28 286 Dierenwelzijn

Nr. 882 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 juni 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 1 juni 2016 over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn (Kamerstuk 28 286, nr. 878).

De vragen en opmerkingen zijn op 10 juni 2016 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 28 juni 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De adjunct-griffier van de commissie, De Vos

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Verbod op het vriesbranden van runderen

De leden van de VVD-fractie willen de Staatssecretaris vragen naar het voorgenomen verbod op koudmerken. Althans, de ontheffing wordt niet langer verlengd. Deze leden hebben over dit onderwerp ook reeds schriftelijke vragen gesteld (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 2914), alsmede een motie ingediend welke is aangehouden (Kamerstuk 28 286, nr. 876). Kan de Staatssecretaris ingaan op het feit dat voor sommige stalsystemen koudmerken op dit moment het enige goed functionerende middel is voor goede koeherkenning, en dat het daarmee van essentieel belang is voor de bedrijfsvoering en dat het niet voor het gemak wordt toegepast? Kan de Staatssecretaris ingaan op het feit dat niet alleen belangrijk is voor de veehouder, maar ook voor het werk van de dierenarts en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Is het waar dat er op dit moment nog geen volwaardig, betaalbaar en vergelijkbaar alternatief voorhanden is voor het koudmerken? Wat zijn de mogelijke kosten voor een boer wanneer de ontheffing zal worden ingetrokken en hij zal moeten overstappen op een ander systeem? Hoe ziet u de mogelijke extra kosten in het licht van de huidige situatie in de veehouderij?

Voor een aantal veehouders is vriesbranden een goed functionerend middel voor koeherkenning, onder meer vanwege de bedrijfsvoering en/of melksysteem. Mijn beleid is er echter op gericht om fysieke ingrepen bij het dier zoveel mogelijk te voorkomen. Dat het mogelijk is over te stappen naar een andere vorm van koeherkenning blijkt mede uit het feit dat het overgrote deel, namelijk 90%, van de melkveehouders – ook in vergelijkbare bedrijfssystemen – geen gebruik maakt van vriesbranden als methode voor individuele dierherkenning. Deze melkveehouders maken gebruik van alternatieven zoals een halsband, vaak in combinatie met elektronische koeherkenning. Ook zijn er melkveebedrijven die geen elektronische koeherkenning hebben maar hun dieren in de melkstal herkennen aan de vlekken, de lichaamsbouw en aan de uier. Ik heb ook onderzoek laten doen naar andere alternatieven en er zijn systemen op de markt en in ontwikkeling die het op afstand kunnen zoeken en identificeren van dieren in de stal ondersteunen. Deze methoden heeft de door u genoemde groep veehouders echter minder geschikt bevonden.

Welke keuze een boer maakt is situationeel bepaald en mede bepalend voor de te maken kosten. De kosten kunnen een afweging zijn.

Zowel de NVWA als de KNMvD geven aan dat zij hun werk goed kunnen blijven doen indien koeien geen koudmerk hebben. De bestaande andere koeherkenningsmiddelen voldoen.

Kan de Staatssecretaris daarnaast aangeven in hoeverre pijn en/of stress wordt ervaren bij het aanbrengen van een koudmerk? In het ontwerpbesluit geeft de Staatssecretaris immers aan dat het aanbrengen van een koudmerk binnen het aanpassingsvermogen van het rund ligt. Is de Staatssecretaris het met de leden van de VVD-fractie eens dat het dierenwelzijn en diergezondheid niet blijvend geschaad worden door koudmerken? Daarnaast willen deze leden vragen naar de berichten dat Duitsland overgegaan is tot het verlengen van de ontheffing op het gebruik van koudmerken, juist in het kader van de diergezondheid en dierenwelzijn. Kan de Staatssecretaris aangeven welke argumenten dan de doorslag geven om toch over te gaan tot het niet verlengen van de ontheffing?

De ingreep veroorzaakt kortdurende pijn, gevolgd door een ontstekingsreactie van vier dagen, waarvan de koe over het algemeen spontaan herstelt. Het dierenwelzijn en de diergezondheid worden weliswaar niet blijvend geschaad, maar het resultaat van de handeling is een permanente, plaatselijke verandering aan de eigenschappen van dier waarmee de integriteit van het dier is aangetast. Dat laatste is de reden waarom ik voornemens ben vriesbranden als ingreep te verbieden en niet over te gaan tot een verlenging van het toestaan van vriesbranden als derde ingreep. Ik volg hierin het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden.

Het vriesbranden als derde ingreep blijft overigens toegestaan tot inwerkingtreding van het verbod op vriesbranden als zodanig. Dit verbod is opgenomen in het voorgenoemde wijzigingsbesluit. De Nederlandse Melkveehoudersvakbond en LTO zijn hiervan op de hoogte gesteld.

Uw veronderstelling dat in Duitsland wordt overgegaan tot een verlenging van de ontheffing op een verbod op koudmerken wordt door het Duitse ministerie niet herkent. Vriesbranden is in Duitsland verboden (zie ook Wageningen Universiteit «Initiatives to reduce mutilations in the EU», maart 2016).

Verplichte bedwelming aal

De leden van de VVD-fractie willen eveneens vragen stellen naar aanleiding van de verplichte bedwelming van de aal. Zoals eerder aangegeven zijn deze leden niet enthousiast over deze aanpassing in het ontwerpbesluit. Het besluit hierover is een aantal keer uitgesteld en is nu opgenomen in dit ontwerpbesluit. Zij constateren dat er van oktober 2014 tot en met december 2014 er een subsidieregeling heeft gelopen zodat bedrijven de benodigde apparatuur voor de bedwelming konden aanschaffen. De leden van de VVD-fractie willen vragen of er voldoende apparaten beschikbaar zijn om te kunnen voldoen aan de voorgenomen verplichting? Is de subsidieregeling toen volledig uitgeput? Zo nee, welk bedrag is er toen niet benut? In het ontwerpbesluit wordt er gerekend met een toename in de regeldruk van 117.500,- euro per jaar, voor tien jaar omdat zestig bedrijven nog de benodigde apparatuur moeten aanschaffen. In de regeling die eind 2014 is opengesteld ging men nog van veertig bedrijven uit, waarbij acht apparaten voor grote hoeveelheden en vijftien apparaten voor kleine hoeveelheden uiteindelijk uit die regeling zijn gefinancierd. Kan de Staatssecretaris aangeven of de betreffende subsidieregeling voldoende effectief is geweest? In het ontwerpbesluit staat te lezen dat de Europese Commissie uiterlijk in december 2014 met een verslag zou komen over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de bescherming van vissen bij het doden, zo nodig voorzien van voorstellen tot aanpassing van de verordening. Deze is tot op heden niet verschenen. Kunt u aangeven wanneer deze verwacht wordt? En wat zijn de eventuele gevolgen van dit verslag voor het komen tot nieuwe voorschriften? Kan dit leiden tot een aanpassing van voorliggend besluit, ook wanneer de voorschriften van de EU minder ver gaan dan de nationale bepalingen? Wordt een eventuele wijziging eerst aan de Tweede Kamer voorgelegd? De leden van de VVD-fractie zouden hier wel waarde aan hechten.

