29 675 Zee- en kustvisserij

Nr. 114 MOTIE VAN DE LEDEN JACOBI EN GRASHOFF

Voorgesteld 13 april 2011

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat:

  • de Europese visserijvloot de op twee na grootste vangsten heeft, na China en Peru, met ongeveer 5,1 miljoen ton vis per jaar;

  • ondanks vermindering van het aantal schepen de vangstcapaciteit juist is toegenomen door technologische ontwikkelingen;

  • Europese schepen door uitputting van de eigen visbestanden in toenemende mate vissen in de wateren buiten de EU, waaronder in de diepzee en in wateren van armere landen in Afrika, Zuid-Amerika en in de wateren van de eilandenstaten in de Stille Oceaan;

  • dit leidt tot verlies van biodiversiteit en competitie met lokale visserijen, terwijl vis voor vele lokale gemeenschappen een zeer belangrijke bron van voedsel en inkomsten is;

  • de Europese Commissie aangeeft dat overcapaciteit van de Europese vissersvloot een van de grootste problemen is in het visserijbeleid, met in sommige delen van de vloot een capaciteit van twee à drie keer de maximum sustainable yield (MSY);

verzoekt de regering in de hervorming van het Europese visserijbeleid de hoogste prioriteit te geven aan het effectief aanpakken van overcapaciteit en het voorkomen van ecologische en sociaaleconomische schade, door:

  • zich ervoor in te zetten dat de Europese lidstaten gezamenlijk komen tot bindende afspraken om de vangstcapaciteit van de Europese vloot zo snel mogelijk in lijn te brengen met de hoeveelheid vis die nog in die wateren voorradig is;

  • ervoor te zorgen dat de nieuwe basisregulering een transitie mogelijk maakt van een vloot, gedomineerd door grootschalige vangstschepen naar lokale kleinschalige, meer arbeidsintensieve visserijen, die milieuvriendelijke en sociaal wenselijke vangstmethoden gebruiken, met daarbij ook meer inspraak door de vertegenwoordigers van de lokale kleinschalige vissers,

en gaat over tot de orde van de dag.

Jacobi

Grashoff

Naar boven