Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017 Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noordwest Fryslân

Hoofdstuk 1: Inleiding en leeswijzer

 

In deze beleidsregels staat uiteengezet hoe de gemeenschappelijke regeling (hierna: GR) nadere invulling en uitwerking geeft aan de regels uit de verordening “Maatschappelijke ondersteuning 2016”. Dit is noodzakelijk omdat de bepalingen uit deze verordening op zichzelf onvoldoende duidelijk maken met welke stappen en welke afwegingen de burger een toekennende of een afwijzende beschikking krijgt op zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening uit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Deze beleidsregels zijn in samenspraak met de gebiedsteams, cliënten en backoffice geformuleerd. Met de volgende opbouw zetten de beleidsregels uit-een met welke stappen en met welke afwegingen de beschikkingsverlening plaatsvindt:

  • Hoofdstuk 2: melding, onderzoek en aanvraag: in dit hoofdstuk staat vastgelegd hoe de procedure is vormgegeven om in formele zin een maatwerkvoorziening aan te vragen. Hierbij gaat in het bijzonder aandacht uit naar de melding, het gesprek met de burger, het (voor)onderzoek, verslaglegging en de aanvraag tot een maatwerkvoorziening.

  • Hoofdstuk 3: afwegingskader voor een maatwerkvoorziening: dit hoofdstuk zet uiteen hoe de aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt beoordeeld en welke belangenafwegingen daarbij worden gemaakt. Hierbij gaat in het bijzonder aandacht uit naar de eigen mogelijkheden of die van het netwerk evenals de voorliggende voorzieningen en wetgeving waar eerst een beroep op gedaan zou moeten worden.

  • Hoofdstuk 4: resultaatsvelden: dit hoofdstuk beschrijft voor welke doeleinden (resultaatsvelden) een voorziening verstrekt kan worden.

  • Hoofdstuk 5: vormen van verstrekking: in dit hoofdstuk komt naar voren op welke wijzen een maat-werkvoorziening verstrekt kan worden.

  • Hoofdstuk 6: de beschikking: na het doorlopen van de procedure moet de aanvrager een beschikking ontvangen waarin het besluit staat om wel of geen maatwerkvoorziening toe te kennen. Dit hoofdstuk zet uiteen aan welke eisen de beschikking moet voldoen.

 

Juridisch belang en grondslag van de beleidsregels

Deze beleidsregels ontlenen hun grondslag aan de verordening “Maatschappelijke ondersteuning 2016” en art. 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens dit artikel kan de Dienst als bestuursorgaan beleidsregels vaststellen over hoe zij bevoegdheden gaat uitoefenen. Beleidsregels worden gebruikt om uit te leggen hoe het bestuursorgaan de belangen gaat afwegen en de feiten vaststelt. Het doel van een beleidsregel is om een vaste en consistente gedragslijn voor te schrijven. Dit moet ervoor zorgen dat burgers gelijkwaardig behandeld worden en er geen willekeur plaatsvindt.

 

Bij het toekennen of afwijzen van de aanvraag tot een maatwerkvoorziening spelen beleidsregels een belang-rijke rol. In beginsel is de Dienst gehouden om de beleidsregels te volgen. Bij een juridisch geschil gaat de rech-ter eerst en vooral na of verordening en de beleidsregels (goed) zijn nageleefd. Alleen bij bijzondere omstan-digheden is het mogelijk om af te wijken van de beleidsregels (art. 4:84 Awb). De verwachting is echter dat dit niet vaak zal voorkomen omdat de beleidsregels veel ruimte bieden aan de uitvoeringspraktijk. Het juridisch belang van de beleidsregels brengt ook met zich mee dat in de beschikking verwezen kan worden naar de be-leidsregels (art. 4:82 Awb). De beleidsregels geven dus houvast aan zowel de burger als de medewerkers die zijn betrokken bij de aanvraag voor een maatwerkvoorziening en de verstrekking ervan. Burgers kunnen in rechte zich beroepen op de beleidsregels.

 

Maatwerk voorop dankzij duidelijke kaders en procedure

Het bieden van maatwerk staat centraal in de Wet maatschappelijke ondersteuning. De vraag of een maat-werkvoorziening nodig is en welke voorziening dit zou moeten zijn, kan alleen beantwoord worden door de individuele omstandigheden in overweging te nemen. Het is aan de medewerkers van de gebiedsteams en de backoffice van de Dienst om (samen met de aanvrager) hier een oordeel over te vormen. Dit oordeel vormt een zwaarwegend advies voor wel al dan niet een maatwerkvoorziening toe te kennen. Een aantal onderwerpen zijn echter dusdanig technisch dat deze wel nadrukkelijk worden vastgelegd in deze beleidsregels, zoals een maximum aantal vergoedbare kilometers voor vervoer.

 

Vaak wordt verondersteld dat maatwerk afbreuk doet aan de rechtsgelijkheid: iedere procedure heeft immers een andere uitkomst. Met deze beleidsregels wordt de rechtsgelijkheid gewaarborgd. Er wordt veel nadruk gelegd op de procedure en hoe deze doorlopen moet worden. Door de ‘juiste procedure, juist te doorlopen’ moet het uiteindelijke besluit inhoudelijk ook juist zijn1. Deze beleidsregels regelen een aantal onderwerpen die tijdens de procedure behandeld moeten worden, maar schrijven niet voor wat de precieze uitkomsten zouden moeten zijn. Dit zal moeten blijken uit het onderzoek en de motivering bij het maken van een afweging. Hierbij zijn de individuele omstandigheden en deskundigheid van de medewerkers leidend. Elk gesprek en individu is anders en daarmee ook de uitkomst van het gesprek en de procedure. Wel is belangrijk dat bijvoorbeeld dezelfde vragen worden gesteld, tenzij dit duidelijk geen toegevoegde meerwaarde heeft. De procedureregels voorzien ook in dit laatste.

 

Motivering

Maatwerk vraagt om een deugdelijke motivering. Dit betekent dat duidelijk moet zijn wat de feiten zijn en waarom is gekozen om wel al dan niet toe te kennen. Een deugdelijke motivering vereist dat helder is dat er een vereiste deskundigheid is ingezet om een goede afweging te maken2. En dat de bevindingen uit het onderzoek juist geïnterpreteerd worden. Zo kan bijvoorbeeld ‘eigen kracht’ een andere betekenis hebben wanneer iemand een lichamelijke beperking heeft, dan wanneer er sprake is van een problematische thuissituatie. En dat afhankelijk daarvan ook een andere afweging wordt gemaakt van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Naast de eigen deskundigheid mag ook een richtlijn van andere overheidsinstanties en methoden gebruikt worden om een afwegingskader zoals ‘eigen kracht’ beter te doorlopen. Belangrijk is wel dat dezelfde redenering en motivering in een exact vergelijkbare situatie met dezelfde persoon ook gevolgd zou worden door andere medewerkers. De redenering moet dus in grote mate navolgbaar zijn. De motivering moet dus ten alle tijden te volgen en te begrijpen zijn. Daarnaast is nadrukkelijk ook ruimte voor het oordeel van de cliënt. Als een gebiedsteammedewerker samen met de cliënt tot het oordeel komt dat iets (niet) noodzakelijk is en zij dit kunnen onderbouwen, dan wordt hiermee voldaan aan motivering. Deze vorm van motivering verdient de voorkeur dan het enkel terugvallen op regelgeving en past in de ‘geest’ van de Kanteling en de Wmo. Deze wijze van motivering vergt immers maatwerk binnen gegeven kaders.

 

Eigen verantwoordelijkheid centraal

Het vertrekpunt van deze beleidsregels is dat burgers eerst en vooral een eigen verantwoordelijkheid dragen. Pas wanneer het niet in iemands eigen vermogen of dat van het netwerk ligt om problemen op te lossen, is een voorziening mogelijk. Daarbij geldt wel dat eerst gekeken moet worden of een voorliggende voorziening een uitkomst biedt. Een maatwerkvoorziening is pas mogelijk wanneer deze opties niet of onvoldoende de burger compenseren in zijn beperking. Hierbij moet het gaan om een beperking in zelfredzaamheid, participatie of die samenhangt met de (onveilige) thuissituatie.

 

Wat staat niet in deze beleidsregels?

In de beleidsregels is niets opgenomen wat in een hogere regeling (wet of verordening) reeds is bepaald. Wel kan jurisprudentie zijn verwerkt in de beleidsregels.

 

Deze beleidsregels hebben geen betrekking op de ondersteuning die aan minderjarigen wordt aangeboden. Dit wordt geregeld in de verordening en beleidsregels Jeugdwet. Daarnaast staan een aantal zaken uitgewerkt in het Financieel besluit. Dit is onder andere de hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb) en de eigen bij-drage die wordt gevraagd van cliënten. In deze beleidsregels staat wel vastgelegd onder welke voorwaarden iemand in aanmerking komt voor een pgb. Operationele afspraken tussen de gebiedsteams en backoffice zijn bijvoorbeeld niet opgenomen in deze beleidsregels.

 

De operationele afspraken zijn niet opgenomen in de beleidsregels omdat deze aan verandering onderhevig zijn. In het sociaal domein volgens veranderingen elkaar snel op en wordt getracht met nieuwe methodieken te werken. Het vastleggen van operationele afspraken in de beleidsregels zou de flexibiliteit inperken, hetgeen niet strookt met het streven naar de transformatie. Uiteraard zijn alle relevante bepalingen voor de rechtsposi-tie van de burger wel verwerkt in de beleidsregels of de verordening.

 

Openbaarheid van de beleidsregels

Na vaststelling worden de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017 gemaakt worden op de website www.overheid.nl. Dit is noodzakelijk voor de inwerkingtreding van de beleidsregels. De beleidsregels worden ook gepubliceerd op http://www.sozawe-nw-fryslan.nl/

Hoofdstuk 2: Melding, onderzoek en aanvraag

2.1 Inleiding

De Wmo 2015 bepaalt dat burgers, die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep kunnen doen op ondersteuning die vanuit de overheid wordt gefinancierd. Om maatschappelijke ondersteuning op basis van de Wmo 2015 aan te vragen, moeten procedureregels worden gevolgd. Deze regels zijn van toepassing tijdens het proces, dat begint bij de ondersteuningsvraag van een cliënt en eindigt bij de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. In dit hoofdstuk worden de procedureregels beschreven. Overigens is het van belang om op te merken dat het ‘dagelijks bestuur’ in plaats van ‘het college’ in deze beleidsregels wordt genoemd. Dit vloeit voort uit de Ge-meenschappelijke Regeling van de gemeenten. Hoewel het ‘dagelijks bestuur’ in de beleidsregels wordt ge-noemd, kunnen gebiedsteams, ambtenaren of aanbieders bepaalde taken feitelijk uitvoeren. Dit is mogelijk omdat medewerkers van de gebiedsteams en backoffice in mandaat bepaalde bevoegdheden uitoefenen.

2.2 Procedure

Het voorkomen van rechtsongelijkheid en willekeur vereist dat voor iedereen de procedure duidelijk is en hetzelfde is, tenzij er redenen zijn om deze procedure niet na te volgen. Dit laatste geldt met name wanneer de cliënt al reeds bekend is en het evident is dat zijn ondersteuningsvraag hetzelfde is (gebleven). Het uitgangspunt is echter dat het gesprek met de cliënt altijd de voorkeur heeft, ook bij het herindiceren. Reden hiervoor is dat de ondersteuningsbehoefte kan veranderen of dat de mogelijkheden van de cliënt veranderd zijn. Zo kan de ondersteuningsbehoefte toenemen als gevolg van een progressieve ziekte, maar kunnen er ook situaties zijn waarin deze behoefte juist afneemt. Hierbij valt te denken aan nieuwe behandelmethoden of (nieuwe) familie-leden die een steentje willen en kunnen bijdragen in de ondersteuning.

 

Er wordt veel waarde gehecht aan het juist doorlopen van procedure omdat dit de cliënt houvast geeft in zijn aanvraag tot een maatwerkvoorziening. Het toekennen van een voorzienig hangt sterk af van iemands situatie. Zo kunnen personen met exact dezelfde beperkingen toch tot hele andere ondersteuningsvragen en –behoeften komen. Wat hetzelfde blijft is dat ondanks de individuele verschillen iedereen op gelijke wijze de procedure moet doorlopen, tenzij het duidelijk is dat de procedure niet (opnieuw) hoeft te worden doorlopen. Of dat het mogelijk is om slechts een aantal stappen tegelijkertijd te zetten.

 

De procedure en het onderzoeksverslag

Het aanvragen van een maatwerkvoorziening bestaat over het algemeen uit de volgende stappen:

  • Melding ondersteuningsvraag: de cliënt maakt zijn ondersteuningsvraag kenbaar door zich te melden bij het gebiedsteam. Belangrijk is dat deze aanvraag door de cliënt zelf, maar ook namens hem gedaan kan worden ingediend. Wanneer de melding is ontvangen krijgt de cliënt hiervan een melding. In spoedeisende gevallen wordt onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekt, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Een ondersteuningsvraag kan ook via algemeen gebruikelijke voorzieningen worden gemeld bij de toegang van de gemeenten, zoals de gebiedsteams. Voor het on-derzoek wordt de cliënt gewezen op gratis cliëntenondersteuning. De cliënt kan ook zelf een persoon-lijk plan inleveren.