Met de verplichte bedwelming van aal wordt mede uitvoering gegeven aan de motie Ouwehand (Kamerstuk 32 658, nr. 14). Om ondernemers die verplicht zijn om een goed werkend apparaat aan te schaffen financieel tegemoet te komen is eind 2014 eenmalig een subsidieregeling opengesteld. Voor de regeling was een maximaal bedrag van € 400.000 euro beschikbaar. De subsidie bedroeg ten hoogste 40% van de investering. Ondernemers hebben gebruik gemaakt van deze regeling door de aanschaf van 7 grote apparaten voor grote hoeveelheden en 15 apparaten voor kleine tot middelgrote hoeveelheden en hebben daar in totaal € 130.832 subsidie voor ontvangen. Daardoor bedroeg de totale (resterende) investering € 327.800, zijnde € 32.780 per jaar uitgaande van een afschrijvingstermijn van 10 jaar. Dit is aanzienlijk lager dan de in het wijzigingsbesluit aangegeven en verwachte € 117.500 per jaar. De subsidieregeling is dus niet volledig uitgeput. Ik heb geen signalen dat het aantal apparaten dat nu is aangeschaft niet voldoende is. Naar mijn mening is van de subsidieregeling goed gebruik gemaakt.

De Europese Commissie heeft het verslag over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de bescherming van vissen bij het doden tot op heden niet uitgebracht. Recent heeft zij aangegeven een studie te willen doen naar het doden van kweekvis. De verwachting is dat deze studie binnen 2 jaar afgerond zal zijn. Het is op voorhand niet aan te geven welke gevolgen de studie zal hebben voor het komen tot nieuwe Europese voorschriften. De inschatting is dat de studie niet zal leiden tot aanpassing van het nu voorliggende wijzigingsbesluit. Zodra de studie beschikbaar is zal ik u hierover informeren.

Elektronische halsband

Deze leden hebben met interesse kennisgenomen van de voorgenomen wijziging in het ontwerpbesluit over het gebruik van de elektronische halsband. Het inperken van het onrechtmatig gebruik van elektronische halsbanden kan een bijdrage leveren aan het welzijn van het dier. De leden van de VVD-fractie maken zich echter wel zorgen over de eis van deskundigheid die in het ontwerpbesluit wordt geïntroduceerd. Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer iemand deskundig wordt geacht? Hoe gaat deze deskundigheid geborgd worden? En wat betekent deze eis van deskundigheid in de praktijk? Moet een houder van een hond eerst een cursus volgen alvorens hij ter voorkoming van gevaar voor mens of dier een elektronische halsband wil gebruiken? Ten aanzien van de opleidingseisen willen de leden van de VVD-fractie vragen wie de eisen gaat bepalen. Tot slot zouden deze leden de Staatssecretaris willen vragen hoe de handhaving hierop is gewaarborgd. Hoe zal deze worden vormgegeven?

De deskundigheid zal worden geborgd doordat de band alleen zal mogen worden toegepast door of onder begeleiding van een persoon die met goed gevolg een speciaal daarop toegespitste cursus heeft doorlopen. De ontwikkeling van deze cursus is momenteel in volle gang. Een groep deskundigen werkt aan de vaststelling van eindtermen welke breed zullen worden voorgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan trainers, dierenbeschermers, een belangenvereniging van producenten, wetenschappers en ook de politie. De cursus zal ten eerste beogen te borgen dat de band alleen wordt ingezet indien geen minder ingrijpende methoden voorhanden zijn voor de noodzakelijke (bij)sturing van het gedrag van een hond. Een tweede element is het borgen van een dusdanig gebruik, dat geen schade aan de hond wordt berokkend (timing, keuze van de juiste band, dosering, inzicht in leerprincipes hond etc.). Ook bij veel gebruikers leeft de overtuiging dat het huidige gebruik moet worden beperkt tot uitzonderlijke situaties, en alleen deskundigheid kan voorkomen dat het welzijn van honden wordt geschaad. Door zowel gebruikers als tegenstanders te betrekken kan een zo breed mogelijk gedragen cursus worden ontwikkeld.

Het is zeer onwenselijk dat een houder bij probleemgedrag van zijn hond zelf, zonder afdoende kennis, aan de slag gaat met een elektronische halsband. Dit zijn juist de situaties die deze bepaling beoogt te voorkomen omdat het welzijn van honden ernstig wordt geschaad bij onjuist gebruik. Indien een hond probleemgedrag vertoont kan een gedragsdeskundige advies geven. De deskundige, zal indien hij de cursus met goed gevolg heeft doorlopen, de band kunnen inzetten. Indien de deskundige instaat voor een tijdelijk en juist gebruik door de eigenaar zal een eigenaar de band onder begeleiding mogen inzetten. Indien een houder zonder tussenkomst van de gedragsdeskundige zelf de band wil kunnen inzetten dan zal hij eerst zelf de cursus met goed gevolg moeten doorlopen. Er wordt verwacht dat dit nauwelijks zal voorkomen. De elektronische halsband is geen «normaal» sturingsmiddel voor een gemiddelde huisdiereigenaar met een hond. Het is een speciaal instrument dat alleen in gerechtvaardigde situaties (ter voorkoming van gevaar voor mens of dier of ten behoeve van het welzijn van het dier) door deskundige gebruikers ingezet moet kunnen worden.

Het gebruik van een elektronische halsband waarbij niet voldaan wordt aan de voorwaarden zoals hiervoor uitgelegd wordt beschouwd als dierenmishandeling. Het verbod op dierenmishandeling wordt gehandhaafd op basis van meldingen welke opgepakt worden door de Landelijke Inspectiedienst (LID), politie en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Inrichtingen met bedrijfsmatig gehouden dieren die worden bezocht op grond van welzijns-, veterinaire of cites- bepalingen kunnen ook op naleving van deze bepalingen gecontroleerd worden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn. De genoemde leden zijn blij met de stappen die gezet worden op het gebied van dierenwelzijn. Zij hebben hier nog wel enkele vragen en opmerkingen over en verzoeken de Staatssecretaris hierop in te gaan.

