30 573 Migratiebeleid

Nr. 107 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juli 2012

Met deze brief wordt invulling gegeven aan de toezegging in de beleidsnotitie «internationale migratie en ontwikkeling» van 2008 (Kamerstuk 30 573, nr. 11) om uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de externe evaluatie van het programma «migratie en ontwikkeling».

Het programma «migratie en ontwikkeling» is in het voorjaar van 2012 extern geëvalueerd. Deze brief bevat de beleidsconclusies die wij trekken op basis van de conclusies en aandachtspunten van deze beleidsevaluatie. De beleidsevaluatie, uitgevoerd door Panteia/Research voor Beleid en de Maastricht Graduate School of Governance (MGSoG), is opgenomen als annex 11. De brief geeft beknopt aan wat de bevindingen zijn van de evaluator en welke consequenties wij, als verantwoordelijke bewindspersonen, daaruit trekken voor de voortgang van het programma en de beleidsontwikkeling.

Als annex 2 bij deze brief is de voortgangsrapportage 2011 opgenomen, waarin verslag wordt gedaan van activiteiten die zijn uitgevoerd op het terrein van migratie en ontwikkeling1. Deze rapportage geeft uitvoering aan de toezegging in de beleidsnotitie van 2008 om uw Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang van de ondernomen activiteiten op dit beleidsterrein. De voortgangsrapportage besteedt tevens aandacht aan de stand van zaken van de EU-ACS dialoog over migratie. Bij het goedkeuringsdebat op 12 april jl. (Handelingen II 2011/12, nr. 76, item 11, blz. 64–72) over de «herziening van het Verdrag van Cotonou en van het Economisch Partnerschapsakkoord met Caricom» is door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken toegezegd de Kamer op de hoogte te stellen van de voortgang van deze dialoog.

Evaluatie programma «migratie en ontwikkeling»

De doelstelling en opzet van de evaluatie

De doelstelling van de evaluatie was tweeledig:

  • Verantwoording afleggen over de uitvoering van het beleid zoals verwoord in de beleidsnotitie «internationale migratie en ontwikkeling» uit 2008.

  • Lessen trekken uit, en aanbevelingen doen voor, de verdere ontwikkeling van het migratie en ontwikkelingsbeleid.

Op basis van genoemde notitie zijn voor zes beleidsprioriteiten activiteiten ontplooid en ondersteund. Deze beleidsprioriteiten zijn:

  • 1. Meer aandacht voor migratie in de ontwikkelingsdialoog en voor ontwikkeling in de migratiedialoog.

  • 2. Institutionele ontwikkeling op het gebied van migratiemanagement.

  • 3. Stimuleren van circulaire migratie/brain gain.

  • 4. Versterken van de betrokkenheid van migrantenorganisaties.

  • 5. Versterken van de relatie tussen geldovermakingen en ontwikkeling.

  • 6. Bevorderen van duurzame terugkeer en herintegratie.

Het direct vaststellen van ontwikkelingseffecten van de uitgevoerde activiteiten was in het kader van de evaluatie om verschillende redenen niet mogelijk. Onder andere omdat een «baseline» met gegevens over migratie en ontwikkeling ontbreekt, omdat effecten van overheidsbeleid vaak pas op langere termijn zichtbaar zijn, en omdat de relatie tussen migratie en ontwikkeling niet eenduidig is. De inzet van het migratie- en ontwikkelingsbeleid was dan ook het leveren van een bescheiden bijdrage aan het versterken van de positieve effecten van migratie op ontwikkeling en het verzachten van de negatieve effecten. De evaluatie richtte zich enerzijds op de vraag of de activiteiten hebben geleid tot de beoogde resultaten en anderzijds op de vraag of het, op basis van academische en beleidsinzichten, aannemelijk is dat de uitgevoerde activiteiten een bijdrage hebben geleverd aan het behalen van de gestelde beleidsdoelen.

Belangrijkste conclusies en aandachtspunten

Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste constateringen, conclusies en aandachtspunten. Per conclusie en aanbeveling van de evaluatoren wordt aangegeven welke beleidsconsequenties wij hieraan verbinden. Eerst wordt ingegaan op meer algemene conclusies en aandachtspunten en vervolgens op de conclusies gemaakt bij de specifieke beleidsprioriteiten.

ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Beleidsprioriteiten migratie en ontwikkeling

De evaluator is van mening dat de beleidsprioriteiten op logische wijze tot stand zijn gekomen op basis van internationale academische en beleidsmatige ontwikkelingen en dat deze prioriteiten grotendeels een voortzetting zijn van het migratie- en ontwikkelingsbeleid van voor 2008. De evaluator concludeert dat de gekozen beleidsprioriteiten onverminderd relevant zijn, al zou kunnen worden overwogen om binnen die beleidsprioriteiten op onderdelen nieuwe of andere accenten te leggen.

We zijn van mening dat de evaluatie aantoont dat het «migratie en ontwikkeling» programma heeft bijgedragen aan de invulling van dit beleid op de hogergenoemde beleidsprioriteiten. Internationaal bezien is de migratie en ontwikkeling agenda sterk in beweging. Enkele EU-Lidstaten, Zwitserland en Noorwegen evenals de Europese Commissie ontplooien initiatieven op dit gebied. De kennis over de versterking van de ontwikkelingsdimensie van migratie staat echter nog in de kinderschoenen. Het Nederlandse programma heeft nieuwe kennis opgeleverd over de mogelijkheden om via migratie bij te dragen aan ontwikkeling in de landen van herkomst en heeft geleid tot nieuwe maatschappelijke initiatieven op dit vlak. Wij zijn van mening, gezien het feit dat zowel in de academische als de internationale beleidsdiscussie thema’s als circulaire migratie, het betrekken van migrantenorganisaties, terugkeer en geldovermakingen ook in 2012 nog steeds centraal staan, er geen aanleiding is om de prioriteiten in het beleid voor migratie en ontwikkeling te wijzigen. Het thema migratiemanagement is al onderdeel van de internationale beleidsdiscussie. De huidige beleidsprioriteiten zijn ruim genoeg om nieuwe accenten te leggen zoals de verdere versterking van de ontwikkelingsdimensie van het programma, de extra inzet op bescherming in de regio als onderdeel van migratiemanagement en het faciliteren van bedrijfsmatige activiteiten van migrantenondernemers in herkomstlanden.

De landenkeuze

Sinds medio 2011 is de inzet van middelen voor het thema migratie en ontwikkeling niet meer gekoppeld aan de OS-partnerlandenlijst. Middelen kunnen in beginsel worden ingezet in alle ODA-landen. Wat hiervan de gevolgen zijn is, aldus de evaluator, nog niet te zeggen.

Zoals wij hebben aangegeven in onze beleidsbrief van 20112 is het OS-budget voor internationale migratie en ontwikkeling ontkoppeld van de OS-partnerlandenlijst. Prioriteit wordt gegeven aan activiteiten ten aanzien van die landen die voor Nederland vanuit het oogpunt van migratie belangrijk zijn en waarmee Nederland in het kader van de strategische landenbenadering migratie en ontwikkeling een brede, duurzame relatie op het gebied van migratie en ontwikkeling wenst op te bouwen. In de praktijk gaat het bij de inzet van middelen uit het centrale budget voor migratie en ontwikkeling om landen die voor het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties in het kader van de strategische landenbenadering van belang zijn, Daarnaast gaat het om landen van herkomst van belang in verband met de terugkeer van alleenstaande minderjarigen. Tenslotte worden middelen ingezet ter ondersteuning van landen van eerste opvang in de regio van herkomst voor vluchtelingen met nationaliteiten waarvan Nederland ook een grote instroom aan asielzoekers kent.

In 2011 is een lijst van voor migratie en ontwikkeling prioritaire landen toegevoegd aan de voortgangsrapportage »internationale migratie en ontwikkeling».3 In beginsel worden alleen activiteiten gefinancierd in landen die voorkomen op die landenlijst. Voor zover het gaat om activiteiten in samenwerking met of ten behoeve van overheden van herkomstlanden wordt in het kader van het strategisch landenbeleid afgestemd met het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. De lijst kan in het licht van de actuele problematiek jaarlijks worden aangepast.

Subsidiecriteria en -proces

De evaluator constateert dat bij subsidieaanvragen de criteria worden toegepast zoals vastgelegd in het subsidiebesluit en het subsidiekader voor migratie en ontwikkeling. De criteria zijn echter relatief breed en algemeen geformuleerd. De evaluator geeft als overweging mee deze meer te specificeren en te werken met vaste periodes voor projectaanvragen.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken zal in het komende subsidiebesluit de beoordelingscriteria meer specificeren, zoals begin 2012 al is gebeurd voor de zesde beleidsprioriteit «duurzame terugkeer en herintegratie». Wij zien onvoldoende aanleiding om te werken met vaste periodes voor de indiening van projectaanvragen. Een uitzondering betreft beleidsprioriteit nummer 6, waar relatief veel voorstellen zijn ingediend gericht op ondersteuning van herintegratie bij terugkeer. Hierbij is in het kader van het terugkeerbeleid expliciet interdepartementale afstemming nodig voor de beoordeling van voorstellen.

