28 286 Dierenwelzijn

Nr. 525 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 september 2011

Hierbij treft u mijn visie op het fokkerijbeleid in relatie tot dierenwelzijn en diergezondheid aan, zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg dierhouderij van 16 februari 2011 en in de aanbiedingsbrief bij het rapport Fokkerij en Voortplantingstechnieken van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) van 10 december 2010 aan uw Kamer. Ook ga ik in deze brief in op de moties van Van Gerven (SP) en Ouwehand (PvdD) c.s., (Kamerstukken II, 2010–2011, 28 286, nr. 480 respectievelijk nr. 474).

Inleiding

Fokken is het door de mens selecteren en met elkaar laten paren van dieren, met als doel de eigenschappen van de volgende generaties te veranderen. Naar welke verandering wordt gestreefd is afhankelijk van het fokdoel, dat samenhangt met de reden waarom het dier door de mens wordt gehouden.

In de landbouwhuisdierensector is fokkerij een middel om te komen tot een hogere productie, door bijvoorbeeld te selecteren op hogere productie van melk of eieren, een snellere groei en/of een hoger niveau van diergezondheid en dierenwelzijn.

Fokkerij kan ook worden ingezet voor het in stand houden van de populatie, behoud van biodiversiteit of als (deel)oplossing voor een dilemma. Zo kan fokkerij bijvoorbeeld bijdragen aan het terugdringen van berengeur bij varkens, waardoor castreren van biggen in de toekomst mogelijk overbodig wordt.

In de fokkerij van gezelschapsdieren en paarden spelen ook andere fokdoelen een rol. Bij paarden richt de selectie zich zowel op het gebruiksdoel (springen, dressuur) als op uiterlijke kenmerken. In de gezelschapsdieren sector werd oorspronkelijk veelal gefokt op gebruiksdoel (jacht, hoeden van kuddes of verdediging), maar inmiddels is het fokken op uiterlijke kenmerken bij alle soorten het meest gebruikelijke doel geworden.

In mijn visie op het fokkerijbeleid staat voor mij centraal hoe we zorgen voor een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij. Daarbij wil ik met name de misstanden in de fokkerij aanpakken.

Daarbij kijk ik allereerst naar de fokkers zelf en de houders van dieren, zij hebben een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn en de gezondheid van dieren. Ik vind het belangrijk dat zij zich, samen met andere betrokken partijen, inzetten voor het creëren van deze acceptatie. De overheid kan bijdragen door het stellen van randvoorwaarden en kaders, en door de sector te ondersteunen en waar mogelijk te faciliteren.

RDA zienswijze

De RDA heeft in december 2010 haar zienswijze Fokkerij en Voortplantingstechnieken aangeboden, naar aanleiding van de door mijn ambtsvoorganger gestelde vraag naar de ontwikkelingen in de fokkerij van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren en de invloed daarvan op gezondheid en welzijn van de betrokken dieren.

In haar zienswijze doet de RDA een aantal aanbevelingen om op maatschappelijke verantwoorde en transparante wijze om te gaan met fokkerij. Onder andere beveelt zij het gebruik aan van een afwegingsmodel en adviseert zij de overheid kaders en randvoorwaarden te stellen. Daarnaast stelt zij een viertal kaders vast waar bij fokkerij vanuit gegaan dient te worden.

  • 1. Behoud van vitaliteit en fysieke gezondheid

  • 2. Behoud van soorteigen gedrag en mentale gezondheid

  • 3. Behoud van integriteit

  • 4. Behoud van genetische diversiteit

De RDA signaleert dat er in de huidige fokkerijpraktijk niet altijd wordt voldaan aan deze kaders. In die gevallen kan fokkerij problemen opleveren waarbij dierenwelzijn en diergezondheid worden aangetast.

Wie zijn er bij fokkerij betrokken en wat doen deze partijen?

De RDA gaat in het rapport uitgebreid in op de actoren rondom fokkerij. Hieronder geef ik een schets van de betrokken partijen en een aantal voorbeelden van wat zij doen op het gebied van de fokkerij.