Electrische apparaten

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden dat in Nederland het gebruik van elektrische schokken bij het vervoer van vee beperkt wordt. Begrijpen deze leden goed dat het gebruik echter alleen bij vervoer binnen Nederland beperkt wordt? De genoemde leden vragen de Staatssecretaris of hij zich op EU-niveau hard wil maken om dit in de gehele EU te beperken, zodat ook bij internationaal vervoer dit niet langer toegestaan is. Hoe staat de Staatssecretaris hiertegenover?

De Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005) – die rechtstreeks van toepassing is in alle EU-lidstaten – voorziet al in artikelen die zien op het beperken van het gebruik van dwangmiddelen tijdens het transport. Zo staat in Bijlage I van die verordening in hoofdstuk III, artikel 1.8 dat het gebruik van prikstokken en scherpe voorwerpen bij het laden en lossen verboden is en in artikel 1.9 dat het gebruik van apparaten om elektrische schokken toe te dienen beperkt moet worden tot nauwkeurig omschreven situaties en uitsluitend gedurende maximaal 1 seconde op de spieren van de achterpoten.

Doden van kalveren

De leden van de PvdA-fractie hebben daarnaast enkele vragen over het onnodig doden van kalveren. In antwoord op eerdere schriftelijke vragen van het lid Van Dekken (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 2011) over het euthanaseren van te lichte kalveren gaf u aan dat u de mening van de PvdA-leden deelde en dat het doden van gezonde, jonge, te licht bevonden kalveren om alleen economische reden maatschappelijk onacceptabel is. Toch blijkt dat op verzamelplekken van kalveren nog altijd zo’n 200 kalveren per week (1%) wordt geëuthanaseerd. Waarom is dit nog altijd toegestaan, vragen de leden van de fractie van de PvdA. Zijn er al positieve resultaten bereikt door middel van het plan dat u 17 maart hebt ontvangen? Wat zijn deze resultaten? Bent u bereid zelf actie te ondernemen om dit onnodig doden te stoppen? Zo ja, welke actie zal dit zijn en op welke termijn verwacht u hiervan de resultaten? Zo nee, waarom niet?

De NVWA heeft het afgelopen jaar extra aandacht besteed aan de uitval op verzamelcentra en bij de keuring op de slachthuizen. Diverse verzamelcentra hebben de procedures aangescherpt en afspraken gemaakt met de handelaren.

De sector heeft daarnaast een integraal plan van aanpak opgesteld voor kalveren. Het plan Vitaal kalf van de melkveehouderij, de kalverhouderij en Vee & Logistiek Nederland zal ik rond de zomer naar uw Kamer sturen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren en hebben hierover een aantal vragen en opmerkingen.

Bedwelmen van aal

De leden van de SP-fractie zijn blij dat er uitvoering gegeven wordt aan de motie Ouwehand (Kamerstuk 32 658, nr. 14), betreffende een verbod op het doden van paling middels een zoutbad. Met de uitvoering wordt gelijk ook uitvoering gegeven aan de eerder aangenomen motie Smits en Van Gerven op dit onderwerp (Kamerstuk 26 991, nr. 287) betreffende het verbieden van het doden van vis door middel van zoutbaden. Deze leden vinden het goed dat voortaan voorafgaande bedwelming van paling wordt vereist in de bedrijfsmatige slacht. Zij zijn van mening dat dit dan ook voor kleinschaliger bedrijfsmatige slacht zou moeten gelden, zoals «ambachtelijke palingrokerij» De dierenwelzijnskwesties spelen net zo goed bij kleinschaliger slacht. Kan de Staatssecretaris toelichten welke dodingsmethoden voor paling toegestaan zijn voor particulieren? Zijn particulieren verplicht onnodig lijden te voorkomen tijdens de slacht? Dat zou immers in de rede liggen. Wordt er, bijvoorbeeld in samenwerking met sportvisserij Nederland, voorlichting gegeven aan particulieren over hoe zij vis moeten doden zonder onnodig lijden? Zo nee, bent u hiertoe bereid?

Bij de opzet van de ministeriële regeling is aansluiting gezocht bij de Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. De ministeriële regeling is van toepassing op het doden van aal, met het oog op de productie van dierlijke producten. Ambachtelijke palingrokerijen die zelf paling slachten voor de verkoop vallen derhalve ook onder de regeling.

Ten aanzien van de toegestane dodingsmethoden door particulieren blijft uiteraard gelden dat bij het doden van vis elke onvermijdbare vorm van pijn en lijden wordt voorkomen. Sportvissers die zijn aangesloten bij Sportvisserij Nederland mogen gevangen paling niet meenemen en moeten deze direct weer terugzetten in het water. Sportvisserij Nederland geeft in hun gedragscode voorlichting over het doden van vis.

Verbod op vriesbranden

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat er onmiddellijk een verbod op het koudmerken van runderen moet komen. Het verbod is de afgelopen 20 jaar diverse malen uitgesteld. Het koudmerken/vriesbranden is onnodig. Slechts een klein gedeelte van de veehouders past dit toe. Deze leden zijn dan ook blij dat het verbod er komt.

Onthoornen

De leden van de SP-fractie vinden het niet terecht dat het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen opnieuw wordt toegestaan. Deze leden willen overal waar dit kan, ingrepen vermijden. Zij zijn van mening dat dit een ingreep is die vermeden kan worden, temeer gezien het feit dat er alternatieven voorhanden zijn. De regering heeft terecht aangegeven actief te streven naar het verminderen en uitfaseren van toegestane lichamelijke ingrepen bij dieren. Waarom wordt de kinderboerderijen een vrije keuze gelaten, en wordt er niet actief en normstellend opgetreden? Bent u bereid het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen uit te faseren, en in het Besluit een einddatum te stellen aan het toestaan van deze ingreep?

Op kinderboerderijen is het contact tussen dieren en kinderen een belangrijk element van het bezoek. Om de veiligheid van kinderen op kinderboerderijen te waarborgen is er voor gekozen toe te staan om de hoorns te verwijderen. Ik wil de keuze hiervoor bij de beheerders van kinderboerderijen laten.