De huidige opzet zonder vastgestelde periodes voor indiening biedt de benodigde flexibiliteit om door de instrumenten van subsidieverlening en opdrachttoekenning, alsmede door cofinanciering van bij de EU ingediende voorstellen van non-gouvernementele organisaties en interstatelijke organisaties, activiteiten onder de zes beleidsprioriteiten te kunnen ondersteunen en in te spelen op actuele ontwikkelingen. In deze opzet kan tevens rekening worden gehouden met de bredere beleidsprioriteiten van het externe asiel- en migratiebeleid. Met de jaarlijkse publicatie van het subsidiebesluit is er echter de facto al een moment waarbij organisaties worden uitgenodigd om projectaanvragen in te dienen.

Het vaststellen van de bijdrage van het migratie-en ontwikkelingsbeleid aan ontwikkeling

De evaluator geeft aan dat meer onderzoek nodig is naar de ontwikkelingseffecten c.q. relevantie van activiteiten zoals migratiemanagement, tijdelijke terugkeer van deskundigen en ondersteuning bij herintegratie van terugkeerders. Aanbevolen wordt om, voor zover mogelijk, de bijdrage van het migratie en ontwikkelingsbeleid nadrukkelijker onderdeel te laten zijn van beleid en om evaluaties standaard in te bouwen in projecten.

Wij onderkennen het belang van dergelijk onderzoek om inzicht te vergroten of beleid kan bijdragen aan het maximaliseren van de positieve bijdragen en minimaliseren van de negatieve effecten van migratie op ontwikkeling. Bij nieuwe projecten zal niet alleen worden gevraagd om financiële en inhoudelijke rapportages, maar zullen – waar relevant – ook afspraken worden gemaakt over een externe evaluatie. Het Ministerie ondersteunt al onderzoek door de IS-academie naar de effecten van, mede door Nederland, ondersteunde activiteiten op verschillende beleidsprioriteiten.

Integratie van beleidsprioriteiten

De evaluator geeft ook aan dat de keuze voor zes belangrijke beleidsprioriteiten onvermijdelijk leidt tot versnippering van de middelen. Mogelijk kunnen projecten in de toekomst meer prioriteiten integreren. Vooral waar het activiteiten betreft van migrantenorganisaties vindt overlap plaats met andere beleidsprioriteiten. Het zou goed zijn, aldus de evaluator, om daar in de toekomst nog meer naar te streven om zoveel mogelijk integratie van verschillende beleidsprioriteiten te waarborgen.

Zoals de evaluatoren zelf al constateren is er in de praktijk in veel projecten al sprake van een combinatie van beleidsprioriteiten. Bij de opstelling van het subsidiebesluit voor het komend jaar zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken expliciet vermelden dat voorkeur wordt gegeven aan projecten die meer dan één van de beleidsprioriteiten afdekken en voor zover de activiteiten onder deze prioriteiten elkaar versterken.

Budget en verdeling van middelen over de beleidsprioriteiten

Sinds 2008 is het jaarbudget Euro 9 miljoen, waarvan op basis van het amendement van het Kamerlid Ferrier structureel Euro 4 miljoen per jaar gereserveerd voor de beleidsprioriteit duurzame terugkeer en herintegratie. De overige Euro 5 miljoen is afhankelijk van de ontvangen projectvoorstellen dan wel vergeven opdrachten en co-financiering van EU gefinancierde projecten verdeeld over de overige vijf beleidsprioriteiten. De evaluator concludeert dat binnen die context de verdeling van middelen logisch is.

De beschikbare middelen uit het centrale fonds voor migratie en ontwikkeling voor de verschillende beleidsprioriteiten zijn voor de periode 2008 tot en met 2011 voldoende gebleken om de financiering van activiteiten onder de zes beleidsprioriteiten af te dekken. De samenwerking op het vlak van migratie in het kader van het strategisch landenbeleid of in EU-kader binnen de mobiliteitspartnerschappen behoeft additionele middelen om de Nederlandse inzet gericht op een brede samenwerking op het vlak van migratie te ondersteunen. Overheden van landen die bereid bleken tot samenwerking bij terugkeer, gaven aan op het terrein van asiel en migratie specifieke behoeften te hebben waarbij werd gesondeerd naar een Nederlandse bijdrage. Zo heeft Angola Nederland gevraagd om ondersteuning bij migratiemanagement, in het bijzonder de bestrijding van documentfraude. Dit verzoek is een uitvloeisel van het recent door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gesloten Memorandum of Understanding met Angola waarin is aangegeven de samenwerking op het vlak van migratie te intensiveren.