 

  • Vooronderzoek: na een melding vindt onderzoek plaats naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. In het vooronderzoek worden gegevens verzameld voor het vooronderzoek en wordt zo spoedig mo-gelijk een afspraak gemaakt met de cliënt. Er worden alleen gegevens verzameld die van belang en toegankelijk zijn. Voordat het gesprek plaatsvindt wordt van de cliënt verwacht dat hij overige gegevens verstrekt die naar oordeel van het dagelijks bestuur nodig zijn en waar de cliënt redelijkerwijs het gemakkelijkst beschikking over kan krijgen. De cliënt moet in ieder geval een identificatie-document overhandigen wanneer hij niet bekend is bij de Dienst. Wanneer iemand genoeg bekend is bij de Dienst kan ervan worden afgezien dat de cliënt gegevens moet overhandigen. In deze fase mag de cli-ent ook binnen zeven dagen na melding zelf een persoonlijk plan indienen waarin hij gegevens overhandigt en aangeeft wat volgens hem zijn ondersteuningsbehoefte is. De gebiedsteams zijn gemandateerd om dit vooronderzoek te verrichten. Dit vooronderzoek kan (gedeeltelijk) samenvallen met het gesprek.

 

  • Gesprek: na het vooronderzoek vindt een gesprek plaats tussen deskundigen en de cliënt (of diens vertegenwoordiger). Waar mogelijk wordt de mantelzorger(s) of desgewenst familie betrokken bij dit gesprek. Wanneer genoeg bekend is over de cliënt kan worden afgezien van een gesprek. In dit gesprek wordt gesproken over:

    • De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt

    • Het gewenste resultaat van de ondersteuning

    • De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemene gebruikelijke voorzieningen de zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren. Of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang

    • De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk de participatie of zelfredzaamheid te verbeteren. Of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang

    • De behoefte aan maatregelen om de mantelzorger te ondersteunen

    • De mogelijkheden om gebruik te maken van algemene voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteiten te verrichten de zelfredzaamheid en participatie te verbeteren

    • De mogelijkheden om in samenwerking met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en andere par-tijen op het vlak van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en in-komen om de participatie of zelfredzaamheid te verbeteren.

    • In hoeverre het mogelijk is om een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken

    • Welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn (o.a. eigen bijdrage)

    • De mogelijkheid om gebruik te maken van een persoonsgebonden budget (pgb)

 

Wanneer de cliënt een persoonlijk plan heeft opgesteld, dan wordt deze in het gesprek meegenomen. Tijdens het gesprek wordt de cliënt geïnformeerd over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten, de verwerking van persoonsgegevens en de vervolgprocedure. Deels zijn dat "gewone" persoonsgegevens, zoals hun namen, (e-mail) adres en telefoonnummer, en deels kwalificeren van de-ze als "bijzondere" persoonsgegevens, waarvoor striktere regels gelden, zoals hun gezondheidsgegevens en hun Burgerservicenummer (BSN). Deze gegevens kunnen bijvoorbeeld zijn opgeslagen in een dossier of zorgplan. Hierbij gaat het om gegevens uit hoofde van de Jeugdwet, Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, andere wettelijke taken en gegevens die zijn opgevraagd bij de zorgverzekeraar. De gebiedsteammedewerker onderzoekt namens het dagelijks bestuur de bovengenoemde punten in het gesprek.

 

Daarnaast kunnen adviseurs Wmo van de backoffice worden ingeschakeld voor ondersteuning of advi-sering bij het onderzoek. In het belang van het onderzoek kan de cliënt opgeroepen worden om in persoon te verschijnen op een bepaalde plaats en tijdstip, om hem te bevragen. Daarnaast mag een cliënt ook opgeroepen worden om een aangewezen deskundige te bezoeken of daar vragen te beant-woorden. In sommige gevallen is de ondersteuningsbehoefte dermate complex dat om advies van een aangewezen adviesinstantie kan worden gevraagd. Dit kan wanneer er nog geen gesprek is gevoerd met de cliënt, de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat dit gevolgen heeft voor de in te zetten maatwerkvoorziening of dit om andere redenen wenselijk is.

 

  • Verslag: de zaken die zijn besproken in het gesprek worden vastgelegd in een verslag. Binnen 10 werkdagen na het gesprek worden de uitkomsten van het gesprek in een uitgewerkt verslag verstrekt aan de cliënt, tenzij binnen 10 werkdagen niet redelijk is. Daarbij is belangrijk dat de gebiedsteammedewerker over alle gegevens en informatie beschikt om het onderzoek te kunnen afronden. Het komt vaak voor dat nog mensen benaderd moeten worden om een beter beeld te krijgen van de situatie of gewacht moet worden op ondersteuningsplannen. De cliënt tekent dit verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar ook binnen tien dagen retour wordt verzonden. Dit is belangrijk omdat anders ervan wordt uitgegaan dat de cliënt zelf in zijn ondersteuningsvraag heeft voorzien, behalve wanneer er sprake is van onvoorzienbare omstandigheden. Wanneer de cliënt het oneens is met het verslag kan hij dit ‘voor gezien’ tekenen en eventueel aangeven waarom hij denkt dat hij een (andere) maatwerkvoorziening zou moeten krijgen. In zo’n geval neemt de medewerker van het gebiedsteam contact op met de betreffende cliënt. In de praktijk lijkt vaak (begrips)verwarring ten grondslag liggen aan het meningsverschil en wordt vaak na een gesprek alsnog overeenstemming bereikt. Als de cliënt ná dit gesprek alsnog niet akkoord wil gaan worden de redenen van de cliënt in overweging genomen bij het besluit op aanvraag. In het onderzoeksverslag worden de constateringen en bevindingen gerapporteerd over de punten die onder het kopje ‘gesprek’ staan.

 

  • Aanvraag: het is pas mogelijk om een maatwerkvoorziening aan te vragen nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na melding heeft plaatsgevonden. Het onderzoeksverslag dient als basis voor een aanvraag. In het onderzoeksverslag staat opgenomen dat met ondertekening van dat verslag een aanvraag wordt ingediend. Wanneer de cliënt weigert te tekenen kan het DB een afwijzingsbeschikking afgeven, waar de cliënt bezwaar tegen kan maken.

 

2.3 Privacy

Tijdens het onderzoek en het verlenen van ondersteuning vindt gegevensuitwisseling en –overdracht plaats tussen onder andere de gebiedsteams, backoffice en aanbieders. In deze beleidsregels zijn geen aanvullende bepalingen opgenomen over privacy omdat hier landelijke wet- en regelgeving van toepassing zijn. De waar-borgen voor privacy zijn ingebouwd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en bepalingen over gege-vensverstrekking en –uitwisseling in de Wmo 2015. In voorkomende gevallen zijn de landelijke wet- en regel-geving inzake privacy van toepassing, in het bijzonder wat betreft de (bijzondere) persoons- en gezondheidsge-gevens.

 

Hoofdstuk 3: Afwegingskader voor een maatwerkvoorziening

3.1 Inleiding

Het hebben van een beperking is niet zondermeer een reden om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Het beoordelen of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening bestaat uit een aantal stappen. Eerst moet worden beoordeeld of er sprake is van onvoldoende zelfredzaamheid en participatie, of een onveilige thuissituatie. De kernvraag is of (één van) deze zaken zodanig onvoldoende is, dat de aanvrager gecompenseerd moet worden. Dit wil overigens niet zeggen dat het compenseren met een maatwerkvoorziening moet gebeuren. Maatwerk staat dus op de voorgrond. Er wordt daarom niet langer gesproken over ‘compensatie-plicht’ (zoals in de oude Wmo) aangezien er verschillende middelen zijn om de zelfredzaamheid, participatie en veilige thuissituatie te bevorderen. Niet de compensatie van een gebrek staat centraal, maar het zorgdragen voor een resultaat.

 

De tweede stap is het beoordelen hoe deze compensatie eruit moet komen te zien. Het vertrekpunt is dat eerst naar voorzieningen uit andere wetgeving wordt verwezen als de aanvrager daarvoor in aanmerking komt. Een belangrijke kenmerk van de Wmo 2015 is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen, het sociaal netwerk, eigen kracht en algemene voorzieningen ook middelen kunnen zijn om te compenseren. Pas daarna komt de afweging of er sprake is van algemeen gebruikelijke voorziening of dat de cliënt gecompenseerd moet worden met een algemene voorziening, door zijn informele netwerk of met een maatwerkvoorziening. In de verordening is algemeen gebruikelijk gedefinieerd als “een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en niet (of niet veel) duurder is dan vergelijkbare producten”.

 

Dit hoofdstuk beschrijft het afwegingskader om te beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De feiten en informatie waarop deze afweging wordt gebaseerd komen voort uit het verslag van het (voor)onderzoek, waaronder het gesprek met de cliënt. Om een goede afweging te maken is het belangrijk dat tijdens het onderzoek de feiten worden vastgesteld over de afwegingscriteria die in dit hoofdstuk aan bod komen.

 

3.2 Het maken van een afweging

Bij de beoordeling van een aanvraag tot een maatwerkvoorziening wordt een beslisboom gehanteerd. Deze beslisboom beschrijft welke stappen worden gezet bij het maken van een afweging of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. In de volgende paragraaf worden de onderdelen van het afwegingskader uit de beslisboom besproken.

 

Figuur 1: beslisboom ondersteuningsbehoefte

3.3 Zelfredzaamheidsmatrix als meetinstrument

Met een gestructureerde vragenlijst wordt tijdens de intake, het onderzoek en gedurende de ondersteuning de toestand op alle levensdomein van de cliënt in beeld gebracht. Onder levensdomeinen vallen onder andere dagelijkse activiteiten thuis en sociale relaties. Er wordt bekeken hoe zelfredzaam iemand is op de verschillende levensdomeinen, onder andere met behulp van de zelfredzaamheidsmatrix (ZRM).

 

De ZRM vormt een meetinstrument waarmee de toestand op alle levensdomeinen objectief in beeld wordt gebracht. Het gebruik van de ZRM is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het onderzoek (en de uiteindelijke toekenning van een voorziening) objectief is. Dit biedt de cliënt rechtszekerheid, voorkomt willekeur en draagt bij aan de eis voor een deugdelijke motivering, zoals vastgelegd in de Awb3.

 

De ZRM moet als meetinstrument bij elke cliënt afgenomen worden wanneer er een hulpvraag naar Wmo-begeleiding is. Voor andere Wmo-maatwerkvoorzieningen mag de ZRM afgenomen worden. Dit laatste kan wenselijk zijn om met een integrale blik de ondersteuningsbehoefte vast te stellen, maar ook de vermindering of stabilisatie van die behoefte te monitoren. De keus om wel al dan niet de ZRM af te nemen bij andere maat-werkvoorzieningen dan Wmo-begeleiding, wordt vrij gelaten om de uitvoeringspraktijk hierin de ruimte te bieden. Ook in de wijze waarop de ZRM wordt afgenomen, zoals de te onderzoeken levensdomeinen, wordt ruimte geboden aan de uitvoeringspraktijk. Wel is het belangrijk dat de motivering duidelijk maakt waarom een ZRM-score het advies over de maatwerkvoorziening zou ondersteunen.

 

Wat de ZRM tot een meetinstrument maakt is dat de uitkomst van de ZRM niet allesbepalend is voor welke ondersteuning of begeleiding wordt geadviseerd. De ZRM-scores vormen dan ook een indicatie van welke voorzieningen geadviseerd worden. Indicatief omdat in veel gevallen een bepaalde voorziening over het algemeen goed aansluit op bepaalde ZRM-scores. Toch mag gelet op een bepaalde ZRM-score gemotiveerd afgeweken worden als daar aanleiding toe bestaat. Zo mogen ook andere belangen en feiten meegewogen worden. Dit laatste geldt ook bij het adviseren over en toekenning van Wmo-begeleiding, waar het afnemen van de ZRM verplicht is.

 

Het afnemen van een ZRM heeft als doel om de procedurele rechtsgelijkheid te waarborgen. Cliënten kunnen ondanks gelijke ZRM-scores toch andere vormen van ondersteuning krijgen. Ongeacht de verschillende uitkomsten blijft de procedure en afweging gelijk bij de Wmo-begeleiding: bij iedereen wordt een ZRM afgenomen. Tegelijkertijd is er ruimte voor maatwerk doordat niet blind wordt afgegaan op de scores van de ZRM, maar het mogelijk is om andere feiten en belangen mee te wegen. Dit maakt het mogelijk om de professionele oordeels-vorming te ondersteunen en te onderbouwen.

 

3.4 Afwegingsonderdelen

Na het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte is de vraag langs welke weg en met welke middelen in deze behoefte voorzien kan worden. Tijdens het onderzoek en bij het doorlopen van deze beslisboom moeten een aantal afwegingen gemaakt worden. Deze paragraaf bespreekt op welke punten een afweging plaatsvindt en geeft nadere toelichting bij elk punt.