Eerstverantwoordelijke voor het welzijn en gezondheid van dieren is de dierhouder zelf. De fokker heeft een bredere verantwoordelijkheid. Zowel in zijn hoedanigheid als houder maar ook als leverancier van genetisch uitgangsmateriaal aan anderen. Een fokkerijorganisatie stelt kaders en regels die bindend zijn voor leden en daarmee is de fokkerijorganisatie medeverantwoordelijk voor dieren die gefokt worden binnen de organisatie.

Er zijn grote variaties tussen en binnen diersoorten in hoe de fokkerij is georganiseerd. Dit varieert van de pluimveesector met wereldwijd slechts enkele internationaal opererende topfokbedrijven, tot de fokkerij met gezelschapsdieren en hobbydieren waarbij een veelheid aan organisaties actief is en er vele verschillende visies op fokkerij bestaan.

Verschillende partijen in en rond de landbouwhuisdierensector, waaronder het fokkerijbedrijfsleven, Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), Productschappen PPE/PVV, Stichting Zeldzame Huisdierrassen, de Dierenbescherming, WUR en het ministerie van Economische zaken Landbouw en innovatie (EL&I) hebben zich recent verenigd in de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij.

Deze groep heeft als doelstelling het signaleren, initiëren en aandragen van de mogelijke bijdrage van fokkerij van landbouwhuisdieren aan het oplossen van maatschappelijke zorgen en vraagstukken binnen de veehouderij. De Initiatiefgroep is opgericht in het kader van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij, die ondertekend is door verschillende sectorpartijen en door mijzelf. Op dit moment werkt de Initiatiefgroep een actieplan uit waarin ook de zienswijze van de RDA betrokken wordt.

Diverse fokkerijorganisaties en stamboeken voor landbouwhuisdieren en paarden voeren zelf beleid ten aanzien van dierenwelzijn en diergezondheid in relatie tot fokkerij en pakken al diverse problemen, zoals bepaalde erfelijke afwijkingen bij paardenrassen, aan.

Binnen de gezelschapsdieren bestaat er alleen voor fokkerij van rashonden één overkoepelende organisatie (De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied). De Raad van Beheer heeft in 2010 een meerjarenbeleidsplan opgesteld waarin is aangegeven op welke wijze zij beogen te komen tot een betere balans in de fokkerij. Een belangrijk onderdeel daarvan vind ik de door de Raad opgestelde rasspecifieke instructies. Op basis daarvan dienen keurmeesters op tentoonstellingen extra zorg te besteden aan welzijn en gezondheid van de dieren bij de beoordeling van het exterieur en dienen schadelijke raskenmerken voorkomen te worden.

Een klein deel van de bedrijfsmatige hondenfokkers is georganiseerd in de Vereniging voor Beroepsmatige Kennelhouders. Het grootste deel van die fokkers fokt zogenaamde look-alikes (honden lijkend op rashonden, maar zonder stamboom).

Naast fokkers en houders zijn ook andere partijen bij fokkerij betrokken, zoals de handel, dierenbeschermingsorganisaties en dierenartsen. Zo werkt de gezelschapsdierensector aan de opzet van een vrijwillig certificatiesysteem waarmee beoogd wordt de transparantie naar de koper te verhogen, zoals de RDA ook aanbeveelt.

Daarnaast onderschrijven betrokken partijen als de Dierenbescherming, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD), de Faculteit Diergeneeskunde, het groene onderwijs en de Dibevo als vertegenwoordiger van de gezelschapsdierenhandel, het belang van een goede voorlichting aan (potentiële) kopers en participeren zij daarom in het Landelijk Informatie Centrum voor Gezelschapsdieren (LICG). In de door het LICG uitgegeven dierenbijsluiters wordt ook aandacht aan erfelijke gebreken besteed.

Bij de begeleiding van de fokkerij speelt de dierenarts een belangrijke rol. De KNMvD heeft in november 2010 haar standpunt over erfelijke afwijkingen bij rashonden gepubliceerd. Daarnaast is binnen de KNMvD een werkgroep ingesteld om richtlijnen voor goede veterinaire praktijk ten aanzien van de rol van de dierenarts bij fokkerij met gezelschapsdieren vast te stellen. Naar aanleiding van de RDA zienswijze is de KNMvD ook bezig met het ontwikkelen van een standpunt over fokkerij bij andere diersoorten.

