Beleidsregel Verlagen bijstand vanwege Lagere/Ontbreken woonkosten Schoolverlaten 2015

Algemeen Verlagen bijstand vanwege lagere ofwel ontbreken woonkosten

De Wet maatregelen WWB introduceert de kostendelersnorm (art. 22a) in de Participatiewet. Deze kostendelersnorm gaat voor nieuwe klanten gelden per 1 januari 2015 en voor de huidige klanten “het zittend bestand” met ingang van 1 juli 2015. Doel van de kostendelersnorm is rekening te houden met de voordelen van het delen van de kosten binnen één huishouden.

 

Door toepassing van de kostendelersnorm wordt de bijstandsnorm per persoon lager naar mate er meer personen op eenzelfde adres wonen, ongeacht of deze huisgenoten (ook) recht op bijstand hebben. De kostendelersnorm moet stapeling van uitkeringen binnen één huishouden voorkomen, maar vooronderstelt ook een zekere mate van kostendeling bij mensen die niet gehuwd of daaraan gelijkgesteld zijn. Met de kostendelersnorm wordt de huidige verhoging en verlaging in verband met het niet kunnen delen van kosten overbodig. Hiermee vervalt de toeslagenverordening en daardoor ook de in de verordening opgenomen verlaging wegens lagere of ontbreken van woonkosten en schoolverlaten.

 

De introductie van de kostendelersnorm beoogt niet een wijziging aan te brengen in de mogelijkheid/ bevoegdheid van het college i.c. ons dagelijks bestuur om de bijstandsuitkering te verlagen wegens lagere algemene kosten van bestaan als gevolg van zijn woonsituatie (waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning) en vanwege het recent beëindigen van opleiding of scholing.

Dit valt af te leiden uit het feit dat de huidige artikelen uit de WWB ( 27 en 28) opnieuw in de Participatiewet zijn opgenomen.

1.Overweging toepassen verlaging vanwege lagere/ontbreken woonkosten en verlaten onderwijs in de Participatiewet.

Met de invoering van de kostendelersnorm moet overwogen worden of het nog wel redelijk is om gebruik te maken van de bevoegdheid om de bijstandsuitkering te verlagen vanwege:

  • 1.

    het hebben van lagere algemene noodzakelijke kosten van bestaan als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning, en

  • 2.

    het recent beëindigen van opleiding of scholing.

 

Woonsituatie

Participatiewet:

Artikel 27 - Woonsituatie

Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 (en dan hebben het over de norm t.b.v. >>> art. 20 = de jongere die niet met meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en >>> art. 21 = de 21 jarige tot pensioengerechtigde leeftijd die niet met meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft), lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

 

De hoogte van de algemene bijstand is in beginsel toereikend om volledig in de algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Tot de algemeen noodzakelijke kosten worden o.a. gerekend: woonkosten. Het is redelijk de algemene bijstandsnorm te verlagen als gevolg van het hebben van lagere algemene noodzakelijke kosten van bestaan als gevolg van zijn woonsituatie. Het hebben van lagere woonkosten of in het geheel geen woonkosten levert nl. een substantiële besparing op dat een verlaging is gerechtvaardigd. Artikel 27 Participatiewet biedt hiertoe de mogelijkheid.

 

Gelet op de wettekst is het verlagen van de bijstandsuitkering alleen mogelijk wanneer er geen sprake is van het toepassen van de kostendelersnorm. Een onredelijke lage bijstandsuitkering wordt hierdoor voorkomen

2.Beleidsregel Verlagen bijstand vanwege lagere ofwel ontbreken woonkosten:  

Gelet op het bepaalde van artikel 27 Participatiewet wordt een verlaging toegepast zodra er sprake is van het bewonen van een woning maar dat de belanghebbende als gevolg van zijn woonsituatie lagere bestaanskosten heeft dan die waarin de bijstandsnorm voorziet.

De verlaging bedraagt 20% van de gehuwden norm (= 100% ML = art. 21 aanhef onder b PW).

Er is sprake van lagere of het ontbreken van woonkosten als:

  • 1.

    de belanghebbende geen huur- of hypotheekkosten verschuldigd is, ongeacht of er sprake is van het hebben van andere woonkosten (krakers);

  • 2.

    een derde de woonkosten van de woning betaalt (onderhoudsplichtige die de woonkosten van de ex betaalt).

Begripsbepalingen:

In deze beleidsregel wordt onder een woning verstaan een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel lid 6 WWB;

Onder woonkosten wordt verstaan:

  • 1.

    indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;

  • 2.

    indien een eigen woning wordt bewoond, het maandelijks te betalen bedrag ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente.

