28 165 Deelnemingenbeleid Rijksoverheid

Nr. 134 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 september 2012

Bij brief van 31 mei jl. heeft de vaste commissie voor Financiën aan mij en de minister van Infrastructuur & Milieu verzocht om de Kamer te informeren over de stand van zaken van (het voornemen tot) de verkoop van de aandelen Connexxion. Als verantwoordelijk minister voor het aandeelhouderschap in Connexxion geef ik deze stand van zaken hieronder weer.

In 2006 is door het kabinet na overleg met de Tweede Kamer besloten de aandelen van Connexxion te verkopen, aangezien er geen redenen waren om een belang te houden in één van de bedrijven in de volledig geliberaliseerde regionale openbaar vervoersmarkt. De publieke belangen op de regionale vervoersmarkt zijn sinds 2000 geborgd, in de Wet Personenvervoer 2000. De Tweede Kamer is hier onder andere over geïnformeerd bij brief van 24 mei 2006 (Kamerstukken II, 2005–2006, 28 165, nr. 40). Bij brief van 10 juli 2006 (Kamerstukken II, 2005–2006, 28 165, nr. 43) is de Tweede Kamer vervolgens geïnformeerd over het besluit van mijn ambtsvoorganger de aandelen van Connexxion gefaseerd te verkopen. Een volledige exit op termijn bleef echter het uitgangspunt.

In 2007 is 2/3 van de aandelen Connexxion aan Transdev BNG Connexxion Holding (TBCH) verkocht en is voorgenomen na vijf jaar de resterende 1/3 van de aandelen te verkopen. Dit voornemen het restant na vijf jaar te verkopen is vastgelegd in de vorm van een zogeheten putoptie en een calloptie. De Staat heeft middels een putoptie het recht om de resterende aandelen tegen een vooraf afgesproken minimumprijs te verkopen aan de koper, TBCH, en TBCH heeft middels een calloptie het recht de aandelen te kopen tegen dezelfde afgesproken minimumprijs.

In oktober 2012 is het vijf jaar geleden dat 2/3 van de aandelen Connexxion is verkocht. Vanaf 12 oktober a.s. heeft de Staat dan ook de mogelijkheid om de putoptie uit te oefenen en de resterende 1/3 van de aandelen te verkopen aan TBCH. Indien de Staat geen gebruik maakt van deze putoptie is TBCH niet meer verplicht deze aandelen te kopen tegen de vooraf afgesproken minimum prijs.

Tijdens het algemeen overleg met de vaste commissie voor Financiën van 10 april jl. inzake (onder andere) het Jaarverslag 2010 Beheer Staatsdeelnemingen heb ik aangegeven dat het bij de verkoop van 2/3 van de aandelen de bedoeling is geweest de resterende aandelen ook te verkopen en dat ik derhalve voornemens ben van de putoptie gebruik te maken. Bij deze wil ik dit voornemen bevestigen.

Zoals hierboven is omschreven is reeds in 2005 geconstateerd dat er geen belemmeringen meer waren voor de privatisering van Connexxion en dat het publieke belang geborgd was middels wetgeving. Aandeelhouderschap van de Staat in één van de regionale vervoersbedrijven is daarmee niet meer opportuun. Daar komt bovenop dat de prijs die is verbonden aan de putoptie een gunstige minimale waarde heeft, zodat het financieel onaantrekkelijk zou zijn om geen gebruik te maken van de putoptie. Voor de resterende aandelen is een minimumprijs afgesproken bij uitoefening van de putoptie; of de uiteindelijke verkoopprijs hoger zal zijn dan deze minimumprijs is afhankelijk van de huidige waardering van de aandelen. De Tweede Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de uiteindelijke opbrengsten van de verkoop.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Financiën, J. C. de Jager

Naar boven