32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 71 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 september 2012

Hierbij bied ik u de kabinetsreactie aan op het advies nr. 79 «De Arabische regio, een onzekere toekomst» van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV).

De reactie op het AIV advies is ook verstuurd aan de voorzitter van de Eerste Kamer en aan de voorzitter van de AIV.

De minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

Kabinetsreactie op AIV-advies nr. 79 «De Arabische regio, een onzekere toekomst»

Inleiding

Ter uitvoering van de motie van de leden Hachchi en Timmermans over de actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten (Kamerstuk 32 623, nr. 29) heeft de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op 24 januari jl. verzocht een update uit te brengen van het AIV-advies nr. 75 «Hervormingen in de Arabische regio: kansen voor democratie en rechtsstaat?» van 27 mei 2011. Op 14 juni 2012 heeft de AIV het advies nr. 79 «De Arabische regio, een onzekere toekomst» uitgebracht, waarop hieronder de kabinetsreactie volgt.

Algemeen

Het kabinet is van mening dat het advies een waardevolle analytische blik biedt op de Arabische regio en de recente ontwikkelingen daarbinnen. Het kabinet heeft met waardering kennis genomen van het AIV-advies en is erkentelijk voor de analyse van twee trends in de Arabische regio, namelijk «de wens van grote delen van de bevolking tot democratisering en een toenemende nadruk op islamitische identiteit». De beschrijving van deze trends en de gevolgen daarvan voor democratie en mensenrechten bieden meer inzicht in ontwikkelingen in de Arabische regio. Hetzelfde geldt voor de analyse van de verschillende thema’s in het rapport. De AIV besteedt terecht prominent aandacht aan de rol van de jeugd en de positie van vrouwen in de Arabische regio. Zij speelden immers een belangrijke rol in de revoltes en dienen evenzeer een belangrijke rol te spelen in transitieprocessen richting democratie.

Hieronder wordt ingegaan op de specifieke conclusies en aanbevelingen.

Reactie op de conclusies en aanbevelingen

Het kabinet deelt de mening van de AIV dat Nederland kan bijdragen aan verdere democratisering en versterking van de rechtsstaat in de Arabische regio. Zoals het kabinet in diverse brieven aan de Tweede Kamer uiteen heeft gezet, gebeurt dat ook in de praktijk, met name met behulp van het Matra-programma. Daarbij wordt gebruik gemaakt, zoals de AIV aanbeveelt, van ervaringen van landen waar in het recente verleden democratische processen op gang zijn gekomen. Specifiek gaat het om landen in Midden- en Oost-Europa. Een voorbeeld hiervan is de Community of Democracies die zich onder co-voorzitterschap van Nederland en Slowakije blijft inspannen om Tunesië te helpen bij het implementeren van noodzakelijke hervormingen.

Net als in het vorige advies over de Arabische regio benadrukt de AIV dat het ministerie van Buitenlandse Zaken over voldoende kennis en expertise met betrekking tot de Arabische regio moet kunnen beschikken. Aan dit onderwerp wordt aandacht besteed in het kader van de voortgaande modernisering van de diplomatieke dienst. Op deze wijze geeft het kabinet ook gevolg aan de motie van de leden Timmermans en Peters over kennis bij de Nederlandse overheid (Kamerstuk 32 623 nr.27). De AIV stelt daarbij terecht dat in Nederland voldoende opleidingen beschikbaar moeten zijn die specifiek zijn gericht op de taal en cultuur van de Arabische regio.

Ter aansluiting bij het voorgaande en ter uitvoering van de motie van de leden Hachchi en Peters (Kamerstuk 32 623 nr.30) over het onderzoeken van de mogelijkheden om de Marokkaans-Nederlandse relaties te gebruiken ter bevordering van kennis, expertise en ervaring die kunnen worden ingezet voor het beleid richting Marokko in specifieke zin, en andere Arabische landen in generieke zin, vindt kennisuitwisseling plaats tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en deskundigen op het gebied van deze relaties, waaronder leden van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap. Dat geschiedt door middel van ontmoetingen en seminars e.d.