 

Algemeen Schoolverlaters (art. 28)

Participatiewet:

Artikel 28 - Schoolverlaters

Het college kan voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm (en dan hebben het over de normen in zijn algemeen, zoals opgenomen in paragraaf 3.2 participatiewet >o.a. jongerennormen, normen 21 – pensioengerechtigd en afwijking norm gehuwden) gedurende zes maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Een bijstandsuitkering is hoger dan de normbedragen levensonderhoud studiefinanciering. Aannemelijk is dat de belanghebbende tijdens zijn studieperiode zijn bestedingen heeft afgestemd op het lage inkomen uit studiefinanciering. Deze bestedingen nemen noodzakelijkerwijs niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater aanspraak op bijstand maakt. Daarom heeft de wetgever het mogelijk gemaakt heeft om op grond van art. 28 in bepaalde gevallen gedurende zes maanden de norm lager vast te stellen als de belanghebbende recentelijk zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd.

Het verlagen van de bijstandsuitkering is o.g.v. de wettekst in alle situaties mogelijk, dus ook wanneer er sprake is van het toepassen van de kostendelersnorm.

De vraag rijst dan of door het gelijktijdig toepassen van de kostendelersnorm en verlaging vanwege schoolverlaten er sprake is van een onredelijke lage bijstandsuitkering. Gelet op onderstaande berekening blijkt dit niet het geval te zijn.

3.Beleidsregel Schoolverlaters:

Gelet op het bepaalde van artikel 26 Participatiewet wordt gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging aan onderwijs of beroepsopleiding een verlaging toegepast.

De verlaging bedraagt 10% van de gehuwden norm (= 100% ML = art. 21 aanhef onder b PW).

4.Inherente afwijkingsbevoegdheid

Met toepassing van artikel 4:84 Awb kan in voorkomende gevallen van deze beleidsregels worden afgeweken.

5.Hardheidsclausule

Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in

deze regeling, indien toepassing ervan tot kennelijke onredelijkheid en onbillijkheid leidt.

 

6.Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregel Verlagen bijstand vanwege Lagere/Ontbreken woonkosten Schoolverlaten 2015

 

7.Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

 

Berekening consequenties toepassen Verlagen bijstand vanwege Lagere/Ontbreken woonkosten & Schoolverlaten.

Wat

Nu > hoogte norm

(bedragen per 1-1-14)

Toekomst per 1 januari 2015 (bedragen per 1-1-14)

School verlater & geen woning delen

-/- 10%

Alleenstaand 50% 10% = € 812,72

Alleenstaande ouder 70% 10% =

€ 1083,63

Gehuwde waarvan 1 schoolverlater

100% - 10% = € 1219,09

Opm.:

Afwijkende norm bij 21 en 22 jarigen

Voorbeeld indien beleid identiek aan 2014 maar met toepassing kostendelersnorm:

Alleenstaand € 926,47 -/- € 135,45 = € 791,02

Alleenstaande ouder > € 791,02 (norm identiek aan alleenstaande)

 

Gehuwde waarvan 1 schoolverlater > € 1354,54 -/- € 135,45 = € 1219,09

 

De 10% schoolverlaterskorting berekenen van de gehuwdennorm = 100% ML (1354,54 = art. 21 aanhef onder b. P W > € 135,45)

School verlater & wel woning

delen

-/- 10% & 10% = -/- 20%

Alleenstaand 50% = € 677,27

Alleenstaande ouder 70% = € 948,18

Gehuwde 100% - 20% = € 1083,63

Afwijkende norm bij 21 en 22 jarigen

Voorbeeld indien beleid identiek aan 2014 maar met toepassing kostendelersnorm:

alleenstaande & schoolverlater 1 meerderjarige medebewoner > € 541,82

Berekening:

(40% 2 x 30%).

---------------------- x € 1354,54 = € 677,27 -/- € 135,45 = 541,82

2

alleenstaande ouder & schoolverlater 1 meerderjarige medebewoner € 541,82 (norm identiek aan alleenstaande)

Belanghebb.’n tevens gehuwd & waarvan 1 partner schoolverlater 1 meerderjarige medebewoner

De gehuwden ontvangen samen € 1038,49 (= € 586,97 € 451,52 )

Berekening:

(40% 3 x 30%)

----------------------- x € 1354,54 = € 586,97 p/p

3

€ 586,97 -/- € 135,45 = € 451,52

De kolom schoolverlaten en wel woningdelen per 1 jan. 2015 laat zien dat de nieuwe bijstandsnorm aanzienlijk lager is dan in een vergelijkbare situatie in 2014. Deze lagere norm wordt niet zozeer veroorzaakt door de verlaging vanwege schoolverlaten maar wordt in meerdere mate veroorzaakt door het toepassen van de kostendelersnorm.

Naar boven