32 357 Wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet op de economische delicten en de Elektriciteitswet 1998 ter implementatie van richtlijn nr. 2009/28/EG, richtlijn nr. 2009/30/EG en richtlijn nr. 2009/33/EG (implementatie van de EG-richtlijn energie uit hernieuwbare bronnen, de EG-richtlijn brandstofkwaliteit en de EG-richtlijn schone en energiezuinige wegvoertuigen)

Nr. 29 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 mei 2011

In het ordedebat van 15 maart 2011 heeft het lid Van Gent de regering verzocht uit te leggen hoe de aangenomen motie Van den Berge c.s. (32 357, nr. 27) uitgevoerd gaat worden.

Graag geef ik u antwoord op de gestelde vraag.

De motie verzoekt de regering: »in EU-verband ernaar te streven om heldere en eenduidige duurzaamheidcriteria op te stellen voor vaste en vloeibare biomassa voor energietoepassingen».

Vloeibare biomassa en biobrandstoffen

De onlangs in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerde Europese Richtlijn hernieuwbare energie1 regelt de duurzaamheid van biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor energietoepassingen. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die meetellen voor de doelstelling van hernieuwbare energie moeten met ingang van 2011 voldoen aan criteria die regelen dat de ingezette biomassa:

  • a) over de gehele keten minstens 35% minder broeikasgasemissies uitstoot dan een vergelijkbare fossiele brandstof. Dit percentage stijgt de komende jaren en bereikt uiteindelijk 60%.

  • b) niet afkomstig is van land met hoge biodiversiteit (bijvoorbeeld oerbos).

  • c) niet afkomstig is van land met hoge koolstofvoorraden (bijvoorbeeld waterrijke gebieden en permanent beboste gebieden).

  • d) niet afkomstig is van veengebieden.

Daarnaast hebben leveranciers een rapportageverplichting over een aantal sociale criteria en lokale milieuomstandigheden.

De duurzaamheid voor vloeibare biomassa is daarmee in Europees verband eenduidig geregeld.

Vaste biomassa voor energietoepassingen

De duurzaamheidcriteria uit de Richtlijn hernieuwbare energie zijn niet van toepassing op vaste biomassa voor energietoepassingen. Samen met een aantal andere landen van de EU maakt Nederland zich hier wel sterk voor. Afgelopen jaren is echter gebleken dat een aantal lidstaten hier geen voorstander van was en mede om die reden heeft de Europese Commissie in een mededeling over de praktische tenuitvoerlegging van de implementatie aangegeven vooralsnog niet over te gaan tot het voorschrijven van duurzaamheidcriteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen2.

Om het draagvlak voor implementatie van duurzaamheidcriteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen weer te toetsen heeft de Europese Commissie in maart 2011 een consultatie gehouden. Ter uitvoering van de motie Van den Berge en in lijn met het eerdere standpunt heeft Nederland bij de beantwoording van de consultatie weer laten weten hier voorstander van te zijn. De Europese Commissie bestudeert alle ingebrachte reacties momenteel en geeft eind 2011 in een mededeling weer of ze al dan niet een voorstel zal ontwikkelen voor Europese duurzaamheidcriteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen. In lijn met de motie zal Nederland ook in de tussentijd Europese duurzaamheidcriteria blijven bepleiten.

De Nederlandse regering is in januari 2011 door de Commissie Duurzaamheidvraagstukken Biomassa (CDB) geadviseerd om in EU verband voor de invoering van deze criteria te pleiten en indien dat op een redelijke termijn niet lukt, desnoods op nationaal niveau criteria te formuleren. De richtlijn biedt lidstaten hiertoe ruimte binnen de grenzen die de interne markt daartoe laat.

Op dit moment beraadt de regering zich over het formuleren van duurzaamheidcriteria op nationaal niveau. Hierbij wordt nauw gekeken naar het bovengenoemde advies en wordt het Europese spoor niet uit het oog verloren. Criteria die de duurzaamheid voor vaste biomassa voor energietoepassingen regelen zullen idealiter nauw aansluiten bij de bestaande criteria voor vloeibare biomassa en biobrandstoffen. In dat geval blijven administratieve lasten beperkt omdat voor de certificering dan grotendeels gebruik kan worden gemaakt van de bestaande schema’s voor vloeibare biomassa en biobrandstoffen.

Op deze manier wordt tevens aan de uitvoering van de motie Van Vliet en De Mos (32 357, nr. 24) bijgedragen. Deze motie onderstreept het belang van een duurzaam gebruik van geïmporteerde biomassa voor energietoepassingen.

De energiebranche in Nederland en in de meeste andere landen, is voor een EU-brede invoering van eenduidige criteria. Op vrijwillige basis worden door sommige energieleveranciers al eigen duurzaamheidschema’s toegepast bij het importeren van vaste biomassa voor de bij- en meestook. Het gaat daarbij momenteel voornamelijk om houtpellets.

Instrumentarium

Criteria zijn altijd gekoppeld aan een instrument en de invoering van criteria voor vaste biomassa voor energietoepassingen kan dan ook niet los worden gezien van het instrumentarium ter stimulering van hernieuwbare energie. De regering beraadt zich momenteel op het instrumentarium ter stimulering van de productie van hernieuwbare energie. Meerdere opties worden momenteel bestudeerd, waaronder afspraken met de energiebranche en diverse vormen van een verplichting. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zal u hierover te zijner tijd informeren. Bij het uitwerken van dat instrumentarium speelt de duurzaamheid een belangrijke rol.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
1

Richtlijn 2009/28/EG.

X Noot
2

2010/C160/02.

Naar boven