De AIV stelt dat de mogelijkheden om democratisering te bevorderen worden beperkt wanneer niet gecommuniceerd wordt met islamitische groeperingen. De AIV beveelt een dialoog aan met alle relevante politieke partijen en maatschappelijke stromingen. In reactie daarop stelt het kabinet dat in het bijzonder de Nederlandse ambassades in de Arabische regio contacten onderhouden met dergelijke partijen en groeperingen, maar een absolute voorwaarde daarbij is dat zij geen geweld propageren om hun politieke doeleinden te bereiken. Het kabinet is het oneens met de door de AIV voorgestelde gradaties in communicatie indien dat betekent dat contact zou plaatsvinden met groeperingen die geweld niet uitsluiten. Het kabinet deelt de opvatting van de AIV dat in de communicatie de positie van vrouwen en minderheden specifieke aandacht verdient en heeft dat al eerder gemeld.

In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 3 februari jl. over de actuele situatie in de landen in de Arabische regio wordt een genuanceerde benadering uiteen gezet. In deze brief wordt gesteld dat de regering islamistische partijen beoordeeld op hun daden. Voor het aangaan van contacten worden de volgende criteria gehanteerd:

  • 1. Het propageren van geweld is onaanvaardbaar. Indien daarvan wel sprake is wordt geen contact aangegaan.

  • 2. Partijen moeten zich houden aan democratische en rechtsstatelijke beginselen. Hoe de regering met hen omgaat is afhankelijk van de mate waarin zij zich daadwerkelijk committeren aan democratie, rechtsstaat en mensenrechten, waaronder de rechten van vrouwen en religieuze minderheden.

  • 3. Contacten met hen worden gebruikt voor het overbrengen van duidelijke boodschappen hierover, als daartoe aanleiding bestaat, ook over hun houding ten aanzien van Israël.

Dit beleid is met de Tweede Kamer besproken en kan op brede instemming rekenen. In reactie op een daartoe strekkende aanbeveling van de AIV stelt het kabinet dat deze problematiek diverse malen is besproken in EU-verband en dat de opvattingen van de lidstaten grosso modo overeen komen.

De AIV stelt dat in geval van een conflict de kans op beïnvloeding het grootst is indien in een vroeg stadium, voordat de spanningen oplopen en geweld wordt gebruikt, met alle partijen wordt gecommuniceerd. De AIV betrekt dit ook op de situatie in Syrië en poneert de stelling dat dialoog in een vroeg stadium effectief had kunnen zijn. Het kabinet plaatst daarbij een tweetal kanttekeningen. Ten eerste heeft de EU, inclusief Nederland, wel degelijk in een vroeg stadium via verschillende kanalen geprobeerd te communiceren met het Syrische regime en haar opgeroepen gehoor te geven aan de legitieme eisen van de Syrische bevolking door het starten van een inclusieve en oprechte nationale dialoog en het in gang zetten van politieke hervormingen. Ten tweede bleek dit regime niet bereid een daadwerkelijke dialoog aan te gaan en maakte het zich in plaats daarvan schuldig aan massale mensenrechtenschendingen. Het kabinet is het eens met de AIV dat communicatie meer is dan het opleggen van sancties. Daarom blijft het kabinet in gevallen waarin internationale sancties zijn opgelegd aan een regime een tweede spoor van communicatie volgen. Voor een daadwerkelijke dialoog zijn echter twee partijen nodig.

Het kabinet deelt de conclusie dat met betrekking tot het Palestijns-Israëlisch conflict de noodzaak tot het nakomen van internationaalrechtelijke verplichtingen van beide zijden consequent en onpartijdig moet worden uitgedragen door Nederland. Nederland doet dat ook in de praktijk. Nederland dringt aan op directe onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen. Einddoel is een alomvattend vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen. Een tweestaten-oplossing, met als uitgangspunt de grenzen van 1967, vormt hierbij het uitgangspunt.

In reactie op de constatering van de AIV dat de EU en haar bondgenoten zich zouden moeten bezinnen op nieuwe initiatieven in het licht van een veranderende regionale context, steunt het kabinet, waar mogelijk, initiatieven die partijen nader tot elkaar kunnen brengen. Het kabinet ziet geen aanleiding om daarover, zoals de AIV aangeeft, advies te vragen.

Naar boven