Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling
Een algemene toelichting op deze uitvoeringsregeling is te vinden in het Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden op de SNN website.
Inleiding
Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in Noord-Nederland in de periode 2014-2020.
Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op 15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van het OP EFRO.
In de verordening 1303/2013, die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere) het EFRO, zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daar invulling aan in de vorm van een subsidietender. Voor de bepaling of een project voor subsidie in aanmerking komt zijn al deze bepalingen van belang.
Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze Tender D zich richt op specifieke doelstelling D van het OP: ‘Een hoger aandeel van de innovaties in Noord-Nederland is gericht op CO2-reductie (binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen)’. In essentie betekent dit dat het daadwerkelijk realiseren en valoriseren van innovaties binnen het MKB centraal staat. Tender C is analoog aan Tender D, met als verschil dat het bij Tender D gaat om innovaties gericht op CO2-reductie.
De RIS3 is de ‘Research & Innovation Strategy for Smart Specialization’, een overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda (NIA).
Kenmerkend voor RIS3 en NIA is het uitgangspunt te werken aan grote maatschappelijke vraagstukken, de maatschappelijke uitdagingen. Voor deze Tender worden MKB-bedrijven uitgedaagd om te komen met innovaties voor de vier maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3: uitdagingen die spelen binnen de domeinen Gezondheid, demografie en welzijn; Voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie; Zekere, schone en efficiënte energie; en Schone, veilige watervoorziening. Deze domeinen moeten niet opgevat worden als een sectorale afbakening. Bedrijven uit elke sector worden uitgenodigd te innoveren binnen deze vier domeinen.
Gezocht wordt naar innovaties die (inter-)nationaal onderscheidend en vernieuwend zijn. Voor het betrokken bedrijf (of bedrijven) is de innovatie van strategisch belang en zorgt het project ervoor dat innovatie een structureler onderdeel wordt van de organisatie, wat tot uiting komt in de business case. Het gaat dus niet om het aanbrengen van een kleine verbetering in het bedrijfsproces of een beperkte aanpassing van een bestaand product. Het realiseren van innovaties wordt in het OP EFRO uitgewerkt aan de hand van twee concepten: de Innovatiepiramide en het Technology Readiness Level, of TRL-model.
De innovatiepiramide, zoals opgenomen in het OP, deelt bedrijven in in vijf categorieën: koplopers, ontwikkelaars, toepassers, volgers en niet-innovatieven. Op grond van onderzoek waaruit blijkt dat Noord-Nederland relatief veel volgers en relatief weinig toepassers en ontwikkelaars kent, is het OP erop gericht om volgers toepassers te laten worden en toepassers ontwikkelaars te laten worden. Dit krijgt in het OP EFRO vorm door de aandacht te richten op die criteria die maken dat volgers volgers zijn en toepassers toepassers zijn. Dit betekent dat met de Tender wordt beoogd om MKB-bedrijven die open staan voor innovaties en ideeën hebben, maar nog niet innoveren, deze ideeën daadwerkelijk om laten te zetten in innovaties. Het kan daarbij gaan om nieuwe producten of diensten, maar ook om procesinnovaties. Daarnaast wordt beoogd bedrijven die al wel innoveren, maar dit vooral doen door innovaties te adopteren, zelf op eigen kracht te laten innoveren.
In het TRL-model worden negen verschillende fases onderscheiden in het innovatieproces, beginnend met fundamenteel onderzoek (TRL1), tot en met marktintroductie van een nieuw product of nieuwe dienst (TRL9). Met de Tender wordt ingezet op die stadia die zich voorafgaand aan de marktintroductie bevinden: TRL 5 tot en met TRL 7:
• TRL5: Validatie van een prototype
• TRL6: Demonstratie van een prototype in een testomgeving
• TRL7: Demonstratie van een prototype in een operationele omgeving
Het is niet uitgesloten dat activiteiten uit andere TRL-niveaus ook onderdeel uitmaken van een project. Het zwaartepunt van een project moet echter liggen op TRL 5 tot en met 7. Bij een aanvraag dient expliciet onderbouwd te worden dat het betreffende project betrekking heeft op deze TRL-niveaus.