Inzet van het kabinet

Zoals gezegd staat voor mij centraal hoe we zorgen voor een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij.

In de fokkerijpraktijk bestaan nog steeds situaties waarbij dierenwelzijn en diergezondheid onder druk staan. Dit kunnen zaken zijn die direct gerelateerd zijn aan het fokdoel, zoals verminderde mobiliteit bij vleespluimvee door een hoog aandeel borstvlees, ademhalingsproblemen bij kortschedelige katten- en hondenrassen of de ziekte syringomyelie bij de Cavelier King Charles Spaniël. Ook bestaan er erfelijke gebreken die los staan van het fokdoel, die voorkomen wanneer gefokt wordt vanuit een te smalle genetisch basis (inteelt) of wanneer bepaalde genetische afwijkingen vaker voorkomen in combinatie met gewenste fokdoelen.

Ik vind dit zorgwekkend en ik acht het daarom van belang dat alle betrokken partijen binnen de door de RDA genoemde vier kaders opereren. Ik kijk dan allereerst naar de fokkers zelf en de houders van dieren. Zij hebben een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn en de gezondheid van dieren. In het samenspel tussen fokkerijsector, consument/dierhouder, dierenarts en andere betrokken partijen dient een gezonde en maatschappelijk geaccepteerde balans in de fokkerij te ontstaan. Ik vind het belangrijk dat alle betrokken partijen zich hiervoor blijven inzetten. De overheid kan hieraan bijdragen door het stellen van randvoorwaarden en kaders, en door de sector te ondersteunen.

Stellen van randvoorwaarden en kaders

Ik vind het, net als de RDA, de taak van de overheid om te voorzien in noodzakelijke randvoorwaarden en kaders. Er is op dit vlak ook al veel geregeld, Europese en nationale wet- en regelgeving zijn daarbij belangrijke instrumenten. Bij nationale regelgeving denk ik onder andere aan de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD), de Wet Dieren met onderliggende regelgeving en het Fokkerijbesluit.

Wet Dieren

In de Wet Dieren, en onderliggende wet- en regelgeving, staan algemene artikelen die gaan over goede huisvesting en verzorging van dieren. Deze artikelen zijn uiteraard ook van toepassing op dieren die gehouden worden voor de fokkerij. Voor een aantal AMvB’s onder de Wet Dieren (AMvB gezelschapsdieren en Houden van Dieren) gelden open normen. Ik ben in overleg met de sectoren, maatschappelijke organisaties, wetenschap en handhaving hoe deze normen het beste in te vullen in het kader van fokkerij. Handhaving van deze wet- en regelgeving wordt gedaan in samenwerking tussen de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA), de Landelijke Inspectie Dienst (LID) en de dierenpolitie.

Voor de gezelschapsdieren zullen de randvoorwaarden en kaders voor een belangrijk deel worden ingevuld in de AMvB I&R hond en de AMvB gezelschapsdieren, zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 10 december 2010 (28 286, nr. 446) al heb aangekondigd. Op het voorgenomen besluit I&R hond ga ik hieronder in, daarnaast komt er nieuwe regelgeving die toeziet op de bedrijfsmatige handel, fokkerij en opvang van gezelschapsdieren, in de vorm van een AMvB die het Honden- en kattenbesluit 1999 gaat vervangen.

Hierin worden onder meer voorschriften over het fokken en socialiseren van gezelschapsdieren opgenomen, evenals voorschriften over de vakbekwaamheid van beheerders, de huisvesting en de verzorging en de gezondheid van het dier. Dit besluit is via internet ter consultatie aangeboden en de resultaten daarvan worden verwerkt.

