31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 252 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 december 2011

Hierbij ontvangt u een kopie van mijn brief aan de Hogeschool Leiden over de verzelfstandiging van de pabo Thomas More in Rotterdam1. In het overleg met uw Kamer over de OCW-begroting op 1 december jl. is dit kort aan de orde gesteld in antwoord op vragen van het lid Van Dijk over wettelijke splitsingsmogelijkheden voor instellingen in het hoger onderwijs.

Met de Hogeschool Leiden worden sinds enige tijd gesprekken gevoerd over het beëindigen van de opleiding tot leraar basisonderwijs op de vestigingsplaats van de Hogeschool Leiden in Rotterdam (verder te noemen: pabo Thomas More), het afsplitsen van deze vestigingsplaats van de opleiding en het overdragen daarvan aan de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs (RVKO).

De Hogeschool Leiden wil deze vestigingsplaats afstoten, omdat zij uit kwalitatieve overwegingen haar onderwijsaanbod wil concentreren in Leiden. Tegelijkertijd heeft de RVKO aangegeven de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van de pabo Thomas More te willen overnemen om te kunnen voorzien in de behoefte aan leraren basisonderwijs voor de Katholieke basisscholen in de regio Rotterdam.

De WHW kent geen procedure voor splitsing van een hogeschool, waarbij een nieuwe bekostigde instelling ontstaat uitgaande van een rechtspersoon die geen hogeschool in stand houdt, anders dan via wetswijziging. Hiervoor dienen bijzondere overwegingen te bestaan. Ik heb vanuit dat perspectief de partijen gevraagd hun voornemens uit te werken waarbij uiteraard dient te worden verzekerd dat er een levensvatbare hogeschool zou ontstaan, zonder negatieve gevolgen voor de overheidsfinanciering en de doelmatigheid van het onderwijsaanbod.

Ik ben van mening dat er in deze casus sprake is van een bijzondere situatie, die om een wettelijke splitsingsmogelijkheid vraagt (zoals aan de orde was in het eerder genoemde begrotingsdebat) vanwege:

  • 1. het ontbreken van reële alternatieven voor de constellatie waarin de pabo Thomas More in Rotterdam functioneert;

  • 2. de maatschappelijke behoefte aan hoogwaardig opgeleide leerkrachten voor het Katholieke onderwijs in de regio Rotterdam;

  • 3. mijn bijzondere verantwoordelijkheid voor de opleiding tot leraar.

In de brief aan Hogeschool Leiden zijn de verdere stappen tot splitsing en overdracht opgenomen. Na ontvangst van het definitieve voorstel voor de boedelscheiding zal ik de Inspectie van het Onderwijs vragen om een beoordeling te maken van de vraag of wet- en regelgeving voldoende worden nageleefd. Wanneer de verdere stappen om te komen tot splitsing en overdracht zijn gezet, zal ik voor de aanpassing van de WHW in een volgend wetstraject een voorstel doen – uiteraard onder de voorwaarde dat de hierna genoemde beoordeling van de Inspectie daartoe aanleiding geeft – en daarover verder het overleg met uw Kamer voeren.

De verzelfstandiging van de pabo Thomas More leidt niet tot uitbreiding van het opleidingenaanbod in het hoger onderwijs en evenmin tot een extra beslag op de rijksmiddelen.

Tot slot wijs ik u erop dat ik voornemens ben een mogelijkheid te creëren in de WHW om splitsing van instellingen in het hoger onderwijs mogelijk te maken, zoals aangegeven in het eerder genoemde begrotingsoverleg. Daartoe zal ik in het voorjaar van 2012 een voorstel doen in een beleidsbrief.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven