Blad gemeenschappelijke regeling van Samenwerkingsverband Noord-Nederland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Samenwerkingsverband Noord-NederlandBlad gemeenschappelijke regeling 2019, 148Beleidsregels



Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016

 

Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland;

gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);

gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347);

gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7 maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en investeringsfondsen;

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene groepsvrijstellingsverordening);

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van 28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van gegevens;

gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;

gelet op de Uitvoeringswet EFRO;

gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

BESLUIT

de volgende beleidsregel vast te stellen ter afbakening van een deel van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

 

  • 1.

    Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

  • 2.

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • 3.

    Regeling Europese EZ-subsidies (REES): Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);

  • 4.

    Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP EFRO): het programma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel Noord-Nederland (NUTS-regio NL1); 

  • 5.

    RIS3: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 is uiteengezet;

  • 6.

    Maatschappelijke uitdagingen: zoals beschreven in hoofdstuk 3.2 van de RIS3 Noord-Nederland.

  • 7.

    SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • 8.

    DB SNN: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • 9.

    Penvoerder: de persoon of organisatie, die zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of meer aanvragers van subsidie die samenwerken;

  • 10.

    Het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • 11

    Onderneming: een onderneming is een organisatie die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het maatschappelijk productie- en of handelsproces met het oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs verwacht kan worden. Een onderneming kan verschillende juridische vormen aannemen, mits deze geen publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan tien procent structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen.

  • 12

    MKB-ondernemingen: ondernemingen die voldoen aan de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • 13

    kennisinstelling: een:

    • 1.

      onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit:

    • 2.

      andere dan onder i bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • 3.

      geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder i;

      • 2.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

      • 3.

        rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder i, ii of iii direct of indirect:

        • 1.

          meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

        • 2.

          volledig aansprakelijk vennoot is, of

        • 3.

          overwegende zeggenschap heeft;

        • 4.

          onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder i tot en met iv;

        • 5.

          De-minimisverordening: Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

        • 6.

          Noord-Nederland: De provincies Fryslân, Groningen en Drenthe.

 

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van donderdag 4 februari 2016 tot en met dinsdag 31 mei 2016 bedraagt € 6.000.000,-.

  • 2.

    Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES.

  • 3.

    Dit deelplafond staat open voor het volgende gedeelte van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland:

specifieke doelstelling B: ‘Betere kennispositie van het MKB door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’, zoals beschreven in sectie 1.1 en secties 2.A.5 en 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO,

  • 1.

    voor zover de projectactiviteiten aansluiten bij de onder specifieke doelstelling B beschreven acties en de volgende type projecten betreffen:

    • 1.

      Voorwaardenscheppende projecten, waaronder wordt verstaan een project dat gunstige randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten door verbeteringen aan te brengen in bestaande netwerken en netwerkstructuren, die ervoor zorgen dat deze netwerken zich meer gaan focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties. Indien netwerken aantoonbaar ontbreken en noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het MKB te versterken kan het ook gaan om het ontwikkelen van nieuwe netwerken. Het gaat dan om laagdrempelige netwerken en om netwerken over sectorgrenzen heen.

    • 2.

      Kennisontwikkelingsprojecten, waaronder wordt verstaan een project dat zich richt op kennisontwikkeling, waaronder mede wordt verstaan een onderzoeksproject, of op kennisuitwisseling met een overtuigend perspectief op innovatie, die bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen én met een sterk onderscheidend karakter.

      • 1.

        voor zover er geen sprake is van staatssteun of voor zover het steun betreft die op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar zijn verklaard, en

      • 2.

        voor zover de projectresultaten ten goede komen aan Noord-Nederland.

Artikel 3 Hoogte en doelgroep van de subsidie

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • 1.

      Natuurlijke ondernemingsvormen;

    • 2.

      Rechtspersonen.

    • 3.

      Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale subsidiabele kosten, met uitzondering van projecten waarbij de totale subsidiabele kosten hoger zijn dan € 2.500.000,- en dientengevolge de subsidie hoger zou uitvallen dan het in lid 5 vermelde maximale bedrag. In dat laatste geval geldt de maximale subsidie als genoemd in lid 5.

    • 4.

      In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van het subsidiepercentage per aanvrager kan worden beperkt indien de regels van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening daartoe nopen.

    • 5.

      De subsidie bedraagt minimaal € 100.000,- per project.

    • 6.

      De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,- per project.

 

Artikel 4 Indienen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor ontwikkeld web portaal dat bereikbaar is via www.snn.eu.

