Blad gemeenschappelijke regeling van Samenwerkingsverband Noord-Nederland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Samenwerkingsverband Noord-NederlandBlad gemeenschappelijke regeling 2019, 143Verordeningen



Uitvoeringsregeling OP EFRO Human Capital 2018

Uitvoeringsregeling OP EFRO Human C apital 2018

 

Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland ;

 

gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);

gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347);

gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7 maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en investeringsfondsen;

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene groepsvrijstellingsverordening);

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van 28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van gegevens;

gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;

gelet op de Uitvoeringswet EFRO;

gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

 

BESLUIT

de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: OP EFRO Human Capital 2018.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

  • b.

    REES: Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);

  • c.

    Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP EFRO): het programma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel Noord-Nederland (NUTS-regio NL1);

  • d.

    SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • e.

    DB SNN: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • f.

    Penvoerder: de subsidieaanvrager die zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of meer aanvragers van subsidie die samenwerken;

  • g.

    Het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • h.

    Noord-Nederland: De provincies Drenthe, Fryslân en Groningen;

  • i.

    Onderwijsinstelling: instellingen als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • j.

    Hoogopgeleid: opgeleid op het niveau van hbo of wo;

  • k.

    S amenwerkingsverband: een publiek-private samenwerking, waarbij het publieke deel ten minste één uit de openbare kas bekostigde onderwijsinstelling bestaat.

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond, als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van maandag 5 februari 2018 tot en met dinsdag 30 april 2019 17:00 uur bedraagt € 4.500.000,-.

  • 2.

    Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES.

  • 3.

    Dit deelplafond staat open voor Specifieke doelstelling A, het bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen in het regionale innovatiesysteem, teneinde de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op elkaar af te stemmen binnen de maatschappelijke uitdagingen, zoals beschreven in sectie 1.1 en sectie 2.A.5 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO 2014-2020 Noord-Nederland.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komt in aanmerking het samenwerken tussen ten minste één hoger onderwijsinstelling en ten minste één andere partij dat ten doel heeft de toekomstige arbeidsmarktvraag beter en structureel boven tafel te krijgen, vraag en aanbod van hoogopgeleid personeel beter op elkaar af te stemmen of de kwaliteit van het aanbod toekomstbestendig te maken. De volgende activiteiten zijn subsidiabel:

    • i.

      Het bevorderen van de structurele samenwerking tussen eenheden die een economische activiteit uitoefenen en het onderwijs; of

    • ii.

      De ontwikkeling van methodes en instrumenten die tot doel hebben de aansluiting tussen de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod structureel te verbeteren.

  • 2.

    De effecten van het project komen ten goede aan Noord-Nederland en hebben specifiek betrekking op het mkb in Noord-Nederland.

Artikel 4 Hoogte en doelgroep van de subsidie

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt ten behoeve van het samenwerkingsverband aan de rechtspersonen in dit verband.

  • 2.

    Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale subsidiabele kosten.

  • 3.

    In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van de subsidie kan worden beperkt, indien de Europese of nationale regels daartoe nopen.

  • 4.

    De subsidie bedraagt minimaal € 100.000,- per project.

Artikel 5 Indienen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via de link https://www.efro-webportal.nl/mijn/.

  • 2.

    Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.

Artikel 6 Afwijzen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100 punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen in artikel 9, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze uitvoeringsregeling.

  • 2.

    Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de REES wordt een aanvraag afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou voldoen aan één van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen indien:

    • -

      onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;

    • -

      door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is;

    • -

      niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of dat projectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden gebracht binnen de 3 jaar na afgifte van de verleningsbeschikking. De projectactiviteiten zijn volledig ten uitvoer gebracht als alle activiteiten die leiden tot outputs en resultaten volledig zijn uitgevoerd;

    • -

      tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

    • -

      de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

    • -

      in aanvulling op lid 2 en artikel 5.2.5 lid sub c van de REES kan de aanvraag worden afgewezen indien de aanvrager niet de relevante outputindicatoren, die in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling zijn opgenomen, heeft geselecteerd of de aanvrager niet een overtuigende onderbouwing voor de keuze van deze indicatoren en de opgenomen streefwaarden heeft aangeleverd.