 

Voorliggende wetgeving en voorzieningen

Naast de Wmo 2015 zijn er andere wetten waar een burger mogelijk een beroep op kan doen. In veel gevallen worden deze wetten gezien als voorliggend omdat de burger eerst hier een beroep op moet doen. Wanneer dit mogelijk is, dan is dit een reden om een maatwerkvoorziening te weigeren. Met name de scheidslijnen tussen de Wmo en de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn belangrijk. Zo kunnen burgers in sommige gevallen ondersteuning en voorzieningen ontvangen op grond van deze wetten. De afbakening met de Zwv en de Wlz staat globaal uitgelegd in de bijlage, maar voor een actueel overzicht verwijzen wij naar actuele bronnen zoals Schulink. De afbakening is géén gemeentelijk beleid, maar is in landelijke wet- en regelgeving vastgelegd. Tenslotte, ondersteuning aan minderjarigen en ouders wordt in de meeste gevallen aangeboden op grond van de Jeugdwet.

 

Naast deze wetten zijn de volgende (wettelijke) voorzieningen ook voorliggend:

  • Onderwijs: begeleiding van kinderen met problemen is in veel gevallen de verantwoordelijkheid van de school. Zo zijn er mogelijkheden op grond van de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties kan begeleiding zijn geïndiceerd op grond van de Wmo 2015: wanneer toezicht en aansturen meer vergt dan verwacht kan worden van school en ouders en de Wet passend onderwijs niet of on-voldoende mogelijkheden biedt.

  • Kinderopvang: dit is een verantwoordelijkheid van ouders, de werkgever en de Rijksoverheid (Kinder-opvangtoeslag). De kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend. Leidsters van een kinderopvang leren hoe om te gaan met een dergelijk kind wordt gezien als gebruikelijke hulp van de ouder. Het is dus in principe aan de ouder om leidsters te informeren en eventueel te instrueren over hoe (niet) te handelen. Alleen in uitzonderlijke situaties is ondersteuning vanuit de Wmo mogelijk. Hier is sprake van wanneer extra begeleiding nodig is, die niet verwacht kan worden van leidsters en ouders.

  • Jeugdwet: deze wet biedt opvoedingsondersteuning voor alle ouders, ook die van kinderen met een beperking. Naast deze ondersteuning maakt de Jeugdwet ook medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis en tijdelijke opname mogelijk. Om de zelfredzaamheid van ouders te bevorderen kan in sommige gevallen Wmo-ondersteuning worden ingezet, naast de opvoedingsondersteuning vanuit de Jeugdwet.

    • Arbeidsvoorzieningen: in sommige gevallen is begeleiding bij arbeidsmatige activiteiten of aangepast werk mogelijk in het kader van de Ziektewet, WIA, Wajong of Wsw. Het uitgangspunt is dat pas wanneer dit niet kan, het mogelijk is om dagbesteding vanuit de Wmo 2015 aan te bieden.

    • Wet publieke gezondheid (Wpg): gemeenten hebben op grond van deze wet taken die veel raakvlak-ken hebben met de Wmo. Hierbij gaat het om de jeugdgezondheidszorg, preventieve ouderengezond-heidszorg, gezondheidsbevordering, epidemiologie en monitoring/advisering ten behoeve van ge-zondheidsrisico’s. Ook de relatie tussen gezondheid en sociale veiligheid krijgt in het kader van deze wet aandacht van gemeenten, zoals zorgvermijding. De GGD speelt in deze zaken altijd een (sleutel)rol.

 

Eigen kracht en verantwoordelijkheid

Burgers dragen een eigen verantwoordelijkheid om zelf naar oplossingen te zoeken voor belemmeringen, dit vormt het vertrekpunt van de Wmo. Voordat het gebiedsteam de ondersteuningsbehoefte vaststelt, is in het onderzoek dan ook aandacht voor de eigen kracht en verantwoordelijkheid. De centrale vraag daarbij is wat de mogelijkheden van de burger zijn om zelf zijn weg te vinden of te compenseren. Kan een burger bijvoorbeeld leren om anders om te gaan met de belemmeringen die hij ervaart of zijn creatieve oplossingen mogelijk? Hierbij valt te denken aan de hulp van een buurman of een extra stofzuiger op de bovenverdieping, waardoor de cliënt zelf kan blijven stofzuigen, ondanks dat hij moeilijk de trap op kan. Pas als blijkt dat eigen kracht on-voldoende of ontoereikend is, wordt verder onderzocht of een maatwerkvoorziening vereist is. Het inkomen of vermogen van een cliënt mag echter geen reden zijn om een maatwerkvoorziening af te wijzen. Ook cliënten met een ruim inkomen moeten de mogelijkheid hebben om een maatwerkvoorziening te ontvangen4. Wel moeten cliënten met een hoger inkomen doorgaans ook eigen bijdrage betalen totdat de kostprijs is voldaan. Dit betekent dat voor veel cliënten het aantrekkelijk kan zijn om zelf een voorziening aan te schaffen, omdat ze dan ook de mogelijkheid hebben om naar eigen wensen een voorziening of dienst in te schakelen. Zij zijn dan niet gebonden aan het aanbod van de Dienst en kunnen bijvoorbeeld naar eigen wens kiezen voor aanvullende opties.

 

Gebruikelijke hulp en voorzieningen

Naast datgene wat burgers zelf kunnen doen wordt ook geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zaken die als algemeen gebruikelijk worden gezien. Hiermee wordt bedoeld dat hulp of een voorziening onderdeel uitmaakt van hoe we normaal met elkaar omgaan. De wet definieert dit als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid verwacht mag worden van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Hier spreken we van algemeen gebruikelijke hulp. Hierbij kan het gaan om normale dagelijks zorg en taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals: administratie of een bezoek aan familie of instanties. Daarnaast kunnen ook voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn. Dit zijn voorzieningen die in principe voor iedereen beschikbaar zijn, ongeacht of iemand wel al dan niet een beperking heeft. Bij het maken van een afweging over welke hulp of voorziening gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar het individuele geval en maatwerk geleverd worden. Afhankelijk van de doelgroep en de maatschappelijke normen moet afgewogen worden of een voorziening of hulp algemeen gebruikelijk is.

 

Of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor een persoon als de aanvrager wordt bepaald door het antwoord op de vraag: zou de aanvrager over de voorziening hebben kunnen beschikken als hij geen beperking had? Uit jurisprudentie blijkt dat bij die beoordeling een aantal criteria een rol kan spelen, zoals5:

  • De voorziening wordt voornamelijk aangeschaft door mensen zonder beperkingen

  • Financieel bereikbaar voor mensen met een inkomen op het sociaal minimum

 

Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar de volgende voorzieningen worden door veel gemeenten beschouwd als algemeen gebruikelijk:

  • tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem);

  • fiets met lage instap, ligfiets;

  • spartamet/tandemmet;

  • elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder;

  • bakfiets, fietskar, aanhangfiets;

  • personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;

  • auto-accessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten; trekhaak;

  • eenhendelmengkranen;

  • thermostatische kranen;

  • keramische of inductie kookplaat;

  • verhoogd toilet of toiletverhoger;

  • tweede toilet/sanibroyeur;

  • renovatie van badkamer en keuken (Bij de Wmo gaan we er vanuit dat elke badkamer of keuken eens in de 20 jaar vernieuwd wordt. Bij een aanvraag voor een woningaanpassing van een badkamer en/of keuken houden we daarom rekening met de leeftijd van de badkamer/keuken. Als een keuken of bad-kamer ouder is, wordt de financiële tegemoetkoming vanuit de Wmo lager.);

  • antislipvloer/coating;

  • wandbeugels;

  • zonwering (inclusief elektrische bediening);

  • ophogen tuin/bestrating bij verzakking.

 

Informele ondersteuning

Tijdens het gesprek met de cliënt wordt ook de vraag gesteld wat de mogelijkheden zijn voor informele onder-steuning. De wet onderscheidt twee vormen van informele ondersteuning: mantelzorg en hulp vanuit het so-ciale netwerk. In de praktijk overlappen deze begrippen elkaar regelmatig. Het onderscheid tussen deze be-grippen is toch belangrijk omdat dit bepalend is of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Zo kan voor mantelzorg een maatwerkvoorziening worden ingezet wanneer de mantelzorger overbelast is of dreigt te raken. Voor gewone hulp vanuit het sociale netwerk is dit niet mogelijk. Het is immers niet de bedoe-ling dat elke mantelzorger in aanmerking komt voor ondersteuning. Het onderscheid tussen de begrippen zit in de mate van overbelasting.

 

Er is sprake van mantelzorg wanneer iemand hulp aan een naaste verleent zoals bedoeld in de Wmo, Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet. Een belangrijk kenmerk van mantelzorg is dat het om hulp gaat die heeft te maken met een sociale relatie tussen personen, zoals partners en gehuwden. En dat het niet gaat om gebruikelijke hulp, maar om structurele ondersteuning die een zwaar beroep doet op de persoon die mantelzorg verleent. Hier is sprake van wanneer de mantelzorg zwaar en omvangrijk is en wordt gezien als een morele verplichting. Zo kan iemand zich verantwoordelijk voelen om zijn partner met beperkingen te ondersteunen, ook al vraagt dit soms veel tijd, energie en financiële middelen. Belangrijk: er is géén sprake van mantelzorg wanneer iemand hulp verleent in het kader van een hulpverlenend beroep. Dit is een beroep waarmee diensten worden aange-boden voor de Wmo, Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet.

 

Wanneer personen uit huiselijke of persoonlijke kring hulp kunnen aanbieden, dan wordt dit gezien als hulp uit het sociale netwerk. Een belangrijk verschil met mantelzorg is dat deze hulp sporadisch wordt verleend, zo ‘af en toe’. Net als mantelzorg gaat ook hulp uit het sociale netwerk vóór een voorziening van de gemeente.

 

Algemene voorziening

Wanneer eigen kracht, gebruikelijke hulp en voorzieningen en het informele netwerk geen of onvoldoende een oplossing bieden is een beroep mogelijk op een algemene voorziening. Dit zijn diensten of activiteiten waar burgers zonder voorafgaand onderzoek gebruik van kunnen maken, die toegankelijk zijn en die zijn gericht op het versterken van zelfredzaamheid, participatie of opvang. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt wanneer een algemene voorziening toereikend is. Als een cliënt al een maatwerkvoorziening ontvangt is het wel mogelijk om daarnaast ook gebruik te maken van een algemene voorziening. Hierbij valt te denken aan cliënten die naar de dagbesteding gaan, maar ook gebruik maken van bijvoorbeeld een was- en strijkservice.

 

Hoofdstuk 4: Resultaatsvelden

4.1 Inleiding

Wanneer blijkt dat iemand een maatwerkvoorziening nodig heeft, dan moet in het besluit (lees: beschikking) staan welke maatwerkvoorziening wordt aangeboden. Bij de verstrekking is de inhoud leidend. Dat wil zeggen dat eerst wordt gekeken op welk resultaatsveld een verbetering of stabilisatie wenselijk is, om vervolgens te beoordelen met wélke verstrekking deze verbetering of stabilisatie valt te bereiken. Alhoewel in de Wmo 2015 geen resultaatsvelden zijn opgenomen, is ervoor gekozen om deze wel op te nemen in de beleidsregels. Vooral omdat dit de uitvoeringspraktijk houvast geeft en bijdraagt aan een uniforme wijze van resultaatbeschrijving in de beschikkingen.

 

De resultaatsvelden in dit hoofdstuk zijn afgeleid van de vier levensdomeinen uit de ZRM: Dagelijks thuis, Rela-ties, Gezondheid en Meedoen. Elk thema kent drie resultaatsvelden die zijn gecodeerd met een cijfer om de verschillende thema’s te duiden. Daarmee komen we tot de volgende resultaatsvelden:

 

Dagelijks thuis

D1: Een gestructureerd en zorgzaam huishouden voeren

D2: Stabiliseren van de dagelijkse situatie om terugval te voorkomen

D3: Wonen in een geschikt huis

 

Relaties

R1: Sociale contacten onderhouden en deelnemen aan activiteiten

R2: Omgaan met beperkingen in de sociale redzaamheid en zelfregie

R3: Zich met behulp van anderen handhaven in het dagelijks leven

 

Gezondheid

G1: Verlichting van het sociaal isolement en de zorg thuis

G2: Stabiel functioneren om achteruitgang in de vaardigheden te voorkomen

G3: Aanboren van competenties om een grotere zorgvraag te voorkomen

 

Meedoen

M1: Zich kunnen verplaatsen

M2: Zich ontwikkelen in het kader van wonen, sociale activering en zinvolle dagbesteding

M3; Herstel van problematiek en bevordering maatschappelijke integratie

 

4.2 Dagelijks thuis

Deze paragraaf gaat over het thema ‘Dagelijks thuis’ en betreft de ZRM-levensdomeinen Financiën, Huisvesting en Activiteiten dagelijks leven. De ondersteuningsvragen vanuit deze domeinen richten zich op de dagelijkse handelingen in en om het huis, met name ten aanzien van het huis zelf, het huishouden, de administratie en de opvoeding van kinderen. Dit thema is relevant voor vrijwel alle cliëntgroepen voor zover zij belemmeringen ervaren bij de sociale zelfredzaamheid, het psychisch functioneren of probleemgedrag en oriëntatiestoornis hebben.

 

Wanneer een maatwerkvoorziening wordt ingezet op dit resultaatsveld is het doel om ondersteuning te bieden zodat iemand een huis heeft en zichzelf redt bij alle dagelijkse taken om een huishouden te voeren en eventu-eel kinderen op te voeden. Het thema ‘Dagelijks thuis’ bestaat uit drie resultaatsvelden. Hierna volgt een be-schrijving van deze resultaatsvelden.