  • 2.

    Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.

  

Artikel 5 Afwijzen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100 punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen in artikel 8, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze beleidsregel.

  • 2.

    Een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de REES afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou voldoen aan een van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen indien:

    • 1.

      onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;

    • 2.

      door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is;

    • 3.

      niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of dat alle concrete acties (projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de aanvraag en drie jaar na afgifte van een verleningsbeschikking. De concrete acties zijn volledig ten uitvoer gelegd als alle activiteiten die leiden tot outputs en resultaten volledig zijn uitgevoerd;

    • 4.

      de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium duurzaamheid, zoals beschreven in artikel 8, lid 1 sub e

    • 5.

      tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • 6.

      de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in Verordening (EU) 651/2014 van 17 juni 2014.

 

Artikel 6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en bijbehorende documenten, het OP EFRO en de REES volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel zijn.

  • 2.

    In aanvulling hierop geldt dat de subsidiabele kostensoorten kunnen worden beperkt indien staatssteunregels daartoe nopen.

 

Artikel 7 Projectperiode en kosten

    • 1.

      Uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking dient het project fysiek te zijn voltooid en/of dienen alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer te zijn gelegd.

    • 2.

      Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen de projectkosten betaald te zijn binnen 13 weken na de einddatum van de projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van het verzoek tot definitieve vaststelling. Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn subsidiabel.

    • 3.

      Indien de uiterlijke periode bedoeld in het eerste lid dreigt te worden overschreden en voldoende aannemelijk is dat het project fysiek kan worden voltooid en/of alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden gebracht kan de uiterlijke projectperiode, zoals bedoeld in lid 1, worden verlengd met een periode van zes maanden. Verlenging kan meermaals plaatsvinden, met dien verstande dat de einddatum van de projectperiode in geen geval later kan liggen dan 1 juli 2023.

    • 4.

      Een eerste verzoek om verlenging zoals bedoeld in lid 3, kan niet eerder dan na twee en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking bij het SNN worden ingediend. Hierop volgende verzoeken kunnen niet eerder dan zes maanden voor afloop van de op dat moment geldende einddatum van het project worden gedaan.

    • 5.

      Indien de projectperiode voor de eerste maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 70% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 14 lid 4 de subsidie lager worden vastgesteld.

    • 6.

      Indien de projectperiode voor de tweede maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 80% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 14 lid 5 de subsidie lager worden vastgesteld.

     

 

Artikel 8 Beoordelingscriteria

  • 1.

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden beoordeeld op de volgende 5 beoordelingscriteria:

 

  • 1.

    Bijdrage aan de specifieke doelstelling B van het Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: ‘Betere kennispositie van het MKB door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’:

 

  • 1.

    Inzake voorwaardenscheppende projecten wordt beoordeeld in hoeverre het project gunstige randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten door verbeteringen aan te brengen in netwerken en netwerkstructuren. Hierbij wordt onder meer gelet op de volgende elementen:

    • 1.

      De mate waarin netwerken zich focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties;

    • 2.

      De mate waarin een integrale aanpak wordt gevolgd met betrokkenheid van relevante partijen binnen het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem;

    • 3.

      De duurzame bijdrage die wordt geleverd aan het dynamischer maken van het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem;

Als het gaat om bestaande netwerken:

  • 1.

    De mate waarin er specifieke competenties aan het netwerk worden toegevoegd;

  • 2.

    De mate waarin netwerken onderling verbonden worden, in het bijzonder over sectorgrenzen heen;

Als het gaat om nieuwe netwerken:

  • 1.

    De mate waarin het netwerk laagdrempelig is voor het MKB;

  • 2.

    De mate waarin MKB-ers uit verschillende sectoren met elkaar worden verbonden.

  • 3.

    Inzake kennisontwikkelingsprojecten wordt beoordeeld in hoeverre het project gericht is op kennisontwikkeling, waaronder mede wordt verstaan een onderzoeksproject, en kennisuitwisseling met een overtuigend perspectief op innovatie, die bijdraagt aan het oplossen van de maatschappelijke uitdagingen en in hoeverre het project onderscheidend is. Het onderscheidende karakter van het project wordt beoordeeld aan de hand van volgende elementen:

    • 1.

      De mate waarin het project een overtuigend perspectief op concrete innovatie kent;

    • 2.

      De koppeling met een opvolgend valorisatie-traject;

    • 3.

      De maatschappelijke betekenis die de resultaten kunnen hebben;

    • 4.