  • 3.

    Een aanvraag zal worden afgewezen in geval slechts één partner alle kosten voor zijn rekening neemt.

Artikel 7 Niet subsidiabele kosten

Uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en bijbehorende documenten, het OP EFRO en de REES volgt welke kosten subsidiabel en niet subsidiabel zijn. Daarnaast wordt geen subsidie verleend voor:

  • a.

    kosten voor nieuwbouw, verbouw of leegstand van gebouwen;

  • b.

    reguliere activiteiten;

  • c.

    activiteiten die voor het tijdstip van indienen van de aanvraag hebben plaatsgevonden;

  • d.

    activiteiten waarvoor reeds subsidie is verleend, met uitzondering van co-financiering.

Artikel 8 Projectperiode en kosten

    • 1.

      Uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking dient het project fysiek te zijn voltooid en/of dienen alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer te zijn gelegd.

    • 2.

      Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen de projectkosten betaald te zijn binnen 13 weken na de einddatum van de projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van het verzoek tot definitieve vaststelling.

    • 3.

      Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn subsidiabel.

    • 4.

      Indien de uiterlijke periode bedoeld in het eerste lid dreigt te worden overschreden en voldoende aannemelijk is dat het project fysiek kan worden voltooid en/of alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden gebracht kan de uiterlijke projectperiode, zoals bedoeld in lid 1, worden verlengd met een periode van zes maanden. Verlenging kan meermaals plaatsvinden, met dien verstande dat de einddatum van de projectperiode in geen geval later kan liggen dan 1 juli 2023.

    • 5.

      Een eerste verzoek om verlenging zoals bedoeld in lid 4, kan niet eerder dan na twee en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking bij het SNN worden ingediend. Hierop volgende verzoeken kunnen niet eerder dan zes maanden voor afloop van de op dat moment geldende einddatum van het project worden gedaan.

    • 6.

      Indien de projectperiode voor de eerste maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 70% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 13 lid 4 de subsidie lager worden vastgesteld.

    • 7.

      Indien de projectperiode voor de tweede maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 80% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 13 lid 5 de subsidie lager worden vastgesteld.

Artikel 9 Beoordelingscriteria

  • 1.

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden beoordeeld op de volgende twee beoordelingscriteria met de daarbij behorende puntenverdeling:

    • a.

      bijdrage aan de specifieke doelstelling A van het Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: het bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen in het regionale innovatiesysteem, teneinde de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op elkaar af te stemmen binnen de maatschappelijke uitdagingen, zoals beschreven in sectie 1.1 en sectie 2.A.5 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO 2014-2020 Noord-Nederland.

Hierbij wordt met name gelet op de elementen:

  • -

    in hoeverre het project bijdraagt aan:

    • o

      het beter én structureel boven tafel krijgen van de toekomstige arbeidsmarktvraag; of

    • o

      het beter op elkaar afstemmen van de vraag vanuit het bedrijfsleven en het aanbod van hoogopgeleid personeel; of

    • o

      het toekomstbestendig maken van de kwaliteit van het arbeidsmarktaanbod;

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan het innovatief vermogen van het Noord-Nederlandse mkb.

  • -

    de mate waarin de projectactiviteiten tot uiting komen in de relevante output-indicatoren zoals opgenomen in bijlage II.

    • b.

      de mate van innovatie

    • c.

      de kwaliteit van de business case

Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:

  • -

    de mate waarin er sprake is van een structurele samenwerking;

  • -

    de mate waarin de vraag vanuit het bedrijfsleven leidend is;

  • -

    de mate waarin de impact van het project van blijvende aard is;

  • -

    de mate waarin het (mkb-) bedrijfsleven, niet zijnde de partners van het project, bewust gemaakt, betrokken en aangesloten wordt bij vraagstukken en resultaten van het project;

  • -

    de haalbaarheid van de realisatie van het project;

  • -

    de kwaliteit van het samenwerkingsverband;

  • -

    de mate waarin de resultaten ten goede komen aan het brede (mkb-) bedrijfsleven en overige organisaties in Noord-Nederland;

  • -

    de mate waarin private partijen (het bedrijfsleven) een bijdrage leveren aan het project.