 

D1: Een gestructureerd huishouden voeren

Bij de huishoudelijke ondersteuning is het van belang om de eenvoudige werkzaamheden te onderscheiden van de begeleidingstaken. Met eenvoudige werkzaamheden wordt bedoeld de hulp die tot nog toe als HH1 werd gedefinieerd. Dit heeft betrekking op pure schoonmaakwerkzaamheden, licht en zwaar huishoudelijk werk, wasverzorging, boodschappen doen en maaltijdbereiding.

 

Met de begeleidingstaken bij het huishouden wordt de ondersteuning bedoeld die tot nog toe als HH2 werd aangeboden (naast de eenvoudige werkzaamheden). Dit betreft dan alle advies, instructie en voorlichting die een cliënt nodig heeft ten aanzien van huishoudelijk werk en de regie of organisatie van het huishouden. Maar dit betreft ook de verzorging en opvang van jonge kinderen als tijdelijke overbrugging bij uitval van de primaire verzorger en bij afwezigheid van informele hulp of algemene (gebruikelijke) voorzieningen als kinderopvang.

 

Voor alle eenvoudige werkzaamheden in het huishouden, waarbij de cliënt zelf de regie nog heeft, is de huis-houdelijke hulp als algemene voorziening beschikbaar. Iedereen kan gebruik maken van deze voorziening. Het aantal uren is daarbij geen factor. De uitvoering van algemene voorziening wordt laagdrempelig ingestoken. Inwoners voor wie deze hulp in het huishouden niet noodzakelijk is, betalen een bijdrage ter hoogte van de kostprijs. Inwoners voor wie deze hulp in het huishouden noodzakelijk is voor hun zelfredzaamheid of partici-patie (doelgroep algemene voorziening Huishoudelijke Hulp), betalen een lagere bijdrage dan de kostprijs. Deze verlaagde kostprijs heeft als doel de zelfredzaamheid of participatie van de doelgroep te vergroten. Voor de algemene voorziening en het verlaagde tarief zijn geen indicatie nodig, maar wordt een lichte toets uitgevoerd door het gebiedsteam.

 

Indien die lagere bijdrage financieel niet te dragen is, kan die inwoner in aanmerking komen voor een korting. Mocht de algemene voorziening om wat voor reden dan ook niet geschikt zijn, dan kan een maatwerkvoorzie-ning worden verstrekt.

 

Een maatwerkvoorziening wordt ook verstrekt voor de begeleiding bij het huishouden, waarbij de cliënt geen of weinig eigen regie heeft als gevolg van bijvoorbeeld chronische ziekte of beperkingen. Of iemand gebruik kan maken van de algemene voorziening of is aangewezen op een maatwerkvoorziening, is dus ook afhankelijk van het type ondersteuning dat wordt ingezet.

 

D2: Stabiliseren van de dagelijkse situatie om terugval te voorkomen

Dit resultaatsveld wordt vaak gebruikt voor cliënten in de geestelijke gezondheidszorg, psychiatrie en versla-vingszorg. Het gaat vaak om een doelgroep die moeite heeft om maatschappelijk te participeren, zeker door arbeid, en wel structuur nodig heeft om terugval te voorkomen. Kenmerkend is dat psychische of psychosociale problemen ten grondslag liggen aan het probleem. Vaak wordt dan ook (intensieve) groepsbegeleiding ingezet om structuur aan te brengen. De aangeboden activiteiten hebben een stabiliserend effect op het dagelijkse leven van de cliënten. Dankzij deze activiteiten wordt isolement, terug en decompensatie voorkomen.

 

D3: Wonen in een geschikt huis

Hoewel iemand primair zelf verantwoordelijk is voor de huur of aanschaf van een passend huis, kan er wel een beroep worden gedaan op de Wmo voor woningaanpassingen en dergelijke. Hierbij gaat het om het geschikt maken van het woonhuis voor de omgang met (meestal) fysieke beperkingen. In de afweging rondom woning-aanpassingen dient meegenomen te worden of de cliënt niet had kunnen voorzien of vermijden, dat hij een beroep zou doen op een woningaanpassing. De situatie waarin een aanvraag voor een woonvoorziening meestal afgewezen kan worden. is wanneer een cliënt bij het betrekken van een nieuwe woning geen rekening heeft gehouden met zijn gezondheidssituatie destijds. Denk daarbij aan de situatie dat iemand die niet kan traplopen, verhuist naar een woning waar hij de trap op moet om zijn slaap- en badkamer te bereiken. Deze persoon is dan simpelweg naar een ongeschikte woning verhuisd. Hij had moeten weten dat hij in deze woning deze beperkingen zou ervaren. Dat is echter wel iets heel anders dan te verlangen dat de cliënt er rekening mee houdt dat hij in de toekomst op enig moment mogelijk beperkingen gaat ervaren, bijvoorbeeld op basis van leeftijd of woon- of gezinssituatie of omdat dit in de lijn der levensverwachting ligt.

 

Het doel van woonvoorzieningen en woningaanpassingen is het bieden van ondersteuning wanneer iemand is beperkt in het normaal gebruik van de woning. Met normaal gebruik wordt bedoeld dat normale elementaire woonactiviteiten moeilijk of onmogelijk zijn geworden. Hierbij valt te denken aan het bereiden van eten, slapen, lichaamsreiniging en het verzorgen van kinderen. De ruimtes die bestemd zijn voor deze activiteiten moeten voor de normale functies bruikbaar gemaakt worden. Dit betekent dat een hobby-, werk- of recreatieruimte niet in aanmerking komt voor een woningaanpassing. Daarnaast geldt dat er sprake moet zijn van een hoofdverblijf of dat de woning na aanpassing het hoofdverblijf van de cliënt gaat worden.

 

De kosten voor een verhuizing zijn in principe (algemeen) gebruikelijk. Van elke inwoner mag verwacht worden dat hij een budget reserveert voor de periode dat zal moeten verhuizen naar een andere woning als gevolg van leeftijd of een veranderende levenssituatie. Er moet dan sprake zijn van een noodzaak wegens een beperking. Als iemand met een beperking niet in staat is om te verhuizen, vanwege een laag inkomen of omdat er sprake is van een onvoorziene situatie, dan kan hij in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

Er is geen wettelijk limiet aan de hoogte van de kosten van woningaanpassingen en –voorzieningen. Wel moeten deze waar mogelijk geheel afbetaald worden door de aanvrager middels de eigen bijdrage of worden er afspraken gemaakt over de terugbetaling van de meeropbrengst bij verkoop van de woning. Bij verordening is geregeld dat verhuizen voorrang heeft op een eventuele woningaanpassing. Dit wordt het primaat van verhui-zen genoemd. In het financieel besluit is vastgelegd boven welk bedrag deze voorrangsbepaling wordt toege-past. Om te beoordelen of er een primaat van verhuizen geldt moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen de belangen van de cliënt en die van de gemeente. De volgende aspecten moeten meegenomen wor-den: de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, de financiële gevolgen van verhuizing, de snelheid waarmee het probleem opgelost kan worden en de sociale omstandigheden. Voor het maken van deze afweging verwijzen we naar de gemeentelijke bijlage van het Handboek Grip op Wmo (Schulinck).

4.3 Relaties

Deze paragraaf gaat over het thema ‘Relaties’ en betreft de ZRM-levensdomeinen Huiselijke relaties en Sociaal netwerk. De ondersteuningsvragen vanuit deze domeinen zijn meestal gericht op directe relaties met huisge-noten, vrienden, familie, buurtgenoten en bekenden van sociaal-culturele activiteiten. Vaak gaat het om cliën-ten met belemmeringen bij sociale redzaamheid, psychische functioneren, probleemgedrag en oriëntatiestoor-nissen.

 

Maatwerkvoorzieningen worden op dit resultaatsveld ingezet zodat iemand zich weet te verzekeren van de mogelijkheden om zichzelf te redden in de omgang met anderen en daarmee betekenis weet te geven aan het dagelijkse leven. Het thema Relaties bestaat uit drie resultaatsvelden. Deze worden hieronder beschreven.

 

R1: Sociale contacten onderhouden en deelnemen aan activiteiten

Dit resultaatsvelden is relevant voor alle doelgroepen die belemmerd zijn om sociale contacten te onderhouden of deel te kunnen nemen aan activiteiten. En dit ook niet valt te realiseren met hulp van de sociale omgeving.

 

Dit resultaatveld betreft meestal activiteiten die variëren in locatie, frequentie en duur zoals bezoekjes aan familie, vrienden, culturele instellingen of andere sociale, recreatieve en sportieve activiteiten. Indien de be-perking alleen reizen en deelname aan de activiteit niet mogelijk maakt dan kan hiervoor in de maatwerkvoor-ziening individuele begeleiding worden opgenomen. Bij ernstige en complexe beperkingen is deelname aan het normale sociale leven zo ingewikkeld, zelfs niet prettig voor de cliënt is, dat het veel zinvoller is om regelmatig aan belevingsgerichte dagbesteding deel te nemen.

 

Er is geen verplichting om (top)sportvoorzieningen te verstrekken. Speciale topsportvoorzieningen dienen uit eigen middelen, fondsverwerving of sponsoring te worden gefinancierd. Iemand kan wel in aanmerking komen voor een recreatieve sportvoorziening wanneer het voor hem niet mogelijk is om een sport te beoefenen, zon-der de voorziening. Er moet dan sprake zijn van kosten die aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten voor iemand zonder beperkingen, voor dezelfde sport. Daarnaast moet het gaan om een aantoonbare behoefte aan de sportvoorziening, in de vorm van lidmaatschap van een sportclub of –vereniging. Het hier bijna altijd om sportrolstoelen. De verstrekking van sportvoorzieningen geschiedt in natura of middels een pgb. Een financiële tegemoetkoming is op grond van de Wmo 2015 niet langer toegestaan.

 

R2: Omgaan met beperkingen in de sociale redzaamheid en zelfregie

Dit resultaatsveld kan voor alle doelgroepen worden ingezet in de vorm van individuele begeleiding. Dit kan met een bouwsteen Zelfredzaamheid Regulier of bouwsteen Zelfredzaam Zwaar. Dit is geen vast gegeven, want in situaties waar extra beschikbaarheid, inzet of deskundigheid nodig is, is intensievere begeleiding ook mogelijk. Intensievere begeleiding valt doorgaans onder bouwsteen Zelfredzaamheid Zwaar, maar een hogere frequentie qua uren met bouwsteen Zelfredzaamheid regulier is ook mogelijk.

 

Ondersteuning in kader van dit resultaatsveld is vaak gericht op tekortschietende vaardigheden in het dagelijkse leven. Door herhaling en de methodische interventie wordt een cliënt ondersteund bij deze vaardigheden, maar ook in het zoeken naar een zinvolle dagbesteding en het aangaan van sociale contacten. Bij zwaardere beperkingen kan het bijvoorbeeld gaan om basale communicatie, regie op dagelijkse bezigheden en het initi-eren en uitvoeren van eenvoudige taken.

 

R3: Zich met behulp van anderen handhaven in het dagelijks leven

Cliënten die kampen met belemmeringen bij langdurig zelfregie over het dagelijkse leven hebben vaak niet genoeg aan algemene individuele begeleiding. Over het algemeen wordt voor deze groep een bouwsteen zelf-redzaamheid regulier toegekend. Vaak zijn specifieke programma’s nodig die vooral zijn gericht op het handha-ven van de situatie en het activeren van de cliënt. Individuele begeleiding heeft in dit kader als doel om de cliënt zijn regie op de dagelijkse bezigheden, het nemen van besluiten en het organiseren van taken te behou-den. Waar het resultaatsveld R2 vooral nadruk legt op het element ‘omgaan’, is dit resultaatveld sterk gericht op handhaving.

 

Dit resultaat richt zich in het bijzonder op cliënten in de geestelijke gezondheidszorg, psychiatrie en versla-vingszorg. Het doel van individuele begeleiding is om de cliënt te ondersteunen bij het behoud van zijn regie over de dagelijkse bezigheden, het nemen van besluiten en organiseren van taken. Cliënten die kampen met langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijkse leven hebben namelijk niet genoeg aan algemene indi-viduele begeleiding.

 

4.4 Gezondheid

Deze paragraaf gaat over het thema ‘Gezondheid’ en betreft de ZRM-levensdomeinen Lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid en Verslaving. Het doel van een maatwerkvoorzieningen is het leven zo dragelijk of zo prettig mogelijk te houden, en achteruitgang in elk geval te voorkomen (indien mogelijk). Voor het bereiken van dit doel zijn drie resultaatsvelden opgenomen in de beleidsregels, zie hieronder.

 

G1: Verlichting van het sociaal isolement en de zorg thuis

Dit resultaatsveld is gericht op het verlichten van het sociaal isolement. Naast deze verlichting is ondersteuning in kader van dit resultaatsveld vaak ook gericht op ontwikkeling in het kader van wonen, een zinvol dagritme of maatschappelijke integratie. Dit wordt ook wel dagbesteding genoemd. Deze dagbesteding kan worden ingezet om de belevingswereld van cliënten te verbeteren, zoals zingevende activiteiten van eenvoudig niveau met aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat. Deze ondersteuning is gericht op het ver-lichten van de mantelzorger en verlichting van de cliënt zijn sociaal isolement.

