Blad gemeenschappelijke regeling van Samenwerkingsverband Noord-Nederland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Samenwerkingsverband Noord-NederlandBlad gemeenschappelijke regeling 2019, 142Verordeningen



Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2018

Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 201 8

 

Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland ;

 

gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);

gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347);

gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7 maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en investeringsfondsen;

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene groepsvrijstellingsverordening);

gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van 28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van gegevens;

gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;

gelet op de Uitvoeringswet EFRO;

gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

 

BESLUIT

de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: OP EFRO Kennisontwikkeling 2018.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;

  • b.

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • c.

    Regeling Europese EZ-subsidies (REES): Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);

  • d.

    Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP EFRO): het programma als bedoeld in artikel 2, onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel Noord-Nederland (NUTS-regio NL1);

  • e.

    RIS 3: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 is uiteengezet;

  • f.

    Maatschappelijke uitdagingen: zoals beschreven in hoofdstuk 3.2 van de RIS3 Noord-Nederland.

  • g.

    SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • h.

    DB SNN: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;

  • i.

    Penvoerder: de persoon of organisatie, die zorgdraagt en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of meer aanvragers van subsidie die samenwerken;

  • j.

    Het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • k.

    Onderneming: een onderneming is een organisatie die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het maatschappelijk productie- en of handelsproces met het oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs verwacht kan worden. Een onderneming kan verschillende juridische vormen aannemen, mits deze geen publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan tien procent structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen.

  • l.

    mkb -ondernemingen: ondernemingen die voldoen aan de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • m.

    kennisinstelling: een:

    • I.

      onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder  j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit:

    • II.

      andere dan onder i bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • III.

      geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • i.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder i;

      • ii.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • IV.

      rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder i, ii of iii direct of indirect:

      • i.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

      • ii.

        volledig aansprakelijk vennoot is, of

      • iii.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • V.

      onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder i tot en met iv;

  • n.

    De-minimisverordening: Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.

  • o.

    Noord-Nederland: De provincies Drenthe, Fryslân en Groningen.

Artikel 2 Deelplafond

  • 1.

    Het deelplafond als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van maandag 5 februari 2018 tot en met dinsdag 30 april 2019 17:00 uur bedraagt € 7.000.000,--.

  • 2.

    Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES.

  • 3.

    Dit deelplafond staat open voor specifieke doelstelling B ‘Betere kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’, zoals beschreven in sectie 1.1 en secties 2.A.5 en 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO. In aanvulling op deze secties geldt dat aanvragen alleen voor subsidie in aanmerking komen als zij betrekking hebben op één van de volgende typen projecten:

      • *

        Voorwaardenscheppende projecten , waaronder wordt verstaan een project dat gunstige randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten. Dit dient te worden bewerkstelligd door verbeteringen aan te brengen in bestaande netwerken en netwerkstructuren. Deze verbeteringen zorgen ervoor dat deze netwerken zich meer gaan focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties. In de bijzondere situatie dat netwerken aantoonbaar ontbreken en noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het mkb te versterken kan het ook gaan om het ontwikkelen van nieuwe netwerken. Het gaat dan om laagdrempelige netwerken en om netwerken over sectorgrenzen heen.

      • *

        Kennisontwikkelingsprojecten , waaronder wordt verstaan een project dat zich richt op kennisontwikkeling, zijnde een onderzoeksproject of een andersoortig project waarin kennisontwikkeling centraal staat. Het project dient een sterk onderscheidend karakter en een perspectief op innovatie te hebben.

         

        en bovendien

    • -

      voor zover er geen sprake is van staatssteun

    • -

      of voor zover het project valt binnen de categorieën steun zoals bedoeld en gedefinieerd in de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waaronder:

      - industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

      - haalbaarheidsstudies;

      - innovatiesteun voor kmo's;

      - proces- en organisatie-innovatie;

      - steun voor innovatieclusters.

    • -

      en voor zover de projectresultaten ten goede komen aan Noord-Nederland (artikel 70 Verordening (EU) nr. 1303/2013).

Artikel 3 Hoogte en doelgroep van de subsidie

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt aan:

    • a.

      Natuurlijke ondernemingsvormen;

    • b.

      Rechtspersonen.

  • 2.

    Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale subsidiabele kosten.

  • 3.

    In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van het subsidiepercentage per aanvrager kan worden beperkt indien de regels van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening daartoe nopen.

  • 4.

    De subsidie wordt alleen verstrekt indien de berekening van het subsidiebedrag op grond van de leden 2 en 3, minimaal € 100.000,- per project bedraagt.

Artikel 4 Indienen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via de link https://www.efro-webportal.nl/mijn/.

  • 2.

    Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.

Artikel 5 Afwijzen van een subsidieaanvraag

  • 1.

    Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100 punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen in artikel 8, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze uitvoeringsregeling.

  • 2.

    Een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de REES afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou voldoen aan een van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen indien:

  • -

    onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;

  • -

    door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is;

  • -

    niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of dat alle projectactiviteitenprojectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden gebracht binnen drie jaar na afgifte van een verleningsbeschikking. De projectactiviteiten zijn volledig ten uitvoer gebracht als alle activiteiten die leiden tot outputs en resultaten volledig zijn uitgevoerd;

  • -

    de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium duurzaamheid, zoals beschreven in artikel 8, lid 1 sub e;

  • -

    tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • -

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is, als bedoeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

  • 3.

    In aanvulling op lid 2 en artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES kan de aanvraag worden afgewezen indien de aanvrager niet de relevante outputindicatoren heeft geselecteerd of de aanvrager niet een (overtuigende) onderbouwing heeft aangeleverd.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en bijbehorende documenten, het OP EFRO en de REES volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel zijn.

  • 2.

    In aanvulling hierop geldt dat de subsidiabele kostensoorten kunnen worden beperkt indien staatssteunregels daartoe nopen.

Artikel 7 Projectperiode en kosten

    • 1.

      Uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking dient het project fysiek te zijn voltooid en/of dienen alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer te zijn gelegd.

    • 2.

      Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen de projectkosten betaald te zijn binnen 13 weken na de einddatum van de projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van het verzoek tot definitieve vaststelling.