  • d.

    de kwaliteit van de aanvraag

  • e.

    duurzaamheid

  • 2.

    De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk zijn: “goed”, “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig” of “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling zoals genoemd onder lid 3.

  • 3.

    a. Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 65 punten worden behaald met de volgende verdeling:

  • -

    goed = 65 punten

  • -

    ruim voldoende = 55 punten

  • -

    voldoende = 45 punten

  • -

    matig = 30 punten

  • -

    onvoldoende = 0 punten

  • b.

    Voor criterium b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

  • c.

    Voor criterium c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 35 punten worden behaald met de volgende verdeling:

  • -

    goed = 35 punten

  • -

    ruim voldoende = 30 punten

  • -

    voldoende = 25 punten

  • -

    matig = 15 punten

  • -

    onvoldoende = 0 punten

  • d.

    Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

  • e.

    Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

Artikel 10 Penvoerderschap en administratie

  • 1.

    Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar één of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder gedaan te worden.

  • 2.

    Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder.

  • 3.

    Indien in een project één of meer subsidieaanvragers samenwerken dient de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.

  • 4.

    Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende partijen direct van de subsidie profiteren, dan is het de verantwoordelijkheid van de penvoerder om de namen van de betreffende partijen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.

Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting

  • 1.

    De penvoerder dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage in, met daarin de financiële en inhoudelijke voortgang in de realisatie van het project, over de voorafgaande periode en de realisatiewaarde van de outputindicatoren. Er wordt gerapporteerd volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.

  • 2.

    Een verzoek tot voorschot kan worden ingediend indien gelijktijdig de voortgangsrapportage wordt ingediend en voor zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiering door de Europese Commissie.

  • 3.

    Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de subsidiabele gemaakte en betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.

  • 4.

    Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een deugdelijke voortgangsrapportage kan de subsidie ingetrokken of verlaagd worden.

Artikel 12 Realisatie indicatoren

  • 1.

    De aanvrager registreert tijdens de uitvoering van het project de realisatie van de outputindicatoren. Aan de realisatiewaarden liggen bewijsstukken ten grondslag, overeenkomstig de voorschriften in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling.

  • 2.

    De realisatiewaarden van de outputindicatoren rapporteert de aanvrager gedurende de uitvoering van het project in voortgangsrapportages en na afloop van het project in het eindverslag. Rapportage vindt plaats in een door het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager zal op aanvraag bewijsstukken overleggen.

Artikel 13 Vaststelling subsidie

    • 1.

      De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij het SNN.

    • 2.

      Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de daarin genoemde documenten. Een rapport van bevindingen opgesteld door een accountant kan mogelijk onderdeel uitmaken van deze documenten.

    • 3.

      Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet beschikbaar is.

    • 4.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 8 lid 6, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

    • 5.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 8 lid 7, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

Artikel 14 Slotbepalingen

Deze beleidsregel wordt gepubliceerd en treedt in werking de dag na publicatie.

Artikel 15 Citeertitel

Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als OP EFRO Human Capital 2018.

Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling

Inleiding

Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op 15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van het OP EFRO.

In de verordening 1303/2013, die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere) het EFRO, zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daar invulling aan in de vorm van een regeling waarvan de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst. Bij de beoordeling of een project voor subsidie in aanmerking komt, zijn al deze bepalingen van belang.

Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze uitvoeringsregeling zich richt op specifieke doelstelling A van het OP: het bevorderen van meer, betere en structurelere samenwerking tussen het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen, teneinde de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod (hbo en wo) permanent beter op elkaar af te stemmen. In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met openstelling van verschillende subsidie-instrumenten in de vorm van tenders en calls. Projecten die een bepaalde minimumscore halen, krijgen subsidie, zolang er budget beschikbaar is. De voorliggende uitvoeringsregeling ‘OP EFRO Human Capital 2018’ geeft invulling aan de bovengenoemde manier van uitvoering van het programma.

De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda (NIA).

Specifieke doelstelling A van het OP vloeit voort uit een geconstateerde uitdaging. Deze uitdaging heeft betrekking op de beschikbaarheid van voldoende kundig en gespecialiseerd personeel, dit vormt een belangrijke uitdaging voor het Noordelijk innovatiesysteem. Om het innovatiesysteem te versterken is van belang dat (mkb-) bedrijfsleven beter inzicht krijgt in hun (toekomstige) vraag naar personeel met de juiste kwalificaties en vaardigheden. Op dit moment wordt die vraag niet systematisch gearticuleerd waardoor er moeilijk op in te spelen is door onderwijsinstellingen.

Daarom dienen projectaanvragen binnen OP EFRO Human Capital 2018 bij te dragen aan het versterken van het systeem waarbinnen vraag en aanbod op elkaar wordt afgestemd. Die focussen op de (latente) arbeidsvraag vanuit het bedrijfsleven. Die structuren opzetten en versterken waardoor er permanente afstemming van vraag en aanbod op het gebied van human capital binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdaging in Noord-Nederland ontstaat.

Om het systeem duurzaam te versterken wordt ingezet op praktijkgerichte structuren die vanuit de vraag van het bedrijfsleven opereren. Bij het opzetten van nieuwe praktijkgerichte structuren is de behoefte van het (mkb-) bedrijfsleven leidend. Dit betekent voor de kennisinstellingen dat het project ‘mét en vóór’ het bedrijfsleven gedaan moet worden. Echter, een deel van het probleem ligt in het feit dat mkb’ers zich niet dagelijks met deze problematiek kunnen bezighouden. In eerste instantie wordt daarom gewerkt aan bewustwording van het mkb en het expliciteren van de behoeften en wensen voor de toekomst. Het verder concretiseren van de vraag maakt daarmee onderdeel uit van deze uitvoeringsregeling. De uitvoeringsregeling is bewust breed geformuleerd om zoveel mogelijk initiatieven op dit vlak een kans te geven.

Mogelijke subsidieaanvragen kunnen daarom zijn:

• Projecten waarin clusters van bedrijven en onderwijsinstellingen vraaggestuurd samenwerken aan ontwikkeling van curricula ter bevordering van de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van hoogopgeleide medewerkers (bijvoorbeeld in de vorm van bedrijfsscholen, werkstages voor docenten, etc.);

• Projecten waarin bedrijven gezamenlijk structuren opzetten om R&D-faciliteiten van bedrijven te ontsluiten voor gebruik door onderwijsinstellingen;

• Het ontwikkelen van gerichte E-portfoliosystemen, die kennis en ervaring inzichtelijk en uitwisselbaar maken binnen en tussen clusters (digitaal curriculum vitae met aanvullende informatie over vaardigheden, referenties, feedback etc.);

• Projecten waarin structuren worden opgezet naar analogie van de Centres of Expertise, dan wel additionele activiteiten van bestaande Centres of Expertise en lectoraten (Centres of Expertise zijn publiek-private samenwerkingsverbanden, waarbinnen (mkb-) bedrijfsleven, wetenschappers, docenten en studenten samen werken aan het bevorderen van de kwaliteit van het technisch hbo-onderwijs);

• Projecten ter bevordering van mobiliteit, zowel inter- als intrasectoraal op hbo/wo-niveau;

• Innovatieve opleidingsfaciliteiten (zoals hbo duaal);

• Structuren om werkzoekende hbo’ers en wo’ers aan het werk te helpen;

• Projecten die inzetten op een methode waarmee de arbeidsvraag structureel c.q. continu kan worden uitgevraagd bij het bedrijfsleven.