Doden van dieren

Deze leden maken zich zorgen over het doden van wrak vee door de veehouder op zijn bedrijf, zeker waar het kleinere dieren betreft. Zijn er voldoende waarborgen om te voorkomen dat al te gemakkelijk om economische redenen worden gedood? De leden van de SP-fractie vernamen een schrijnende situatie in de media, waarbij een veearts een ernstige zieke koe nog dagen laat lijden opdat de medicatie uit het dier verdwenen is als deze bij de slacht komt. Ook volgens de dierenbescherming komt het voor dat men een wrakke zeug of rund rustig dagen of zelfs weken laat liggen tot het volgende consult van de dierenarts, om zo tussentijdse voorrij- en behandelkosten uit te sparen. Wat onderneemt u hiertegen? Overlegt u met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en de diergeneeskundige opleidingen om hier aandacht aan te geven?

Voor een veehouder zijn de dieren zijn «levend kapitaal», waarbij het primair belang is dat de dieren gezond en productief zijn. De veehouder is op basis van de bestaande regelgeving gerechtigd zelf te besluiten over het doden van (wrakke) dieren, maar heeft zich daarbij te houden aan de geldende wet- en regelgeving dienaangaande. Zoals meerdere malen aangegeven vind ik dat voor zoveel mogelijk dieren een nuttige bestemming gevonden moet worden en dat sterfte of doden van dieren zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de kalversector die ik gevraagd heb om met plannen te komen om de gezondheid van kalveren te verbeteren («Vitaal Kalf») en de varkenssector die ik heb gevraagd met daadkrachtige maatregelen op korte termijn de biggensterfte terug te dringen.

In uw vragen beschrijft u schrijnende situaties die mij niet bekend zijn en die ik derhalve niet kan beoordelen. In zijn algemeenheid kan ik wel zeggen dat een veehouder te allen tijde verantwoordelijk is voor de gezondheid en het welzijn van zijn dieren en zijn dieren dus niet onnodig mag laten lijden.

De KNMvD geeft overigens aan de schrijnende situatie die door u wordt beschreven niet te herkennen. Indien een diergeneeskundige behandeling gestaakt wordt, zal de dierenarts adviseren over de beste optie voor levensbeëindiging: slacht of euthanasie. Dagen- of wekenlang een dier laten lijden om de medicatie uit het lichaam te laten verdwijnen alvorens het geslacht wordt is níet een advies dat een dierenarts behoort te geven. Een woordvoerder van de KNMvD onderschrijft dan ook dat het de gebruikelijke gedragslijn van dierenartsen is om in een dergelijke situatie te adviseren in het belang van het dierenwelzijn.

Mobiele slachtunit

De leden van de SP-fractie vernemen graag naar aanleiding van toezeggingen aan de Kamer, hoe het staat met de proef met mobiele slachtunits en het onderzoek naar welzijnsvriendelijke oplossingen voor wrak vee op het erf. Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre de mobiele slachtunit ook op het boerenerf een oplossing kan zijn voor wrak vee?

Voor de proef met mobiele slacht is toestemming verleend en deze zal volgens planning dit jaar starten. De private ondernemer is bezig met de voorbereidingen en financiering. Het gaat bij deze proef uitdrukkelijk niet om wrak vee, maar om gezonde dieren. Voor vee dat niet meer getransporteerd mag worden vanwege een ongeval, maar wel in aanmerking kan komen voor menselijke consumptie bestaat momenteel de mogelijkheid van noodslacht op het bedrijf, door een slachter en/of dierenarts; hierbij is het niet noodzakelijk dat een mobiele slachtunit naar het bedrijf gaat.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn. Hierover hebben deze leden nog vragen.

Verbod op het vriesbranden van runderen

De leden van de CDA fractie vragen zich af of een verbod op het koudmerken van runderen proportioneel is. Een aantal bedrijven heeft voor deze wijze van merken een ontheffing en een mogelijk verbod leidt tot problemen met betrekking tot zorg en aandacht voor deze dieren en dus voor de betreffende ondernemers. Kan de Staatssecretaris onderbouwen waarom het verbod op deze kortstondige ingreep proportioneel is? Twee ingrepen zijn toegelaten, waaronder het verplichte oormerken. Is het vriesbranden eigenlijk niet minder ingrijpend dan deze toegestane ingreep? Heeft de Staatssecretaris gekeken naar alternatieven voor koudmerken, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo ja, welke zijn dat dan? En zijn deze toepasbaar op de bedrijven die nu een ontheffing hebben? Heeft het kabinet een inventarisatie gemaakt van de kosten die deze bedrijven nu moeten gaan maken om mogelijke alternatieven toe te passen? Zo ja, kunt u dit voor de Kamer inzichtelijk maken?

Zoals ook aangegeven in de nota van toelichting is – uitgaande van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier ten aanzien van het verrichten van lichamelijke ingrepen – in de wet gekozen voor hantering van het «nee, tenzij principe». Dit heeft ertoe geleid dat het verrichten van een ingreep bij een dier op grond van artikel 2.8 van de wet verboden is, tenzij daarvoor een medische noodzaak bestaat of de ingreep bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als toegestane ingreep. In het besluit diergeneeskundigen is in artikel 2.7 tweede lid geregeld dat er maximaal twee ingrepen ter identificatie mogen worden uitgevoerd. Dit zijn voor runderen de twee Europees verplichte oormerken (Verordening (EG) nr. 1760/2000). De vraag of vriesbranden minder ingrijpend is dan het aanbrengen van een oormerk is derhalve niet meer relevant. Vanaf 28 juli 2019 is het volgens de Verordening (EG) nr. 1760/2000 wel mogelijk om 1 oormerk te combineren met een chip of een maagbolus.

Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord bij de vragen over vriesbranden van de VVD-fractie.

Verplichte bedwelming paling

De leden van de CDA fractie vragen de Staatssecretaris nader inzage te geven in de onderzoeken naar onder andere de kosten van de verplichte bedwelming van paling.

Daarnaast vragen zij wat de mogelijke sociaaleconomische effecten zijn van deze maatregel voor bijvoorbeeld de kleine ambachtelijke palingrokerijen. Deze leden vragen de staatsecretaris of hij aan kan geven wanneer de Europese Commissie met een verslag komt over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de bescherming van vissen bij het doden.

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de vragen van de VVD-fractie op dezelfde onderwerpen.