    • 3.

      Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn subsidiabel.

    • 4.

      Indien de uiterlijke periode bedoeld in het eerste lid dreigt te worden overschreden en voldoende aannemelijk is dat het project fysiek kan worden voltooid en/of alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden gebracht kan de uiterlijke projectperiode, zoals bedoeld in lid 1, worden verlengd met een periode van zes maanden. Verlenging kan meermaals plaatsvinden, met dien verstande dat de einddatum van de projectperiode in geen geval later kan liggen dan 1 juli 2023.

    • 5.

      Een eerste verzoek om verlenging zoals bedoeld in lid 4, kan niet eerder dan na twee en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking bij het SNN worden ingediend. Hierop volgende verzoeken kunnen niet eerder dan zes maanden voor afloop van de op dat moment geldende einddatum van het project worden gedaan.

    • 6.

      Indien de projectperiode voor de eerste maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 70% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 12 lid 5 de subsidie lager worden vastgesteld.

    • 7.

      Indien de projectperiode voor de tweede maal met zes maanden wordt verlengd en daarmee de projectperiode van meer dan drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking wordt overschreden, wordt de voorwaarde opgelegd dat uiterlijk drie en een half jaar na afgifte van de verleningsbeschikking minimaal 80% van de begrote kosten moeten zijn gemaakt, betaald en subsidiabel gesteld. Indien hier niet aan wordt voldaan zal conform artikel 12 lid 6 de subsidie lager worden vastgesteld.

    .

Artikel 8 Beoordelingscriteria

  • 1.

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden beoordeeld op vijf beoordelingscriteria (a t/m e). Ten aanzien van beoordelingscriteria a t/m c zijn er verschillen tussen voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten.

     

    a.Zowel voorwaardenscheppende projecten als kennisontwikkelingsprojecten dienen bij te dragen aan de specifieke doelstelling B van het Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: ‘Betere kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’:

     

  • -

    Inzake voorwaardenscheppende projecten wordt bij criterium a beoordeeld in hoeverre het project gunstige randvoorwaarden creëert voor het ontstaan van op kennisontwikkeling en op innovatie gerichte samenwerkingsprojecten door verbeteringen aan te brengen in netwerken en netwerkstructuren. Het onderscheidend karakter van het project kan onder meer blijken uit de volgende elementen:

    • *

      De mate waarin netwerken zich focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties;

    • *

      De mate waarin een integrale en/of cross-sectorale aanpak wordt gevolgd met betrokkenheid van relevante partijen ten behoeve van het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem;

    • *

      De mate waarin het netwerk laagdrempelig is voor het mkb.

       

  • -

    Inzake kennisontwikkelingsprojecten wordt bij criterium a beoordeeld in hoeverre het project gericht is op kennisontwikkeling, zijnde een onderzoeksproject of een andersoortig project waarin kennisontwikkeling centraal staat, en in hoeverre het project onderscheidend is. Het onderscheidende karakter van het project kan blijken uit onder meer de volgende elementen:

      • *

        De maatschappelijke betekenis die de resultaten kunnen hebben;

      • *

        De mate waarin sprake is van een cross-over tussen bedrijven uit diverse sectoren;

      • *

        De mate van betrokkenheid van mkb’ers in het samenwerkingsverband.

         

    • b.

      De mate van innovativiteit

       

  • -

    Het onderscheidend karakter van een voorwaardenscheppendproject op dit criterium kan onder meer tot uiting komen in de volgende elementen:

    • *

      De aannemelijkheid dat de resultaten van dit project innovatief zijn;

    • *

      De mate waarin competenties of voorzieningen worden toegevoegd aan het bestaande innovatie-ecosysteem.

       

  • -

    Het onderscheidend karakter van een kennisontwikkelingsproject op dit criterium kan onder meer tot uiting komen in de volgende elementen:

      • *

        De mate van innovativiteit van de kennis die het project oplevert;

      • *

        Hoe de nieuwe kennis zich verhoudt tot (inter-)nationale ontwikkelingen;

      • *

        De wijze en mate van kennisinbreng- en uitwisseling door de partners binnen het project;

      • *

        De betrokkenheid van relevante partijen.

         

    • c.

      De kwaliteit van de business case

       

  • -

    Het onderscheidend karakter van een voorwaardenscheppendproject op dit criterium kan onder meer tot uiting komen in de volgende elementen:

    • *

      Het verwachte aantal concrete innovatietrajecten door samenwerkend mkb, die vanuit het voorwaardenscheppend project kunnen gaan ontstaan, in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag;

    • *

      Haalbaarheid van de realisatie van dit project en de risico’s;

    • *

      De mate waarin en reden waarom de aanvrager bereid is een eigen bijdrage in dit project te stoppen. De bereidheid om deze stap te zetten gekoppeld aan de risico’s en perspectieven van de projectresultaten;

    • *

      De wijze waarop (op termijn) de exploitatie van het nieuwe netwerk / uitbreiding van het bestaande netwerk is geborgd;

    • *

      Waarborging van de gebruikersoriëntatie c.q. vraaggestuurdheid van de doelgroep (mkb) gewaarborgd, zowel op de korte als lange termijn.

       

  • -

    Het onderscheidend karakter van een kennisontwikkelingsproject op dit criterium kan tot uiting komen in de volgende elementen:

      • *

        De haalbaarheid van de realisatie van het project in relatie tot de risico’s;

      • *

        De mate van perspectief op concrete vermarkting (op termijn) van de kennis die binnen het project wordt ontwikkeld (koppeling met opvolgende valorisatietraject(en);

      • *

        De mate waarin en reden waarom elke aanvrager bereid is een eigen bijdrage in dit project te stoppen. De bereidheid om deze stap te zetten gekoppeld aan de risico’s en perspectieven van de projectresultaten.

         

    • d.

      De kwaliteit van de aanvraag

       

  • e.

    Duurzaamheid

     

Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve effecten op het milieu kent.

Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zowel bij voorwaardenscheppende projecten als kennisontwikkelingsprojecten zijn:

Ten aanzien van het aspect ‘people’:

  • -

    De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd in de opleiding en ontwikkeling van mensen;

  • -

    De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit van mensen;

  • -

    De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor hoger opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • -

    De maatschappelijke impact.