Projecten die voor subsidiëring vanuit de Tender in aanmerking komen bevinden zich relatief dicht bij de markt. Het gaat niet om de oplossingen van de toekomst, maar om de oplossingen van morgen. Uitgangspunt is dat activiteiten waarvan mag worden verwacht dat die door ‘de markt’ worden opgepakt en gefinancierd ook door ‘de markt’ worden opgepakt en gefinancierd. In praktijk komt dit erop neer dat ondersteuning vanuit het OP kan reiken tot daar waar de staatssteunnormen dit toelaten.
In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te ondersteunen initiatieven.
In elk geval een deel van het OP EFRO wordt opengesteld via zogenoemde tenders, waarbij het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open staat en een vast sluitingsmoment kent. De onderhavige ‘OP EFRO Tender Valorisatie D 2017’ en ook de gelijktijdig open te stellen ‘OP EFRO Tender Valorisatie C 2017’ geven de verdere invulling aan genoemde manier van uitvoering van het programma.
Kenmerkend voor een tender is dat aanvragen in de openstellingsperiode kunnen worden ingediend en na afloop van deze periode (tegelijkertijd) worden beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Vervolgens ontvangen de projecten die niet op (afwijzings-)criteria zijn afgewezen op volgorde van puntenaantal subsidie, totdat de subsidie is verdeeld en het plafond is bereikt.
Bij het uitvoeren van deze tender wordt gebruik gemaakt van een deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert.
De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN) over de subsidietoekenningen. Het DB SNN neemt vervolgens een besluit. Het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid mandateren aan de Bestuurscommissie Economische Zaken van het SNN (BC EZ).
Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan, daarna volgt op alle aanvragen die compleet zijn op het moment van sluiting van het loket een toets waarbij wordt beoordeeld of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria (de rankingscriteria) voor subsidie in aanmerking te komen, dus of er geen sprake is van afwijzingsgronden. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de maximaal gevraagde subsidie en de uitvoeringsperiode. In deze fase wordt ook getoetst of het project past binnen het opengestelde deel van het programma, dat wil zeggen voldoende bijdraagt aan specifieke doelstelling D van het OP EFRO. Indien het project aan deze criteria voldoet, dan wordt het in de derde fase voorgelegd aan de deskundigencommissie.
De deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en geeft advies ten aanzien van de ranking.
De beoordeling wordt uitgedrukt in kwalitatieve scores die verschillende gradaties kennen: uitstekend, goed, voldoende, neutraal en onvoldoende. Uit toekenning van de kwalitatieve score volgt automatisch een kwantitatieve score, die maximaal 100 punten kan zijn (zie art. 9 lid 3). Op basis van de totaalscores worden projecten onderling gerankt en wordt de ranking met toelichting als advies voorgelegd aan het DB SNN.
Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator.
Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten.
Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden gestaafd.
Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1Begripsomschrijvingen
Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling aan wordt gerefereerd. De herkomst van de definities is weergegeven waar dat van toepassing is.
Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP EFRO Noord-Nederland en daarmee deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve oplossingen voor één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3 zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het gebied van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, duurzame landbouw en bio-economie, zekere, schone en efficiënte energie en schone, veilige watervoorziening.
Verder is van belang op te merken dat een deel van de definities, gericht op onderzoek en ontwikkeling, haar herkomst kent in de staatssteunregelgeving. Aangezien deze regelgeving een belangrijk kader vormt voor subsidieverlening aan projecten in het kader van deze tender, zijn deze voorwaarden expliciet in de uitvoeringsregeling opgenomen (lid 1 onder k t/m n).
Artikel 2Deelplafond
Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze tender geldt. Het geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is opengesteld.
Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare budget. Van belang is dat de aanvraag compleet moet zijn op vrijdag 31 maart 2017 12:00 uur. Indien de aanvraag niet op dat moment is ingediend en/of compleet is, wordt de aanvraag op grond van artikel 5.2.2. van de REES afgewezen.
Met lid 2 wordt beoogd te voorkomen dat beschikbare bedragen ongebruikt blijven binnen dit deelplafond. Een voorbeeld: Na ranking van de projecten kan er subsidie verleend worden onder het nominale plafond aan 20 projecten. Stel dat er vervolgens nog € 400.000 over is. Het eerstvolgende gerankte project vraagt echter € 600.000. Het deelplafond wordt in dat geval met € 200.000 verhoogd om ook dat laatste project subsidie te kunnen toekennen. Wanneer er geloot is, wordt de rangschikking die daar uit volgt aangehouden.