 

Belevingsgerichte dagbesteding is vooral bedoeld voor zelfstandig wonende oudere cliënten met een intensie-ve begeleidings- of verzorgingsbehoefte. Vaak is deze behoefte het gevolg van chronische aandoeningen zoals dementie, verstandelijke handicap of een stabiele psychische stoornis. Dagbesteding is in dit kader gericht op het onderhouden van vaardigheden, eventueel aangevuld met lichte assistentie bij persoonlijke verzorging. Daarbij worden op vaste tijdstippen bepaalde activiteiten aangeboden in groepsverband.

 

Kortdurend verblijf kan maximaal drie etmalen worden verstrekt als er permanent toezicht nodig is en de man-telzorger overbelast dreigt te raken, of als ouders bovengebruikelijke hulp verlenen aan hun kinderen boven de 18 jaar. Dit laatste geldt met name van ouders met kinderen die een geestelijke of fysieke beperking hebben en waarbij de zorg voor het kind kan leiden tot overbelasting. In dit geval valt te denken aan logeren bij een zorg-boerderij. Bij permanente toezicht is sprake van actieve observatie met als doel dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie tijdig te signaleren, waardoor escalatie van gevaarlijke en (levens)bedreigende situatie voorkomen worden. Bijvoorbeeld meerderjarige kinderen met een lichamelijke beperking waarbij ouders actief de vitale functies van het kind moeten controleren. Het kan ook gaan om constante zorg of op ongeregelde tijdstippen, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie. Voor de doelgroep waar permanent toezicht nodig is, is vaak een beroep op de Wlz nodig, maar voor de aanloopfase of schrijnende gevallen kan kortdurend verblijf soelaas bieden.

 

Bij meer dan drie etmalen in een instelling is er sprake van opname waar vaak een indicatie op grond van de Wlz wenselijk is. In bijzondere situaties is het mogelijk ook in deze gevallen kortdurend verblijf aan te bieden. Het gaat dan vaak ook om cliënten die niet tot de doelgroep van de Wlz behoren of daar maar moeilijk toegang tot krijgen. Eerst moet echter altijd worden beoordeeld of andere voorzieningen in de zorgbehoefte kunnen voorzien. Het kan gaan om sociale alarmering, vrijwiligers- of mantelzorgondersteuning of respijtzorg vergoed door de zorgverzekeraar. Wanneer tijdens het kortdurend verblijf verpleging nodig is, moet hiervoor een apart een indicatie vanuit de Wlz worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet tot het kortdurend verblijf. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf.

 

G2: Stabiel functioneren om achteruitgang in de vaardigheden te voorkomen

Bij dit resultaat gaat het om zelfstandig wonende oudere cliënten met een intensieve begeleidings- en verzor-gingsbehoefte. Vaak gaat het om gevolgen van psychogeriatrische aandoeningen, waaronder een sterk ver-minderde zelfregie zoals bij dementie, verstandelijke handicap, stabiele psychische stoornis). Om dit resultaat te bereiken wordt vaak intensieve groepsbegeleiding worden ingezet. Dit valt in de bouwsteen Participatie Zwaar.

 

Intensieve groepsbegeleiding is bedoeld voor zelfstandig wonende oudere cliënten met een intensieve bege-leidings- en verzorgingsbehoefte als gevolg van chronische aandoeningen, zoals dementie, verstandelijke han-dicap, een stabiele psychische stoornis, geheugenproblemen of een verstoorde waarneming van de omgeving. Ze hebben moeite het overzicht te bewaren en de dagelijkse dingen te plannen en uit te voeren. Ze begrijpen de wereld om hen heen niet meer goed en hebben moeite om sociale contacten aan te gaan. Het betreft vaak de ‘oudere oudere’ (boven de 80 jaar).

 

Deze intensieve groepsbegeleiding wordt gemiddeld 4 tot 6 dagdelen per week aangeboden. Het dagpro-gramma is gericht op het stabiliseren van functioneren en voorkomen van verergering van klachten. Deze vorm van begeleiding kan ertoe bijdragen dat de cliënt op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven en kan leiden tot vermindering van de belasting van mantelzorgers. Bij deze doelgroep is vroegdiagnos-tiek van groot belang. Daarnaast is het belangrijk dat cliënten doorgaan met ingezette activiteiten. Dagopvang heeft namelijk een gunstig effect op vereenzaming, fysieke activering, depressie, gedragsproblemen en angst.

 

G3: Aanboren van competenties om een grotere zorgvraag te voorkomen

Dit resultaat richt zich op het aanleren en ontwikkelen van praktische, cognitieve en/of sociaal emotionele vaardigheden om de gevolgen/complicaties van meervoudige lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen (LG-VG) te voorkomen, evenals het ontstaan van gerelateerde stoornissen. Hiervoor wordt doorgaans intensieve groepsbegeleiding worden ingezet. Dit valt samen met de bouwsteen Participatie Zwaar.

 

Intensieve groepsbegeleiding VG en LG is deels individueel en deels groepsgericht, passend bij mogelijkheden en behoeften van de cliënt. De nadruk ligt op beweging, totale communicatie en de inbreng van therapieën. Er is tevens sprake van persoonlijke verzorging. De begeleidingsintensiteit is hoog en er is een hoge mate van specialistische kennis vereist. De omgeving dient te zijn aangepast aan de mogelijkheden en de kwetsbaarheid van de cliënt.

 

Deze intensieve groepsbegeleiding is vaak gericht op zware belemmeringen op (bijna) alle terreinen: sociale zaken (in staat tot bewegen en verplaatsen, communicatie, het nemen van besluiten, oplossen van problemen, dagelijkse routine kunnen organiseren, geld beheren, administratie enz.). Psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken, perceptie van de omgeving). Geheugen en oriëntatie (oriëntatiestoornissen in tijd, plaats en persoon) en Gedrag (destructief gedrag, dwangmatig gedrag, lichamelijk en/of verbaal agressief, seksueel overschrijdend gedrag etc.).

 

4.5 Meedoen

Deze paragraaf gaat over het thema ‘Meedoen’ en betreft de ZRM-levensdomeinen Dagbesteding, Maatschap-pelijke participatie en Justitie. De ondersteuningsvragen vanuit deze domeinen richten zich in het algemeen op activering en dagbesteding dat betekenis geeft aan het leven door deelname aan 'de maatschappij'. Het kan hier gaan om bijna alle cliëntgroepen, al richt elk resultaatveld zich wel op een specifieke doelgroep. De eerste twee resultaatvelden betreffen vooral de cliënten die door fysieke of fysieke/verstandelijke beperkingen niet geheel sociaal zelfredzaam zijn. Resultaatveld M3 richt zich in het bijzonder op cliënten met beperkingen in hun psychische functioneren.

 

Het doel van een maatwerkvoorziening bij dit soort ondersteuningsvragen is om zodanig te ondersteunen dat iemand zich kan verplaatsen, sociaal actief is en zinvolle activiteiten kan ontplooien. Deze doelstelling van het thema “Meedoen” kan vertaald worden naar de resultaatvelden (M1) zich kunnen verplaatsen, (M2) zich ont-wikkelen in het kader van wonen, sociale activering en zinvolle dagbesteding en (M3) herstel van problematiek en bevordering van maatschappelijke integratie.

 

M1: Zich kunnen verplaatsen

Dit resultaat richt zich met name op cliënten die zich door fysieke beperkingen moeilijk kunnen verplaatsen. We maken bij dit resultaatveld een onderscheid tussen verplaatsing in/om de woning met een rolstoel en het verplaatsen per vervoermiddel in de directe woon- en leefomgeving.

 

Voor het vervoer kan een rolstoel, taxi, scootmobiel of andere individuele voorzieningen, zoals een driewiel-fiets, worden verstrekt. Deze middelen moeten eraan bijdragen de cliënt zich kan verplaatsen en op die manier sociale contacten kan onderhouden en (blijven) deelnemen aan de samenleving. Een structurele vervoersop-lossing, zoals een auto-aanpassing, valt niet onder dit resultaatsveld. Collectief vervoer gaat in principe voor op een maatwerkvoorziening. Een rolstoel wordt alleen verstrekt voor niet-incidenteel gebruik en wanneer de Wlz geen passende oplossing biedt. De rolstoel is bedoeld om zich te verplaatsen met een snelheid en bereik zoals dit gebruikelijk is met lopen en is vooral bedoeld voor dagelijks zittend gebruik. Als de belanghebbende drie of meer dagen in de week is aangewezen op vervoer per scootmobiel, kan deze als maatwerkvoorziening worden verstrekt. Bij gebruik minder dan 3 dagen per week volstaat de scootmobielpool, mits dit een passende oplos-sing is voor het vervoersprobleem van de belanghebbende.

 

Als openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk en bruikbaar is, dan kan de betreffende persoon in aanmerking komen voor een Collectief Vraagafhankelijk Vervoer-pas (CVV-pas). Met deze pas kan tegen betaling van het gebruikelijk openbaar vervoerstarief gereisd worden. Het instaptarief en vast tarief per kilometer staan uitge-werkt in het Financieel Besluit. Per rit kan maximaal in een straal van 25 km gereisd worden vanaf de woon-plaats. Daarnaast zijn er puntbestemmingen waar cliënten uit alle gemeenten met de CVV-pas naar toe kunnen reizen, namelijk de volgende steden: Harlingen (behalve voor Harlingers zelf), Sneek, Leeuwarden en de crema-toria in Goutum en Marsum.

 

Als algemene richtlijn geldt dat ongeveer 1500-2000 km per jaar toereikend is om in verreweg de meeste geval-len de beperkingen in mobiliteit weg te nemen. Deze richtlijn wordt gezien de ondergrens voor vervoersvoor-zieningen volgens vaste rechtspraak6. Let wel, hier bestaan uitzonderingen op. In sommige gevallen kan het zijn dat er meer vergoedbare kilometers zijn. Dit moet echter blijken uit onderzoek. Belangrijk is dat de cliënt in zo’n geval met concrete verifieerbare gegevens aannemelijk kan maken dat in zijn geval de vervoersbehoefte groter is dan de 1500-2000 km-norm per jaar. Voor verplaatsingen buiten de regio (dus buiten een straal van 25 km of de bovengenoemde steden) kan bovenregionaal vervoer worden gebruikt, te weten: de Valys (in opdracht van het ministerie VWS).

 

M2: Zich ontwikkelen in het kader van wonen, sociale activering en zinvolle dagbesteding

Dit resultaat richt zich vooral op zinvolle dagbesteding voor cliënten die als gevolg van lichamelijke en/of ver-standelijke beperkingen niet kunnen participeren of deelnemen aan gewoon werk of begeleid werk. Om dit resultaat te bereiken kan belevingsgerichte of arbeidsmatige dagbesteding worden ingezet. Deze activiteiten vallen doorgaans onder de bouwsteen Participatie Regulier.

 

Belevingsgerichte dagbesteding is vooral bedoeld voor de VG-doelgroep, al is er bij meervoudigheid vaak ook sprake van een lichamelijke beperking. Deze cliënten hebben vooral baat bij zingevende activiteiten van een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat. Deze activitei-ten zijn aangepast aan de mogelijkheden en interesses van de cliënt en bestaan veel uit handvaardigheid, ex-pressie, beweging en sociale beleving.

 

De LG-doelgroep en enkelvoudige VG hebben vaak ook baat bij arbeidsmatige dagbesteding. Daar krijgt men op het eigen niveau activiteiten aangeboden met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst. Deze activiteiten vinden plaats in groepsverband maar zijn wel zo veel mogelijk afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt. Ook is hier persoonlijke aandacht voor ontwikkeling naar een mogelijke integratie in de samenleving.

 

M3: Herstel van problematiek en bevordering van maatschappelijke integratie

Dit resultaat richt zich in het bijzonder op cliënten in de geestelijke gezondheidszorg, psychiatrie en versla-vingszorg onder de 65 jaar. Meestal in de vorm van een dagbesteding, die meestal wordt georganiseerd met een bouwsteen Participatie Regulier.

 

Cliënten die kampen met langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijkse leven hebben niet genoeg aan algemene individuele begeleiding. Voor deze doelgroep bestaan specifieke programma's die vooral gericht zijn op handhaven, maar soms ook activerende elementen bevatten. Het doel van individuele activering is om de cliënt te ondersteunen bij de sociale participatie en een mogelijke integratie in de samenleving. Dit blijft vaak achter als gevolg van matige/zware (invaliderende) beperkingen in de sociale redzaamheid die samenhangen met langdurige psychische stoornissen. Het accent ligt bij dit resultaat dus op de activerende elementen van deze begeleidingsvorm.

 

De arbeidsmatige dagbesteding is voor een specifieke doelgroep die moeite heeft om maatschappelijk te parti-ciperen, zeker door arbeid, maar wel structuur nodig heeft om niet terug te vallen. Het betreft hier activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt. Ook is hier persoonlijke aandacht voor ontwikkeling naar een mogelijke integratie in de samenleving.

 

De arbeidsmatige activiteiten hebben betekenis in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden, bijvoorbeeld gericht op het opdoen van arbeidservaring of het toeleiden naar een (on-)betaalde baan. Met een stimulerend leer- en oefenmilieu worden arbeidsvaardigheden aangeleerd en onderhouden. De activiteiten zijn uiteindelijk gericht op “herstel” van cliënten met psychiatrische en/of psychi-sche problemen (rehabilitatie).