      De betrokkenheid van MKB’ers die tot nu toe nauwelijks bereikt worden;

    • 5.

      De wijze waarop deelname aantrekkelijk wordt gemaakt voor MKB’ers;

    • 6.

      Andere elementen, die een project tot ‘best practice’ kunnen maken voor andere initiatieven.

 

  • 1.

    De mate van innovativiteit

 

  • 1.

    De kwaliteit van de business case

 

  • 1.

    De kwaliteit van de aanvraag

Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:

  • 1.

    De helderheid en eenduidigheid van de aanvraag;

  • 2.

    De wijze waarop het project organisatorisch en subsidie-technisch is ingericht.

 

  • 1.

    Duurzaamheid

Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve effecten op het milieu kent.

Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zijn:

 

Ten aanzien van het aspect ‘people’:

  • 1.

    De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd in de opleiding en ontwikkeling van mensen;

  • 2.

    De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit van mensen;

  • 3.

    De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor hoger opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • 4.

    De maatschappelijke impact.

  

Ten aanzien van het aspect ‘planet’:

  • 1.

    De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige broeikasgassen;

  • 2.

    De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone energie;

  • 3.

    De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en watergebruik

  • 4.

    De omgang met afval en restmaterialen;

  • 5.

    De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en leefomgeving.

 

Ten aanzien van het aspect ‘profit’:

  • 1.

    De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het streven naar een circulaire en inclusieve economie;

  • 2.

    De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en duurzaam /maatschappelijk verantwoorde onderneming;

  • 3.

    De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk verantwoordt.

 

  • 1.

    De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden in eerste instantie kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk zijn: “zeer goed”, “goed”, “voldoende”, “neutraal” of “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling.

    • 1.

      Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 75 punten worden behaald met de volgende verdeling:

      • 1.

        zeer goed = 75 punten

      • 2.

        goed = 60 punten

      • 3.

        voldoende = 45 punten

      • 4.

        onvoldoende = 0 punten

 

  • 1.

    Voor criterium b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

 

  • 1.

    Voor criterium c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

 

  • 1.

    Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 10 punten worden behaald met de volgende verdeling:

    • 1.

      goed = 10 punten

    • 2.

      voldoende = 5 punten

    • 3.

      onvoldoende = 0 punten

 

  • 1.

    Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 15 punten worden behaald met de volgende verdeling:

    • 1.

      goed = 15 punten

    • 2.

      voldoende = 8 punten

    • 3.

      neutraal = 1 punt

    • 4.

      onvoldoende = 0 punten

 

Artikel 9 Indicatoren

Het OP EFRO voor Noord-Nederland kent output- en resultaatindicatoren.

  • 1.

    Resultaatindicator R02 “Aandeel bedrijven van het totaal aantal innovatieve bedrijven dat samenwerkt met bedrijven en kennisinstellingen” is gekoppeld aan de specifieke doelstelling B. De aanvrager dient de bijdrage aan de resultaatindicator bij de aanvraag en in het verzoek tot vaststelling kwalitatief te onderbouwen. Beoordeling is onderdeel van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en het eindafrekeningsverzoek. Resultaatindicatoren gelden niet op projectniveau en worden niet door de subsidieaanvrager gekwantificeerd.

  • 2.

    Outputindicatoren gelden op projectniveau. Het OP EFRO kent tabellen met outputindicatoren, ‘Tabel 5’, die een kwantitatieve weergave vormen van de in het OP EFRO, in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 1, beschreven acties.

  • 3.

    De outputindicatoren zijn afkomstig uit het OP EFRO en als bijlage II bij deze beleidsregel gevoegd.

    • 1.

      De aanvrager dient uit de lijst in de bijlage al die outputindicatoren te selecteren die op het project van toepassing zijn. De aanvrager dient voor elke geselecteerde indicator een streefwaarde te bepalen voor het project. De streefwaarde is de waarde die beoogd wordt te zijn bereikt op het moment dat het project fysiek is afgerond of alle concrete acties volledig ten uitvoer zijn gelegd.

    • 2.

      De keuze van de indicator en het bepalen van de streefwaarde dienen plaats te vinden op grond van de definities in bijlage II bij deze beleidsregel De keuze van de indicator en de streefwaarde dienen in de aanvraag te worden gemotiveerd.

    • 3.

      Het niet selecteren van relevante outputindicatoren of het niet leveren van (overtuigende) onderbouwingen kan leiden tot afwijzing van de aanvraag.