SPECIFIEKE CONLUSIES EN AANBEVELINGEN

Meer aandacht voor migratie in ontwikkelingsbeleid en voor ontwikkeling in migratiebeleid

De evaluator constateert dat in zowel in EU- kader als internationaal (met name het «Global Forum for Migration and Development») waardering is voor de bijdrage van Nederland aan het debat over de samenhang van migratie en ontwikkeling. Nederland heeft zich sterk ingezet voor coherentie tussen migratiebeleid en de doelen die zijn gesteld in het ontwikkelingsbeleid. Ook nationaal is er meer aandacht ontstaan voor migratie in het ontwikkelingsbeleid, zoals blijkt uit het groot aantal activiteiten onder de zes beleidsprioriteiten voor migratie en ontwikkeling dat Nederland de afgelopen jaren heeft ondernomen. Omgekeerd is er binnen het migratiebeleid meer aandacht voor ontwikkeling; dat geldt echter met name voor het terugkeerbeleid. Op het terrein van arbeidsmigratie constateert de evaluator recent minder ruimte voor ontwikkeling; de mogelijkheid voor arbeidsmigratie van derdelanders is beperkt tot hooggeschoolden. De evaluatoren stellen vraagtekens bij de effectiviteit en ontwikkelingsrelevantie van het hanteren van conditionaliteit in de samenwerking waarbij een nadrukkelijke (voorwaardelijke) koppeling tussen de beleidsterreinen van migratie en ontwikkelingssamenwerking wordt gemaakt.

Wij merken dat Nederland internationaal nadrukkelijk waardering oogst voor zijn erkenning van de rol die de diaspora speelt bij de ontwikkeling van herkomstlanden en voor de steun die Nederland geeft om migrantenorganisaties te betrekken bij het internationale debat over migratie en ontwikkeling. Wij zijn verder van mening dat de invoering van conditionaliteit in de ontwikkelingssamenwerking het belang van de coherentie tussen ontwikkelingssamenwerking en het migratiebeleid versterkt. Immers de (voorwaardelijke) koppeling tussen migratie en ontwikkeling wordt positief ingevuld indien het betreffende derde land bereid is mee te werken aan terugkeer van niet tot Nederland toegelaten migranten. In dat geval zal Nederland, desgewenst, meer investeren in samenwerking, inclusief op het vlak van migratie en ontwikkeling. Is er echter geen of onvoldoende sprake van medewerking bij terugkeer dan kan dat gevolgen hebben voor het geheel aan relaties met Nederland, waaronder de ontwikkelingssamenwerking die via de overheid loopt.

Institutionele ontwikkeling op het gebied van migratiemanagement

De evaluator constateert dat er in het algemeen weinig bekend is over de ontwikkelingsimpact van de versterking van migratiemanagement, het is dan ook niet gemakkelijk om deze ontwikkelingsimpact in de uitgevoerde activiteiten aan te tonen. Wel is duidelijk dat de verschillende projecten bijgedragen lijken te hebben aan institutionele ontwikkeling op het vlak van migratiemanagement, zowel als het gaat om grensbewaking als om het ontwikkelen van beleid door overheden van herkomstlanden om hun diaspora te betrekken bij ontwikkelingsinitiatieven. De uitgevoerde activiteiten hebben grotendeels de beoogde resultaten bereikt.

Wij verwachten dat onder deze beleidsprioriteit financiering voor meer projecten zal worden gezocht gezien de inzet van Nederland om in bilateraal en in EU-kader de samenwerking met herkomstlanden op het vlak van migratie te verbreden. Ook zet Nederland onder deze beleidsprioriteit extra in op het versterken van de bescherming van vluchtelingen in regio’s van herkomst. Het gaat hierbij met name om versterking van lokale asielstelsels door training van overheidspersoneel en van medewerkers van niet gouvernementele organisaties. In 2011 is er een extra bijdrage geven aan UNHCR om de protectie capaciteit van de Keniaanse overheid en van niet gouvernementele instanties in dat land te versterken. Dit jaar wordt extra ingezet op versterking van de asielcapaciteit in Jordanië.

