Wet van 7 maart 2002 tot wijziging van de Wet tot behoud van cultuurbezit in verband met een evaluatie van die wet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op basis van de uitkomsten van een evaluatie van de Wet tot behoud van cultuurbezit wenselijk is om in die wet zelf de criteria op te nemen aan de hand waarvan wordt bepaald of een voorwerp onder het regime van die wet kan worden gebracht, alsmede om de termijnen van de procedure voor het aankopen van beschermde voorwerpen te bekorten en die procedure te vereenvoudigen en dat het voorts wenselijk is om in die wet een aantal wijzigingen van technische en redactionele aard aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet tot behoud van cultuurbezit1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onderdelen a tot en met c, komt te luiden:

a. beschermd voorwerp: een roerende zaak die op grond van artikel 2 is aangewezen als beschermd voorwerp, dan wel ingevolge artikel 3, derde lid, of artikel 3b, derde lid, beschermd voorwerp is;

b. verzameling: roerende zaken, die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar behoren;

c. beschermde verzameling: een verzameling die op grond van artikel 3 is aangewezen als beschermde verzameling;.

B

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. Onze Minister kan, de Raad gehoord, roerende zaken van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als onvervangbaar en onmisbaar behoren te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit, aanwijzen als beschermd voorwerp.

  • 2. Onvervangbaar als bedoeld in het eerste lid is een roerende zaak, waarvan geen of nagenoeg geen andere gelijke of gelijksoortige voorwerpen in goede staat in Nederland aanwezig zijn.

  • 3. Onmisbaar als bedoeld in het eerste lid is een roerende zaak, die tenminste een van de volgende functies heeft:

    a. een symboolfunctie, waaronder wordt verstaan de functie van een roerende zaak als duidelijke herinnering aan personen of gebeurtenissen, die voor de Nederlandse geschiedenis van overtuigend belang zijn;

    b. een schakelfunctie, waaronder wordt verstaan de functie van een roerende zaak als wezenlijk element in een ontwikkeling, die voor de wetenschapsbeoefening, met inbegrip van de beoefening der cultuurgeschiedenis, in Nederland van overtuigend belang is;

    c. een ijkfunctie, waaronder wordt verstaan de functie van een roerende zaak als wezenlijke bijdrage in het onderzoek of de kennis van andere belangrijke voorwerpen van kunst of wetenschap.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Onze Minister kan, de eigenaar en de Raad gehoord, een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die hetzij als zodanig, hetzij door een of meer van de roerende zaken die er een wezenlijk onderdeel van uitmaken, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit, aanwijzen als beschermde verzameling. De aanwijzing gaat vergezeld van een algemene omschrijving van de beschermde verzameling en van een opsomming van de roerende zaken die tot de beschermde verzameling behoren.

  • 2. Artikel 2, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Iedere roerende zaak die deel uitmaakt van een opsomming als bedoeld in het eerste lid is een beschermd voorwerp.

D

Na artikel 3 worden vier nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. In spoedgevallen kan Onze Minister roerende zaken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of een verzameling als bedoeld in artikel 3, eerste lid, als beschermd voorwerp onderscheidenlijk als beschermde verzameling aanwijzen, voordat het advies van de Raad is ingewonnen. In dat geval wordt het advies van de Raad gevraagd tegelijkertijd met de aanwijzing.

  • 2. Bij de bekendmaking van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vermeldt Onze Minister dat de Raad nog niet is gehoord.

Artikel 3b

  • 1. Indien Onze Minister op grond van artikel 3a een verzameling als beschermde verzameling aanwijst, kan hij, in afwijking van artikel 3, eerste lid, tweede volzin, bij de aanwijzing volstaan met een algemene omschrijving van die verzameling.

  • 2. Onze Minister stelt zo spoedig mogelijk na een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, de eigenaar en de Raad gehoord, alsnog een opsomming vast van de tot de beschermde verzameling behorende roerende zaken.

  • 3. Zolang nog geen opsomming van de beschermde verzameling is vastgesteld, is iedere roerende zaak die redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt, een beschermd voorwerp.