 

Artikel 10 Penvoerderschap en administratie

  • 1.

    Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar een of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder gedaan te worden.

  • 2.

    Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder.

  • 3.

    Indien in een project een of meer subsidieaanvragers samenwerken dient de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.

  • 4.

    Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende ondernemingen direct van de subsidie profiteren, dan is de verantwoordelijkheid van de penvoerder de namen van de betreffende ondernemingen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.

 

Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting

  • 1.

    De subsidieaanvrager dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage in te dienen betreffende de financiële en inhoudelijke voortgang in de realisatie van het project over de voorafgaande periode. Gerapporteerd dient te worden volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.

  • 2.

    Indien met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten in een project is begonnen, kan een voorschot van 20% van de subsidiabele kosten beschikbaar gesteld worden.

  • 3.

    Een voorschot kan worden verstrekt indien voorafgaand aan of tegelijk met het verzoek tot voorschot de voortgangsrapportage is ingediend, voor zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving.

  • 4.

    Het in het vorige lid bedoelde voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de gemaakte en betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen wordt dit bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.

  • 5.

    De in het tweede en derde lid genoemde voorschotten samen bedragen maximaal 80% van de verleende subsidiabele kosten. Indien de voorschotten alleen zien op gemaakte en betaalde kosten, zoals bedoeld in lid 3, kan tot maximaal 100% van de verleende subsidiabele kosten aan voorschot worden verleend. In afwijking van de eerste zin in het vorige lid kan een voorschot tot een maximum van 100% van de subsidiabele kosten worden verstrekt, indien:

  • 1.

    het zeer aannemelijk is dat het project conform, de subsidievoorwaarden op afzienbare termijn kan worden afgerond,

  • 2.

    het aannemelijk is dat de kosten die nog gemaakt worden subsidiebal gesteld zullen worden, en

  • 3.

    het niet toekennen van de het voorschot onredelijke gevolgen voor de cash flow van de aanvragende onderneming heeft.

    • 1.

      Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een deugdelijke voortgangsrapportage kan de subsidie ingetrokken of verlaagd worden.

 

Artikel 12 Realisatie indicatoren

  • 1.

    De aanvrager dient tijdens de uitvoering van het project de realisatie van de outputindicatoren te registreren. Aan de realisatiewaarden dienen bewijsstukken ten grondslag te liggen, overeenkomstig de voorschriften in bijlage II bij deze beleidsregel.

  • 2.

    Over de realisatiewaarden van de outputindicatoren dient door de aanvrager gedurende de uitvoering van het project in voortgangsrapportages, en na afloop van het project in het eindverslag te worden gerapporteerd. Rapportage dient plaats te vinden in een door het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager dient op aanvraag bewijsstukken te overleggen.

 

Artikel 13 Realisatie van het project

Na afronding van de projectactiviteiten dient de subsidieaanvrager een verklaring af te geven dat het project fysiek is afgerond of dat alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer zijn gelegd. De verklaring dient te worden afgegeven in een door het SNN verstrekt format. De verklaring dient bij het verzoek tot vaststelling te worden gevoegd of op verzoek van het SNN eerder te worden overgelegd.

 

Artikel 14 Vaststelling subsidie

    • 1.

      De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij het SNN.

    • 2.

      Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de daarin genoemde documenten. Een rapport van bevindingen opgesteld door een accountant kan mogelijk onderdeel uitmaken van deze documenten.

    • 3.

      Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet beschikbaar is.

    • 4.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 7 lid 5, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

    • 5.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 7 lid 6, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

     

 

Artikel 15 Slotbepalingen

Deze beleidsregel wordt gepubliceerd en treedt in werking de dag na publicatie.

 

Artikel 16 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016

 

Bijlage I: Toelichting op de beleidsregel

Bijlage II: Outputindicatoren Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016

 

Bijlage I: Toelichting op de beleidsregel

 

Een algemene toelichting op deze beleidsregel is te vinden in het Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden op de SNN website .

 

Inleiding

Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op 15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze beleidsregel is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van het OP EFRO.

 

In de verordening 1303/2013 die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere) het EFRO zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en voorwaarden te stellen. Deze beleidsregel geeft daar invulling aan in de vorm van een regeling waarvan de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst . Voor de bepaling of een project voor subsidie in aanmerking komt zijn al deze bepalingen van belang.

 

Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze beleidsregel zich richt op specifieke doelstelling B van het OP: ‘Betere kennispositie van het MKB door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen.’ In essentie betekent dit het voor ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf makkelijker maken om kennis binnen te halen en te benutten.