Ten aanzien van het aspect ‘planet’:

  • -

    De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige broeikasgassen;

  • -

    De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone energie;

  • -

    De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en watergebruik

  • -

    De omgang met afval en restmaterialen;

  • -

    De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en leefomgeving.

Ten aanzien van het aspect ‘profit’:

  • -

    De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het streven naar een circulaire en inclusieve economie;

  • -

    De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en duurzaam /maatschappelijk verantwoorde onderneming;

  • -

    De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk verantwoordt.

     

  • 2.

    De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden in eerste instantie kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk zijn: “goed”, “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig”, “neutraal” of “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling.

     

    a.Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 35 punten worden behaald met de volgende verdeling:

  • - goed = 35 punten

  • - ruim voldoende = 25 punten

  • - voldoende = 20 punten

  • - matig = 10 punten

  • - onvoldoende = 0 punten

     

    b.Voor criterium b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 25 punten worden behaald.

  • - goed = 25 punten

  • - voldoende = 20 punten

  • - matig = 10 punten

  • - onvoldoende = 0 punten

     

    c.Voor criterium c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 20 punten worden behaald.

  • - goed = 25 punten

  • - voldoende = 20 punten

  • - matig = 10 punten

  • - onvoldoende = 0 punten

     

    • d.

      Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 0 punten worden behaald.

       

    • e.

      Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen maximaal 15 punten worden behaald met de volgende verdeling:

  • - goed = 15 punten

  • - voldoende = 10 punten

  • - matig = 5 punten

  • - neutraal = 1 punt

  • - onvoldoende = 0 punten

Artikel 9 Penvoerderschap en administratie

  • 1.

    Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar één of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder gedaan te worden.

  • 2.

    Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder.

  • 3.

    Indien in een project één of meer subsidieaanvragers samenwerken dient de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.

  • 4.

    Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende ondernemingen direct van de subsidie profiteren, dan is de verantwoordelijkheid van de penvoerder de namen van de betreffende ondernemingen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.

Artikel 10 Rapportage en bevoorschotting

  • 1.

    De subsidieaanvrager dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage in te dienen betreffende de financiële en inhoudelijke voortgang in de realisatie van het project over de voorafgaande periode. Gerapporteerd dient te worden volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.

  • 2.

    Een voorschot kan worden verstrekt indien een voortgangsrapportage is ingediend en voor zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiering door de Europese Commissie.

  • 3.

    Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de gemaakte en betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen wordt dit bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.

  • 4.

    Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een deugdelijke voortgangsrapportage, kan de subsidie ingetrokken of verlaagd worden.

Artikel 11 Realisatie indicatoren

  • 1.

    De aanvrager dient tijdens de uitvoering van het project de realisatie van de outputindicatoren te registreren. Aan de realisatiewaarden dienen bewijsstukken ten grondslag te liggen, overeenkomstig de voorschriften in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling.

  • 2.

    Over de realisatiewaarden van de outputindicatoren dient door de aanvrager gedurende de uitvoering van het project in voortgangsrapportages, en na afloop van het project in het eindverslag te worden gerapporteerd. Rapportage dient plaats te vinden in een door het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager dient op aanvraag bewijsstukken te overleggen.

Artikel 12 Vaststelling subsidie

    • 1.

      De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij het SNN.

    • 2.

      Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de daarin genoemde documenten. Een rapport van bevindingen opgesteld door een accountant kan mogelijk onderdeel uitmaken van deze documenten.

    • 3.

      De subsidie kan lager worden vastgesteld wanneer de gerealiseerde subsidiabele kosten lager zijn dan begroot, waarbij het subsidiepercentage wordt gehanteerd zoals aangegeven in artikel 3.

    • 4.

      Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet beschikbaar is.

    • 5.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 7 lid 6, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

    • 6.

      Indien de projectperiode is verlengd conform artikel 7 lid 7, de in dat artikellid genoemde voorwaarde is opgelegd en hieraan niet is voldaan, dan zal de subsidie in ieder geval 5% lager worden vastgesteld dan de subsidie anders zou worden vastgesteld.

     

Artikel 13 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking op 5 februari 2018.

  • 2.

    Deze uitvoeringsregeling werkt terug tot en met 5 februari 2018 voor zover de bekendmaking plaatsvindt na 5 februari 2018.

Artikel 14 Citeertitel

Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 2018.

Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling

Inleiding

Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op 15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van het OP EFRO.

 

In de verordening 1303/2013 die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere) het EFRO zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daar invulling aan in de vorm van een regeling waarvan de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst. Bij de beoordeling of een project voor subsidie in aanmerking komt, zijn al deze bepalingen van belang.

 

Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018 zich richt op specifieke doelstelling B van het OP: ‘Betere kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen.’ In essentie betekent dit het voor ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf makkelijker maken om kennis binnen te halen en te benutten. Deze uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling richt zich dus primair op innovatiestimulering bij Noord-Nederlandse mkb’ers. In de toelichting op artikel 8 wordt een nadere duiding aan de beoordelingscriteria gegeven. Dat geeft een aanvrager informatie over wat wordt verstaan met een ‘goed’ voorwaardenscheppend project of kennisontwikkelingsproject.

 

De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda (NIA).

 

Kenmerkend voor RIS3 en NIA is het uitgangspunt te werken aan grote maatschappelijke vraagstukken, de maatschappelijke uitdagingen. Voor deze uitvoeringsregeling worden aanvragers uitgedaagd om te komen met projecten die gericht zijn op de vier maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3: uitdagingen die spelen binnen de domeinen Gezondheid, demografie en welzijn; Voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie; Zekere, schone en efficiënte energie; en Schone, veilige watervoorziening. Deze domeinen moeten niet opgevat worden als een sectorale afbakening. Bedrijven uit elke sector worden uitgenodigd te innoveren binnen deze vier domeinen.

