33 000 V Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012

Nr. 57 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2011

In deze brief informeren wij de Kamer over een aantal wijzigingen in het Matra-programma van het ministerie van Buitenlandse Zaken, voor zover dat zich richt op maatschappelijke transformatie in landen in Zuidoost- en Oost-Europa.

Inzake de systematiek van Matra voor de Arabische regio (Matra-zuid) bent u separaat geïnformeerd met onze brieven van 25 maart jl. (kenmerk 32 623, nr. 16) respectievelijk 24 juni jl. (kenmerk 32 623, nr. 40). Het budget voor deze ondersteuning van de Arabische regio zal additioneel zijn aan het voor de komende jaren voorziene budget voor het Matra-programma in Europa.

In het regeerakkoord is aangegeven dat Europa essentieel is voor onze welvaart, vrijheid en veiligheid en dat blijvende betrokkenheid bij het Europese proces daarom in het directe belang van Nederlandse burgers en bedrijven is. Ook is daarin vermeld dat toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU plaatsvindt wanneer zij voldoen aan de strikte criteria daarvoor, met name de Kopenhagen-criteria. Het Matra-programma biedt daarbij ondersteuning. Het regeerakkoord stelt echter tevens dat het noodzakelijk is scherpere keuzes te maken in het externe beleid en om geïntegreerd beleid te voeren. Mede in het licht van de bezuinigingen leidt dit ertoe dat wijzigingen in het Matra-programma onontkoombaar zijn.

Het Matra-programma is zeer succesvol geweest. Daarbij ligt naar onze mening de belangrijkste kracht van het programma vooral in het ondersteunen van landen met een EU-toetredingsperspectief bij het voldoen aan de Kopenhagen-criteria. Het perspectief op lidmaatschap van de EU blijkt in het algemeen een goede katalysator voor maatschappelijke transformatie. Daarnaast is het programma ook van betekenis geweest voor het transformatieproces in andere landen, met name de Oost-Europese landen.

In het licht van de noodzaak om scherpere keuzes in het externe beleid te maken kiezen wij er voor om het Matra-programma in te zetten ten behoeve van preaccessielanden in Zuidoost-Europa (Kroatië, Turkije, Montenegro, Macedonië, Servië, Bosnië-Herzegovina, Albanië en Kosovo). Nadruk zal daarbij liggen op het ondersteunen van de betrokken landen bij het voldoen aan de Kopenhagen-criteria en bij overname van het acquis communautaire. Daarmee wordt concreet en zichtbaar kracht bijgezet aan het belang dat Nederland hecht aan de EU-vereisten in het algemeen en de Kopenhagen-criteria in het bijzonder.

Concentratie op preaccessielanden betekent dat Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Armenië, Azerbeidzjan, Georgië en Moldavië niet langer in aanmerking komen voor het Matra-programma. De Nederlandse ambassades in deze Oost-Europese landen ontvangen in 2011 nog een substantieel budget voor ondersteuning van initiatieven van lokale maatschappelijke organisaties. Dit budget zal vanaf 2012 in stappen worden verminderd, totdat in 2014 de budgetten volledig zullen zijn afgebouwd. Dat betekent niet dat dan geen ondersteuning meer kan worden gegeven aan rechtsstaatontwikkeling in de betrokken landen. Ondersteuning zal mogelijk zijn uit het Mensenrechtenfonds, waar activiteiten in lijn zijn met de prioritaire thema’s uit de Mensenrechtenstrategie.

Ondersteuning van politieke partijontwikkeling in de huidige vorm zal vanaf 2013 niet langer deel uitmaken van het Matra-programma. U wordt nader geïnformeerd zodra de modaliteiten zijn uitgewerkt.

Ondersteuning van preaccessielanden vanuit het Matra-programma zal op de volgende wijzen plaatsvinden:

  • Ondersteuning en versterking van maatschappelijke initiatieven

    Hierbij zal de nadruk liggen op versterking van de rechtsstaat met prominente aandacht voor het thema Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ), een cruciaal thema in het kader van het EU-toetredingsperspectief van de betrokken landen.

    In de notitie «Matra gemoderniseerd», die de toenmalige Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken u op 3 november 2009 zond (kamerstuk 32 123 V, nr. 20) was het voornemen opgenomen om een groter deel van het programma te delegeren aan de Nederlandse ambassades in de doellanden van het Matra-programma, waardoor directer en sneller kan worden aangesloten bij lokale behoeften. Dit voornemen zal nu versneld worden uitgevoerd, zodat ondersteuning van maatschappelijke organisaties voortaan uitsluitend zal geschieden door de Nederlandse ambassades in de Matra-landen. Daarbij gaat het om lokale organisaties. Nederlandse maatschappelijke organisaties kunnen ook in de toekomst bij de uitvoering betrokken blijven, maar alleen als de lokale betrokken organisatie daar uitdrukkelijk om vraagt. De «civil society» in de betrokken landen is inmiddels sterk ontwikkeld, zodat deze stap op verantwoorde wijze kan worden gezet. Daarmee wordt tevens de efficiency verhoogd, doordat lokale organisaties in het algemeen goedkoper kunnen werken dan hun Nederlandse tegenvoeters, zodat meer resultaat per geïnvesteerde Euro kan worden gerealiseerd. Op deze wijze blijft het voor Nederland nuttige netwerk in de betrokken landen behouden, waarmee het Nederlandse belang wordt gediend.

    De scherpere thematische focus die in bovengenoemde notitie werd aangekondigd zal ook in de toekomst gehandhaafd blijven, waardoor effectiviteit en zichtbaarheid van de Nederlandse inspanningen optimaal zullen zijn.

  • Op preaccessie gerichte ondersteuning van centrale overheden

    Nederlandse overheidsinstellingen zullen met financiering uit dit onderdeel van het programma kunnen samenwerken met hun tegenvoeters in de Matra-landen. Dit type samenwerking is gericht op ondersteuning bij overname van het acquis communautaire door de betrokken landen en is complementair aan activiteiten van de Europese Commissie op hetzelfde terrein. Dergelijke samenwerking leidt tot een goede Nederlandse zichtbaarheid.

  • Training van ambtenaren en jonge diplomaten uit Matra-landen

    Ambtenaren uit pre-accessielanden zullen net als thans een korte training in Nederland kunnen volgen op het gebied van onderwerpen die relevant zijn voor de EU-toetreding. Ook de opleiding van jonge diplomaten uit Matra-landen in Nederland zal worden voortgezet. Het aanbieden van dergelijke trainingen en opleidingen heeft enerzijds bijgedragen aan ontwikkeling van de rechtsstaat en het voldoen aan de EU-toetredingscriteria en anderzijds geleid tot de vorming van een uitgebreid netwerk van voor Nederland nuttige contacten.

Invoering van het aldus herziene Matra-programma zal plaatsvinden met ingang van 2012. Bestaande afspraken zullen daarbij worden nagekomen.

Uitvoering van het Matra-programma wordt waar mogelijk gedelegeerd naar de posten in het buitenland of uitbesteed aan daarvoor geschikte organisaties. Het budget voor het Matra-programma zal in 2012 EUR 21,7 mln. bedragen, in 2013 EUR 13,5 mln. en in 2014 en latere jaren EUR 9,8 mln. per jaar.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

H. P. M. Knapen

Naar boven