Stimuleren van circulaire migratie/brain gain

Geconcludeerd wordt door de evaluator dat er internationaal veel overeenstemming bestaat over de potentieel gunstige effecten van beide vormen van circulaire migratie, zowel voor het land van bestemming als herkomst. Resultaten voor deze beleidsprioriteit in de Nederlandse pilot zijn echter niet eenduidig.

Het enige project gericht op het faciliteren van tijdelijke arbeidsmigratie naar Nederland, het «blue birds» project, is voortijdig beëindigd, omdat het niet de beoogde resultaten opleverde. Het rapport van de evaluator onderkent dat mobiliteit en tijdelijke tewerkstelling van migranten kan bijdragen aan de ontwikkeling van de landen van herkomst van migranten. Het is dan ook uit dat oogpunt jammer dat het «blue birds» pilot project door gebrek aan resultaat voortijdig moest worden beëindigd. Mocht er politiek draagvlak zijn, bijvoorbeeld binnen de kaders van EU-mobiliteitspartnerschappen, voor een nieuw initiatief, dan wordt door de evaluator gepleit voor meer flexibiliteit in de uitvoering.

In het licht van de huidige arbeidsmarktsituatie en het aanwezige arbeidspotentieel binnen de EU, ziet het Kabinet geen aanleiding om arbeidsmigratie naar Nederland te bevorderen, anders dan voor hooggeschoolden.

Daarentegen is het belangrijkste project voor tijdelijke uitzending van migranten naar herkomstlanden, «Temporary return of Qualified Nationals», positief verlopen en goed ontvangen door herkomstlanden van migranten. Zolang deze laatste activiteit goed aansluit bij de beleidsprioriteiten binnen het migratie- en ontwikkelingsbeleid pleit de evaluator ervoor hiermee door te gaan.

Binnen de kaders van migratie en ontwikkeling zullen wij ondersteuning blijven geven aan initiatieven gericht op tijdelijke uitzending van migranten naar het land van herkomst. Hierbij zullen de in het kader van de evaluatie geopperde verbeterpunten, waar mogelijk en nodig, worden meegenomen.

Versterken van de betrokkenheid van migrantenorganisaties

Geconcludeerd wordt door de evaluator dat er veel activiteiten zijn uitgevoerd onder deze beleidsprioriteit en dat deze, voor zover afgerond, over het algemeen de beoogde resultaten hebben behaald. Het beleid lijkt goeddeels geslaagd. Migrantenorganisaties zijn betrokken bij het beleid, ze hebben zich georganiseerd in meerdere platforms (waaronder Europese), migrantenorganisaties zijn getraind met het oog op professionalisering, en een aantal overheden in herkomstlanden is ondersteund bij hun diasporabeleid door training van overheidsvertegenwoordigers. Geconstateerd wordt dat slechts een beperkt aantal migrantenorganisaties een zekere professionaliteit heeft ontwikkeld als ontwikkelingsorganisatie. De evaluatoren vragen zich af of het nodig is om opnieuw te investeren in het professionaliseren van meer migrantenorganisaties.

Wij zien dat een toenemend aantal herkomstlanden instanties heeft ingesteld die zich richten op de relaties met de diaspora, waarbij in toenemende mate ook wordt getracht migranten bij de ontwikkeling van het herkomstland te betrekken. De capaciteitsversterking van overheden op het gebied van diaspora zal, waar mogelijk en nodig, ook in de toekomst worden ondersteund. Deze activiteit past ook binnen de beleidsprioriteit institutionele ontwikkeling op het vlak van migratiemanagement.

Wij zien onvoldoende aanleiding om binnen de kaders van het programma «migratie en ontwikkeling» opnieuw een basistraining projectontwikkeling en -beheer specifieke gericht op migrantenorganisaties aan te bieden. Migrantenorganisaties hebben net als andere (kleine) particuliere organisaties de mogelijkheid om binnen lopende initiatieven voor particuliere organisaties zoals «my world» scholing te krijgen. Het Ministerie van Buitenlandse zaken is bereid om op deelonderwerpen die specifiek relevant zijn voor migrantenorganisaties, zoals het gezamenlijk inzetten door migranten van geldovermakingen («collective remittances») voor ontwikkelingsdoeleinden, ondersteuning te bieden aan trainingsinitiatieven.