Identificatie en registratie

Voor verschillende landbouwhuisdiersoorten (runderen, varkens, schapen en geiten) bestaat er al een plicht tot identificatie en registratie (I&R). Voor paarden ben ik voornemens te starten met de uitwerking van een wettelijke verplichting van houder en locatie, zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer over toekomst I&R paard van 25 mei 2011 (28 286 nr. 511). In mijn brief aan uw Kamer van 10 december 2010 (28 286, nr. 446) naar aanleiding van de aanbieding van de RDA zienswijze Fokkerij en Voortplantingstechnieken heb ik een verplichting voor I&R van honden aangekondigd. Deze verplichting biedt een instrument waarmee handelsstromen en de fokkerij inzichtelijker worden gemaakt en handhaving en opsporing effectiever kan plaatsvinden. De I&R begint bij de pups. De fokker moet de pups laten chippen en bij een aangewezen private databank laten registeren. De gegevens gaan naar een centrale databank bij het Rijk en opsporingsinstanties maken daarvan gebruik. Het conceptbesluit I&R hond is ter consultatie aan betrokken partijen aangeboden en de resultaten daarvan zijn verwerkt.

Hiermee geef ik invulling aan een aanbeveling uit de RDA zienswijze met betrekking tot het creëren van randvoorwaarden en wettelijke kaders voor identificatie en registratie van dieren.

Fokkerijbesluit

In het Fokkerijbesluit is de Europese regelgeving op het gebied van dierfokkerij vastgelegd. In opdracht van het ministerie van EL&I heeft het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) deze vertaald in een verordening, die van toepassing is op varkens, rundvee, schapen, geiten en paarden. In dat kader worden regels gesteld aan de erkenning en het bijhouden van stamboeken en aan prestatieonderzoek alsook aan de beoordeling van de genetische waarde van dieren.

Sinds 8 mei jl. is een herziene verordening van kracht waarin fokkerijorganisaties verplicht worden tot het opstellen en toepassen van beleid op het gebied van erfelijke gebreken en inteelt met daarbij een regime om zo nodig de frequentie van erfelijke gebreken te verlagen. Daarnaast moeten organisaties diverse gegevens verzamelen, en transparant en efficiënt functioneren.

Hiermee wordt voor de diersoorten die onder het Fokkerijbesluit vallen invulling gegeven aan twee aanbevelingen van de RDA zienswijze en tevens aan de motie Van Gerven (Kamerstukken II, 2010–2011, 28 286, nr. 480) ten aanzien van het verzoek fokkers een populatiebeheersplan te laten opstellen en daarmee overselectie, erfelijke gebreken en inteelt aan te pakken.

EU-inzet

Met betrekking tot fokkerij van gezelschapsdieren bestaat in ons omringende landen regelgeving voor fokkers en handelaren, voornamelijk betreffende huisvesting, verzorging, voorlichting en vakbekwaamheid.

Regelgeving is niet specifiek gericht op het voorkomen van schadelijke raskenmerken en erfelijke gebreken in de fokkerij. Daarom hecht ik extra belang aan inzet op EU-niveau.

Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer over de Nederlandse inzet voor de EU-strategie dierenwelzijn van 31 mei 2011 (28 286, nr. 514) zet ik mij ook in om het welzijnsniveau in EU-verband te verbeteren. Ik zet ondermeer in op het ondersteunen van de Europese Commissie bij het komen tot een kaderwet voor dierenwelzijn, en een basisniveau aan EU-dierenwelzijnswetgeving voor hondenfokkers en -handelaren (incl. regels tegen fokken met genetische defecten). Hiermee kom ik tegemoet aan een van de aanbevelingen in de RDA zienswijze, en aan mijn toezegging op dit gebied tijdens het VAO dierhouderij van 15 februari 2011. Hierbij zij aangegeven dat verschillende lidstaten hebben aangegeven geen prioriteit hieraan te geven.

Ondersteunen verantwoordelijkheid sector

Fokkers en houders van dieren hebben hun eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van een maatschappelijk geaccepteerde balans in de fokkerij. Ook consumenten hebben een eigen verantwoordelijkheid en dienen kritisch te zijn ten aanzien van hun eigen bijdrage ter verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid wanneer zij dieren en dierlijke producten aanschaffen. Ik ondersteun daarbij door onderzoek, kennisverspreiding en innovatieve ideeën te stimuleren.

Kennisontwikkeling en kennisverspreiding

Bij kennisontwikkeling en kennisverspreiding spelen een groot aantal organisaties een rol, waaronder de onderzoeksinstellingen (Wageningen Universiteit, Faculteit Diergeneeskunde), het LICG, het Platform Verantwoord Huisdierbezit, kennisnetwerk Levende Have en het Consumentenplatform.

