Wet van 16 april 2014 tot wijziging van de Wet op bijzondere medische verrichtingen in verband met de invoering van een startmeldingsplicht voor beperkte duur voor het uitvoeren van verrichtingen waarvoor niet langer een vergunning op grond van deze wet is vereist

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een startmeldingsplicht voor beperkte duur in te voeren voor het gaan uitvoeren van verrichtingen waarvoor niet langer een vergunning op grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen vereist is;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet op bijzondere medische verrichtingen wordt gewijzigd als volgt:

0A

Artikel 2, tweede lid, komt te luiden als volgt:

  • 2. De vaststelling krachtens het eerste lid van een ministeriële regeling houdende beëindiging van een verbod als in dat lid bedoeld, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat een ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

A

De artikelen 9 en 10 komen te luiden als volgt:

Artikel 9

  • 1. Degene die een medische verrichting uitvoert waarvoor niet langer ingevolge artikel 2 een vergunning is vereist, doet daarvan binnen drie maanden nadat hij met de uitvoering is begonnen mededeling aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Deze verplichting rust niet op degene die op de datum waarop de vergunningplicht eindigde, in het bezit was van een zodanige vergunning.

  • 2. De verplichting tot het doen van een mededeling als bedoeld in het eerste lid, eindigt twee jaar na de datum waarop de vergunningplicht is geëindigd.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de mededeling, bedoeld in het eerste lid geschiedt en de gegevens die daarbij worden verstrekt.

  • 4. Onze Minister zendt een jaar nadat voor een medische verrichting een verplichting tot het doen van een mededeling als bedoeld in het eerste lid is ontstaan, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die verplichting in de praktijk.

Artikel 10

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid.

B

Na artikel 11 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IVA. SANCTIES

Artikel 12
  • 1. Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33.500,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2 en 4.

  • 2. Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 13.400,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 9.

C

In artikel 18, eerste lid, vervalt «berust het Besluit bijzondere verrichtingen en apparatuur Wet ziekenhuisvoorzieningen op artikel 2, tweede lid, van deze wet,».

ARTIKEL II

In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten, wordt «de Wet op bijzondere medische verrichtingen, de artikelen 2, 3, 4 en 6a» vervangen door: de Wet op bijzondere medische verrichtingen, de artikelen 2, 3, 4, 6a en 9.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te Wassenaar, 16 april 2014

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

Uitgegeven de dertiende mei 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 33 438

Naar boven