Lid 4 geeft vervolgens de inhoudelijke en staatssteuntechnische afbakening van de tender. Een project dient inhoudelijk te passen binnen de kaders zoals die in dit artikel worden geschetst. Daarbij wordt verwezen naar specifieke passages van het OP EFRO. Indien een project niet binnen deze kaders past wordt het afgewezen (zie ook art. 5.2.5 lid 1 sub c van de REES).
Lid 4.a gaat over de inhoudelijke afbakening. Het OP EFRO voor Noord-Nederland kent vier (inhoudelijke) specifieke doelstellingen: A t/m D. Deze Tender is gericht op specifieke doelstelling D “Een hoger aandeel van de innovaties in Noord-Nederland is gericht op CO2-reductie binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen”. Het project dient aan te sluiten bij de algehele strategie van het OP EFRO, omschreven in sectie 1.1, te passen binnen, en bij te dragen aan, specifieke doelstelling D, zoals beschreven in sectie 2.A.5 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO en aan te sluiten bij de voor specifieke doelstelling D beschreven maatregelen in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO. Daarnaast wijzen wij u op het volgende ten aanzien van de aandachtsstreepjes in art. 2 lid 4 onder a:
- -
Van de in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO voor specifieke doelstelling D beschreven acties die binnen deze doelstelling kunnen worden ondersteund, komen in deze Tender alleen de acties onder het eerste en tweede aandachtsstreepje voor subsidiëring in aanmerking. De onder het derde aandachtsstreepje in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO voor specifieke doelstelling D beschreven acties “Valorisatie van producten en diensten door de opzet of verbetering van proeftuinfaciliteiten ten behoeve van innovatietrajecten van of met het bedrijfsleven”, vallen dus buiten de reikwijdte van deze Tender.
- -
minimaal één onderneming, zijnde een ondernemer die voldoet aan de criteria zoals geschetst in art. 1, via het project met EFRO-subsidie wordt ondersteund.
Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding, matching etc.).
-projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd, en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd.
Ten aanzien van deze cumulatieve voorwaarden geldt dat in de aanvraag expliciet moet worden ingegaan op deze aspecten en aangetoond c.q. aannemelijk gemaakt dient te worden dat aan deze criteria is voldaan.
Naast deze cumulatieve criteria dienen de projecten te vallen binnen artikel 25, 28 en/of 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder de de-minimisverordening. Daarbij is van belang om te vermelden dat een project volledig onder één van de hieronder te noemen categorieën dient te vallen, of in delen, waarbij ieder deel onder één van de categorieën dient te vallen. Anders gezegd: subsidie kan enkel worden verleend aan (onderdelen van) het project dat onder één van de hieronder te noemen categorieën valt.
Deze kaders betreffen industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, innovatiesteun MKB-ondernemingen, of procesinnovatie zoals opgenomen in deel 4 van de AGVV.
In de AGVV zijn industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling gedefinieerd. Uit het begrip innovatie blijkt dat het echt om iets nieuws dient te gaan (iets, een onderdeel, dat in de wereld nog niet bestaat). Voor de invulling van de vraag of het project of een deel van het project valt onder industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling dient aansluiting gezocht te worden bij het Frascati Manual. Daarin wordt invulling gegeven aan het begrip ‘innovatie’. De Europese Commissie heeft aangegeven dat de Frascati manual als handleiding gebruikt dient te worden voor het beantwoorden van de vraag of iets onder industrieel onderzoek dan wel experimentele ontwikkeling gesubsidieerd kan worden.
In lid 4.b wordt verwezen naar proces-innovatie. Proces-innovatie past alleen binnen de kaders van doelstelling D indien de innovatie (inter-) nationaal onderscheidend en vernieuwend is. Voor het betrokken bedrijf (of bedrijven) is de innovatie van strategisch belang en zorgt het project ervoor dat innovatie een structureler onderdeel wordt van de organisatie, wat tot uiting komt in de business case. Het gaat dus niet om het aanbrengen van kleine verbeteringen in louter het eigen bedrijfsproces, maar om innovaties die toepasbaar zijn in uiteenlopende bedrijven en organisaties.