Artikel 3c

  • 1. Onze Minister houdt van de beschermde voorwerpen en beschermde verzamelingen een lijst van beschermde voorwerpen bij.

  • 2. Op de lijst wordt in ieder geval vermeld:

    a. voorzover het betreft een beschermd voorwerp: een beschrijving van dat beschermd voorwerp en de reden tot aanwijzing daarvan, en

    b. voorzover het betreft een beschermde verzameling: een algemene omschrijving van die beschermde verzameling, een opsomming van de beschermde voorwerpen die tot die beschermde verzameling behoren, en de reden tot aanwijzing van die beschermde verzameling.

  • 3. Een vermelding op de lijst mag slechts met toestemming van de eigenaar een aanduiding bevatten van de naam van de eigenaar of een zijner verwanten dan wel van de verblijfplaats van het beschermd voorwerp of de beschermde verzameling.

  • 4. Een afschrift van de lijst, zonder vermelding van eigenaren en verblijfplaatsen van de beschermde voorwerpen en beschermde verzamelingen, ligt kosteloos voor een ieder ter inzage op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Afschrift daarvan wordt tegen vergoeding van de kosten verstrekt.

Artikel 3d

  • 1. Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de eigenaar wijzigingen aanbrengen in de beschrijving van een beschermd voorwerp dan wel in de algemene omschrijving of de opsomming van een beschermde verzameling, een en ander voorzover het betreft verbetering van gegevens van feitelijke aard.

  • 2. Onze Minister kan, de Raad gehoord, de aanwijzing als beschermd voorwerp of als beschermde verzameling beëindigen, de reden tot aanwijzing wijzigen en roerende zaken aan de opsomming van een beschermde verzameling toevoegen of in die opsomming schrappen.

E

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid wordt vervangen door: Aanwijzing van een roerende zaak als beschermd voorwerp of opneming van een roerende zaak in de opsomming van een beschermde verzameling kan slechts met toestemming van de eigenaar, indien deze zaak:.

2. In het tweede lid wordt «het voorwerp» vervangen door: de roerende zaak.

3. In artikel 4 wordt onder vernummering van het vierde lid in vijfde lid een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien de eigendom, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, toebehoort aan of is verworven door een rechtspersoon, is het eerste lid slechts van toepassing tot dertig jaar of voorzover het archiefbescheiden betreft vijftig jaar nadat de rechtspersoon het voorwerp in Nederland heeft doen brengen onderscheidenlijk de eigendom van het voorwerp binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven.

4. In het vijfde lid wordt «een voorwerp dat» vervangen door: een roerende zaak die.

F

In artikel 5, eerste lid, wordt «voorwerp» vervangen door: «roerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid» en wordt «dat het niet op de lijst zal worden geplaatst» vervangen door: dat deze niet wordt aangewezen als beschermd voorwerp onderscheidenlijk beschermde verzameling.

G

In artikel 6 wordt «Plaatsing op de lijst» vervangen door: Aanwijzing als beschermd voorwerp.

H

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «de daartoe strekkende ontwerpovereenkomst» vervangen door: het voornemen daartoe schriftelijk.

2. In het eerste lid, tweede volzin, wordt het «het voornemen daartoe» vervangen door: het voornemen daartoe schriftelijk.

3. In het tweede lid, eerste volzin, wordt «een maand» vervangen door: vier weken.

4. In het tweede lid, tweede volzin, wordt «van een voorwerp artikel 2, eerste lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden» vervangen door: «van een roerende zaak artikel 3a, eerste lid, toepassing heeft gevonden» en wordt «drie maanden» vervangen door: acht weken.

5. In het derde lid vervalt: «,de Raad gehoord».

6. In het vierde lid wordt «voorwerp» vervangen door: beschermd voorwerp.

7. Het vijfde en zesde lid komen te luiden:

  • 5. Indien geen bedenkingen zijn aangevoerd, is een handeling als bedoeld in het eerste lid betreffende hetzelfde beschermd voorwerp opnieuw verboden, nadat een jaar is verstreken sinds de datum van de melding.

