleen voor natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers. De verruiming houdt onder meer verband met de maatschappelijke ontwikkeling dat steeds meer natuurlijke personen hun inkomsten uit ondernemerschap verkrijgen. Met de verruiming komt deze groep ook in aanmerking voor een MSNP-traject zodat een bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van problematische schulden bij alle natuurlijke personen. 19 Ten slotte is het onder voorwaarden ook mogelijk om te blijven ondernemen in de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen.

Met deze wijzigingen worden tevens de voorwaarden geïntroduceerd waaronder GBLT bereid is mee te werken aan de totstandkoming van een schuldregeling voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers. De voorwaarden zijn in belangrijke mate hetzelfde als voor natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers. Het te betalen bedrag van de schuldregeling kan bijvoorbeeld in maximaal 36 maanden worden betaald, waarmee overigens wordt afgeweken van de maximale looptijd, bedoeld in artikel 26.3.9 van de Leidraad.

 

Voor natuurlijke personen, zijnde ondernemers, geldt daarnaast nog in het bijzonder dat reële vooruitzichten moeten bestaan om het bedrijf of zelfstandig beroep tijdens en na sanering met een levensvatbare bedrijfsuitoefening voort te kunnen zetten. Dit wil zeggen dat uit het verzoek en de daarbij behorende prognose in ieder geval moet blijken dat uit de te verwachten omzet alle kosten van de bedrijfsvoering kunnen worden betaald. Daarnaast moeten daaruit de kosten van levensonderhoud van de ondernemer en zijn gezin kunnen worden betaald.

Verder wordt vastgelegd dat de ontvanger ervoor kan kiezen geen of gedeeltelijk medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een schuldregeling als hij van mening is dat hij meer kan innen door derden aansprakelijk te stellen voor de belastingschuld van de ondernemer. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de belastingschuldige personeel heeft uitgeleend als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet, en de ontvanger daardoor de inlener(s), bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet aansprakelijk kan stellen. Overigens zijn de aansprakelijkheidsmogelijkheden bij ondernemers zijnde natuurlijke personen beperkt.

 

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging(en). Ter voorkoming van rechtsongelijkheid tussen zorgprofessionals die de bonus in verband met COVID-19 al hebben ontvangen en nog moeten ontvangen, wordt aan de artikelen J en R terugwerkende kracht toegekend tot en met 1 oktober 2020. Voor de onderdelen E tot en met I, M, N en O treedt het besluit met terugwerkende kracht tot en met 10 november 2020 in werking. De inwerkingtredingsdatum is hiermee gelijk aan de datum waarop deze artikelen voor het Rijk in werking zijn getreden.