 

Hoofdstuk 5: Vormen van verstrekking

5.1 Inleiding

Wanneer blijkt dat iemand ondersteuning behoeft op één of meerdere resultaatsvelden worden doelen gefor-muleerd. Deze doelen worden in samenspraak met de cliënt geformuleerd. Om deze doelen te behalen kunnen verschillende voorzieningen verstrekt worden en in verschillende vormen. In de kern kan ondersteuning mid-dels twee vormen van verstrekking plaatsvinden: zorg in natura (ZIN) en het persoonsgebonden budget (pgb). Om herhaling van het vorige hoofdstuk te voorkomen staan we in dit hoofdstuk voornamelijk stil bij de vormen van verstrekking.

 

Het uitgangspunt is dat ondersteuning zoveel mogelijk als ZIN wordt aangeboden. De reden hiervoor is dat de Dienst als contractspartij meestal meer mogelijkheden heeft om ondersteuning voordelig(er) in te kopen, dan een individuele cliënt. Desondanks kan een cliënt ervoor kiezen om niet ZIN, maar een pgb aan te vragen waarmee hij zelf de benodigde ondersteuning inkoopt. Dit is een recht dat is verankerd in de Wmo 2015 en waar de cliënt op gewezen moet worden. Voor het aanvragen van een pgb gelden echter wel aanvullende eisen en criteria. Deze worden in een aparte paragraaf besproken. Let wel, het pgb kan niet voor alle ondersteu-ningsvormen aangevraagd worden zoals een crisissituatie. Beschermd Wonen wordt apart uiteengezet. Reden hiervoor is dat deze voorziening is gebaseerd op de beleidsregels van de centrumgemeente Leeuwarden.

 

Het aanbod van een maatwerkvoorziening wordt, als daar aanleiding toe is, o.a. afgestemd is op de omstandig-heden en mogelijkheden van het individu, zorg die iemand op grond van de Zorgverzekeringswet ontvangt, jeugdhulp, onderwijs of scholing die cliënt zou kunnen volgen, betaalde werkzaamheden, ondersteuning uit de Participatiewet en de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliënt7.

 

In de kern is het ZIN-aanbod als volgt opgebouwd:

  • Groepsbegeleidingsvormen

  • Individuele begeleidingsvormen

  • Kortdurend verblijf als respijtzorg

  • Hulp bij het huishouden

  • Woningaanpassingen

  • Individuele vervoersvoorzieningen

  • MOVO-begeleiding

  • Mantelzorgwaardering en –ondersteuning

 

5.2 Zorg in natura (ZIN)

In de praktijk komt tijdens het gesprek met de cliënt de specifieke activiteiten en middelen naar voren waar de cliënt behoefte aan heeft. De keus voor een activiteit of middel wordt inhoudelijk onderbouwd in het onder-steuningsplan. Dit vormt de leidraad waar de aanbieder zijn uitvoering op moet afstemmen en geeft de cliënt houvast in zijn ondersteuning.

 

5.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

Wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan kan een cliënt in aanmerking komen voor een pgb. Dit zijn middelen waarmee zelf ondersteuning ingekocht kan worden. De cliënt ontvangt dit pgb niet rechtstreeks, maar kan declaraties indienen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) waarmee de geleverde zorg wordt bekostigd. Dit wordt het trekkingsrecht genoemd. Niet de cliënt, maar de ondersteuner ontvangt de betalingen. Een uitzondering hierop zijn de eenmalige pgb’s. Deze mogen direct verstrekt worden door de Dienst. Eenmalige pgb’s worden vrijwel altijd verstrekt voor een materiële verstrekking.

 

Als de voorwaarden zijn voldaan moet de cliënt samen met de ondersteuner een zorgovereenkomst onderte-kenen. Op de website van de SVB staan voorbeeldovereenkomsten die gebruikt kunnen worden. Na de proce-dure ontvang de cliënt een beschikking waarin medegedeeld wordt of hij een pgb ontvangt. Dan volgt een ondertekening van een zorgovereenkomst tussen de cliënt en de aanbieder. Deze overeenkomst wordt door de SVB arbeidsrechtelijk getoetst en zorginhoudelijk door de backoffice.

 

Wanneer de zorgovereenkomst arbeidsrechtelijk door de SVB is goedgekeurd én zorginhoudelijk door de back-office, ontvangt de cliënt een beschikking.

 

Afwegingskader

De Wmo verplicht het DB om cliënten te informeren over de mogelijkheden voor een pgb te kiezen en de con-sequenties ervan, wanneer iemand daarvoor in aanmerking komt8. Tijdens het intakegesprek of een herindica-tiegesprek moet de medewerker van het gebiedsteam beoordelen of het verantwoord is om een pgb te ver-strekken aan de cliënt. Hierbij gaat het met name om de vraag of de cliënt voldoende in staat is om zijn belangen redelijk te waarderen, de taken die bij het pgb horen voldoende uit te voeren en kan motiveren waarom een pgb noodzakelijk is9. Daarnaast moet gewaarborgd zijn dat de diensten, middelen en voorzieningen die worden ingekocht met een pgb van goede kwaliteit is (veilig, doeltreffend en cliëntgericht). Belangrijk is dat cliënt zelf of met hulp van zijn vertegenwoordiger of sociale netwerk aan deze voorwaarden voldoet. Wanneer iemand met hulp van anderen zijn pgb wil beheren moet in ieder geval duidelijk zijn dat hij wel de regie kan voeren. Een hulpmiddel voor het maken van deze beoordeling is het budgetplan. Dit is een plan waarmee de cliënt aangeeft tegen welke ondersteuning wordt ingeschakeld en wat daarbij de doelen en het tarief zijn.

 

In de verordening staat vastgelegd hoe hoog het pgb-budget maximaal voor een cliënt is. Daarbij wordt onder-scheid gemaakt tussen verschillende categorieën ondersteuners, met elk hun eigen percentage. Hiermee wordt bedoeld dat zij een bepaald percentage van de kostprijs in natura verstrekt krijgen. Het idee hierachter is dat professionele ondersteuners meer kosten gemaakt worden, dan wanneer iemand uit het eigen netwerk onder-steuning levert. Hierbij valt o.a. te denken aan kosten voor overhead, huisvesting en voorzieningen.

 

Het pgb mag de kosten van een maatwerkvoorziening in natura niet overstijgen. Dit vormt echter geen grond om af te wijzen wanneer de cliënt eventuele meerkosten zelf wil dragen. In een dergelijk geval is de Dienst verplicht om een pgb toe te kennen, mits alle andere voorwaarden ook zijn voldaan.

 

5.4 Financiële tegemoetkoming

De wet maakt het mogelijk om in het beleid te regelen dat een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten van maatwerk voorzieningen. In de verordening is vastgelegd dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor aannemelijke meerkosten voor personen met een beperking of chronische problematiek. Met de afschaffing van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) is ervoor gekozen om de vrijgekomen middelen anders in te zetten. Een deel van de middelen is ondergebracht bij de bijzondere bijstand en het andere deel is benut om de collectieve zorgverzekering voor minima te financieren (AV Friso). Om kosten te compenseren die minder logisch in een zorgverzekering passen (zoals extra energiekosten) is onder voorwaarden een beroep op de individuele bijzondere bijstand mogelijk.

 

5.5 Beschermd wonen en opvang

Voor een cliënt met psychische of psychosociale problemen of voor een inwoner die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen (BW) en maatschappelijke opvang en vrouwenopvang (MO-VO). Het bieden van beschermd wonen en opvang dient op grond van de wet altijd middels maatwerk bereikt te worden. De uitvoering van deze wettelijke taak leidt dan ook altijd tot onderzoek en een beschikking. De taak om opvang als algemene voorziening en BW aan te bieden, is belegd bij de centrumgemeente Leeuwarden. Het bieden van ambulante MOVO-begeleiding is een taak die door Noordwest Friesland wordt opgepakt. De gebiedsteams vormen wel de doorverwijzing naar BW en de opvang. De beleidsregels van de centrumgemeente Leeuwarden zijn opgenomen als bijlage.

 

Hoofdstuk 6: Beschikking

 

De beschikking vormt het sluitstuk van de procedure. Na het maken van een aantal afwegingen wordt in de beschikking het besluit vastgelegd om (g)een maatwerkvoorziening toe te kennen en wat voor voorziening en in welke vorm dit dan is. De cliënt kan aan de beschikking rechten ontlenen en daarom is het van belang dat in de beschikking in ieder geval aan de volgende onderdelen bevatten:

  • De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 moet correct worden toegepast

  • In de beschikking wordt aangegeven of een voorziening in natura of pgb wordt verstrekt

  • Hoe bezwaar tegen de beschikking gemaakt kan worden

  • Het (beoogde) resultaat van de te verstrekken voorziening

  • De ingangsdatum en duur van de verstrekking

  • Hoe de voorziening wordt verstrekt

  • Welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn

  • Of een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is en de uitgangspunten die daarbij worden gehan-teerd (zoals de kostprijs van voorziening)

  • Het besluit moet goed gemotiveerd worden. Zo moet blijken waarom een bepaalde voorziening niet of wel wordt toegekend

  • De beschikking moet begrijpelijk zijn voor niet-juridisch geschoolden

  • De verwoording mag eenvoudig, maar de boodschap mag niet veranderen. De strekking van de be-schikking moet hetzelfde blijven10.

 

Voor een pgb geldt aanvullend:

  • Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb

  • De hoogte van het pgb en hoe dit tot stand is gekomen

  • De duur van de verstrekking en waarvoor het pgb is bedoeld

  • De wijze van verantwoording en besteding van het pgb

  • Of een eigen bijdrage is verschuldigd en op welke uitgangspunten deze is gebaseerd

 

Onderzoeksplan als motivatie

De motivering van de beschikking leunt op de bevindingen en uitspraken uit het onderzoeksplan. Om dit ken-baar te maken aan de cliënt wordt in de beschikking verwezen naar het onderzoeksplan en wordt dit plan als bijlage meegezonden.

 

Wijkverpleging

Vanaf 1 januari 2015 is de wijkverpleegkundige verantwoordelijk voor het stellen van de indicatie en de zorg-toewijzing, en niet meer het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Dat betekent dat mensen rechtstreeks of bijvoorbeeld via hun huisarts, Wmo-loket of gezondheidscentrum contact op kunnen nemen met een wijkver-pleegkundige. Zij (of hij) beoordeelt dan samen met de cliënt wat er nodig is aan verpleegkundige zorg om langer thuis te kunnen wonen. Samen wordt de zorgvraag verhelderd, de wijkverpleegkundige stelt een ver-pleegkundige diagnose en geeft de indicatie voor zorg.

 

Deze veranderingen zijn vastgelegd in de Zorgverzekeringswet. De functies extramurale verpleging en persoon-lijke verzorging uit de AWBZ zijn opgenomen in het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Beide func-ties vallen dan onder de nieuwe aanspraak 'wijkverpleging'.

Bijlage I: Afbakening Wmo, Wlz en Zvw

 

De afbakening tussen de Wmo, Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) is vastgelegd in wetgeving. Deze afbakening maakt geen deel uit van de beleidsregels omdat gemeenten hier geen beleidsvrij-heid in hebben. Hieronder volgt een korte uiteenzetting om de kernafbakening tussen Wmo en Wlz. Belangrijk: voor een actueel en volledig beeld is het belangrijk om landelijke wetgeving en publicaties te raadplegen.

 

Afbakening met de Wet langdurige zorg

Op grond van art. 2.3.5 lid 6 Wmo kunnen aanvragen voor een Wmo-voorziening afgewezen worden als de aanvrager aanspraak maakt (of kan maken) op een Wlz-voorziening. Zolang de betreffende persoon nog geen Wlz-ondersteuning ontvangt is het de verantwoordelijkheid van de gebiedsteams en Dienst om hier passende cliëntenondersteuning aan te bieden. Ook cliënten die al een Wmo-voorziening hebben mogen aangespoord worden om een Wlz-voorziening aan te vragen als het vermoeden dat zij hier recht op hebben. Wanneer een cliënt recht heeft op een Wlz-voorziening maar dit na te zijn geïnformeerd nalaat, dan zijn in het uiterste geval de consequenties voor zijn eigen risico. Het DB kan in een dergelijke situatie een Wmo-voorziening weigeren, mits ggoed gemotiveerd. Er is ruimte voor maatwerk, al heeft de wetgever wel beoogt de Wlz als voorliggend te beschouwend.

 

Om toegang te krijgen tot de Wlz moet één van de volgende twee criteria zijn voldaan: (1) er is langdurige zorg nodig, waarbij er 24 uur zorg in uw nabijheid aanwezig moet zijn, of (2) er is langdurige zorg nodig, waarbij permanent toezicht noodzakelijk is. De Wlz-doelgroep heeft vaak een hoog zorgprofiel, vergelijkbaar met de voormalige hoge zorgzwaartepakketten en intensieve zorg zonder verblijf. Er is sprake van behoefte aan ‘per-manente toezicht of zorg in de nabijheid’ wanneer er ernstig nadeel voorkomen moet worden. Kortom, de cliënt loopt een zonder deze 24 uursbegeleiding een reel risico op zich maatschappelijk ten gronde te richten, zichzelf in ernstige mate (dreigen) te verwaarlozen, ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt te lopen, ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad, of dat de veiligheid in het geding is (ook als cliënt het risico loopt om invloed van een ander te raken)11.