De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda (NIA).

 

In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te ondersteunen initiatieven.

  In elk geval een deel van het OP EFRO wordt opengesteld via zogenoemde tenders, waarbij het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open staat en een vast sluitingsmoment kent. Ook kent het programma beleidsregels, waarbij aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode worden beoordeeld. De onderhavige Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016 geeft de verdere invulling aan genoemde manier van uitvoering van het programma.

Kenmerkend voor een beleidsregel, die uitgaat van het molenaarsprincipe, is dat aanvragen in de openstellingsperiode kunnen worden ingediend en na compleetheid worden beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het plafond van de beleidsregel is bereikt.

 

Bij het uitvoeren van deze beleidsregel wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert. De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN) over de subsidietoekenningen. Het DB SNN neemt vervolgens een besluit. Het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid mandateren aan de Bestuurscommissie Economische Zaken van het SNN (BC EZ).

 

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan, daarna volgt een toets waarbij wordt beoordeeld of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria (de rankingscriteria) voor subsidie in aanmerking te komen, dus of er geen sprake is van afwijzingsgronden. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de maximaal gevraagde subsidie en de uitvoeringsperiode. In deze fase wordt ook getoetst of het project past binnen het opengestelde deel van het programma, dat wil zeggen voldoende bijdraagt aan specifieke doelstelling B van het OP EFRO. Indien het project aan deze criteria voldoet, dan wordt het in de derde fase voorgelegd aan de deskundigencommissie. De deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en geeft advies ten aanzien van de ranking.

De beoordeling wordt uitgedrukt in kwalitatieve scores die verschillende gradaties kennen: uitstekend, goed, voldoende, neutraal en onvoldoende. Uit toekenning van de kwalitatieve score volgt automatisch een kwantitatieve score, die maximaal 100 punten kan zijn (zie art. 8 lid 2). Op basis van de score van het project wordt een advies voorgelegd aan het DB SNN om te besluiten over subsidietoekenning of afwijzing.

 

Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator. Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.

 

Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.

  

Artikel 1 Definities

Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP EFRO Noord-Nederland en daarmee deze beleidsregel worden uitgevoerd. Alle projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve oplossingen voor één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3 zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het gebied van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie, zeker, schone en efficiënte energie en schone, veilige watervoorziening.

  

Artikel 2 Deelplafond

Ten aanzien van de voorwaarden onder lid 3 geldt dat in het aanvraagformulier expliciet moet worden ingegaan op deze aspecten en aangetoond c.q. aannemelijk gemaakt dient te worden dat aan deze criteria is voldaan.

 

Een project dient te passen binnen de geldende staatssteunregels. Dat betekent dat steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. Hierbij valt te denken aan artikel 25, 27, 28 en/of 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder de de-minimisverordening. Daarbij is van belang om te vermelden dat een project volledig onder één van de categorieën in deze verordeningen dient te vallen, of in delen, waarbij ieder deel onder één van de categorieën dient te vallen.

 

Daarnaast dienen projectresultaten van het project ten goede te komen aan Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd.

  

Artikel 3 Hoogte en doelgroep van de subsidie

Ten aanzien van lid 1: de beleidsregel Kennisontwikkeling is primair gericht op samenwerkende MKB-bedrijven en kennisinstellingen. Ook andere partijen die deel uitmaken van het noordelijke innovatie ecosysteem, zoals netwerkorganisaties, worden uitgenodigd te participeren, in het bijzonder in die projecten waar deelname logisch volgt uit hun rol in het innovatie-ecosysteem (zie ook hoofdstuk C.2. van het spoorboekje). Indien samenwerkende partijen subsidie aanvragen wordt de subsidie aan de individuele rechtspersonen verstrekt. Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt van 40%. Op basis van de leden 4 en 5 volgt vervolgens dat de minimale en maximale subsidie resp. €100.000 en €1.000.000 bedraagt.

De aanvulling in lid 2 geeft aan dat indien een project meer totale subsidiabele kosten kent dan €2.500.000 (zijnde het bedrag dat leidt tot het maximum van €1.000.000 subsidie), het te verlenen maximum bedrag aan subsidie gehandhaafd blijft op 1.000.000, maar het project feitelijk een lager subsidiepercentage dan 40 krijgt.

 

Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, bijvoorbeeld bij experimentele ontwikkeling zonder samenwerking, dat geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.