De innovatiepiramide, zoals opgenomen in het OP, deelt bedrijven in in vijf categorieën: koplopers, ontwikkelaars, toepassers, volgers en niet-innovatieven. Op grond van onderzoek waaruit blijkt dat Noord-Nederland relatief veel volgers en relatief weinig toepassers en ontwikkelaars kent, is het OP erop gericht om volgers toepassers te laten worden en toepassers ontwikkelaars te laten worden. Dit krijgt in het OP EFRO vorm door de aandacht te richten op die criteria die maken dat volgers volgers zijn en toepassers toepassers zijn.

 

In het TRL-model worden negen verschillende fases onderscheiden in het innovatieproces, beginnend met fundamenteel onderzoek (TRL1), tot en met marktintroductie van een nieuw product of nieuwe dienst (TRL9). Met deze uitvoeringsregeling wordt wat betreft de kennisontwikkelingsprojecten (dus niet de voorwaardenscheppende projecten) met name ingezet op het faciliteren van de ontwikkelstadia die voorafgaan aan validatie en demonstratie en daarmee wat verder van marktintroductie afstaan: TRL 3 en TRL 4:

• TRL 3: proof-of-concept

• TRL 4: implementatie en test prototype

 

In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te ondersteunen initiatieven.

 

Bij de uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018 worden aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria (zie ook de toelichting op artikel 8). Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het plafond van de uitvoeringsregeling is bereikt.

 

Bij het uitvoeren van deze uitvoeringsregeling wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert. De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN).

Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan door het SNN. Vervolgens wordt het project voorgelegd aan de deskundigencommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de beoordelingscriteria die zijn opgenomen in artikel 8.

Indien het dagelijks bestuur van het SNN, op advies van de deskundigencommissie, besluit minimaal 70 punten aan het project toe te kennen, wordt tenslotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Beoordeeld wordt of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria, voor subsidie in aanmerking te komen. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en sluitendheid van de financiering. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.

 

Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator. Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.

 

Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling aan wordt gerefereerd. Daar waar van toepassing is de herkomst van de definities weergegeven.

Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP EFRO Noord-Nederland en daarmee deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve oplossingen voor minimaal één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3 zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het gebied van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, Duurzame landbouw en bio-economie, Zekere, schone en efficiënte energie en Schone, veilige watervoorziening.

Artikel 2 Deelplafond

Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze uitvoeringsregeling geldt. Het geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is opengesteld.

Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare budget. Van belang is dat de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op dinsdag 30 april 2019 17:00 uur. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenoemde molenaarsprincipe: “wie het eerst komt, wie het eerst maalt”. Het is daarmee mogelijk dat het beschikbare budget voor 30 april 2019 op is.

Lid 3 gaat over de inhoudelijke afbakening van de uitvoeringsregeling. Het OP EFRO voor Noord-Nederland kent vier (inhoudelijke) specifieke doelstellingen: A t/m D. Deze uitvoeringsregeling is gericht op specifieke doelstelling B ‘Betere kennispositie van het mkb door samen met andere bedrijven en/of kennisinstellingen kennis aan te boren, te genereren en naar binnen te halen binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen’.

Het project dient aan te sluiten bij de algehele strategie van het OP EFRO, omschreven in sectie 1.1, te passen binnen, en bij te dragen aan specifieke doelstelling B, zoals beschreven in sectie 2.A.5 en onder prioritaire as 1 van het OP EFRO en aan te sluiten bij de voor specifieke doelstelling B beschreven maatregelen in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO.

Binnen deze uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018 kunnen twee typen projecten gesubsidieerd worden; voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten. In lid 3 is elk type project nader gedefinieerd.

 

Bij voorwaardenscheppende projecten gaat het om het verbeteren van bestaande netwerken of netwerkstructuren waarin mkb’ers participeren. Deze netwerken dienen toe te zien op het versterken van de innovatie-infrastructuur van het mkb en zijn bovendien laagdrempelig en waar mogelijk sector-overschrijdend. De projectactiviteiten dienen als doel te hebben het aanzetten tot en faciliteren van het mkb in het opzetten van op kennisontwikkeling en innovatie gerichte samenwerkingsprojecten.

Wanneer het gaat om verbeteringen in bestaande netwerken, dan gaat het om verbeteringen die ervoor zorgen dat dergelijke netwerken zich meer gaan focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties. Verbeteringen kunnen bijvoorbeeld zitten in het toevoegen van specifieke competenties (zoals, creativiteit, innovativiteit en het combineren van kennisgebieden), het anders benutten van netwerken en het onderling verbinden van netwerken over sectorgrenzen heen.

In bijzonderegevallen kan ook het ontwikkelen van nieuwe netwerken worden ondersteund: daar waar netwerken aantoonbaar ontbreken en noodzakelijk zijn om de innovatie-infrastructuur van het mkb te versterken. Net als bij bestaande netwerken geldt bij nieuwe netwerken dat deze laagdrempelig dienen te zijn en mogelijk sector-overschrijdend zijn (cross-overs). De complementariteit van het nieuwe netwerk ten opzichte van bestaande netwerk en de vraagbehoefte zal bij subsidieaanvragen voor nieuwe netwerken uiteraard zeer goed onderbouwd moeten worden.

In algemene zin geldt dat projecten die voor subsidie in aanmerking komen binnen de categorie ‘voorwaardenscheppend project’, een antwoord geven op de vraag: hoe komen we van netwerken naar op kennisontwikkeling, kennisdeling en innovatie gerichte samenwerkingsprojecten? Hoe zorgen we ervoor dat voor meer en meer mkb-bedrijven innovatie een integraal en strategisch onderdeel van de bedrijfsvoering gaat worden? In de terminologie van het OP EFRO betekent dit dat meer volgers toepassers worden en meer toepassers ontwikkelaars en koplopers worden. Kortom, meer en meer mkb-ondernemingen nemen ‘innoveren’ op in hun ‘DNA’.

Goede projecten onderscheiden zich onder meer in de integrale aanpak die wordt gevolgd, met betrokkenheid van relevante partijen, en de bijdrage die wordt geleverd aan het dynamischer maken van het Noord-Nederlandse innovatie-ecosysteem.

Het financieren van (de exploitatie van) netwerkorganisaties valt nadrukkelijk niet binnen de reikwijdte van de uitvoeringsregeling.