Let op: de hiervoor beschreven voorbeelden geven een denkrichting en zijn niet uitputtend.

‘Mét en vóór’ het bedrijfsleven betekent ook dat er sprake moet zijn van een gezonde verhouding tussen de mate van bijdrage vanuit het bedrijfsleven en vanuit de kennisinstellingen. Wij raden aan om dit principe ook al toe te passen bij het schrijven van het projectplan, waarbij de vraag vanuit het bedrijfsleven leidend moet zijn.

In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te ondersteunen initiatieven.

Bij de uitvoeringsregeling Human Capital 2018 worden aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode worden beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van binnenkomst beschikt totdat het plafond van de uitvoeringsregeling is bereikt.

Bij het uitvoeren van deze uitvoeringsregeling wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert. De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN).

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan door het SNN. Vervolgens wordt het project voorgelegd aan de deskundigencommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 9.

Indien het dagelijks bestuur van het SNN, op advies van de deskundigencommissie, besluit minimaal 70 punten aan het project toe te kennen, wordt tenslotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Beoordeeld wordt of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria, voor subsidie in aanmerking te komen. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en sluitendheid van de financiering. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.

Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator. Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.

 

Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling aan wordt gerefereerd. De herkomst van de definities is weergegeven waar dat van toepassing is.

In artikel 1 onder k staat dat alleen samenwerkingsverbanden een aanvraag in kunnen dienen. Het samenwerkingsverband benoemt een penvoerder die de contactpersoon is voor SNN. Door het ondertekenen van het aanvraagformulier door de penvoerder en partners van het samenwerkingsverband wordt automatisch een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten behoeve van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

In artikel 1 onder j wordt ook het associate degree, een tweejarig deelprogramma van de hbo bachelor opleiding, meegenomen.

Artikel 2 Deelplafond

Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze uitvoeringsregeling geldt. Het geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is opengesteld.

Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare budget. Van belang is dat de aanvraag compleet moet zijn op dinsdag 30 april 2019 17:00 uur. Indien de aanvraag niet op dat moment is ingediend en/of compleet is, wordt de aanvraag op grond van artikel 5.2.2. van de REES afgewezen.

In lid 3 staat de specifieke doelstelling A beschreven. De beschikbaarheid van voldoende kundig en gespecialiseerd personeel vormt een belangrijke uitdaging voor het Noordelijk innovatiesysteem. Om het innovatiesysteem te versterken is van belang dat het (mkb-) bedrijfsleven beter inzicht krijgt in hun (toekomstige) vraag naar personeel met de juiste kwalificaties en vaardigheden. Op dit moment wordt die vraag niet systematisch gearticuleerd waardoor er moeilijk op in te spelen is door onderwijsinstellingen. Daarnaast en in vervolg hierop worden acties ondersteund die bijdragen aan het versterken van het systeem waarbinnen vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. Het OP EFRO voor Noord-Nederland ondersteunt daarmee acties die focussen op de (latente) arbeidsvraag vanuit het (mkb-) bedrijfsleven. Dit realiseert Noord-Nederland door het opzetten en versterken van structuren van permanente afstemming van vraag en aanbod op het gebied van human capital binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdaging in Noord-Nederland.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

Het onderdeel ontwikkeling van methodes en instrumenten die tot doel hebben de aansluiting tussen de arbeidsvraag en het hoogopgeleide arbeidsaanbod structureel te verbeteren (lid 1 onder ii) kan mede betrekking hebben op het opzetten van een pilot waarmee de ontwikkelde methode of het instrument in een testomgeving wordt beproefd. Het daadwerkelijk invoeren van een nieuwe methode of instrument naar een reguliere activiteit is niet subsidiabel.

In lid 2 staat dat de resultaten van het project ten goede dienen te komen aan Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. De aanvrager legt dit uit in de aanvraag en geeft een onderbouwing.