 

Belangrijk is dat psychische belemmeringen op zichzelf géén grondslag vormen om voor een Wlz-voorziening in aanmerking te komen. Deze gevallen moeten ondersteuning ontvangen vanuit de Wmo of de Zvw. Er kan pas een beroep worden gedaan op de Wlz wanneer iemand voldoet aan een van de bovengenoemde criteria én een van de volgende beperking of aandoening heeft: somatische, psychogeriatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap12.

 

Afbakening met de Zorgverzekeringswet

Mensen die persoonlijke verzorging nodig hebben kunnen soms in aanmerking voor een voorziening uit de Zwv of de Wmo. Welke wet van toepassing is ervan af om welke persoonlijke verzorging het betreft. Persoonlijke verzorging binnen de Wmo is gericht op algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Hierbij valt te denken aan: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact. Het gaat bij persoonlijke verzorging op grond van de Wmo niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de cliënt, maar om de begeleiding hierbij. Het gaat dus om cliënten die zichzelf wel kunnen wassen en aankleden en dergelijke, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben, bijvoorbeeld cliënten met een verstandelijke handicap of een psychiatrische aandoening.

 

Dit betekent dat de aanspraak op persoonlijke verzorging verband houdt met de zelfredzaamheid en in het verlengde ligt van begeleiding. Bij dit criterium komt het aansporen tot een handeling nadrukkelijk aan bod. Persoonlijke verzorging onder de Wmo betreft het ondersteunen bij de handelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen met een zintuiglijke, verstandelijke of psychiatrische beperking. De cliënten hebben begeleiding nodig bij handelingen van meerdere gebieden van het dagelijks leven.

 

Onder begeleiding wordt verstaan 'activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het gaat dus om hulp in het dagelijks leven om zelfstandig te kunnen leven. Het voorbeeld om een cliënt te helpen met naar de toilet gaan valt onder de Zvw, maar in het geval dat cliënt tijdens de dagbesteding naar het toilet moet valt onder de Wmo. Deze handeling ligt in het verlengde van begeleiding

 

Een cliënt kan voor persoonlijke verzorging een beroep doen op de Zvw wanneer er behoefte is aan genees-kundige zorg of een hoog risico daarop. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die plegen te bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg. Kortom, bij nieuwe cliënten moet er altijd als eerste gekeken worden naar het begrip geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Is hiervan sprake dan ontvangt de cliënt meteen zorg op grond van de Zvw. Is er geen sprake van geneeskundige zorg moet er gekeken worden naar de criteria zelfredzaamheid in samenhang met begeleiding. Is dit het geval dan wordt de zorg geregeld op grond van de Wmo.

 

Voor de Zorgverzekeringswet geldt dus het criterium van de behoefte aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Voor de Wmo 2015 geldt daarentegen het criterium voor de behoefte aan ondersteuning voor zelfredzaamheid. Dat moet worden vastgesteld volgens een zorgvuldig onderzoek

Bijlage II: beleidsregels Beschermd Wonen van de centrumgemeente

Leeuwarden voert als centrumgemeente het BW-beleid voor heel Friesland uit, ook Noordwest Friesland. In de beleidsregels staan de volgende bepalingen opgenomen die ook geldig zijn voor Noordwest Friesland:

 

Inleiding

Vanaf 1 januari 2015 is de centrumgemeente Leeuwarden verantwoordelijk voor het bieden van Beschermd wonen voor de regio Friesland. Deze regionale taak is belegd bij Sociaal Domein Fryslân (SDF). De gemeente Leeuwarden koopt namens de 24 Fries gemeenten beschermd wonen in en draagt zorg voor de toegang en het afgegeven van een beschikking.

 

Overgangsregime

Voor cliënten die voor 1 januari 2015 al een indicatie voor een GGZ C pakket hadden is er sprake van over-gangsrecht. Voor cliënten die Zorg in Natura afnemen geldt dat zij voor een periode van vijf jaar hun indicatie behouden. Voor cliënten die gebruikmaken van het PGB geldt dat zij gedurende een periode van één jaar, dit betrof 2015, recht hadden op verzilvering middels PGB. In een herbeoordeling wordt gekeken of een PGB nog past bij de situatie en/of hun indicatie in natura verzilverd kan worden.

 

Toegang

Een cliënt wordt aangemeld voor beschermd wonen bij het wijk- of gebiedsteam van de gemeente waar deze persoon woont of stroomt door vanuit een andere opvang of behandelsetting. Het wijk- of gebiedsteam bekijkt samen met de cliënt en een eventuele huidig betrokken aanbieder welke hulpvraag er is en of beschermd wo-nen noodzakelijk is. Iemand moet hiervoor voldoen aan de criteria voor beschermd wonen.

 

Als er sprake is van een noodzaak tot beschermd wonen, vult de sociaal werker van het wijk- of gebiedsteam, eventueel met de zorgaanbieder, een indicatie adviesformulier voor beschermd wonen in. Dit advies wordt getoetst door de gemeente Leeuwarden of een daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie (MO-zaak). Deze organisatie geeft een beschikking af waarmee de cliënt formeel toegang tot Beschermd Wonen krijgt. Wanneer iemand al in zorg is bij een aanbieder voor beschermd wonen kan de aanbieder ook het indicatie adviesformu-lier invullen en opsturen. Hierbij is afstemming met het wijk- of gebiedsteam noodzakelijk.

 

Beschermd Wonen is een landelijk toegankelijke voorziening, dat betekent dat cliënten in principe te allen tijde gebruik kunnen maken van de voorziening. Uitgangspunt is wel dat cliënten zo veel mogelijk uit de regio Fries-land, Groningen of Drenthe komen. Indien de cliënt geen binding met de regio heeft wordt in samenspraak tussen cliënt, zorgaanbieder en de betrokken wijk- of gebiedsteams gezocht naar mogelijkheden om de cliënt te plaatsen in een Beschermde Woonvorm in de regio van herkomst.

 

Afwegingskader

Om voor Beschermd wonen in aanmerking te komen, dient aan een aantal criteria te worden voldaan.

Dit zijn:

  • 1.

    Psychiatrische problematiek

  • 2.

    Geen voorliggende voorziening beschikbaar

  • 3.

    Noodzaak tot verblijf in een 24-uurs setting

  • 4.

    Geclusterde setting

  • 5.

    Onplanbare zorg

  • 6.

    Contactmomenten

 

Ad 1.

  • Om in aanmerking te komen voor een indicatie beschermd wonen moet een cliënt behoefte hebben aan beschermd wonen vanwege zijn psychiatrische problematiek. Deze problematiek dient vastgesteld te zijn door een daartoe bevoegd deskundige die onafhankelijk van het zorgaanbod een diagnose ge-steld heeft die niet ouder is dan twee jaar.

  • De cliënt heeft een behoefte aan een beschermde woonvorm en kan niet zelfstandig wonen.

  • Er is geen sprake van voorliggende voorziening binnen de Zorgverzekeringsweg (ZVW- behandeling met wonen). Wanneer sprake is van een noodzaak tot behandeling die integraal onderdeel is van het wonen of bij gevaren voor de cliënt en/of zijn omgeving geldt dat er aanspraak bestaat op verblijf van-uit de Zorgverzekeringwet.

Ad 2.

  • Er is geen sprake van een voorliggende voorziening in het kader van de Wet Langdurige Zorg

  • (WLZ - verstandelijke of lichamelijke beperking). Voor cliënten met psychiatrische problematiek waarbij sprake is van bijkomende problematiek zoals een verstandelijke beperking en een behoefte aan le-venslange beschermende woonomgeving wordt kritisch gekeken naar een mogelijkheid om binnen de Wet langdurige Zorg te verblijven. Voor 2015 geldt dat instroom in de Wet langdurige zorg alleen mo-gelijk is indien een andere beperking dan de psychische beperking de boventoon voert.

  • Daarnaast is er geen sprake van ambulante thuisondersteuning.

 

Ad 3.

  • De toelating tot beschermd wonen (via centrumgemeente) kan voor nieuwe cliënten alleen nog be-staan uit verblijf in een 24-uurs setting (woning van zorginstelling). Het gaat dan om mensen die (nog) niet in staat zijn of (nog) onvoldoende regie hebben om alle organisatorische en financiële aspecten rondom het huren van een eigen woning te verzorgen. Dit vanuit de persoonlijke problematiek en niet vanuit externe zaken zoals (belasting)schulden of zwarte lijst woningcorporatie e.a. Voorgaande bete-kent dat geen toelating tot beschermd wonen wordt afgegeven indien de klant in staat is om zelfstandig te blijven wonen, dan wel een uitdrukkelijke wens hiervoor heeft uitgesproken.

  • De vraag wordt hier gesteld of er sprake is van een behoefte op het gebied van ambulante ondersteu-ning of beschermd wonen. Meer specifiek is de vraag als volgt te benaderen: Een cliënt kan zelfstandig wonen (eventueel met ambulante ondersteuning) als hij in staat is zich op de volgende gebieden te handhaven:

    • a.

      Zelfverzorging; kan zichzelf verzorgen (persoonlijke verzorging, hygiëne, lichamelijke en geestelijke gezondheid (inclusief medicatie innemen).

    • b.

      Financieel redzaam; kan weekbudget (laten) beheren, geld wordt besteed aan voeding of andere noodzakelijke kosten van bestaan.

    • c.

      Kan een hulpvraag stellen indien hij ondersteuning wenst.

    • d.

      Kan een hulpvraag uitstellen; bijvoorbeeld naar de volgende dag om het spreekuur te be-zoeken/planbare zorg.

    • e.

      Is sociaal redzaam; is in staat sociale contacten aan te gaan en te begrenzen (niet vereen-zamen en geen grensoverschrijdend gedrag en overlast, ook niet van personen uit het net-werk die in de woning komen)

 

Ad 4.

  • Meerdere cliënten (minimaal 3) wonen op maximaal 100 meter van elkaar wonen met de mogelijkheid om van een gezamenlijke ruimte gebruik te maken.

 

Ad 5.

  • Cliënten die zorg nodig hebben kunnen 24 uur per dag een beroep doen op de begeleiding. De moge-lijkheid om onplanbare zorg te leveren, binnen afzienbare tijd (snelle respons: 15 minuten) en 24 uur per dag;

 

Ad 6.

  • Er zijn meerdere contactmomenten per dag tussen zorgaanbieder en cliënt.

  • Voor cliënten die onder het overgangsrecht vallen en deze verzilveren in de vorm van een PGB geldt een uitzondering voor wat betreft de verzilvering in een verblijfssetting. Zij kunnen hun PGB ook in de thuissituatie verzilveren, als deze situatie zich al voordeed voordat de gemeente verantwoordelijk werd voor de uitvoering van Beschermd wonen.

  • Voor cliënten die niet onder het overgangsrecht vallen, kan in uitzonderlijke situaties met een beroep op de hardheidsclausule een uitzondering worden gemaakt voor de verzilvering in een verblijfssetting. Argumenten hiervoor kunnen zijn: een ontbrekend zorgaanbod in natura (bij gecontracteerde aanbie-der), specifieke cliëntkenmerken zoals leeftijd of burgerlijke staat die wonen in een 24 uurs setting niet passend maken.

 

Verstrekking van voorziening

Binnen beschermd wonen met verblijf kunnen de volgende producten worden afgenomen:

  • 1.

    Beschermd wonen met verblijf

  • 2.

    Beschermd wonen met verblijf voor eigen rekening

  • 3.

    Beschermd wonen onder overgangsrecht

 

Onder beschermd wonen met verblijf worden vier diensten geleverd. Dit zijn;

  • a.

    Beschermd wonen inclusief verblijf

  • b.

    Dagbesteding beschermd wonen

  • c.

    Nazorg beschermd wonen

  • d.

    Afwezigheidsdag Beschermd wonen

 

Ad a. Beschermd wonen inclusief verblijf

Bij beschermd wonen met verblijf is er sprake van een viertal pakketten die differentiëren naar zorgzwaarte. De instelling bepaalt in samenspraak met het wijk- of gebiedsteam de inhoud van het pakket:

 

Pakket 1: Beschermd wonen met intensieve begeleiding (basis) Pagina 32 van 43

 

Deze cliënten hebben vanwege een psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig. Zij hebben een veilige, weinig eisende en prikkelarme woonomgeving nodig die bescherming, stabiliteit en structuur biedt. De begeleiding is met name gericht op het omgaan met de door de ziekte veroorzaakte ‘defecten’.

 

Pakket 2: Gestructureerd beschermd wonen met intensieve begeleiding (basis+ PV)

Deze cliënten hebben een complexe psychiatrische aandoening en daardoor intensieve begeleiding nodig. Zij hebben een structuur en toezicht biedende beschermende woonomgeving nodig, die deels een besloten ka-rakter kan hebben (gecontroleerde in- en uitgang). Er is ondersteuning van taken op alle levensterreinen nodig inclusief hulp vanwege (somatische) gezondheidsbeperkingen.

 

Pakket 3: Beschermd wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering (basis + gedrag)

Deze cliënten hebben door een complexe psychiatrische aandoening intensieve zorg en intensieve begeleiding nodig. De woonomgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden, deels een besloten karakter (gecontroleerde in- en uitgang). Er is ondersteuning en overname van taken op alle levensterreinen nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat sociale relaties te onderhouden en de dag in te vullen. Tot deelname aan het maatschappelijk leven is men niet in staat, noch geïnteresseerd. Cliënten hebben geen besluitneming - en op-lossingsvaardigheden. Initiëren en uitvoeren van eenvoudige en complexe taken moet vaak worden overgeno-men. Ze reizen met begeleiding.