 

Bij kennisontwikkelingsprojecten wordt gedoeld op projecten waarbij kennisontwikkeling centraal staat en die zich in de kern nog wat verder van de markt vandaan bevinden; in het stadium voorafgaand aan valorisatie en demonstratie (TRL 3-4). Het gaat om onderzoeksprojecten of andersoortige projecten waarin kennisontwikkeling centraal staat. Binnen het project dienen minimaal twee partijen met elkaar samen te werken, waaronder minimaal één mkb-onderneming. In de praktijk zal het kunnen gaan om ‘2-dimensionale’ projecten of om projecten waarbij de resultaten door een groter aantal partijen gebruikt zullen kunnen gaan worden.

Het project dient een sterk onderscheidend karakter en een perspectief op innovatie te hebben, dat bijdraagt aan het oplossen van minimaal één van de maatschappelijke uitdagingen. Het onderscheidende element kan zitten in het onderzoek zelf, bijvoorbeeld de bijzondere maatschappelijke betekenis die de resultaten kunnen hebben. Het onderscheidende element kan ook zitten in de samenwerking ‘an sich’: de partijen die samenwerken – als het bijvoorbeeld gaat om kleine mkb’ers die tot nu toe nauwelijks bereikt worden. Innovatie kan komen van de nieuwkomer die dingen helemaal anders aanpakt. Die met een andere kijk op de zaak zorgt voor nieuwe inzichten en werkwijzen.

Zie ook artikel 8 en de toelichting daarop, waarin is uitgelegd welke criteria een project tot een goede kandidaat maken voor een ‘kennisontwikkelingsproject’ binnen de uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018.

Tot slot wordt onderaan artikel 2 genoemd dat een project dient te passen binnen de geldende staatssteunregels. Dat betekent dat steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. Hierbij valt te denken aan artikel 25, 27, 28 en/of 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder de de-minimisverordening. Daarbij is van belang om te vermelden dat een project volledig onder een van de categorieën in deze verordeningen dient te vallen, of in delen, waarbij ieder deel onder een van de categorieën dient te vallen.

Daarnaast dienen projectresultaten van het project ten goede te komen aan Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd.

Artikel 3 Hoogte en doelgroep van de subsidie

Ten aanzien van lid 1: de Uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018 is primair gericht op samenwerkende mkb-bedrijven en kennisinstellingen. Ook andere partijen die deel uitmaken van het noordelijke innovatie ecosysteem, zoals netwerkorganisaties, worden uitgenodigd te participeren, in het bijzonder in die projecten waar deelname logisch volgt uit hun rol in het innovatie-ecosysteem (zie ook hoofdstuk C.2. van het spoorboekje). Een aanvrager kan geen natuurlijk persoon zijn.

Indien samenwerkende partijen subsidie aanvragen wordt de subsidie aan de individuele rechtspersonen verstrekt. Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt van 40%. Op basis van lid 4 volgt vervolgens dat de minimale subsidie € 100.000,- bedraagt. Er geldt geen maximum. Uiteraard zal in de beoordeling worden meegenomen of projectkosten in verhouding staan tot de uit te voeren activiteiten en het beoogde resultaat (‘value for money’).

Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, bijvoorbeeld bij experimentele ontwikkeling zonder samenwerking, dat geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.

Artikel 5 Afwijzen van een subsidieaanvraag

Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder dan 70 punten behalen worden afgewezen.

Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan.

De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de aanvraag en drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.

Ook moet een project minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien hiervan sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1 punt).

Ook geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of een onderneming die in moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen. In één van de verplichte bijlagen bij het aanvraagformulier worden vragen gesteld aan elke aanvrager om vast te stellen dat er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden.

Tot slot kan de aanvraag worden afgewezen indien relevante outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een (overtuigende) onderbouwing.

Artikel 6 Subsidiabele kosten

Dit artikel verwijst in lid 1 naar bepalingen die in de Verordening 1303/2013 en bijbehorende documenten alsmede in de REES zijn gesteld en die gelden ten aanzien van de subsidiabiliteit van kosten. Lid 2 maakt een verwijzing naar de Algemene Groepsvrijstellingsverordening die hierover mogelijk aanvullende eisen stelt.

Het is van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te geven of sprake is van staatssteun, onder welke steuncategorie(ën) het project valt en of ook aan de bijbehorende bepalingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening is voldaan.

Zoals reeds in artikel 2 is aangestipt kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. In de eerste twee gevallen is subsidieverlening toegestaan. Om staatssteun geoorloofd te laten zijn dienen de projectactiviteiten binnen een vrijstellingskader te vallen. Voor de uitvoeringsregeling Kennisontwikkeling 2018 geldt dat projecten niet verplicht worden om binnen een specifiek staatssteunkader te vallen, men kan gebruik maken van alle mogelijkheden die er zijn. Hierdoor is het type kosten dat subsidiabel gesteld kan worden, sterk afhankelijk van het door elk project gekozen vrijstellingskader (waarbij dus ook sprake is van de optie geen staatssteun).

Op grond van de REES zijn de volgende kosten in geen enkel geval subsidiabel:

  • a.

    administratieve en financiële sancties en boetes;

  • b.

    winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;

  • c.

    fooien en geschenken;

  • d.

    representatiekosten- en vergoedingen;

  • e.

    kosten van personeelsactiviteiten;

  • f.

    kosten van overboekingen en annuleringen;

  • g.

    gratificaties en bonussen;

  • h.

    kosten van outplacementtraject.

Artikel 7 Projectperiode en kosten

In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het moment waarop de beschikking wordt afgegeven is afhankelijk van het moment waarop de aanvraag wordt ingediend en beoordeeld kan worden door de Deskundigencommissie. Het exacte moment waarop dit gebeurt is vooraf lastig aan te geven. Neem contact op met het SNN indien u hierover meer informatie wenst.

Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.

Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van de subsidieaanvraag bij het SNN en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project. Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling.

Artikel 8 Beoordelingscriteria

Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.

  • a.

    Bijdrage aan de doelstellingen van het OP

  • b.

    Mate van innovativiteit

  • c.

    Kwaliteit van de business case

  • d.

    Kwaliteit van de aanvraag

  • e.