Ik draag (samen met de sector) financieel bij aan verschillende fokkerij-gerelateerde onderzoeken, zoals de opzet van een DNA-bank, de registratie van erfelijke gebreken bij de hond en terugdringen van het aantal keizersnedes bij vleeskoeien. Ik acht het van groot belang dat dierhouders en consumenten goed geïnformeerd worden en ondersteun daarom een aantal projecten door middel van een financiële bijdrage.

Innovatieve ideeën en proefpolders

Ik vind het belangrijk om innovatieve ideeën in de fokkerij te stimuleren. De RDA adviseert in haar zienswijze onder andere om zogenaamde proefpolders in te stellen. In dergelijke proefpolders wordt per diersoort met betrokken partijen het door de RDA opgestelde afwegingsmodel getoetst op praktische bruikbaarheid en effectiviteit, en op basis van de praktijk waar nodig bijgesteld en aangevuld. De Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij bekijkt hoe zij hier invulling aan kan geven voor de landbouwhuisdierensector. Ik vind dit een positieve ontwikkeling.

Ook voor de gezelschapsdierensector zie ik kansen bij het inrichten van een dergelijke proefpolder, om in samenwerking tussen fokkers, houders, Dierenbescherming, en het ministerie van EL&I te komen tot verbeteringen. Een voorbeeld hiervan is het project verwantschap dat momenteel in overleg tussen Raad van Beheer en Wageningen Universiteit met Centrum voor Genetische Bronnen wordt opgezet, en waarbij ook de Faculteit

Diergeneeskunde betrokken zal zijn. Er vindt momenteel nog overleg plaats met andere relevante partijen over hun betrokkenheid bij dit project. Ik zal dit project financieel ondersteunen.

Actualisatie Nota Dierenwelzijn en Nationale Agenda Diergezondheid

In het kader van de actualisatie van de Nota Dierenwelzijn en de Nationale Agenda Diergezondheid ga ik in gesprek met verschillende stakeholders over de onderwerpen die in de actualisatie aan de orde komen. Fokkerij zal daar een onderdeel van uitmaken. Ik zal met de verschillende partijen overleggen hoe zij verder invulling kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid en de aanbevelingen in de RDA zienswijze. Ik denk hierbij aan het toepassen van het afwegingsmodel zoals dat door de RDA wordt aanbevolen. Daarnaast denk ik aan het verhogen van de transparantie met betrekking tot het fokkerijbeleid van de betrokken organisaties richting de maatschappij.

Overige aanbevelingen van de RDA

Mede in het kader van de reductiedoelstelling voor regeldruk en administratieve lasten wil ik niet overgaan tot het uitbreiden van het Fokkerijbesluit met gezelschapsdieren en pluimvee, zoals de RDA aanbeveelt.

De fok van pluimvee vindt plaats binnen grote internationale bedrijven. Het inzetten van nationale wetgeving heeft op deze bedrijven geen tot weinig invloed. De pluimveesector zet zich wel zelf in, onder andere via de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij.

Voor gezelschapsdieren geldt dat fokkerij veelal privaat plaatsvindt en er naast rashonden ook vele look-alikes worden gefokt (honden lijkend op rashonden, maar zonder stamboom). Er is voor een belangrijk deel van de sector geen duidelijke meerwaarde aan het fokken van dieren met stamboekpapieren. Wanneer de sector onder het Fokkerijbesluit komt te vallen wordt alleen dat deel van de sector dat honden met stamboekpapieren fokt gereguleerd. Ik zet daarom in op regelgeving voor alle bedrijfsmatige fokkers, ongeacht het feit of zij via een stamboek fokken, met de regels in de AMvB gezelschapsdieren. En daarnaast blijf ik in overleg met de Raad van Beheer over haar bijdrage aan de zorg voor een maatschappelijk geaccepteerde balans in de fokkerij.

Op 17 mei jl. is de Wet Dieren in de Eerste Kamer aangenomen. Ten behoeve van de invulling van de onderliggende AMvB’s zullen ook ethische reflecties plaatsvinden. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van een reeds binnen het ministerie van EL&I ontwikkeld model voor ethische reflectie dat in belangrijke mate overeenkomt met het afwegingsmodel, zoals dat door de RDA in haar zienswijze wordt geadviseerd.