Bovendien geldt dat voor proces-innovaties alleen subsidie kan worden gegeven indien de innovatie valt onder artikel 29 van de AGVV. Voor de indeling of iets valt onder procesinnovatie wordt verwezen naar het Oslo manual. Het Oslo manual geeft een indeling naar soorten onderzoek, echter indien een activiteit in het Oslo manual aangegeven staat als onderzoek, betekent dat nog niet dat daarvoor steun gegeven kan worden op grond van de AGVV. De daarin genoemde begrippen van onderzoek zijn breder dan de gehanteerde begrippen in het Frascati manual dat als leidraad geldt voor de vraag of een activiteit industrieel onderzoek is dan wel experimentele ontwikkeling.
Een andere mogelijkheid, indien (een deel van) het project niet onder deze kaders van de AGVV valt, is om steun te verkrijgen op basis van de de-minimisverordening. Hierbij dient dan wel aan de gestelde eisen in deze verordening te worden voldaan, wat onder meer inhoudt dat niet meer dan €200.000 per drie kalenderjaren aan cumulatieve steun op basis van de de-minimisverordening mag zijn ontvangen.
Indien een project niet aan de cumulatieve criteria voldoet of aan één van de staatssteuncriteria zoals genoemd in art. 2 lid 4 dan zal de aanvraag voor subsidie worden afgewezen.
Artikel 3Aanvraag onder twee deelplafonds
Het is de bedoeling dat een aanvraag wordt ingediend bij de tender waarbij deze het meeste aansluit. Indien een aanvraag toch voor twee tegelijk openstaande tenders – in dit geval ‘OP EFRO Tender Valorisatie C 2017’ en ‘OP EFRO Tender Valorisatie D 2017’ - ingediend wordt kan niet twee maal subsidie worden ontvangen.
Artikel 4Hoogte en doelgroep van de subsidie
Lid 1 gaat in op de entiteiten die subsidie kunnen aanvragen. Subsidie is in elk geval niet mogelijk voor natuurlijke personen.
Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt voor deze tender van 35%. Op basis van de leden 4 en 5 volgt vervolgens dat de minimale en maximale subsidie resp. €100.000 en €1.000.000 bedraagt.
De aanvulling in lid 2 geeft aan dat indien een project meer totale subsidiabele kosten kent dan € 2.857.143,- (zijnde het bedrag dat leidt tot het maximum van €1.000.000 subsidie), het te verlenen maximum bedrag aan subsidie gehandhaafd blijft op 1.000.000, maar het project feitelijk een lager subsidiepercentage dan 35 krijgt.
Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager maximumpercentage aan subsidie geldt, bijvoorbeeld bij experimentele ontwikkeling zonder samenwerking, dat geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.
Artikel 5 Indienen van een subsidieaanvraag
Lid 1 van artikel 5 is een nadere afbakening van de tender, gebaseerd op artikel 5.2.5, eerste lid, onder d van de REES. Dat artikel in de REES bepaalt dat aanvragen compleet moeten zijn op de datum van de sluiting van de tender. Een complete aanvraag houdt in dat het aanvraagformulier compleet moet zijn en rechtsgeldig moet zijn ondertekend en dat deze tevens is voorzien van de vereiste bijlagen.
Artikel 5, eerste lid van deze uitvoeringsregeling bepaalt de uiterste datum en moment van indiening op vrijdag 31 maart 2017 12:00 uur. Indien de aanvraag niet compleet is op dat moment wordt deze aanvraag afgewezen.
Lid 2 gaat vervolgens in op de mogelijkheid om voorafgaand aan de sluiting van het loket een compleetheidstoets te laten uitvoeren. Om hiervoor in aanmerking te komen dienen aanvragen uiterlijk op het genoemde tijdstip op de genoemde datum te zijn ingediend bij het SNN, zodat deze beoordeling tijdig voor de sluiting van het loket kan plaatsvinden. Aanvragers die van deze mogelijkheid gebruik maken, zullen uiterlijk een week voor sluiting van het loket informatie ontvangen over de compleetheid, zodat zij minimaal een week de tijd hebben om de ontbrekende documenten of informatie aan te leveren voordat het loket daadwerkelijk sluit.
Verder gaan lid 3 en 4 van dit artikel in op de wijze van indienen. Indienen kan digitaal via een link op www.snn.eu Hiervoor dient het format zoals aangeleverd door SNN te worden gebruikt.
Artikel 6Afwijzen van een subsidieaanvraag
Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder dan 70 punten behalen worden afgewezen. (lid 1)
Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan.