    Duurzame ontwikkeling

Omdat er twee typen projecten binnen deze call Kennisontwikkeling 2018 mogelijk zijn – voorwaardenscheppend project en kennisontwikkelingsproject – zijn criteria a t/m c verbijzonderd naar deze twee typen. Criteria d en e zijn hetzelfde voor beide typen projecten.

Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een gedegen kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde zaken. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de beoordelingscriteria. Een complete en gedegen onderbouwing borgt dat de deskundigencommissie zich een goed oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de beoordelingscriteria. Op basis van alle informatie die de aanvrager per criterium geeft, vormt de deskundigencommissie vervolgens één kwalitatief oordeel per criterium.

 

a.Bijdrage aan de doelstellingen van het OP

Binnen dit criterium wordt beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan specifieke doelstelling B van het OP EFRO. De beoordeling op dit punt wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de kwalitatieve onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Er wordt bezien in welke mate de activiteiten corresponderen met de actie waar deze uitvoeringsregeling op gericht is. Bij de beoordeling wordt gekeken hoe het mkb van dit project profijt heeft en dat het belang van het mkb hierin centraal staat. Binnen het projectconsortium is ruimte voor partijen van buiten Noord-Nederland, indien deze partijen over unieke expertise en kennis beschikken die niet in Noord-Nederland te vinden is.

Daarnaast wordt binnen criterium a getoetst in hoeverre er sprake is van een van de typen projecten die deze uitvoeringsregeling beoogt te bewerkstelligen: een voorwaardenscheppend project of een kennisontwikkelingsproject.

Ten aanzien van voorwaardenscheppende projecten geldt bij criterium a dat projecten zich kunnen onderscheiden bijvoorbeeld door de mate waarin netwerken zich focussen op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling en het doorvoeren van innovaties. Dit is sterk gekoppeld aan de activiteiten die de netwerken uit gaan voeren. Als een netwerk laagdrempelig is voor het mkb zal dit ook een positieve invloed hebben op de puntenscore. Tevens kan het onderscheidend karakter van het project bijvoorbeeld blijken uit de mate waarin een integrale en/of cross-sectorale aanpak wordt gevolgd, met betrokkenheid van relevante partijen. Zijn alle relevante partijen aangehaakt bij het netwerk met een zo goed mogelijk bereik en resultaat tot gevolg? En hoe significant zijn de verbeteringen die worden aangebracht in netwerken en netwerkstructuren?

Wat betreft kennisontwikkelingsprojecten geldt bij criterium a dat projecten zich kunnen onderscheiden door de maatschappelijke betekenis die de projectresultaten kunnen hebben. Daarbij wordt ook bezien hoe breed c.q. divers de te ontwikkelen kennis kan worden toegepast. Tevens wordt gekeken naar de fase(n) van de innovatieketen waarop het project zich richt. Is dat primair TRL-level 3 en 4? Als het project zich op latere fasen richt zal het immers betrekking hebben op valorisatie en zijn andere subsidieregelingen mogelijk interessant. Als binnen het project sprake is van een cross-over tussen bedrijven uit diverse sectoren zal dit ook een positieve invloed hebben op de puntenscore. Dat zelfde geldt in het geval er sprake is van nieuwe c.q. vernieuwende vormen van samenwerking binnen het project.

Naast artikel 8 wordt ook in artikel 2 en de toelichting daarop ingegaan op de aansluiting bij het OP EFRO en is uitgebreide informatie opgenomen over de beoogde typen projecten; voorwaardenscheppend en kennisontwikkeling.

 

b.Mate van innovativiteit

Voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten worden elk op eigen wijze beoordeeld op het criterium innovativiteit. Het onderscheidende karakter van projecten op het criterium innovativiteit kan tot uiting komen in aantal elementen. In artikel 8 van deze uitvoeringsregeling wordt als leidraad een aantal elementen opgegeven waaraan projecten dienen te denken, bij het opstellen van hun motivering in het projectplan.

Doel is dat een voorwaardenscheppend project een ‘aanjaagfunctie’ heeft. De resultaten van de aanjaagfunctie bepalen de innovativiteit en daarmee onderscheidendheid van het project. Resultaten komen onder meer tot uiting in het type (valorisatie)projecten dat naar verwachting volgt uit de inspanningen van het netwerk. Dit is tevens een indicator voor het innovatieve gehalte van een voorwaardenscheppend project. Een voorwaardenscheppend project is onderscheidend op het criterium innovativiteit als zij een grote en relevante aanvulling is op het bestaande innovatie-ecosysteem. Wat voegt het project toe aan het innovatie-ecosysteem en hoe zorgt het ervoor dat het Noord-Nederlandse innovatiesysteem dynamischer wordt? Uiteraard dient men in het geval van een bestaand netwerk ook overtuigend uiteen te zetten dat wat men binnen het project gaat doen, nieuw is ten opzichte van wat het netwerk voorheen al deed.

Een kennisontwikkelingsproject is onderscheidend op het criterium innovativiteit als de kennis die het project oplevert, in hoge mate innovatief is. Hoe nieuw (voor Nederland/Europa/wereld) is de kennis die binnen het project wordt ontwikkeld? Hoe verhoudt het project zich tot bestaande kennis binnen het van toepassing zijnde thema? Ook dient ten aanzien van innovativiteit aandacht geschonken te worden aan het consortium. De mate waarin en wijze waarop de partners kennis inbrengen in het project, kennis uitwisselen met de andere partners en zodoende ieder hun kennisniveau omhoog brengen, kan ook onderscheidend zijn. In de beoordeling wordt tevens gekeken of alle relevante partijen (kennispartners) zijn aangehaakt en of zodoende optimaal gebruik wordt gemaakt van de kennis die er al is bij partijen.

 

c.Kwaliteit van de business case

Bij dit criterium gaat het enerzijds om de haalbaarheid van de uitvoering van de projectactiviteiten binnen de projectperiode en anderzijds om de perspectieven op de langere termijn. In artikel 8 wordt als leidraad een aantal elementen opgegeven waaraan projecten dienen te denken, bij het opstellen van hun motivering in het projectplan.