  

Artikel 5 Afwijzen van een subsidieaanvraag

Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder dan 70 punten behalen worden afgewezen.

 

Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan.

  De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de aanvraag en drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.

 

Op grond van artikel 9 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een (overtuigende) onderbouwing.

 

Ook moet een project minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien hiervan sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1 punt).

 

Tot slot geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen.

  

Artikel 6 Subsidiabele kosten

Dit artikel verwijst in lid 1 naar bepalingen die in de Verordening 1303/2013 en bijbehorende documenten alsmede in de REES zijn gesteld en die gelden ten aanzien van de subsidiabiliteit van kosten. Lid 2 maakt een verwijzing naar de Algemene Groepsvrijstellingsverordening die hierover mogelijk aanvullende eisen stelt.

 

Het is aldus van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te geven of er sprake is van staatssteun, onder welke steuncategorie(ën) het project valt en of ook aan de bijbehorende bepalingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening is voldaan.

  

Artikel 7 Projectperiode en kosten

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden.

 

Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

 

Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project. Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling.

  

Artikel 8 Beoordelingscriteria

Deze beleidsregel Kennisontwikkeling richt zich in lijn met het OP EFRO, en nader uitgewerkt in het Spoorboekje ,op twee type projecten. Het eerste type project betreft de zogenoemde voorwaardenscheppende projecten. Het gaat hierbij om projecten die gunstige randvoorwaarden creëren voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten. Het tweede type project betreft concrete kennisontwikkelings- en uitwisselingsprojecten.

 

Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.

  • 1.

    Bijdrage aan de doelstellingen van het OP

  • 2.

    Mate van innovativiteit

  • 3.

    Kwaliteit van de business case

  • 4.

    Kwaliteit van de aanvraag

  • 5.

    Duurzame ontwikkeling

 

a. Bijdrage aan de doelstellingen van het OP

Binnen dit criterium wordt beoordeeld in welke mate het project aansluit bij het type projecten dat met deze beleidsregel wordt beoogd en zoals deze zijn uitgewerkt in het spoorboekje:

 

  • 1.

    Bij voorwaardenscheppende projecten gaat het om projecten die gunstige randvoorwaarden creëren voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten. Bij het creëren van gunstige randvoorwaarden doelen we in het bijzonder op projecten die verbeteringen aanbrengen in netwerken en netwerkstructuren, waarin MKB-ers participeren. Het gaat hierbij om verbeteringen die ervoor zorgen dat dergelijke netwerken zich meer gaan focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties.

 

Verbeteringen kunnen bijvoorbeeld zitten in het toevoegen van specifieke competenties (zoals, creativiteit, innovativiteit en het combineren van kennisgebieden), het anders benutten van netwerken en het onderling verbinden van netwerken over sectorgrenzen heen.

 

In bijzondere gevallen kan ook het ontwikkelen van nieuwe netwerken worden ondersteund: daar waar netwerken aantoonbaar ontbreken en noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het MKB te versterken. Het gaat dan om laagdrempelige netwerken en om netwerken over sectorgrenzen heen (cross-overs). Het financieren van (de exploitatie van) netwerkorganisaties valt nadrukkelijk niet binnen de reikwijdte van de beleidsregel.

 

In algemene zin geldt dat projecten die voor subsidie in aanmerking komen, een antwoord geven op de vraag: hoe komen we van netwerken naar op kennisontwikkeling, kennisdeling en innovatie gerichte samenwerkingsprojecten? Hoe zorgen we ervoor dat voor meer en meer MKB-bedrijven innovatie een integraal en strategisch onderdeel van de bedrijfsvoering gaat worden? In de terminologie van het OP EFRO betekent dit dat meer volgers toepassers worden en meer toepassers ontwikkelaars en koplopers worden. Kortom, meer en meer MKB-ondernemingen, nemen ‘innoveren’ op in hun ‘DNA’.

 

Goede projecten onderscheiden zich onder meer in de integrale aanpak die wordt gevolgd, met betrokkenheid van relevante partijen, en de bijdrage die wordt geleverd aan het dynamischer maken van het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem.

 

  • 1.

    Bij kennisontwikkelingsprojecten gaat het om projecten die zich richten zich op onderzoek en kennisuitwisseling met een overtuigend perspectief op innovatie, die bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Een kennisontwikkelingsproject dient onderscheidend te zijn.

 

Het onderscheidende element kan zitten in het onderzoek zelf, bijvoorbeeld de bijzondere maatschappelijke betekenis die de resultaten kunnen hebben, of de duidelijke koppeling die er is met een opvolgend valorisatie-traject.

 

Het onderscheidende element kan ook zitten in de samenwerking ‘an sich’: de partijen die samenwerken – als het bijvoorbeeld gaat om kleine MKB-ers die tot nu toe nauwelijks bereikt worden - of de wijze waarop partijen elkaar gevonden hebben: de samenwerkingsvorm die als voorbeeld kan dienen voor anderen.

 

Het bijzondere kan verder zitten in de aanpak en de methodiek: de manier waarop een project wordt opgezet, de manier waarop gebruik wordt gemaakt van een netwerk en de manier waarop een project wordt uitgevoerd; een manier die het voor een MKB-er aantrekkelijk maakt aan dergelijke projecten deel te nemen. Innovatie kan komen van de nieuwkomer die dingen helemaal anders aanpakt. Die met een andere kijk op de zaak zorgt voor nieuwe inzichten en werkwijzen.

 

Ook andere elementen, die een project een voorbeeld of ‘best practice’ laten zijn voor andere initiatieven, kunnen het een goede kandidaat maken voor de beleidsregel Kennisontwikkeling.

 

Projecten zullen een combinatie van onderscheidende elementen moeten bevatten om voor subsidie in aanmerking te komen.

 

b. Mate van innovativiteit

De mate waarin projecten vernieuwend zijn vormt een integraal onderdeel van de beoordeling onder criterium A. Derhalve volgt er geen afzonderlijke score op criterium B.

 

c. Kwaliteit van de business case

De kwaliteit van de businesscase is binnen deze beleidsregel geen relevante beoordelingscriterium. Derhalve volgt er geen score op criterium C.

  

d. Kwaliteit aanvraag

Bij dit criterium gaat het om de kwaliteit van het projectplan: de helderheid en eenduidigheid van de antwoorden in het aanvraagformulier en de beschrijving in het projectplan. Hierbij is van belang dat de inhoud van de aanvraag ‘to the point’ wordt toegelicht in het aanvraagformulier en er voor wezenlijke onderdelen niet wordt verwezen naar andere documenten.

 

Verder gaat het bij dit criterium om de vraag of het project organisatorisch en subsidie-technisch goed in elkaar steekt.

 

e. Duurzaamheid

De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in twee stappen. De eerste stap is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet aan basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied van milieu, non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit Europese en nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat betekent dat een project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het milieu, dus geen schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project voldoen aan het bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden.

 

Waar stap 1 gericht is op uitsluiting van niet-passende projecten, nodigen we in stap 2 projecten uit om hun onderscheidende bijdrage aan duurzaamheid voor het voetlicht te brengen en zo een hogere score op het criterium duurzaamheid te realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van ‘people, planet en profit’. Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid meer is dan alleen milieu. Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische aspecten. Duurzame innovaties zijn vooral ook sociale innovaties.

 

In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve economie in Noord-Nederland.

 

Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie aspecten zij willen uitwerken. Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij van mening zijn dat ze op alle drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar dat is niet verplicht, niet elk element is voor elk project even relevant. Ook een onderscheidende bijdrage op één van de aspecten kan leiden tot een maximale score op het duurzaamheidscriterium. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de aard en omvang van de projectactiviteiten en van de bedrijven.

 

Om aanvragers te helpen bij het bepalen van hun bijdrage is in artikel 8 lid d een overzicht opgenomen met elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid.

  

Artikel 9 Indicatoren

Het OP EFRO kent output- en resultaatindicatoren.

 

Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator. Voor specifieke doelstelling B gaat het om de indicator ‘Aandeel bedrijven van het totaal aantal innovatieve bedrijven dat samenwerkt met bedrijven en kennisinstellingen’. De resultaatindicator vormt feitelijk een gekwantificeerde weergave van de specifieke doelstelling, een doel dat het SNN met het programma wenst te bereiken.

 

Onderdeel van de onderbouwing van de bijdrage aan de specifieke doelstelling, die een subsidieaanvrager bij de aanvraag dient te geven, is een onderbouwing van de bijdrage aan de resultaatindicator. Deze onderbouwing mag kwalitatief van aard zijn (zie artikel 9).

 

Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Het gaat hierbij onder meer om het aantal ondernemingen dat binnen een project wordt ondersteund, of het aantal samenwerkingsverbanden met onderzoeksinstellingen, dat wordt gerealiseerd. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten.