De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de aanvraag en twee jaar na afgifte van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.
Ook moet een project minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien hiervan sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1 punt).
Tot slot geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen. In het aanvraagformulier (in het efro-webportal) worden hierover enkele vragen gesteld aan iedere (mede)aanvrager. Indien een van deze vragen positief wordt beantwoord, dan wordt verondersteld dat de onderneming in financiële moeilijkheden verkeerd en wordt de aanvraag afgewezen.
Op grond van lid 3 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een (overtuigende) onderbouwing.
Artikel 7 Subsidiabele kosten
Dit artikel maakt een verwijzing naar de toegestane steuncategorieën in deze tender zoals die ook in artikel 2 lid 4 sub b is benoemd, en de bijbehorende artikelen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening die hierover aanvullende eisen stellen.
Het is aldus van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te geven onder welke steuncategorie(ën) het project valt en of ook aan de bijbehorende bepalingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening is voldaan.
Artikel 8 Projectperiode en kosten
In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn, rekening houdende dat de einddatum uiterlijk 30 juni 2019 mag zijn. De einddatum is mede bepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.
In dit artikel is verder expliciet aangegeven dat niet afgeweken kan worden van de uiterste datum. Dat betekent dat projectindieners vooraf rekening dienen te houden met deze uiterste en harde deadline.
Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project. Kosten moeten zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling.
Artikel 9 Beoordelingscriteria
Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.
- a.
Bijdrage aan de doelstellingen van het OP
- b.
- c.
Kwaliteit van de business case
- d.
Kwaliteit van de aanvraag
- e.
- a.
Bijdrage aan de doelstellingen van het OP
Er wordt beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan specifieke doelstelling D van het OP EFRO.
In algemene zin geldt dat hoe lager (het zwaartepunt van) het project zich op de TRL-schaal bevindt, des te minder hecht het verband tussen project en de bijdrage aan de specifieke doelstelling wordt beoordeeld. Andersom geldt, hoe duidelijker het project gericht is op valorisatie, des te hechter het verband wordt verondersteld.
Tot slot dient het project minimaal een score van ‘1’ te behalen op de outputindicator ‘aantal ondernemingen dat steun ontvangt’. De mate waarin binnen het project door ondernemingen wordt samengewerkt is onderdeel van de beoordeling. Dit mag tussen ondernemingen onderling of tussen ondernemingen en onderzoeksinstellingen. Dit beoordelingselement is van belang in verband met een mogelijke score op outputindicatoren. Scores op outputindicatoren zijn vanuit programmaoogpunt van belang omdat deze van invloed zijn op de omvang van het EFRO-budget voor het programma. Samenwerking met andere ondernemingen kan worden uitgedrukt in een hogere score op outputindicator CO01 ‘Aantal ondernemingen dat steun ontvangt’. Samenwerking met onderzoeksinstellingen kan een score betekenen op outputindicator CO26 ‘Aantal ondernemingen dat samenwerkt met onderzoeksinstellingen’. Een onderzoeksinstelling is een organisatie waarbij het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten een primaire activiteit vormt.
Er is sprake van samenwerking met onderzoeksinstellingen als minimaal één onderneming en minimaal één onderzoeksinstelling voor de duur van de projectperiode of langer, gezamenlijk optrekken. De steun die vanuit het OP EFRO wordt ontvangen mag bij één of bij meerdere van de samenwerkende partijen terechtkomen. Het mag gaan om de voortzetting van een bestaande samenwerking. De steun dient in alle gevallen echter noodzakelijk te zijn om de samenwerking te laten plaatsvinden of voortduren.
Er kan pas sprake zijn van een score op deze indicatoren als is voldaan aan de voor deze indicatoren geldende criteria ten aanzien van definitie en bewijsvoering. Zie bijlage II voor een nadere uitwerking van de indicatoren.
- b.
Mate van innovativiteit, en
- c.
