27 859 Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

Nr. 44 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 mei 2011

In de namens mij door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gegeven antwoorden op vragen van de leden Heijnen en Jacobi (Aanhangsel Handelingen II 2010/11, nr. 1668) is toegezegd dat omtrent de suggestie van vermelding van de woonplaats van de ouders als de geboorteplaats van het kind ingeval de geboorte buiten die woonplaats heeft plaatsgevonden, de Commissie voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit om advies zou worden gevraagd. Dat is inmiddels geschied. De adviescommissie is unaniem van oordeel dat die suggestie niet moet worden gevolgd. Mede op basis van dit advies bericht ik u omtrent mijn definitieve afweging in deze als volgt.

Artikel 1:19 lid 1 BW bepaalt dat een akte van geboorte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is geboren. Het voorschrift dat de aangifte van een geboorte moet worden gedaan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is geboren geldt alweer sinds 1811, toen de Code Napoléon in Nederland werd ingevoerd. Op grond van (thans) artikel 43 lid 1 onder d van het Besluit Burgerlijke Stand 1994 wordt de geboorteplaats in de akte van geboorte vermeld.

De adviescommissie wijst er op dat de geboorteplaats een identificerend gegeven is, evenals de geboortedatum en het geboorteland. De geboorteplaats draagt eraan bij om personen met een gelijke naam en geboortedatum toch van elkaar te kunnen onderscheiden. De gewoonte om aangifte te doen in de geboortegemeente is naar het oordeel van de commissie in de praktijk zeer ingeburgerd. En ook is het aldus voor een ieder duidelijk waar hij een afschrift van zijn of haar geboorteakte kan verkrijgen. De geboorteplaats is ook een belangrijk administratief gegeven. Wijzigingen in de akte, bij voorbeeld een rechterlijke uitspraak tot adoptie of een in een andere gemeente opgemaakte akte van erkenning, worden automatisch doorgeleid naar de geboortegemeente. Het is ook de ambtenaar van de plaats van geboorte die een onderzoek instelt als van de geboorte van een kind geen aangifte is ontvangen. Deze systematiek wordt doorbroken als de geboorteplaats, als vermeld in de GBA, niet langer de plaats van bijhouding van de akte zou weergeven.

Vermelding van de woonplaats van een ouder roept nog andere vragen op. Kan dan ook een buitenlandse geboorteplaats worden geregistreerd, bij voorbeeld als de ouders juist over de landsgrens wonen? Bedacht zij dat de autoriteiten aldaar zich op het standpunt zullen kunnen stellen dat de aangifte bij hen had moeten geschieden. Zij kunnen dat des temeer op goede grond menen omdat in de landen om ons heen de aangifte zonder uitzondering in de plaats moet geschieden waar het kind is geboren.

En wat als beide ouders in verschillende gemeenten wonen? De keuze voor de woonplaats van de moeder is dan niet zonder meer vanzelfsprekend. En hoe te oordelen als de ouders weliswaar in dezelfde gemeente wonen, maar dit slechts tijdelijk, en zij in feite een band met een andere gemeente hebben? Of als de ouders ieder een sterke band met een gemeente hebben, maar dit niet dezelfde gemeente is?

Ik begrijp op zich dat mensen een zo sterke emotionele band met hun geboorteplaats kunnen hebben, dat zij ook willen dat hun kind als daar geboren moet worden beschouwd, ook als dit om medische redenen in een ziekenhuis elders ter wereld is gekomen. Het wil mij evenwel voorkomen dat dit op zich nog niet voldoende is om in zulke gevallen voortaan de woonplaats van een ouder als geboorteplaats van het kind aan te houden. Ik deel dus de bezwaren van de adviescommissie. Het lijkt mij voorts wat willekeurig om de uitzondering te beperken tot geboorten die om medische redenen in een andere gemeente gelegen ziekenhuis hebben plaatsgevonden. En moet er een medische indicatie in strikte zin bestaan of is het volgen van het (dringende) advies om niet thuis te bevallen daartoe reeds voldoende? En moet de geboorteplaats van een ouder voortaan ook worden aangehouden als het kind in een rijdend voertuig of een varend schip wordt geboren of als zich een van de andere in artikel 1:19a BW genoemde (en afdoende geregelde) situaties voordoet?

Nagegaan is nog of internationale regelingen in de weg zouden staan aan vermelding van de feitelijke plaats van geboorte indien deze niet overeenstemt met de woonplaats van de ouders. Dat is op zich niet het geval. Aanbeveling nr. 5 van de in Straatsburg gevestigde Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand (CIEC) inzake harmonisatie van de inhoud van akten van de burgerlijke stand, van 10 september 1987, gaat er met betrekking van de akte van geboorte van uit dat het aan de regelgeving van iedere lidstaat is om te bepalen wat onder «plaats van geboorte» wordt verstaan. In vrijwel alle lidstaten is dit de plaats waar de geboorte daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in een enkele staat kan dit de woonplaats of de geboorteplaats van de ouders zijn. Andere preciseringen, zoals het ziekenhuis of de penitentiaire inrichting waar het kind is geboren, zijn zonder meer uitgesloten. In Portugal en Italië is meer recent onder ogen gezien of de woonplaats van de ouders in plaats van de feitelijke plaats van de geboorte kan worden aangehouden, maar in beide landen is daartoe niet besloten.

Het bovenstaande in aanmerking genomen zie ik onvoldoende reden om voor de inhoud van de akte van geboorte het mogelijk te maken dat de woonplaats van de ouders wordt aangehouden in geval de plaats waar hun kind wordt geboren daarmee niet overeenstemt.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

Naar boven