Elektrische apparatuur

De leden van de CDA fractie hebben geconstateerd dat soms een koetrainer wordt gebruikt om welzijn en de gezondheid van de koe te vergroten. Deze methode draagt bij om de verblijfplek van een koe droog en schoon te houden en levert een bijdrage aan het voorkomen van huidirritaties en klauwproblemen. Waarom heeft de Staatssecretaris besloten het gebruik van dit apparaat te verbieden, zo vragen de leden van de CDA fractie? Is overwogen om op basis van een dierenarts advies het gebruik van een koetrainer toe te staan? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens de Staatssecretaris de alternatieven voor het gebruik van een koetrainer? Waarom heeft de Staatssecretaris dit middel disproportioneel of onrechtvaardig geacht? Is dit op basis van wetenschappelijk onderzoek? Zo ja, dan graag inzicht in het onderzoek. Zo nee, waarom is geen wetenschappelijk onderzoek gedaan vooraf aan een verbod?

In het conceptwijzigingsbesluit zoals dat is voorgelegd voor internetconsultatie in juli 2014 was opgenomen dat het gebruik van apparatuur waarmee het dier door middel van stroomstoten, elektromagnetische signalen of straling pijn kan worden toegebracht, is toegestaan indien gericht op het teweegbrengen van een gerechtvaardigde verandering in het gedrag van het dier ter voorkoming van gevaar voor mens of dier. In de brief van 3 juli 2014 (Kamerstuk 28 286, nr. 750) over het aanbinden van koeien in grupstallen en het gebruik van koetrainers is gerefereerd aan deze tekst van het concept wijzigingsbesluit en is geconstateerd dat een koetrainer niet voldoet aan deze voorwaarde. De tekst is na de internetconsultatie aangevuld met de zinsnede dat dat ook geldt indien de prikkel gericht is op het teweegbrengen van een gerechtvaardigde verandering in het gedrag van het dier ter voorkoming van aantasting van het welzijn van het dier.

De koetrainer wordt gebruikt indien dieren worden aangebonden, dit gebeurt alleen in grupstallen. In andere houderijsystemen wordt het niet toegepast. Er is geen registratie beschikbaar van het aantal (grup)stallen waarin koetrainers in het verleden geïnstalleerd zijn en/of nog toegepast worden, maar navraag bij zowel de sector als KNMvD leert dat het om een beperkt aantal bedrijven gaat. In de regel zijn dit kleinere meer traditionele bedrijven. Ik voorzie dat het aantal met de tijd zal afnemen en daarmee ook het gebruik van de koetrainer.

Om te bepalen of het gebruik van een koetrainer voldoet aan de nieuwe bepaling en of en welke alternatieven er voor handen zijn heb ik, mede naar aanleiding van recente vragen vanuit de sector en uw vraag hierover, een deskundigenadvies gevraagd en zal over dit advies met de sector overleggen om op dit punt te komen tot een praktische benadering. Uitgangspunt is dat dieren geen pijn lijden zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is. Daarbij gaat het met name om de vermijdbaarheid en voorspelbaarheid van de prikkel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

Verbod op vriesbranden

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit. Zij zijn positief over het toestaan van elektronische erfafscheiding, omdat hierdoor aanrijdingen en dierenleed voorkomen worden. Zij vragen de regering het verbieden van het «koudmerken» of vriesbranden bij runderen als methode voor individuele dierherkenning te heroverwegen.

De leden van de SGP-fractie constateren op basis van onderzoek dat vriesbranden slechts kortstondig stress oplevert en dat geen sprake is van chronische effecten. Behandelde runderen lieten zich na behandeling zonder problemen opnieuw in de behandelbox brengen en hadden geen last van vermijdingsangst. In de toelichting op het ontwerpbesluit wordt aangegeven dat er alternatieven voorhanden zijn. De leden van de SGP-fractie willen daar enkele kanttekeningen bij plaatsen. Het zijn geen gelijkwaardige alternatieven. In verschillende managementsystemen, zoals met weidegang, zorgen de beschikbare alternatieven onvoldoende voor de gewenste herkenning op afstand. De regering geeft dat in de toelichting zelf ook aan. Onvoldoende herkenning op afstand kan ervoor zorgen dat koeien met problemen niet op tijd voor een aparte behandeling uit het koppel gehaald kunnen worden. Dat schaadt het dierenwelzijn en de diergezondheid. Daarnaast zijn de alternatieven relatief duur. Dat belemmert de aanschaf van een alternatieve methode voor individuele dierherkenning. Waarom kiest de regering er dan toch voor om het verbod op vriesbranden door te zetten? Is de regering bereid dit verbod te heroverwegen?

Voor mijn antwoord verwijs ik naar de antwoorden bij de vragen van de VVD-fractie die vergelijkbare vragen heeft gesteld.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn. Zij hebben hier nog enkele vragen over.

Ingrepen bij dieren

De leden van de PvdD-fractie zijn verheugd dat het lang aangekondigde ingrepenverbod nu eindelijk in werking zal treden. Zo komt er na een lange tijd een verbod op het aanbrengen van een neusring bij fokvarkens en het koudmerken bij runderen. Deze leden zijn teleurgesteld dat de Staatssecretaris het onthoornen van geitenlammeren en kalveren nog steeds blijft toestaan. De Staatssecretaris noemt hier als reden de veiligheid van de veehouder. De leden herinneren de Staatssecretaris aan zijn eigen uitspraak «in systemen waar dieren voldoende afleiding en ruimte hebben en hun natuurlijk gedrag kunnen uitoefenen, is er minder noodzaak om ingrepen te verrichten». Zij vragen de Staatssecretaris of en zo ja, op welke wijze er geïnvesteerd wordt in een natuurlijke huisvesting met voldoende afleiding en ruimte voor geiten en kalveren. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel geitenbedrijven in Nederland hun huisvesting dusdanig hebben ingericht dat geiten natuurlijk gedrag kunnen vertonen, zoals grazen, klauteren en springen? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel kalverbedrijven in Nederland dusdanig zijn ingericht zodat kalveren natuurlijk gedrag kunnen vertonen, zoals melk drinken bij hun moeder en waar de kalveren de ruimte hebben om te spelen en te grazen? De leden van de PvdD-fractie constateren dat andere sectoren, zoals bijvoorbeeld fokbedrijven van varkens, maatregelen hebben getroffen om de veiligheid van de veehouder te waarborgen. Kan de Staatssecretaris aangeven welke maatregelen de geiten- en kalverindustrie genomen heeft om het onthoornen van geiten en kalveren uit te faseren? Deze leden betreuren het dat de Staatssecretaris het veiligheidsargument ook hanteert bij het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen. Is de Staatssecretaris bereid om een inventarisatie te maken van alternatieve oplossingen, zodat er ook een einde komt aan het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom hij het onthoornen in dierentuinen toestaat? Deelt hij de mening dat dierentuinen de plicht hebben om dieren voldoende ruimte te bieden voor hun natuurlijke gedrag? Deelt hij de mening dat dierentuinen met onthoornde dieren een onjuist beeld van dieren aan bezoekers geven en dat dit beeld geen educatieve waarde heeft? Zo nee, waarom niet?