Artikel 4 Hoogte en doelgroep van de subsidie

Uit de definitie van een samenwerkingsverband (lid 1) volgt dat dit in ieder geval bestaat uit een onderwijsinstelling en een eenheid die een economische activiteit uitoefent. Het samenwerkingsverband kan daarnaast bestaan uit:

  • a.

    meerdere hogere onderwijsinstellingen;

  • b.

    meerdere organisaties;

  • d.

    één of meer O&O-fondsen, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve overeenkomst;

  • e.

    één of meer regionale overheden;

  • f.

    overige partijen die bijdragen aan de verbetering van de afstemming tussen het hoger onderwijs en arbeidsmarkt.

Subsidie kan alleen aan rechtspersonen worden verstrekt. Daarmee zijn eenmanszaken, een vof en een maatschap uitgesloten, omdat ze niet als rechtspersoon worden aangemerkt. Natuurlijke personen kunnen geen aanvraag indienen.

Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt van 40%.

In lid 3 staat dat de hoogte van de subsidie kan worden beperkt, indien de Europese of nationale regels daartoe nopen. Hiermee worden de staatssteunregels bedoeld.

Artikel 5 Indienen van een subsidieaanvraag

Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag wordt de keuze van outputindicatoren gemotiveerd. Streefwaarden moeten aannemelijk worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project worden realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken gestaafd.

Artikel 6 Afwijzen van een subsidieaanvraag

Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als expliciete aanvullende afwijzingsgrond opgenomen dat allereerst geldt dat er een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder dan 70 punten behalen worden afgewezen (lid 1).

Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan.

De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de aanvraag en uiterlijk 3 jaar na afgifte van de beschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.

Ook geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen. In de desbetreffende verklaring, die per (mede)aanvrager als bijlage bij de aanvraag wordt meegezonden, worden hierover enkele vragen gesteld. Indien een van deze vragen positief wordt beantwoord, dan wordt verondersteld dat de onderneming in financiële moeilijkheden verkeert en wordt de aanvraag afgewezen.

Op grond van lid 3 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een (overtuigende) onderbouwing.

Tot slot geldt dat een samenloop van subsidie op grond van deze uitvoeringsregeling met ESF-subsidie is uitgesloten.

Artikel 8 Projectperiode en kosten

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn, rekening houdende dat de einddatum uiterlijk 3 jaar na afgifte van de beschikking mag zijn. Het moment waarop de beschikking wordt afgegeven is afhankelijk hoe snel het proces van de technische toets door het SNN doorlopen kan worden. In de regel zal dit enkele maanden duren nadat door het SNN een positief besluit is genomen. De einddatum is mede bepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN en kosten moeten zijn gemaakt op uiterlijk de einddatum van het project. Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling.

Artikel 9 Beoordelingscriteria

Er zijn twee (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.

  • a.

    Bijdrage aan de doelstellingen van het OP

  • b.

    Kwaliteit van de business case

Deze beide criteria worden kwalitatief beoordeeld. In de opsomming onder a en c zijn verschillende elementen benoemd die bij deze beoordeling een rol spelen. Naarmate de verschillende elementen in de aanvraag overtuigender uiteen worden gezet én worden voorzien van een deugdelijke onderbouwing, zal de beoordeling op de beoordelingscriteria van het project positiever zijn en het puntenaantal hoger.

In lid 1 sub a staat ‘hoeverre het project bijdraagt aan: het beter én structureel boven tafel krijgen van de toekomstige arbeidsmarktvraag; of het beter op elkaar afstemmen van de vraag vanuit het bedrijfsleven en het aanbod van hoogopgeleid personeel; of het toekomstbestendig maken van de kwaliteit van het arbeidsmarktaanbod’. Het kan zijn dat een project bijdraagt aan één van deze punten of aan alle genoemde punten, dit is afhankelijk van het type project. Indien een project een goede bijdrage levert aan één van de punten kan daarmee de maximale puntenscore op dit onderdeel behaald worden. Dit is de werkwijze van kwalitatieve beoordeling.