  • 6. Indien bedenkingen zijn aangevoerd en Onze Minister deze intrekt, is een handeling als bedoeld in het eerste lid betreffende hetzelfde beschermd voorwerp opnieuw verboden, nadat een jaar is verstreken sinds de dag waarop die intrekking aan de eigenaar is meegedeeld.

I

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt «in de kennisgeving als bedoeld in het vierde lid van het vorige artikel» vervangen door: «in zijn in artikel 7, vierde lid, bedoelde kennisgeving» en wordt «voor zover» vervangen door: voorzover.

2. In de tweede volzin wordt «beschermde voorwerp» vervangen door: beschermd voorwerp.

J

In artikel 9 wordt «de plaatsing op de lijst» vervangen door: dat dat voorwerp is aangewezen als beschermd voorwerp.

K

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «acht maanden» vervangen door: «drie maanden» en wordt «de in de artikelen 11 en 12 geregelde wijze van het beschermde voorwerp» vervangen door: de in artikel 12 geregelde wijze van het beschermd voorwerp.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid worden een nieuw tweede en derde lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister en de eigenaar van het beschermd voorwerp kunnen de in het eerste lid bedoelde termijn in onderling overleg verlengen.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt opgeschort, zolang over een aanbod van de Staat tot aankoop van een beschermd voorwerp:

    a. bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage een procedure als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhangig is, of

    b. tussen de Staat en de eigenaar een overeenkomst tot arbitrage bestaat.

L

Artikel 11 vervalt.

M

In artikel 12, eerste lid, wordt «Indien artikel 11 niet van toepassing is, treedt Onze Minister» vervangen door: Onze Minister treedt.

N

In artikel 13, eerste lid, wordt «ingevolge de artikelen 11 en 12» vervangen door: ingevolge artikel 12.

O

In artikel 14, eerste lid, wordt «Voor zover» vervangen door: «Voorzover» en vervalt: «en evenmin hebben geleid tot toepassing van artikel 11».

P

In artikel 14a, tweede lid, onder c, wordt «de Rijksdienst beeldende kunst» vervangen door: Onze Minister.

Q

Artikel 14b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «lid-staten» vervangen door: «lidstaten» en vervalt: «of van andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte».

2. In het tweede lid wordt «lid-staat» vervangen door: «lidstaat» en vervalt: «of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,».

R

In artikel 15, tweede lid, wordt «de naleving van het bij de artikelen 14a en 14b bepaalde» vervangen door: de naleving van het bij of krachtens de artikelen 14a en 14b bepaalde.

S

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, wordt «voor zover» vervangen door: voorzover.

2. In het tweede lid wordt «lid-staat» telkens vervangen door: lidstaat.

3. Onder vernummering van derde lid tot vierde lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Een wijziging van de richtlijn nr. 93/7/EEG gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

T

In artikel 18 wordt «beschermd cultureel erfgoed dat in de woning aanwezig is,» vervangen door: een beschermd voorwerp, een roerende zaak als bedoeld in artikel 14a, of een cultuurgoed als bedoeld in artikel 14b, die in de woning aanwezig zijn,.

U

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

Deze wet wordt aangehaald als: Wet tot behoud van cultuurbezit.

ARTIKEL II

In de Reparatiewet I2 vervalt artikel CLXIV.

ARTIKEL III

De artikelen 7 tot en met 14 van de Wet tot behoud van cultuurbezit, zoals die op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet luidden, zijn van toepassing op voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet:

a. aan de inspecteur gemelde ontwerpovereenkomsten, en

b. door Onze Minister tegen voorgenomen handelingen aangevoerde bedenkingen.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van de uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 7 maart 2002

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg

Uitgegeven de eenentwintigste maart 2002

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1984, 49, laatstelijk gewijzigd bij de wet

van 6 december 2001, Stb. 584.

XNoot
2

Stb. 1999, 30.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 2000/2001, 2001/2002, 27 812.

Handelingen II 2001/2002, blz. 3413.

Kamerstukken I 2001/2002, 27 812 (230, 230a).

Handelingen I 2001/2002, zie vergadering d.d. 5 maart 2002.

Naar boven