Bij een voorwaardenscheppend project wordt ten aanzien van de businesscase gekeken naar het aantal concrete innovatietrajecten door samenwerkend mkb dat naar verwachting van de aanvrager(s) zal ontstaan uit het voorwaardenscheppend project. Daarbij is niet alleen het verwachte aantal trajecten van belang, maar ook (economische) impact die per traject wordt verwacht. Wanneer deze verwachte output in goede verhouding staat tot het gevraagde subsidiebedrag zal dit ook leiden tot een positieve impact op de puntenscore. Het is ook van belang om in de aanvraag duidelijk te beschrijven hoe de beoogde resultaten daadwerkelijk behaald kunnen worden en hoe de follow-up eruit zal gaan zien.

Bij een voorwaardenscheppend project dient inzichtelijk gemaakt te worden of er nog risico’s spelen bij de uitvoering van het project en hoe haalbaar de realisatie daarmee is. Daarin speelt ook mee of de organisatie (of genoemde personen) de competenties in huis heeft om het project tot een succes te maken en of men bij haar kerncompetentie blijft. Dit zou bijvoorbeeld onderbouwd kunnen worden door referenties of CV’s bij de subsidieaanvraag te voegen. In de onderbouwing van de businesscase is het ook cruciaal om in te gaan op de vraagbehoefte. Is het project vraaggestuurd? Hoe wordt geborgd dat er voldoende vraag is onder de doelgroep (primair mkb) naar dit project, zowel op de korte als langere termijn? Hoe gaat u het beoogde bereik realiseren? Ook dient beschreven te worden waarom en in welke mate de aanvrager bereid is om een eigen bijdrage in het project te stoppen gekoppeld aan de risico’s en perspectieven. In het geval van bestaande netwerken dient inzichtelijk gemaakt te worden waar de eigen bijdrage van de projectpartners uit bestaat en dient uitgesloten te worden dat er een dubbeling plaatsvindt met andere (publieke) financieringsstromen. Kennisontwikkeling 2018 beoogt voorwaardenscheppende projecten, waarbij netwerken na afloop van het subsidieproject in grote mate zelfstandig staan en een duurzame voortzetting van het verbeterde c.q. opgebouwde netwerk kan plaatsvinden. Daartoe dient in de businesscase inzicht gegeven te worden in hoe (op termijn) de exploitatie van het netwerk na de subsidieperiode eruit zal zien en geborgd wordt.

Net als bij voorwaardenscheppende projecten dient men bij kennisontwikkelingsprojecten inzichtelijk te maken of er risico’s spelen bij de uitvoering van het project en waarom en in welke mate de aanvrager bereid is een eigen bijdrage in het project te stoppen. Ook hier speelt mee of de organisatie (of genoemde personen) de competenties in huis heeft om het project tot een succes te maken en of men bij haar kerncompetentie blijft.

Bij een kennisontwikkelingsproject is vermarkting van de opgedane kennis (in de vorm van een daaruit voortkomend product/dienst) nog iets dat op enige afstand staat van de projectactiviteiten. Toch is het zeer relevant om hier alvast een doorkijk in te geven. Hoe groot is het perspectief op concrete vermarkting (op termijn) van de kennis die binnen het project wordt ontwikkeld? Welke verwachtingen en rol heeft iedere partner hierbij? En hoe ziet de follow-up van het project eruit na afloop van de subsidieperiode? Daarbij dient de koppeling gemaakt te worden met het voorziene opvolgende valorisatietraject(en). Hoeveel nieuwe producten/diensten verwacht men te ontwikkelen met de kennis die is opgedaan vanuit het project en wat is de verwachte omzet per traject? En middels welke activiteiten wil men dat gaan bereiken? Bekeken zal worden in welke verhouding deze verwachte output staat tot het gevraagde subsidiebedrag. Belangrijk is ook hier dat duidelijk wordt beschreven hoe de beoogde resultaten daadwerkelijk behaald kunnen worden.

 

d.Kwaliteit aanvraag

Op dit criterium kunnen geen punten worden gescoord. Uiteraard is helderheid en eenduidigheid van de projectaanvraag van belang.

 

e.Duurzaamheid

Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie aspecten zij willen uitwerken. Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij van mening zijn dat ze op alle drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar dat is niet verplicht, niet elk element is voor elk project even relevant. Ook een onderscheidende bijdrage op een van de aspecten kan leiden tot een maximale score op het duurzaamheidscriterium. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de aard en omvang van de projectactiviteiten en van de aanvragers.

Om aanvragers te helpen bij het bepalen van hun bijdrage is in artikel 8 lid d een overzicht opgenomen met elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid.

De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in twee stappen.

In stap 1 worden projecten uitgenodigd om hun onderscheidende bijdrage aan duurzaamheid voor het voetlicht te brengen en zo een hogere score op het criterium duurzaamheid te realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van ‘people, planet en profit’. Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid meer is dan alleen milieu. Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische aspecten. Duurzame innovaties zijn vooral ook sociale innovaties. Aanvragers dienen per duurzaamheidsaspect aan te geven in hoeverre ze binnen hun mogelijkheden verandering gaan aanbrengen middels de uitvoering van het project. De vraag die hier speelt is: benut je binnen je mogelijkheden volledig je potentieel? Aanvragers worden aangemoedigd om een (innovatieve) beweging naar een circulaire economie te maken en van meet af aan in te steken op een houdbaar, circulair businessmodel.

In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve economie in Noord-Nederland. De bijdrage aan duurzaamheid komt bij projecten binnen de Kennisontwikkeling 2018 vooral voort uit de valorisatietrajecten die ontstaan uit de voorwaardenscheppende projecten en kennisontwikkelingsprojecten. Maar daarnaast zal voor zover dat mogelijk is ook gekeken worden naar de directe effecten die het netwerk of kennisontwikkelingsproject heeft, denk bijvoorbeeld aan de bijdrage aan regionale bewustwording over de noodzaak van en het streven naar een circulaire en inclusieve economie.

Ten aanzien van circulaire economie kunnen aanvragers kennis nemen van uitgangspunten die de Sociaal Economische Raad (SER) heeft ten aanzien van circulaire economie, zoals ze zijn opgenomen in het adviesrapport ‘Werken aan een circulaire economie; geen tijd te verliezen’ van juni 2016.