 

Pakket 4: Beschermd wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging (basis + multi -problematiek (VG/LG))

De cliënten hebben vanwege een complexe psychiatrische aandoening, in combinatie met een somatische aandoening, lichamelijke handicap of verstandelijke beperking, intensieve begeleiding en zorg nodig. De woon-omgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden en zijn aangepast aan de beperkingen van de cliënten (b.v. rolstoelgebruik). Er is veelal overname van taken op alle levensterreinen nodig. De cliënten heb-ben ten aanzien van hun sociale redzaamheid dagelijks intensieve begeleiding nodig, die voortdurende nabij is, met daarnaast een sterk gestructureerde dagindeling. Cliënten zijn nauwelijks in staat sociale relaties te onder-houden en de dag in te vullen. Tot deelname aan het maatschappelijk leven is men niet in staat, noch geïnte-resseerd. Geen besluitnemings- en oplossingsvaardigheden. Initiëren en uitvoeren van eenvoudige en com-plexe taken moet vaak worden overgenomen. Ze reizen met begeleiding.

 

Ad b. Dagbesteding beschermd wonen

Dagbesteding kan als onderdeel van het beschermd wonen worden geboden. Dagbesteding kan als ‘extra’ worden toegevoegd aan het pakket rondom het wonen. Het tarief voor dagbesteding kan alleen worden toe-gekend aan de aanbieder van wonen. Invulling van dagbesteding kan indien gewenst elders plaatsvinden. De aanbieder van wonen vervult in dat geval de rol van regisseur en hoofdaannemer.

Per cliënt kunnen maximaal 6 dagdelen dagbesteding worden toegekend.

Het tarief voor dagbesteding Beschermd Wonen is inclusief alle kosten van verblijf en verzorging, vervoer en is incl. BTW.

 

Ad c. Nazorg Beschermd Wonen

Het gaat om de nazorg die in het kader van terugvalpreventie aan cliënten wordt geboden die in een ‘be-schermde omgeving’ hebben gewoond en die zelfstandig zijn gaan wonen. In principe ontvangt de cliënt ambu-lante begeleiding vanuit de WMO (lokale verantwoordelijkheid), maar daarnaast kan gedurende een afgeba-kende periode - die wordt bepaald door het wijk-/gebiedsteam na samenspraak met de zorgaanbieder Be-schermd Wonen - het product nazorg worden geboden. De regie voor het inzetten van deze dienst (inclusief duur en omvang) ligt bij de wijk-/gebiedsteams.

De nazorg bestaat uit:

  • Bereikbaarheid van een vertrouwd aanspreekpunt vanuit de beschermde omgeving die bereikbaar is voor cliënt en andere bij de cliënt betrokken partijen in de ambulante begeleiding

  • Het op verzoek van de cliënt leveren van ‘onplanbare zorg’ binnen afzienbare tijd (respons binnen 15 minuten) Het betreft ‘onplanbare zorg’ die niet door de wijk-/ gebiedsteams kan worden geleverd.

  • Het signaleren van de behoefte om aanvullende ondersteuning in te zetten en het adviseren van het wijk-/gebiedsteam hierover.

 

Doelstelling nazorg:

  • het bieden van een zorgvuldige overgang van een beschermde omgeving naar zelfstandig wonen

  • het ondersteunen bij en toewerken naar zelfstandig wonen

  • het bevorderen van participatie (binnen de wijk/ het gebied)

  • het voorkomen van terugval

 

Het tarief voor nazorg Beschermd Wonen is inclusief alle kosten, waaronder reis- en verblijfkosten en incl. BTW. Pagina 33 van 43

 

Ad d. Afwezigheidsdag Beschermd Wonen

In geval van afwezigheid van een cliënt die beschermd woont, kan de reeds bestaande productcode afwezig-heidsdag Beschermd Wonen in rekening worden gebracht. Hierbij geldt een maximum van 14 dagen. In geval van een opname van de cliënt in ziekenhuis of psychiatrische behandelafdeling geldt een maximum van 42 dagen per jaar.

 

De afwezigheidsdag is niet bedoeld voor proefverlof. In dat geval kan de zorgaanbieder het regulier tarief per etmaal hanteren. Wel dient de zorgaanbieder de cliënt te voorzien van financiële middelen om te kunnen voor-zien in noodzakelijke kosten tijdens het proefverlof bijv. voeding. Het tarief voor de afwezigheidsdag Beschermd Wonen is inclusief alle kosten en incl. BTW.

 

Beschermd wonen met verblijf voor eigen rekening

Beschermd wonen met verblijf voor eigen rekening (van cliënt)is een nieuw ontstane vorm van ondersteuning. Omdat de inhoud en waarde van deze nieuwe vorm van ondersteuning nog niet duidelijk vastligt, is besloten om in de vorm van een pilot voor een periode van 1 jaar met een vijftal aanbieders de mogelijkheden voor deze vorm van ondersteuning te verkennen en een zo passend mogelijke invulling te geven.

Cliënt ontvangt bij doorstroming naar dit perceel een nieuwe beschikking omdat er sprake is van gescheiden wonen en zorg. Door deze scheiding worden alleen de zorgkosten (integraal pakket voor ondersteuning) voor de cliënt, exclusief dagbesteding (zie paragraaf 4) bekostigd.

Dat gebeurt op basis van de hieronder genoemde dienstenpakketten.

De ZZP GGZ-C typologie wordt in 2016 ook hier gehandhaafd als methodiek om toegang en financiering vorm te geven. Het scheiden van wonen en zorg betekent daarbij dat we de volgende nieuwe dienstenpakketten ( zie ook bijlage Beschrijving Dienstenpakketten) hanteren:

  • Zorgdiensten Beschermd wonen met intensieve begeleiding (basis);

  • Zorgdiensten Gestructureerd beschermd wonen met intensieve begeleiding (basis+ PV);

  • Zorgdiensten Beschermd wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering (basis + gedrag);

 

Voor ieder van deze dienstenpakketten geldt dat het tarief inclusief alle kosten van het pakket, maar exclusief de kosten voor dagbesteding moet worden opgegeven.

Cliënten betalen zelf een bedrag voor huur en hotelmatige functies (voeding en schoonmaak) De aanbieder brengt voor het aantal etmalen geleverde zorgdienst aan cliënt in rekening.

15.4.3 Beschermd wonen onder overgangsrecht

 

Hieronder vallen alle cliënten met een overgangsrecht voor Beschermd wonen zodat de zorg die zij ontvangen gecontinueerd wordt. Het overgangsrecht is gerelateerd aan het feit dat de door de cliënt ontvangen beschik-king voor 1 januari 2015 is afgegeven door het Zorgkantoor.

Voor cliënten die vallen onder het overgangsrecht BW geldt dat zij, gedurende de looptijd van het overgangs-recht, recht hebben de zorg zoals zij die geleverd kregen op het moment dat het Zorgkantoor verantwoordelijk was voor de zorginkoop voor Beschermd wonen.

Zij hebben van het Zorgkantoor een beschikking ontvangen voor 1 januari 2015.

Binnen dit perceel worden de zorgzwaartepakketten 1 t/m 4 gehanteerd zoals beschreven op pagina 31/32.

 

Verblijf in het buitenland

Cliënten die hun indicatie Beschermd wonen verzilveren in de vorm van een PGB en voor een maximale perio-de van 13 weken per kalenderjaar in het buitenland verblijven, mogen gedurende die periode ondersteuning inkopen in het buitenland. Het budget wordt aangepast aan de tarieven die gehanteerd worden in het land waar men gedurende deze periode verblijft.

PGB-houders die langer dan 6 weken naar het buitenland gaan en dan hun hulp in het buitenland willen inko-pen, moeten toestemming vragen aan het college.

 

Zorg in natura

Cliënten hebben toegang tot een voorziening in natura. Een cliënt kan gebruik maken van een maatwerkvoor-ziening wanneer hij voldoet aan de beschreven criteria. De cliënt neemt 24 uurs verblijf in een setting van de instelling af en ontvangt een all-inclusive pakket: wonen, hotelmatige voorzieningen, vaste lasten, eten/drinken, zorg (begeleiding, persoonlijke verzorging), welzijnsactiviteiten, dagbesteding etcetera. De instellingen die deze zorg bieden, bieden het volledige pakket. Pagina 34 van 43

 

Instellingen die deze zorg leveren kunnen hun oorsprong hebben in zowel de GGZ, de Maatschappelijke Opvang of een andere achtergrond (sectorvreemd). Daarbij geldt als criterium dat er binnen een instelling die zich primair richt op andere doelgroepen een afgebakende afdeling aanwezig is waar de cliënten met psychiatrische problematiek verblijven in het kader van beschermd wonen.

 

Pgb

Verstrekking in een Persoonsgebonden budget (PGB) is slechts mogelijk wanneer de cliënt kan aantonen dat gebruik van een voorziening in natura niet mogelijk is. Argumenten hiervoor kunnen zijn: een ontbrekend zorg-aanbod in natura (bij gecontracteerde aanbieder), specifieke cliëntkenmerken zoals leeftijd of burgerlijke staat die wonen in een 24 uurs setting niet passend maken. Als dit het geval is dan moet dit goed onderbouwd wor-den aangeven op het indicatie adviesformulier Beschermd Wonen. Hiervoor moet de aanvrager aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dit zijn:

  • hij kan zelf of met hulp van zijn netwerk zijn PGB beheren;

  • hij kan zelf of met hulp van zijn netwerk zijn belangen behartigen;

  • hij kan zelf of met hulp van zijn netwerk de zorginkoop regelen, ook op administratief vlak, waaronder in ieder geval het aangaan van de zorgovereenkomst met de beoogde zorgaanbieder(s) en de afhan-deling van de facturatie;

  • hij is zelf of met hulp van zijn netwerk in staat een budgetplan op te stellen ter ondersteuning van zijn/haar Pgb aanvraag.

  • hij kan zelf of met hulp van zijn netwerk de in te kopen zorg beoordelen op kwaliteit.

 

Let op: Het netwerk is NIET een zorgaanbieder bij wie de cliënt (een deel van) zijn/haar zorg inkoopt of in wil kopen of een sociaal werker uit een wijk- of gebiedsteam. Een mentor, curator of bewindvoerder wordt wel tot het netwerk gerekend.

 

Voor cliënten die vallen onder het overgangsrecht geldt dat de PGB wordt omgezet in Zorg in Natura wanneer de aanbieder is gecontracteerd voor zorg in natura tenzij de cliënt aangeeft zijn PGB te willen behouden. Hij kan dit goed onderbouwd aangeven op het indicatie adviesformulier Beschermd Wonen.

 

Bestaande cliënten (instroom na 1 januari 2015) met PGB beschermd wonen kunnen geen informele zorg inko-pen. Zij hebben al een budget dat is gebaseerd op professionele zorg. Voor cliënten die nieuw instromen (na 1 juli 2016) kan bij uitzondering wel het tarief voor informele zorg gehanteerd worden. Cliënten met een PGB beschermd wonen kunnen niet vanuit hun thuis situatie beschermd wonen inkopen. Wel kan bij uitzonderlinge situaties gebruik gemaakt worden van de hardheidsclausule).

Redenen om geen Pgb toe te kennen

In de volgende gevallen wordt geen Pgb toegekend:

  • Als een cliënt in de schuldsanering zit

  • Als onvoldoende is aangetoond dat de cliënt voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden;

  • Als in het verleden sprake is geweest van fraude;

  • Als er sprake is van verslaving.

 

Tarief

De hoogte van een Pgb kan nooit hoger zijn dan de tarieven die worden afgesproken met zorgaanbieders van Natura Zorg. Het tarief staat in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2016.

 

Eigen Bijdrage

Voor de maatwerkvoorzieningen, waaronder Beschermd Wonen, geldt dat cliënten een eigen bijdrage betalen. De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt berekend conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2016. Daarbij dient de cliënt altijd minimaal de zak- en kleedgeldnorm uit de Wet Werk en Bijstand te ontvangen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt wanneer de cliënt, naar het oordeel van het college, verzuimt om waar mogelijk gebruik te maken van wetten en regelingen die het inkomen aanvullen. Wanneer de gemeente de bijdrage van een cliënt om persoonlijke omstandigheden van een cliënt onredelijk vindt kan het college beslui-ten de bijdrage te verlagen.

 


1

Tollenaar, A. (2002). Gemeentelijk beleid en beleidsregels. De toegevoegde waarde van beleidsregels voor de kwaliteit van de gemeentelijke beschikkingverlening

2

Klap, A.P (2014). Rechterlijke toetsing aan vage normen in Nederland en Duitsland

3

Artikel 3:46 Awb

4

ECLI:NL:CRVB:2013:2390, ECLI:NL:CRVB:2013:2394, ECLI:NL:CRVB:2013:2395

5

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265

6

ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463

7

Art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015, lees voor meer informatie hierover Handreiking. Identiteitsgebonden Hulpverlening. (VNG, 2014)

8

Kamerstukken II 2013/2014, 33 841, nr. 3, p.37

9

Art. 2,3,6 lid 2 Wmo 2015

10

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0244

11

Art. 3.2.1 lid 2 sub c Wlz

12

Art. 3.2.1 lid 1 Wlz

Naar boven