Versterken van de relatie van geldovermakingen en ontwikkeling

De evaluator constateert dat de website «geld naar huis» niet heeft bijgedragen aan het versterken van de relatie tussen geldovermakingen («remittances») en ontwikkeling. Aanbevolen wordt om in de verbeterde opzet van de website aandacht te besteden aan nieuwe ontwikkelingen en innovaties. Gezien het ontwikkelingspotentieel van geldovermakingen acht de evaluator het wenselijk om meer in zetten op deze beleidsprioriteit. Dit kan door ook andere initiatieven te ontplooien die een bijdrage kunnen leveren aan het versterken van de relatie tussen geldovermakingen en ontwikkeling. Hierbij kan worden gedacht aan investeringsfondsen, «collective remittances», de relatie tussen geldovermakingen en ondernemerschap en «mobile remittances». Er zijn ook mogelijkheden voor het betrekken van de diaspora, waardoor een integratie met de beleidsprioriteit «versterken van de betrokkenheid van migrantenorganisaties» mogelijk is.

Zoals ook aangegeven in de evaluatie zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken al in op het ondersteunen van initiatieven van diasporaorganisaties die «collective remittances» willen inzetten voor ontwikkelingsdoeleinden. Ook geeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken ondersteuning in de vorm van training en begeleiding van migranten bij de ontwikkeling en opstart van bedrijfsmatige activiteiten in landen van herkomst.

Het Kabinet is van mening dat overheden in principe niet sturend mogen optreden bij de besteding van private geldovermakingen. Nederland zet wel in op het scheppen van gunstige randvoorwaarden ter versterking van de relatie tussen geldovermakingen en ontwikkeling. Daarbij gaat het in de eerste plaats om verbetering van de transparantie op de Nederlandse markt voor geldovermakingen, met name door de ondersteuning van de website www.geldnaarhuis.nl. Het aantal gebruikers van de website «geld naar huis» is ver achtergebleven bij de doelstelling. Door gerichte promotie van de website wordt ingezet op het vergroten van het aantal bezoekers. Met de uitvoerder, Stichting Intent, wordt overlegd of op de website informatie beschikbaar kan worden gesteld over nieuwe ontwikkelingen van belang voor geldovermakingen, inclusief over de inzet van deze middelen voor ontwikkelingsdoeleinden.

Bevorderen van duurzame terugkeer en herintegratie

De resultaten onder deze beleidsprioriteit laten een wisselend beeld zien; projecten die uitsluitend een hulpaanbod in natura hadden behaalden de beoogde resultaten niet. Het tot voor kort als keuzealternatief aanbieden van financiële herintegratieondersteuning naast in natura ondersteuning is een belangrijke verklarende factor geweest voor tegenvallende resultaten bij projecten met in natura ondersteuning. De evaluator onderstreept het belang van het monitoren van de effecten van herintegratieondersteuning op de terugkeerbeslissing en op de duurzaamheid van terugkeer. Ook is de evaluator van mening dat de bijdrage aan ontwikkeling van het land van herkomst (de ontwikkelingsdimensie) van ondersteuning gericht op duurzame terugkeer duidelijker gedefinieerd moet worden, omdat deze in de huidige activiteiten onvoldoende is aangetoond.

Wij verwachten dat het complementair aanbieden van de in natura steun bij herintegratie aan financiële ondersteuning zal leiden tot een toename in deelname van terugkeerders aan in natura projecten. De eerste ervaringen met het in de tweede helft 2011 opgestarte project voor ondersteuning bij terugkeer van gezinnen zijn positief. Zoals aangegeven in de evaluatie is monitoring nadrukkelijk onderdeel van de beoordelingscriteria voor projectaanvragen geworden in het nieuwe beleidskader voor vrijwillige terugkeer. De terugkeerondersteuning heeft vooral op microniveau ontwikkelingsrelevantie. Het gaat om hulp aan individuen bij de herintegratie, waarbij de inzet is de negatieve gevolgen voor lokale gemeenschappen te verminderen door betrokkenen te ondersteunen bij het vinden van perspectief op een bestaan en de positieve bijdrage te vergroten voor de lokale ontwikkeling door waar mogelijk initiatieven van terugkeerders te ondersteunen die de lokale ontwikkeling kunnen bevorderen. Ook kan worden gedacht aan kleinschalige ontwikkelingsrelevante projecten die lokale gemeenschappen ondersteunen waarin groepen terugkeerders zich vestigen. In dat laatste geval kan het bijvoorbeeld gaan om kleinschalige bedrijfsgerichte activiteiten.

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, H. P. M. Knapen

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 30 573, nr. 74.

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 30 573, nr. 74. Bijlage 2.

Naar boven