De RDA adviseert een passage over fokkerij op te nemen in de door hen eerder geadviseerde maatschappelijke dierenwelzijns- en diergezondheidsrapportage. Ik onderschrijf het belang van een goede en transparante communicatie naar consumenten, waardoor ook zij hun verantwoordelijkheid kunnen nemen bij de aankoop van dieren en dierlijke producten. Maar ik acht dit een verantwoordelijkheid van de sector.

Reactie op aangenomen moties

In de motie Van Gerven (28 286, nr. 480) wordt aan mij gevraagd de mogelijkheden te bezien voor een verbod op tentoonstelling en fok van dieren met welzijnsproblemen als gevolg van fokkerij. Er zijn mij voorbeelden bekend van welzijnsproblemen bij dierrassen die ik, net als de indiener van de motie, ernstig vind. Daarom ben ik van plan om in het toekomstige Besluit gezelschapsdieren regels op te nemen over het fokken van gezelschapsdieren in de bedrijfsmatige fokkerij en de verplichting op te leggen dat bij het fokken het welzijn en gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen niet mag worden benadeeld. Ook in het Fokkerijbesluit en de daarop gebaseerde productschapsverordening worden eisen gesteld aan de fokkerij.

Een verbod op fokken of tentoonstellen van een ras op basis van de bij dat ras voorkomende welzijnsproblemen is, mede gezien de fok van look-alike dieren, niet of nauwelijks uitvoerbaar. Dieren met gelijkende kenmerken moeten om een dergelijk verbod te kunnen handhaven eenduidig onderscheiden kunnen worden, Dat is bij de Regeling Agressieve Dieren (RAD) zeer complex gebleken. Van vele erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken is ook nog niet bekend hoe deze overerven. Evenmin zijn voor alle aandoeningen diagnostische middelen beschikbaar waarmee hierop preventief gescreend kan worden. Een verbod levert daarnaast een toename aan regeldruk op en een lastenverzwaring voor de overheid, omdat ook per ras een afweging zal moeten plaatsvinden of een verbod gerechtvaardigd is op basis van de ernst en het voorkomen van de welzijnsproblemen.

Een verbod op tentoonstellen zal niet direct leiden tot verbetering van het welzijn van de betrokken dieren en kan gezien de beperking die dit oplevert van het vrij verkeer van goederen en diensten in de EU alleen op Europees niveau worden geregeld wil het ook gelden voor houders van dieren uit andere lidstaten.

Gezien het bovenstaande zal ik daarom niet overgaan tot het instellen van een verbod op het tentoonstellen en fokken van dieren met welzijnsproblemen.

Fokkerijorganisaties kunnen uiteraard zelf regels stellen voor tentoonstellingen ten aanzien van dieren met ongewenste uiterlijke raskenmerken of dieren die bepaalde ingrepen hebben ondergaan. Ik sta positief tegenover dergelijke initiatieven vanuit de sector zelf en wil de sector hierop ook aanspreken.

Voor de uitvoering van de overige punten van de motie ten aanzien van het verzoek fokkers een populatiebeheersplan te laten opstellen en daarmee overselectie, erfelijke gebreken en inteelt aan te pakken verwijs ik naar het Fokkerijbesluit en ben ik voor de hondensector in overleg met de Raad van Beheer.

In de motie Ouwehand (28 286, nr. 474) wordt aan mij gevraagd de door de RDA geformuleerde kaders voor de fok van honden en andere dieren op te nemen in de aangekondigde AMvB gezelschapsdieren. In mijn brief aan uw Kamer van 15 maart j.l. over de uitvoering van de aangenomen moties uit het VAO Dierhouderij van 15 februari j.l. heb ik aangegeven dat de voorschriften in de AMvB gezelschapsdieren ten aanzien van fokken materieel overeenkomen met de aanbevelingen van de RDA.

Uitgangspunt is daarbij dat fokken van dieren op verantwoorde wijze geschiedt ter voorkoming van nadelige gezondheids- of welzijnseffecten voor nakomelingen en ouderdieren.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker

Naar boven