Er zijn circa 300 melkgeitenbedrijven in Nederland. Het merendeel van de geiten wordt gehuisvest op stro in ruime hokken, waar diverse gedragingen zoals springen goed mogelijk zijn. Het aantal biologische bedrijven is in de geitenhouderij relatief groot, ongeveer 20%. De geiten op biologische bedrijven hebben meer stalruimte per dier, plus weidegang en eventueel uitloop. De geitensector is bezig met een Uitvoeringsagenda Duurzame Geitenzuivelketen. Hierin wordt ook aandacht besteed aan aanpassingen in en introductie van nieuwe houderijsystemen, ten behoeve van onder andere dierenwelzijn. De doelstelling voor dierenwelzijn hierin is dat de geit in staat wordt gesteld zich in een zo goed mogelijke leefomgeving te bevinden waarin het natuurlijke gedrag wordt bevorderd.

Er zijn veel melkvee- en kalverbedrijven in Nederland waar op basis van persoonlijke keuzes van veehouders rekening wordt gehouden met de individuele behoeften van kalveren. In de melkveehouderij zijn circa 40 bedrijven waar de kalveren bij de koe worden gehouden. Van de melkkoeien heeft circa 70% volledige weidegang en ook het daarbij behorende jongvee heeft vanaf het eerste of tweede levensjaar weidegang. Daarnaast is er een aantal bedrijven met deelweidegang, waarbij een deel van de melkkoeien en/of het jongvee weidegang heeft. Jonge kalveren worden vanaf de biestperiode veelal overgeplaatst van individuele hokken naar groepshokken in stro. In de sector zoogkoeienhouderij zogen de kalveren tot een speenleeftijd van 8 maanden, veelal in combinatie met weidegang.

De melkveesector werkt aan alternatieven voor onthoornen, zoals hoornloos fokken (er wordt steeds meer gebruik gemaakt van stieren die hoornloze kalveren vererven) en het ontwikkelen van andere houderijsystemen of vernieuwing van delen van bestaande stalsystemen waardoor onthoornen minder noodzakelijk wordt. Hoornloos fokken lijkt voor geiten geen perspectiefvolle weg, maar er worden gesprekken gevoerd met o.a. WUR over onderzoek. Er wordt gekeken hoe dit onderzoek naar hoornloos fokken is in te passen in het kader van de Duurzame Geiten Zuivelketen. Afstemming met de biologische melkgeitensector moet nog plaatsvinden.

Dierentuinen gaan vanuit hun verantwoordelijkheid en hun belangen in de regel zeer restrictief om met de bevoegdheid om te onthoornen. Dat is ook in overeenstemming met de eisen in de regelgeving voor dierentuinen omtrent het rekening houden met soorteigen gedragingen van dieren en de educatieve doeleinden van een dierentuin. Een aantal dierentuinen heeft voor de kleine bezoekers een kinderboerderij. Omwille van de veiligheid voor de kinderen hebben ook dierentuinen de mogelijkheid om kinderboerderijdieren te onthoornen. Ik verwijs u ook naar mijn antwoord op vragen van de SP-fractie.

Gebruik van elektrische schokken

De leden van de PvdD-fractie constateren dat het gebruik van stroomhalsbanden bij honden in beginsel verboden wordt. Zij betreuren het dat de Staatssecretaris hier echter uitzonderingen op toestaat. Het conditioneren van honden door middel van elektrische schokken vinden deze leden geen juiste methode, zelfs niet als dit door een deskundige wordt gedaan. Kan de Staatssecretaris definiëren wat hij onder een «deskundige» verstaat? Kan de Staatssecretaris concreet uiteenzetten aan welke criteria een deskundige moet voldoen? Welke opleiding(en) moet iemand gevolgd hebben alvorens iemand aangemerkt kan worden als deskundige of welke diploma’s moet een deskundige behaald hebben?

Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van de VVD-fractie over de elektronische halsband.

Deze leden zijn verheugd dat de Staatssecretaris de motie Ouwehand/Thieme (Kamerstuk 33 930-XIII, nr.12 ) overgenomen heeft en een verbod op het gebruik van de koetrainer invoert.

Terecht bestempelt de Staatssecretaris het gebruik van het toepassen van elektrische schokken als dierenmishandeling. De leden van de PvdD-fractie zijn dan ook verbaasd dat de Staatssecretaris een andere beoordeling hanteert voor het gebruik van elektrische stokken bij dieren die worden geslacht. De leden constateren dat de elektrische prikstok nog veelvuldig wordt gebruikt bij het drijven van dieren voordat ze geslacht worden. Deze leden verwijzen hierbij naar het rapport van Vanthemsche et al., waaruit blijkt dat, naast het gebruik van lawaai, het slaan, het gebruiken van stokken, ook de elektrische prikkelaar veelvuldig wordt toegepast. Zij keuren een dergelijke agressieve benadering stellig af. Deze leden constateren dat het toepassen van elektrische schokken tijdens het slachtproces tot onnodige pijn, stress en angst leidt. Kan de Staatssecretaris aangeven op hoeveel slachterijen in Nederland de elektrische prikstok gebruikt wordt? Is de Staatssecretaris bereid om een verbod in te stellen op het gebruik van de elektrische prikstok? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op de vragen aangaande de elektrische prikstok verwijs ik naar mijn antwoord op eenzelfde soort vraag van de PvdA-fractie. Het is mij niet bekend op hoeveel slachterijen in Nederland de elektrische prikstok wordt gebruikt.