De SER ziet een circulaire economie als een economie die binnen ecologische rand- voorwaarden efficiënt en maatschappelijk verantwoord omgaat met producten, materialen en hulpbronnen, zodat ook toekomstige generaties toegang tot materiële welvaart behouden.

Aan deze kernachtige omschrijving voegt de raad de volgende overwegingen toe. Een circulaire economie:

■ is geen doel op zich, maar een middel om de toegang tot materiële welvaart van toekomstige generaties te borgen; voor burgers is ‘kwaliteit van leven’ het centrale begrip;

■ past binnen ecologische randvoorwaarden en overschrijdt niet de draagkracht van planeet aarde, ook niet bij een groei van de wereldbevolking;

■ gaat efficiënt om met producten, materialen en hulpbronnen, bezien vanuit een technisch en energetisch optimum en met productontwerp als startpunt;

■ gaat maatschappelijk verantwoord met producten, materialen en hulpbronnen om, waarbij hun waarde in economie en maatschappij zo lang mogelijk wordt behouden;

■ voorkomt afwenteling naar andere maatschappelijke sectoren. Zo worden toxische stoffen uit reststromen verwijderd alvorens deze reststromen weer in de kringloop op te nemen.

 

De tweede stap in de beoordeling op duurzaamheid is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet aan de basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied van milieu, non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit Europese en nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat betekent dat een project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het milieu, dus geen schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project voldoen aan het bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden.

Artikel 9 Penvoerderschap en administratie

Het is noodzakelijk dat in een project waarin meerdere organisaties samenwerken, zoals aangegeven in lid 3, een samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te leggen termijn na beschikken van het project geschieden. De partijen ontvangen dan een beschikking onder ontbindende voorwaarde. Wanneer de samenwerkingsovereenkomst niet is ontvangen binnen de te stellen termijn, vervalt de beschikking, en daarmee het recht op subsidie. Aangezien projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten.

In de samenwerkingsovereenkomst dienen ook afspraken te worden vastgelegd omtrent betalingen. Zoals in lid 2 is aangegeven, verricht het SNN betalingen enkel aan de penvoerder. De penvoerder is zelf verantwoordelijk voor de doorbetaling aan de projectpartners.

Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren. Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de voortgangsrapportages te worden gerapporteerd.

Artikel 10 Rapportage en bevoorschotting

Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden wordt in de verleningsbeschikking vastgelegd.

Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld op de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie. Dit betekent dat er sprake is van zogenoemde ‘voorfinanciering’ door de projectpartners.

Leden 2 en 4 geven vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien financiering niet beschikbaar is of de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen.

Artikel 11 Realisatie van indicatoren

Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van de bewijsvoering die per outputindicator gelden.

Artikel 12 Vaststelling subsidie

Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt.

Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen een rapport van bevindingen. De kosten van een rapport van bevindingen zijn voor rekening van het project.

 

Bijlage I I Outputindicatoren Uitvoeringsregeling OP EFRO Kennisontwikkeling 201 8

 

 

 

 

Code

Naam

Definitie & toelichting

Bijzonderheden

CO01

Aantal ondernemingen dat steun ontvangt

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of de steun staatssteun is of niet.

Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding, matching etc.). Ondersteunde ondernemingen mogen maar één keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de indicatoren CO02 en CO04.)

 

CO02

Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt

Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het Operationeel Programma.

Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden terugbetaald.

CO02 is een 'subset' van CO01

CO04

Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm heeft dan een directe financiële overdracht.

Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij indicator CO01.

CO04 is een 'subset' van CO01

CO06

De private bijdrage in de totale kosten van subsidieprojecten

De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.

CO06 is gekoppeld aan CO02

CO26

Aantal ondernemingen dat samenwerkt met onderzoeksinstellingen

Het aantal ondernemingen dat samenwerkt met onderzoeksinstellingen bij het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.

Er is sprake van samenwerking als minimaal één onderneming en minimaal één onderzoeksinstelling voor de duur van de projectperiode of langer, gezamenlijk optrekken. De steun die vanuit het Operationeel Programma wordt ontvangen mag bij één of meerdere van de samenwerkende partijen terechtkomen. Het mag gaan om de voortzetting van een bestaande samenwerking. De steun dient in alle gevallen echter noodzakelijk te zijn om de samenwerking te laten plaatsvinden of voortduren. Voor zover beide partijen geen medebegunstigden zijn, en de samenwerking dus niet in de beschikking formeel is vastgelegd, zal een samenwerkingsovereenkomst moeten worden overgelegd.

 

CO29

Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren van producten die nieuw zijn voor de onderneming

Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de onderneming. Om op deze indicator te scoren is het niet noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze onderneming mee in de indicator. Wanneer een onderneming meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld als één onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten meet de indicator alle deelnemende ondernemingen waarvoor het product nieuw is.

Een product is ‘nieuw voor de onderneming’ wanneer de onderneming geen product produceert met dezelfde functionaliteiten, of wanneer de productietechnologie fundamenteel verschilt van de technologie van al bestaande geproduceerde producten. Producten kunnen tastbaar of niet tastbaar zijn (incl. diensten).

 

PS02

Aantal kennisuitwisselingstrajecten tussen mkb-ondernemingen en

onderzoeksinstellingen

Het aantal trajecten dat is gericht op kennisuitwisseling tussen mkb-bedrijven en onderzoeksinstellingen.

Ten minste één mkb bedrijf en één onderzoeksinstelling participeren in het traject. Doel van het traject is het kennisniveau en het innoverend vermogen van het mkb-bedrijf te vergroten.

Verschil met indicator C026 is dat PS2 geen innovatietrajecten omvat (daadwerkelijke innovaties), maar de fase van kennisoverdracht die daaraan vooraf gaat. PS2 is gekoppeld aan specifieke doelstelling B (CO26 aan SD B, C en D).

Mkb-bedrijf: onderneming met minder dan 250 werknemers in dienst, met een omzet minder dan € 40 miljoen of waarvan de jaarbalans minder dan € 27 miljoen bedraagt.

Onderzoeksinstelling:

Een onderzoeksinstelling is een organisatie waarbij het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten een primaire activiteit vormt.