Regionale Dienst Openbare Gezondheidszorg – Aanpassing Arbeidsvoorwaardenregeling RDOG HM naar aanleiding van vaststelling Regeling algemene dienst RDOG HM

Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Openbare Gezondheidszorg (RDOG HM),

 

Gelet op:

 

Het (bindende) advies (ledenbrief) “Aanstelling in algemene dienst", ledenbriefnummer: Lbr. 12/101

CvA/LOGA 12/14 van het College van Arbeidszaken van de VNG;

 

Mede gelet op het besluit van het algemeen bestuur van de RDOG HM d.d. 28 juni 2006 waarin het

algemeen bestuur van de RDOG HM het dagelijks bestuur RDOG HM mandaat heeft verleend tot

vaststelling van wijzigingen van de Arbeidsvoorwaardenregeling RDOG HM (AVR RDOG HM) voor

zover deze wijzigingen het gevolg zijn van landelijk of lokaal overleg

 

BESLUIT

 

te rekenen met ingang van 1 januari 2013 de AVR RDOG HM als volgt aan te passen:

 

Het eerste gedeelte van artikel 15:1:10 wordt verplaatst naar een nieuw artikel 2:1B en wordt een

nieuw artikel 2:1A toegevoegd en komt, inclusief koptekst te luiden:

 

A Artikel 2:1A en 2:1B worden, inclusief koptekst, na artikel 2:1 ingevoerd:

 

Aanstelling in algemene dienst

 

Artikel 2:1A

1. De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.

2. Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel.

3. De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1

januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.

 

De toelichting op artikel 2:1A komt te luiden:

 

Artikel 2:1A

 

Lid 1

Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst in het bericht van

aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993, 635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1

UWO.

 

Lid 3

ln de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat alle

ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst hebben. De functie van de

medewerker verandert niet als gevolg van deze omzetting.

 

Artikel 2:1B

1. De ambtenaar is - nadat hij is gehoord - verplicht om in het belang van de dienst een andere

passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar

redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem

bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

2. lndien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om:

  • a. tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk

  • een andere functie waar te nemen;

  • b. tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden;

  • c. beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het,

  • gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheids-diensten

  • wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op

  • gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten

  • worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

3. Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de

in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden

gevergd, geeft hij- onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te

vangen - daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college,

dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

 

De toelichting op artikel 2:1 B komt te luiden:

 

Artikel 2:1B

 

Lid 1

ln elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe functie passend is.

 

Het 'horen' van de ambtenaar moet niet als formaliteit worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet

duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden.

 

Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het

dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van het

bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met objectieve maatstaven van

een dienstbelang sprake is.

 

Lid 2

Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is een minder ingrijpende

zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan

om de opdracht daartoe te kunnen geven zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet- in

tegenstelling tot het bepaalde in het eerste lid - al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel

van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of het bestuursorgaan in

redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.

 

Lid 3

De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct beginnen, ook als hij

daartegen bezwaren heeft in verband met zijn persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort

de werking van het besluit niet op.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 11 maart 2013.

Het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Openbare Gezondheidzorg Hollands Midden

De secretaris,

J.M.M. de Gouw

De voorzitter,

M.J.C. Suijker

Naar boven