Beleid Rampbestrijdings- en Incidentbestrijdingsplannen

 

1 Inleiding

Het Beleid Rampbestrijdings- en Incidentbestrijdingsplannen beschrijft de totstandkoming, vaststelling en implementatie van planvorming.

2 Wettelijke grondslag

De Wet veiligheidsregio’s beschrijft in artikel 17 de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio voor het opstellen, implementeren en beheren van rampbestrijdingsplannen.

Het Besluit veiligheidsregio’s stelt het maken van rampbestrijdingsplannen verplicht voor bedrijven (hogedrempelinrichtingen) als bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.

Incidentbestrijdingsplannen kennen geen wettelijke grondslag.

Om het verschil in wettelijke grondslag te benadrukken worden de wettelijk verplichte plannen rambestrijdingsplannen genoemd en overige plannen incidentbestrijdingsplannen.

3 Uitgangspunten

Uitgangspunt van de Wet veiligheidsregio’s is het terugdringen van planfixatie. Planvorming is geen doel op zich maar gericht op de voorbereiding op adequaat optreden bij rampen en crises.

Het Regionaal Crisisplan Utrecht 2014-2017 is leidend voor de voorbereiding op rampen en crises in het verzorgingsgebied.

In specifieke plannen (rampbestrijdingsplannen en incidentbestrijdingsplannen) wordt alleen aanvullende informatie opgenomen.

Er worden alleen specifieke plannen voorbereid indien die wettelijk verplicht zijn (rampbestrijdingsplannen) óf indien het risico en te treffen maatregelen zo afwijkend zijn dat een specifieke voorbereiding nodig is (incidentbestrijdingsplannen).

De omvang van deze specifieke plannen wordt zoveel mogelijk beperkt en de opzet zoveel mogelijk gelijkvormig. De praktische bruikbaarheid is hierbij leidend.

Planvorming wordt opgesteld ten aanzien van risico’s/scenario’s in plaats van objecten, alleen bij uitzondering wordt een object specifiek plan gemaakt.

Rampbestrijdingsplannen worden beoefend conform wettelijke verplichting (Besluit veiligheidsregio’s, artikel 6.1.7).

De beoefening van incidentbestrijdingsplannen is opgenomen in het implementatieadvies van het plan.

Rampbestrijdingsplannen worden iedere drie jaar herzien, incidentbestrijdingsplannen iedere vier jaar.

In het jaarverslag van de VRU wordt ieder jaar gerapporteerd over de vastgestelde plannen.

4 Criteria

Voor wat betreft de criteria op basis waarvan wordt afgewogen óf en welk soort plan zal worden opgesteld, is een afwegingskader opgesteld (zie bijlage). Om te bepalen of een incidentbestrijdingsplan noodzakelijk is, worden de volgende criteria gehanteerd:

Het risico kan worden afgeleid uit het Regionaal Risicoprofiel 2015.

De voorbereiding op dit risico is zo specifiek dat dit niet (voldoende) kan worden afgedekt door de generieke voorbereiding op basis van het Regionaal Crisisplan Utrecht 2014-2017.

Er zijn specifieke afwijkingen of aanvullingen van belang voor bijvoorbeeld alarmering, beeldvorming en/of incidentbestrijding.

5 Opstellen van plannen

De VRU, directie Crisisbeheersing & GHOR coördineert het opstellen van rampbestrijdings- en incidentbestrijdingsplannen, bewaakt het proces en het kwaliteitsniveau. Het ziet erop toe dat betrokken hulpdiensten, gemeenten en relevante (netwerk)organisaties daarbij vroegtijdig worden betrokken en hun inbreng hebben. De directie Crisisbeheersing & GHOR draagt tevens zorg voor de implementatie van de plannen, inclusief het beoefenen daarvan.

6 Vaststelling, consultatie en bekendmaking

Rampbestrijdingsplannen

Het dagelijks bestuur stelt het rampbestrijdingsplan vast. Vóór vaststelling wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd (afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing). De burgemeester van de betrokken gemeente wordt in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven.

