Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 mei 2012
Tijdens het Algemeen Overleg over het Voortgangsbericht aanpak kinderpornografie op
2 februari jongstleden (Kamerstuk 31 015, nr. 79) heb ik toegezegd u nader te zullen berichten over de positionering van de Nationaal
Rapporteur Mensenhandel. Hierbij zou ik de mogelijkheden voor een wettelijke verankering
van haar positie betrekken.
Voordat ik u – mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
– mijn standpunt hierover toelicht wil ik benadrukken dat ik zeer tevreden ben over
de wijze waarop de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) functioneert. Zoals ik
tijdens bovengenoemd Algemeen Overleg heb gezegd wordt de NRM in elk overleg over
het onderwerp seksueel geweld tegen kinderen of vergelijkbare onderwerpen terecht
genoemd en geprezen om haar functioneren en de wijze waarop zij adviseert. Verder
waren de rapportages die in het verleden over mensenhandel door de Rapporteur zijn
uitgebracht kritisch, maar bevatten concrete en praktische aanbevelingen om het beleid
ten aanzien van de aanpak van mensenhandel te verbeteren. Zoals de Rapporteur ook
zelf constateert in haar 8ste rapportage1 hebben de uitgebrachte aanbevelingen – in de 10 jaar waarin de Rapporteur in 2010
bestond – overwegend een rol gespeeld in besluitvormingsprocessen. Ik ben van mening
dat de NRM hiermee een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de aanpak van mensenhandel,
waarmee Nederland in internationaal perspectief inmiddels voorop loopt.2
In haar 8ste rapportage concludeert de NRM dat haar instituut geheel zelfstandig is geplaatst
binnen de Rijksoverheid zonder hiërarchische verbinding. Ook stelt ze vast dat de
Nederlandse overheid met deze onafhankelijk gepositioneerde rapporteur op structureel
niveau tegenspraak heeft georganiseerd, waaruit de intentie blijkt om als overheid
daadwerkelijk resultaten te boeken in de strijd tegen mensenhandel.
Ik ben het eens met deze conclusie. De NRM functioneert als een onafhankelijk, respectabel
en deskundig instituut en levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van
de aanpak van mensenhandel en – met haar laatste rapportage – de aanpak van kinderpornografie.
Een wijziging van haar positie is in dit opzicht dan ook niet nodig.
Desondanks heb ik met de NRM gesproken over inhoudelijke argumenten om tot een wettelijke
verankering over te gaan. Een voor haar belangrijk punt dat aan de orde kwam is haar
zorg dat zonder wettelijke verankering de inzage in dossiers van – bijvoorbeeld –
jeugdzorginstellingen haar zou kunnen worden geweigerd. Deze inzage heeft zij nodig
in verband met de uitbreiding van haar taak op het gebied van seksueel geweld tegen
kinderen, zoals ik u per bief van 27 januari 2012 heb meegedeeld. 3
De toegang tot dossiers van de jeugdzorg is van belang om de rapporteurfunctie van
de NRM op het gebied van seksueel geweld tegen kinderen goed uit te oefenen. Op dit
moment is echter nog niet duidelijk welke onderzoeken de NRM op dit gebied gaat uitvoeren
en – als gevolg hiervan – voor welke dossiers inzage gewenst is. Wel treed ik met
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in overleg over de
afspraken – bijvoorbeeld in de vorm van een convenant – die over de inzage in de dossiers
met Jeugdzorg Nederland kunnen worden gemaakt.
Ik verwacht dat deze afspraken zullen voldoen. Indien er toch problemen ontstaan met
inzage in de dossiers dan zal samen met de staatssecretaris van VWS naar een oplossing
worden gezocht.
Naast de inzage in de dossiers van de Jeugdzorg heb ik met de NRM afspraken gemaakt
over onder andere de borging van de onafhankelijkheid van de medewerkers van de NRM.
Zo wordt vastgelegd dat de medewerkers over hun werkzaamheden uitsluitend verantwoording
afleggen aan de Nationaal rapporteur. De naam van de Nationaal rapporteur wordt gewijzigd
in «Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen.» Het instellingsbesluit
van de NRM zal op genoemde punten worden aangepast en mede worden ondertekend door
de staatssecretaris van VWS.
Het instellingsbesluit zal op korte termijn in de Staatscourant worden gepubliceerd.
De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten