28 719 Reïntegratiebeleid

Nr. 75 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 december 2010

Hierbij bied ik u een viertal rapportages aan. In de eerste plaats bied ik u het rapport Participatie in crisistijd1 van de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) aan. De Inspectie onderschrijft het uitgangspunt dat dalende re-integratiebudgetten vragen om een hogere mate van selectiviteit bij de inzet van die budgetten. Door selectief en vraaggericht instrumenten te gebruikten kan de effectiviteit worden vergroot. De Inspectie noemt de in deze rapportage gepresenteerde resultaten van de ondersteuning van cliënten met grote afstand tot de arbeidsmarkt veelbelovend, vooral waar het gaat om ondersteuning met een grote werkcomponent.

De Inspectie constateert dat de ondersteuning van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt via re-integratietrajecten slechts licht is toegenomen, waar zij een intensivering had verwacht. De VNG en Divosa wijzen er terecht op dat het niet krijgen van een re-integratietraject niet betekent dat mensen geen ondersteuning krijgen. Soms is een op werk gericht traject niet reëel en krijgen mensen andere ondersteuning, bijvoorbeeld in het kader van de WMO. Het streven is niet om meer mensen in re-integratietrajecten te hebben, maar om meer mensen aan het werk te krijgen door de effectiviteit van re-integratie te vergroten.

De Inspectie wijst erop dat het inzicht in de inzet van re-integratieinstrumenten en de effecten daarvan op een aantal punten kunnen worden verbeterd. De Inspectie signaleert als belangrijkste knelpunt op dit vlak dat gemeenten vaak op verschillende wijze registreren en daardoor onvergelijkbare gegevens aanleveren bij het CBS. Dit is geen nieuwe constatering. In het voorjaar van 2010 heeft de toenmalige Minister van SZW u geïnformeerd over de de Statistiek Re-integratie Gemeenten. De VNG is samen met het ministerie bezig in een verbetertraject de kwaliteit van de gegevensaanlevering door gemeenten op een hoger peil te brengen.

Verder bied ik u de Monitor Loonkostensubsidie UWV1, meting voorjaar 2010, de Monitor Loonkostensubsidie UWV, meting voorjaar 2010 onder werkgevers1, en de Monitor Arbeidsbeperkten en Werk 2007–20091 van het UWV, aan.

Tot slot informeer ik u bij deze gelegenheid tevens over de stand van zaken van het een jaar geleden door de toenmalige bewindslieden van SZW en OCW toegezegde onderzoek naar de oorzaken van de achterblijvende arbeidsdeelname van allochtone meisjes. Het onderzoeksrapport wordt in het eerste kwartaal van 2011 verwacht.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Naar boven