Kwaliteit van de business case
Deze beide criteria worden kwalitatief beoordeeld. In de opsomming onder b en c zijn verschillende elementen benoemd die bij deze beoordeling een rol spelen. Naarmate de verschillende elementen in de aanvraag overtuigender worden onderbouwd, zal de beoordeling op de criteria innovativiteit van het project en de business case positiever zijn en het puntenaantal hoger.
d. Kwaliteit aanvraag
Bij dit criterium gaat het om de kwaliteit van het projectplan: de helderheid en eenduidigheid van de antwoorden in de aanvraag en de beschrijving in het projectplan. Hierbij is van belang dat de inhoud van de aanvraag ‘to the point’ wordt toegelicht in de aanvraag en er voor wezenlijke onderdelen niet wordt verwezen naar andere documenten. Verder gaat het bij dit criterium om de vraag of het project organisatorisch en subsidie-technisch goed in elkaar steekt.
e. Duurzaamheid
De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in twee stappen. De eerste stap is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet aan basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied van milieu, non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit Europese en nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat betekent dat een project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het milieu, dus geen schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project voldoen aan het bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden.
Waar stap 1 gericht is op uitsluiting van niet-passende projecten, nodigen we in stap 2 projecten uit om hun onderscheidende bijdrage aan duurzaamheid voor het voetlicht te brengen en zo een hogere score op het criterium duurzaamheid te realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van ‘people, planet en profit’. Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid meer is dan alleen milieu. Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische aspecten. Duurzame innovaties zijn vooral ook sociale innovaties.
In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve economie in Noord-Nederland. Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie aspecten zij willen uitwerken. Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij van mening zijn dat ze op alle drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar dat is niet verplicht, niet elk element is voor elk project even relevant. Ook een onderscheidende bijdrage op één van de aspecten kan leiden tot een maximale score op het duurzaamheidscriterium.
Om aanvragers te helpen bij het bepalen van hun bijdrage is in artikel 9 lid 1 onder e een overzicht opgenomen met elementen die een project onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid.
Artikel 10Penvoerderschap en administratie
Dit artikel gaat in op samenwerkingsaspecten en geeft aan dat de communicatie met het SNN verloopt via de penvoerder die door de samenwerkende partijen is aangewezen (lid 1). Ten aanzien van betalingen geldt dat deze ook via de penvoerder verlopen (lid 2). Het is noodzakelijk dat in een project waarin meerdere organisaties samenwerken, zoals aangegeven in lid 3, een samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te leggen termijn na beschikken van het project geschieden. Aangezien projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten.
Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren. Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de voortgangsrapportages te worden gerapporteerd.
Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting
Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden, die gelijk is voor alle te beschikken projecten in de tender, wordt in de beschikking vastgelegd.
Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald (lid 3). De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.
Lid 4 geeft vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen.
Artikel 12 Realisatie van indicatoren
Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van de bewijsvoering die per outputindicator gelden.
Artikel 13 Realisatie van het project
Dit artikel geeft aan dat na realisatie van het project door de begunstigde een verklaring moet worden opgesteld waarin de realisatie wordt vastgelegd. Deze verklaring dient bij de eindafrekening te worden gevoegd, of eerder aan het SNN te worden overgelegd wanneer daarom wordt verzocht.
Artikel 14 Vaststelling subsidie
Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt. Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen een rapport van bevindingen. De kosten een rapport van bevindingen zijn voor rekening van het project.
|
Bijlage II Outputindicatoren OP EFRO Tender Valorisatie D
2017
|
|
|
|
|
|
|
Code
|
Naam
|
Definitie & toelichting
|
Bijzonderheden
|
|
CO01
|
Aantal ondernemingen dat steun ontvangt
|
Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of de steun staatssteun is of niet.
Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding, matching etc.).
Ondersteunde ondernemingen mogen maar één keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de indicatoren CO02 en CO04.)
|
|
|
CO02
|
Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt
|
Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het Operationeel Programma.
Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden terugbetaald.
|
CO02 is een 'subset' van CO01
|
|
CO04
|
Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt
|
Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm heeft dan een directe financiële overdracht.
Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij indicator CO01.
|
CO04 is een 'subset' van CO01
|
|
CO06
|
De private bijdrage in de totale kosten van subsidieprojecten
|
De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.
|
CO06 is gekoppeld aan CO02 en kan cijfermatig overlap vertonen met CO27.
|
|
CO26
|
Aantal ondernemingen dat samenwerkt met onderzoeksinstellingen
|
Het aantal ondernemingen dat samenwerkt met onderzoeksinstellingen bij het uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.