Doden van dieren

Dieren in de vee-industrie zijn gedegradeerd tot productie-eenheden die primair beoordeeld worden op hun economische waarde. Ondanks dat in de wet «de intrinsieke waarde» van dieren is opgenomen, wordt in de praktijk nauwelijks van deze intrinsieke waarde uitgegaan. Eendagshaantjes worden massaal gedood, geitenbokjes massaal geëxporteerd omdat zij niet gebruikt kunnen worden in de zuivelproductie en wekelijks worden er 200 kalveren geëuthanaseerd omdat het kabinet niet ingreep toen de melkvee-industrie inzette op uitbreiding van dieren en productie. Wageningen UR (WUR) heeft aangegeven dat bij grote wrakke dieren de dierenarts de euthanasie moet uitvoeren. In de praktijk blijkt echter dat veehouders wrakke dieren soms dagen of zelfs weken laten liggen tot het volgende consult van de dierenarts, om zo tussentijdse voorrijkosten en behandelkosten te besparen. Is de Staatssecretaris bereid om hier nadere regels voor te stellen om deze praktijken te voorkomen en daarmee onnodig leed bij dieren te voorkomen? Het doden van kleine dieren door de veehouder zelf keuren de leden van de Partij voor de Dieren ten zeerste af. Hoe gaat de NVWA toezicht houden op ongeoorloofde dodingsmethoden bij het doden van kleine dieren? Deze leden constateren dat een ziek dier recht heeft op medische verzorging. Zij wijzen de Staatssecretaris op het risico dat een veehouder de voorkeur geeft aan het doden van een dier in plaats van het toedienen van medische zorg omdat dit economisch minder gunstig is. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dit risico?

Voor het antwoord op de vraag over het doden van wrakke dieren en medicatie verwijs ik naar het antwoord op dezelfde vraag van de SP-fractie. Ik zie geen aanleiding om aanvullende regels aan dierenartsen te stellen.

Het doden van het dier op het primaire bedrijf moet gebeuren op een verantwoorde welzijnsvriendelijke wijze. Dat is de verantwoordelijkheid van de veehouder, hij draagt zorg voor het welzijn van zijn dieren ook als ze wrak zijn.

Het toezicht op doden van dieren op de veehouderij is niet eenvoudig omdat deze handelingen normaal gesproken niet worden uitgevoerd als de NVWA op het bedrijf aanwezig is. Incidenteel ontvangt de NVWA meldingen van misstanden ter zake, en kan zij eventueel optreden op basis van de Wet Dieren indien er inderdaad sprake is van mishandeling van dieren bij het doden.

Transport konijnen

De leden van de PvdD-fractie zijn fel tegen het vervroegen van de transportleeftijd van jonge konijnen. Jonge konijnen worden veelal getransporteerd naar België en Frankrijk, waardoor transporttijden langer zijn dan bij dieren die in Nederland worden geslacht. Lange transporttijden zijn ook een gevolg van het verzamelen van konijnen uit verschillende bedrijven door de veewagen. Konijnen worden tijdens het transport in kratten gepropt, waar zij geen toegang hebben tot water en voedsel. Met het vangen en laden van konijnen in kratten gaan veel welzijnsproblemen gepaard. De WUR heeft al in 2009 geconcludeerd dat het transport van konijnen een bron is van stress en mogelijke verwondingen. Dezelfde universiteit geeft nu echter aan dat het vervroegen van de leeftijd mogelijk is, mits het transport onder goede omstandigheden plaatsvindt. Kan de Staatssecretaris aangeven wat hij verstaat onder goede transportomstandigheden? Is de Staatssecretaris bereid om het rapport van de WUR naar de Kamer te sturen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel konijnentransporten er per jaar plaatsvinden? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe vaak de NVWA in de laatste vijf jaar konijnentransporten heeft geïnspecteerd en welke overtredingen daar zijn geconstateerd? Kan de Staatssecretaris aangeven welke maatregelen de konijnenindustrie sinds 2009 genomen heeft om het vangen, het laden en transporteren van konijnen te verbeteren?

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt voor een kleine categorie bedrijven (circa drie) een derde categorie scheidingsleeftijd gecreëerd, waarbij de dieren een leeftijd van 30 tot 35 dagen van het geboortebedrijf naar een afmestbedrijf worden vervoerd. De sector geeft aan dat deze jonge konijnen in kratten worden vervoerd op dezelfde wijze als vleeskonijnen van 10–12 weken. Bij 1 bedrijf gaat het om een afstand van 1 kilometer.

In uw vraag gaat u ook in op het transport van konijnen van het geboorte- of opfokbedrijf bedrijf naar de slachterij. Het rapport van Wageningen Universiteit waaraan u refereert (http://edepot.wur.nl/4983) gaat in op het transport van deze groep slachtkonijnen. De WUR geeft aan dat over het ongerief van het transport voor konijnen weinig bekend is, maar dat aangenomen mag worden dat het laden en lossen in kratten mogelijk meer ongerief geeft dan het transporteren zelf, wanneer dit onder geconditioneerde omstandigheden plaats vindt. Ook geeft de WUR aan dat lange transporttijden voor een deel van de konijnen voorkomen omdat een wagen konijnen van verschillende bedrijven verzamelt. Uit gegevens van de sector blijkt dat circa 95% van de vleeskonijnen gaat naar twee Belgische slachterijen tussen Antwerpen en Gent. De overige 5% blijft in Nederland of gaat naar Duitsland. In de meeste gevallen wordt er op één plaats ingeladen. De slachtkonijnen worden getransporteerd als zij de leeftijd van 10 à 12 weken hebben bereikt. De konijnen worden opgepakt in hun hok en geplaatst in de krat. Het gehele transport tot in het slachthuis kan een zekere mate van stress geven, maar leidt niet tot verwondingen. Tijdens het transport wordt onder meer gezorgd voor geperforeerde kratten, beluchting van de vrachtauto, afscherming tegen wind en aan het seizoen aangepaste bezettingsgraad in de krat.

De NVWA bezoekt steekproefsgewijs konijnenhouderijen om toe te zien op het houderijsysteem. Daarbij zijn tot op heden geen grote tekortkomingen geconstateerd. Over de wijze van transport zijn tot op heden geen gegevens beschikbaar. Ik ga met de NVWA bekijken of er specifiek toezicht nodig is op transporten van konijnen.

Scheidingsleeftijd van apen

Artikel 1.20 geeft de leeftijden weer waarop een jong dier van het ouderdier mag worden gescheiden. De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de opgenomen leeftijden waarop primaten gescheiden mogen worden afwijken van de adviezen van Stichting AAP, reeds gedaan in 2010. Graag een reactie. Leidend voor de beslissing dat deze dieren van elkaar gescheiden mogen worden, is dat de jonge dieren niet meer afhankelijk zijn van de ouderdieren voor voeding of het aanleren van sociale gedragingen. Stichting AAP stelt daarom de volgende leeftijdsaanpassingen voor: chimpansees; negen jaar, rhesus-apen; vier jaar, beermakaken; vier jaar, java-apen; vier jaar, marmosets; één jaar, doodshoofdapen; één jaar. Is de Staatssecretaris bereid tot het verhogen van de scheidingsleeftijden, zoals voorgesteld door Stichting AAP? Zo nee, waarom niet? Deelt de Staatssecretaris de mening dat de scheidingsleeftijd onafhankelijk zou moeten zijn van de faciliteit waarin de dieren gehouden worden of de sociale structuur waarin de dieren worden geplaatst na het scheiden van het moederdier? Zo nee, waarom niet?