Verder staat in lid 1 sub a ‘de mate waarin het project bijdraagt aan het innovatief vermogen van het Noord-Nederlandse mkb’. De context van de call, zoals hierboven bij de inleiding beschreven, is daarbij belangrijk om in ogenschouw te nemen. Hoe versterkt dit project het regionale innovatiesysteem?

Voor lid 1 sub c geldt dat de kwaliteit van de businesscase van het project op deze bullits wordt beoordeeld, waarbij het kan zijn dat niet iedere bullit van toepassing (of relevant) kan zijn voor het project. In dat geval wordt het project alleen op de relevante bullits beoordeeld. Dit is de werkwijze van kwalitatieve beoordeling.

Verder wordt onder lid 1 sub c gesproken over ‘mate waarin de vraag vanuit het bedrijfsleven leidend is’. De aanvrager dient hierbij overtuigend uiteen te zetten op welke wijze er met én voor het bedrijfsleven wordt samengewerkt. Onder lid 1 sub c wordt ook gesproken over ‘de haalbaarheid van de realisatie van het project’. De aanvrager dient hierbij de belangrijkste risico’s ten aanzien van het project te beschreven inclusief welke strategie is gekozen om deze risico’s te beperken. Verder staat onder lid 1 sub c ‘de kwaliteit van het samenwerkingsverband’. Hierbij dient de aanvrager overtuigend uiteen te zetten dat relevante belanghebbenden onderdeel zijn van het samenwerkingsverband.

Artikel 10 Penvoerderschap en administratie

Dit artikel gaat in op samenwerkingsaspecten en geeft aan dat de communicatie met het SNN verloopt via de penvoerder die door de samenwerkende partijen is aangewezen (lid 1). Ten aanzien van betalingen geldt dat deze ook via de penvoerder verlopen (lid 2). Het is noodzakelijk dat in een project waarin meerdere organisaties samenwerken, zoals aangegeven in lid 3, een samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te leggen termijn na beschikken van het project geschieden. Aangezien projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten. Mogelijk kan een samenwerkingsovereenkomst die veel gebruikt wordt bij Regionaal investeringsfonds mbo (RIF)-projecten als template dienen.

Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren. Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de voortgangsrapportages te worden gerapporteerd.

Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting

Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format te worden ingediend bij SNN (lid 1). De data waarop moet worden gerapporteerd wordt in de beschikking vastgelegd.

Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald (lid 3). De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.

Lid 4 geeft vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen.

Artikel 12 Realisatie van indicatoren

Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van de bewijsvoering die per outputindicator gelden.

Artikel 13 Vaststelling subsidie

Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt. Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen een rapport van bevindingen. De kosten van een rapport van bevindingen zijn voor rekening van het project.

Bijlage II Outputindicatoren OP EFRO Human Capital 2018

Code

Naam

Definitie & toelichting

Bijzonderheden

CO01

Aantal ondernemingen dat steun ontvangt. Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, in welke vorm dan

ook en ongeacht of de steun staatssteun is of niet

Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding, matching etc.).

Ondersteunde ondernemingen mogen maar één keer in de score van de indicator worden meegenomen.

Indien een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de indicatoren CO02 en CO04.)

 

CO02

Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt

Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het Operationeel Programma

Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden terugbetaald.

CO02 is een 'subset' van CO01.

CO04

Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm heeft dan een directe financiële overdracht.

Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij indicator CO01.

CO04 is een 'subset' van CO01.

CO06

De private bijdrage in de totale kosten van subsidieprojecten

De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.

CO06 is gekoppeld aan

CO02.

PS05

Aantal voor gebruik door onderwijsinstellingen ontsloten O&O-faciliteiten van bedrijven

Aantal faciliteiten voor onderzoek en ontwikkeling bij bedrijven dat dankzij EFRO-projecten is ontsloten voor onderwijsinstellingen. Voor deze indicator mag per onderneming maximaal één O&O-faciliteit worden geteld.

Er dient een duidelijk verband te zijn tussen het uitgevoerde EFRO-project en de toegang die

onderwijsinstellingen krijgen tot de faciliteiten.