Er is sprake van samenwerking als minimaal één onderneming en minimaal één onderzoeksinstelling voor de duur van de projectperiode of langer, gezamenlijk optrekken. De steun die vanuit het Operationeel Programma wordt ontvangen mag bij één of bij meerdere van de samenwerkende partijen terechtkomen. Het mag gaan om de voortzetting van een bestaande samenwerking. De steun dient in alle gevallen echter noodzakelijk te zijn om de samenwerking te laten plaatsvinden of voortduren.
Voor zover beide partijen geen medebegunstigden zijn, en de samenwerking dus niet in de beschikking formeel is vastgelegd, zal een samenwerkingsovereenkomst moeten worden overlegd.
|
|
|
CO27
|
De private bijdrage in de totale kosten van innovatie- of onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.
|
De omvang van de private bijdrage in de totale subsidiabele kosten van projecten op het terrein van innovatie of onderzoek en ontwikkeling.
Bij de projecten kan het gaan om zowel subsidie- als niet subsidieprojecten.
|
|
|
CO28
|
Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren van producten die nieuw zijn voor de markt
|
Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de markt.
Om op deze indicator te scoren is het niet noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze onderneming mee in de indicator.
Wanneer een onderneming meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld als één onderneming.
In het geval van samenwerkingsprojecten meet de indicator alle deelnemende ondernemingen.
Een product is nieuw voor de markt als er geen ander product op de markt wordt aangeboden dat dezelfde functionaliteit biedt, of wanneer de technologie die voor het nieuwe product gebruikt wordt fundamenteel verschilt van de technologie van bestaande producten. Onder producten worden ook niet-tastbare producten verstaan (incl. diensten).
|
|
|
CO29
|
Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren van producten die nieuw zijn voor de onderneming
|
Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de onderneming.
Om op deze indicator te scoren is het niet noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze onderneming mee in de indicator.
Wanneer een onderneming meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld als één onderneming.
In het geval van samenwerkingsprojecten meet de indicator alle deelnemende ondernemingen waarvoor het product nieuw is.
Een product is ‘nieuw voor de onderneming’ wanneer de onderneming geen product produceert met dezelfde functionaliteiten, of wanneer de productietechnologie fundamenteel verschilt van de technologie van al bestaande geproduceerde producten. Producten kunnen tastbaar of niet tastbaar zijn (incl. diensten).
|
|
|
PS01
|
Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven uit verschillende sectoren (cross-overs)
|
Het aantal projecten waarbij ondernemingen uit twee of meer sectoren samenwerken aan (een) innovatie(s).
Per project bedraagt de score op deze indicator '0' of '1'.
Samenwerkingsverbanden tellen wanneer het project bestaat uit minimaal twee bedrijven uit verschillende sectoren op basis van SBI-codering.
Een cross-over is een innovatie die het resultaat is van een gezamenlijke inspanning van ondernemingen uit twee of meer sectoren. Het kan gaan om een innovatie die nieuw is voor elk van de sectoren. Het kan ook gaan om een bestaand product, dienst of een lopende innovatie in een sector, die een innovatie oplevert voor een andere sector.
|
|
|
PS03
|
Aantal deelnemende MKB bedrijven in innovatietrajecten
|
Aantal midden- en kleinbedrijven dat deelneemt in innovatietrajecten.
Het zijn van begunstigde telt als deelname, daarnaast ook wanneer de MKB-er een actieve rol heeft in het project en een functionele relatie heeft met de begunstigde.
Ondernemingen kunnen alleen tellen indien bewijsvoering in de administratie van de (mede)begunstigde controleerbaar is opgenomen.
Wanneer een MKB-bedrijf meerdere malen deelneemt in een innovatietraject, wordt deze één keer geteld.
|
|
|
PS06
|
Aantal deelnemende MKB bedrijven in innovatietrajecten gericht op CO2-reductie
|
Aantal midden- en kleinbedrijven dat deelneemt in innovatietrajecten gericht op CO2-reductie.
Het dient te gaan om technologische vernieuwingen gericht op uitstootreductie van broeikasgassen.
Het zijn van begunstigde telt als deelname, daarnaast ook wanneer de MKB-er een actieve rol heeft in het project en een functionele relatie heeft met de begunstigde.
Ondernemingen kunnen alleen tellen indien bewijsvoering in de administratie van de (mede)begunstigde controleerbaar is opgenomen.
Wanneer een MKB-bedrijf meerdere malen deelneemt in een innovatietraject, wordt deze één keer geteld.
|
|