Naar aanleiding van de adviezen van Stichting AAP is de WUR gevraagd om opnieuw naar de leeftijden van apen in de AMvB te kijken, de adviezen van Stichting AAP daarbij betrekkend. Op basis van dit nieuwe advies van de WUR en dat van AAP is de scheidingsleeftijd voor solitaire huisvesting van apen uit de wetgeving verwijderd. De nieuwe leeftijden zijn minimale leeftijden, gebaseerd op adviezen van de WUR1. De adviezen zijn gebaseerd op inschattingen van deskundigen, die bij scheiding na de genoemde leeftijden geen langdurig aanhoudende welzijns- of gezondheidsproblemen hebben kunnen constateren in de praktijk dan wel het optreden van deze problemen onaannemelijk achten op basis van hun expertise. Daarbij moet worden opgemerkt dat geen sprake is van ideale leeftijden. Dit is in de nota van toelichting bij het oorspronkelijke Besluit houders van dieren ook expliciet toegelicht. De leeftijden betreffen een wettelijke ondergrens. In sommige situaties, bijvoorbeeld bij de introductie van een dier in een nieuwe groep kunnen de hogere leeftijden die Stichting AAP adviseert tot problemen leiden. Bijvoorbeeld omdat een mannelijk dier van die leeftijd als bedreigend kan worden ervaren in een nieuwe groep. Om dierentuinen de ruimte te bieden een zorgvuldige afweging te kunnen maken is niet gekozen voor de door Stichting AAP geadviseerde leeftijden maar voor de door de WUR onderzochte minimumleeftijden.

Bedwelmen van aal

In artikel 5.11 is de verplichte bedwelming van paling opgenomen. De leden van de PvdD-fractie zijn hier verheugd over, maar merken daarbij op dat zij hier zes jaar op hebben moeten wachten; het verzoek hiertoe via de aangenomen motie Ouwehand (Kamerstuk 32 658, nr. 14) is reeds gedaan in 2010. Is de Staatssecretaris bereid de verplichte bedwelming ook te laten gelden voor kleinschaliger bedrijfsmatige slacht, zoals – met name – voor bedrijfjes die zichzelf in het kader van «ambachtelijke palingrokerij» aanbieden voor particuliere feestjes? Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris geen verbod heeft opgenomen op het doden van paling middels een zoutbad. In dit zoutwater wordt de gevoelige slijmlaag van de nog levende paling weggebrand. Bij onjuiste bedwelming, bijvoorbeeld door technische mankementen, sterft de paling alsnog een zeer pijnlijke en langzame dood. Is de Staatssecretaris bereid alsnog de motie Ouwehand in zijn geheel uit te voeren en een verbod op het doden van paling via het zoutbad op te nemen? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op de vraag inzake de kleinschalige bedrijfsmatige slacht verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de SP-fractie naar ditzelfde onderwerp.

In de brieven van 16 juni 2011 en van 23 december 2011 (Kamerstuk 32 658, nr. 27 en Kamerstuk 28 286, nr. 540) is aangegeven dat afgezien wordt van een verbod op het gebruik van zoutbaden, aangezien dat verbod bij het gebruik van de elektrische bedwelmingsmethode overbodig is. De aal is dan voorafgaand aan het doden immers reeds effectief bedwelmd en merkt niets van het zoutbad.

Het is niet mogelijk om aal met stroom te doden. Dit betekent dat de dieren na verdoven met stroom in bewusteloze staat gedood worden. Het verwijderen van de slijmlaag in het zoutbad is onvermijdelijk, omdat dit nodig is voor de kwaliteit van het gerookte product.

Bescherming van vissen bij doden

De leden van de PvdD-fractie hebben meermaals verzocht om een betere bescherming van vissen bij het slachten. Zij hebben daarbij onder andere gewezen op de beschikbaarheid van commerciële bedwelmingsmethoden voor meerval en paling. Desalniettemin wordt 60% van de meervallen niet bedwelmd. Voor deze leden onderstreept dit de noodzaak van wettelijke voorschriften. Is de Staatssecretaris die zegt dat dierenwelzijn bij vis zijn aandacht heeft daar alsnog toe bereid? Zo nee, waarom niet? Voor de leden van de PvdD-fractie is het ontoelaatbaar dat de Europese Commissie al in 2014 zou komen met mogelijkheden voor voorschriften over bescherming van vissen bij het doden, maar nog steeds op zich laat wachten. Deelt de Staatssecretaris deze mening? Zo ja, op welke wijze heeft hij sinds 2014 bij de Europese Commissie aangedrongen op spoedige bekendmaking van deze mogelijkheden? Zo nee, waarom niet? Deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat zolang Europese voorschriften uitblijven, nationale voorschriften noodzakelijk zijn? Zo nee, waarom niet?

Voor het antwoord op de vraag naar het verslag van de Europese Commissie verwijs ik naar de vraag van de VVD-fractie over ditzelfde onderwerp.

U vraagt of ik de mening deel dat als Europese voorschriften uitblijven nationale maatregelen noodzakelijk zijn. Ik heb eerder aangegeven dat ik streef naar een Europees level playing field. Ik zal dan ook bij de Europese Commissie blijven pleiten voor Europese regels voor het slachten van kweekvis.

Leewieken

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Staatssecretaris het aanstaande verbod op leewieken in te laten gaan per 1 januari 2017 en dit op te nemen in het Besluit Diergeneeskundigen.

Dit onderwerp is tijdens de behandeling van het conceptbesluit diergeneeskundigen, dat op 1 juli 2014 in werking is getreden, uitvoerig besproken. Er is na een zorgvuldige afweging voor de datum van 1 januari 2018 gekozen. Deze datum is gekozen om de sector, de mensen die deze dieren houden, de tijd te geven om bijvoorbeeld aanpassingen te verrichten aan de huisvesting. Ik vind het niet wenselijk om de termijn nu naar voren te halen.


X Noot
1

WUR «Separation ages for primates in new Dutch Legislation» M.B.M. Bracke Hopster, H, Wageningen UR Livestock Research.

Naar boven