 

Het OP EFRO kent een lijst met outputindicatoren waaruit een subsidieaanvrager de voor haar project relevante outputindicatoren dient te selecteren en de bijbehorende streefwaarde dient te kwantificeren. De streefwaarden dienen te worden onderbouwd.

  

Artikel 10 Penvoerderschap en administratie

Het is noodzakelijk dat in een project waarin meerdere organisaties samenwerken, zoals aangegeven in lid 3, een samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te leggen termijn na beschikken van het project geschieden. De partijen ontvangen dan een beschikking onder ontbindende voorwaarde. Wanneer de samenwerkingsovereenkomst niet is ontvangen binnen de te stellen termijn, vervalt de beschikking, en daarmee het recht op subsidie. Aangezien projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten.

 

Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren. Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de voortgangsrapportages te worden gerapporteerd.

  

Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting

Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden wordt in de beschikking vastgelegd.

 

Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld op de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.

 

Leden 4 en 5 geven vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien financiering niet beschikbaar is of de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen.

  

Artikel 12 Realisatie van indicatoren

Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van de bewijsvoering die per outputindicator gelden.

 

Artikel 13 Realisatie van het project

Dit artikel geeft aan dat na realisatie van het project door de begunstigde een verklaring moet worden opgesteld waarin de realisatie wordt vastgelegd. Deze verklaring dient bij de eindafrekening te worden gevoegd, of eerder aan het SNN te worden overgelegd wanneer daarom wordt verzocht.

  

Artikel 14 Vaststelling subsidie

Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt. Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen een rapport van bevindingen. De kosten een rapport van bevindingen zijn voor rekening van het project.

Bijlage II Outputindicatoren Beleidsregel OP EFRO Kennisontwikkeling 2016

Code

Naam

Definitie & toelichting

Bijzonderheden

CO01

Aantal ondernemingen dat steun ontvangt

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of de steun staatssteun is of niet.

Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding, matching etc.). Ondersteunde ondernemingen mogen maar één keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de indicatoren CO02 en CO04.)

CO02

Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt

Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het Operationeel Programma.

 

Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden terugbetaald.

CO02 is een 'subset' van CO01

CO04

Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm heeft dan een directe financiële overdracht.

Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij indicator CO01.

CO04 is een 'subset' van CO01

CO06

De private bijdrage in de totale kosten van subsidieprojecten

De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.

CO06 is gekoppeld aan CO02 en kan cijfermatig overlap vertonen met CO27.

CO27

De private bijdrage in de totale kosten van innovatie- of onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.

De omvang van de private bijdrage in de totale subsidiabele kosten van projecten op het terrein van innovatie of onderzoek en ontwikkeling.

Bij de projecten kan het gaan om zowel subsidie- als niet subsidieprojecten.

PS01

Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven uit verschillende sectoren (cross-overs)

Het aantal projecten waarbij ondernemingen uit twee of meer sectoren samenwerken aan (een) innovatie(s).

 

Per project bedraagt de score op deze indicator '0' of '1'.

Samenwerkingsverbanden tellen wanneer het project bestaat uit minimaal twee bedrijven uit verschillende sectoren op basis van SBI-codering.

Een cross-over is een innovatie die het resultaat is van een gezamenlijke inspanning van ondernemingen uit twee of meer sectoren. Het kan gaan om een innovatie die nieuw is voor elk van de sectoren. Het kan ook gaan om een bestaand product, dienst of een lopende innovatie in een sector, die een innovatie oplevert voor een andere sector.

PS02

Aantal kennisuitwisselingstrajecten tussen MKB ondernemingen en onderzoeksinstellingen

Het aantal trajecten dat is gericht op kennisuitwisseling tussen MKB-bedrijven en onderzoeksinstellingen.

 

Tenminste één MKB bedrijf en één onderzoeksinstelling participeren in het traject. Doel van het traject is het kennisniveau en het innoverend vermogen van het MKB-bedrijf te vergroten.

Verschil met indicator C026 is dat PS2 geen innovatietrajecten omvat (daadwerkelijke innovaties), maar de fase van kennisoverdracht die daaraan vooraf gaat. PS2 is gekoppeld aan specifieke doelstelling B (CO26 aan SD B, C en D).

 

MKB-bedrijf: onderneming met minder dan 250 werknemers in dienst, met een omzet minder dan € 40 miljoen of waarvan de jaarbalans minder dan € 27 miljoen bedraagt.

 

onderzoeksinstelling:

Een onderzoeksinstelling is een organisatie waarbij het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten een primaire activiteit vormt.