Dit resulteert in de volgende procedure:

  • 1.

    De algemeen directeur legt het voorlopig ontwerpplan voor aan de betrokken burgemeester en nodigt deze uit hierop een zienswijze te geven.

  • 2.

    Na verwerking van de zienswijze van de burgemeester stelt de algemeen directeur het definitieve ontwerpplan vast.

  • 3.

    De algemeen directeur legt het ontwerpplan ter inzage (gedurende 6 weken).

  • 4.

    De burgemeester wordt geïnformeerd over reacties op de terinzagelegging die leiden tot wijzigingen in het plan.

  • 5.

    Na verwerking van eventuele reacties uit de terinzagelegging legt de algemeen directeur het definitieve rampbestrijdingsplan ter vaststelling voor aan het dagelijks bestuur.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur stelt het rampenbestrijdingsplan vast en gelijktijdig de intrekking van corresponderende verouderde plannen.

  • 7.

    De algemeen directeur draagt zorg dat het vastgestelde plan bekend is bij de betrokken organisaties, de gemeente en de inrichting waarop het plan betrekking heeft.

Incidentbestrijdingsplannen

Vaststelling van incidentbestrijdingsplannen vindt plaats door de algemeen directeur VRU (op grond van het mandaat van het algemeen bestuur d.d. 2 april 2014).

1. a. Risicogerichte (generieke) incidentbestrijdingsplannen: vóór vaststelling vindt ambtelijke consultatie plaats via ambtenaren crisisbeheersing van betreffende gemeenten en/of bespreking in het georganiseerde overleg met de ambtenaren crisisbeheersing. De ambtenaren crisisbeheersing hebben bij de ambtelijke consultatie de mogelijkheid het conceptplan voor te leggen aan de burgemeester.

  • b.

    Objectgerichte incidentbestrijdingsplannen: vóór vaststelling vindt ambtelijke consultatie plaats via ambtenaar crisisbeheersing van betreffende gemeente. Na deze ambtelijke consultatie legt de algemeen directeur het door hem vastgestelde conceptplan ter consultatie voor aan de betrokken burgemeester.

    • 2.

      In het besluit tot vaststelling van het incidentbestrijdingsplan wordt aangegeven welke plannen worden ingetrokken.

    • 3.

      De algemeen directeur draagt zorg dat het vastgestelde plan bekend is bij de betrokken organisaties, de gemeente(n) en de inrichting waarop het plan betrekking heeft.

       

Addendum op het Beleid Rampbestrijdings- en Incidentbestrijdingsplannen (d.d. 28-11-2016)

Werkafspraken als verwerking van zienswijzen van gemeenten niet leiden tot gewenste wijzigingen in een ontwerpplan

  • 1.

    Indien de verwerking van de zienswijze van een gemeente niet leidt tot gewenste wijzigingen in het ontwerpplan RBP of IBP, is er de mogelijkheid de zienswijze en de verwerking van de zienswijze in gezamenlijkheid in meer detail te bespreken en verder toe te lichten.

  • 2.

    Indien voorgaande (genoemd onder 1) in relatie tot een RBP niet leidt tot overeenstemming, wordt het verschil van inzicht opgenomen in de toelichting bij het gevraagde besluit tot vaststelling door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur maakt de afweging tot vaststelling van het ontwerpplan alsmede aanpassing van het plan n.a.v. de zienswijze van de gemeente.

  • 3.

    Indien voorgaande (genoemd onder 1) in relatie tot een IBP niet leidt tot overeenstemming, maakt de algemeen directeur geen gebruik van het mandaat het IBP vast te stellen en legt de vaststelling van het IBP voor aan het dagelijks bestuur. In de toelichting bij het gevraagde besluit wordt het verschil van inzicht toegelicht. Het dagelijks bestuur maakt de afweging tot vaststelling van het ontwerpplan alsmede aanpassing van het plan n.a.v. de zienswijze van de gemeente.

Aldus vastgesteld door de secretaris van het algemeen bestuur VRU op 15 februari 2017.

Naar boven