24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 214 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 december 2011

Op verzoek van uw Kamer reageer ik op het onderzoek van het NICIS Institute en Ecorys «Stapelingseffecten van de bezuinigingen in het sociale domein», dat is uitgevoerd in opdracht van de G32.

Onderzoek Nicis Institute en Ecorys

Het onderzoek is een verkennende analyse van de gevolgen van de aangekondigde regeerakkoordmaatregelen zoals de invoering van de Wet Werken naar Vermogen, Passend Onderwijs en de decentralisatie van Jeugdzorg en AWBZ-begeleiding. De G32-gemeenten laten hiermee zien dat ze, net als veel andere gemeenten, voortvarend begonnen zijn met het implementeren van de hervormingen. Een dergelijk onderzoek kan voor gemeenten behulpzaam zijn om beter zicht te krijgen op hun bestaande en nieuwe doelgroepen.

Het onderzoek geeft een overzicht van maatregelen uit het regeerakkoord. In antwoord op de Kamervragen van het lid Spekman van 30 november jongstleden (Aanhangsel Handelingen II 2011/12, nr. 768) heeft de staatssecretaris van SZW u aangegeven dat in het onderzoek een aantal maatregelen niet (volledig) wordt meegenomen.

Ik merk op dat bij de rekenvoorbeelden in het onderzoeksrapport geplande hervormingen, waaronder ontziemaatregelen, niet in alle gevallen juist zijn meegenomen. Zo wordt nog uitgegaan van onjuiste invoeringsdata van verschillende regelingen, zoals bijvoorbeeld de Wet investeren in jongeren (WIJ).

Ook worden niet alle ontziemaatregelen meegenomen, zoals die in de WWB. Om het activerende karakter en de vangnetfunctie van de WWB verder te versterken, wordt met ingang van 1 januari 2012 de bijstand voor inwonenden afgeschaft en wordt de toets op het partnerinkomen vervangen door een toets op het huishouden. Het daartoe strekkende wetsvoorstel Wijziging WWB en samenvoeging met de WIJ ligt op dit moment ter behandeling bij de Eerste Kamer. Het rapport wijst er terecht op dat huishoudens daardoor te maken kunnen krijgen met een inkomensachteruitgang van enkele tientallen procenten. Het is echter niet zo dat eenoudergezinnen er in algemene zin meer op achteruitgaan dan ander type huishoudens. Ik verwacht niet dat de koopkrachtdalingen leiden tot ongewenst gedrag, zoals het rapport gesuggereerd. De maatregel is bedoeld om te voorkomen dat mensen afhankelijk worden gemaakt van een uitkering. Een samenloop van bijstandsuitkeringen die leidt tot een huishoudinkomen ver boven het minimum, stimuleert niet om te werken. De inzet is daarom om de samenloop van uitkeringen in een gezin te voorkomen. Om kwetsbare groepen te ontzien zijn er uitzonderingen op de gezinsbijstand bijvoorbeeld voor inwonende meerderjarige kinderen die onderwijs of een opleiding volgen. Het rapport houdt geen rekening met deze uitzonderingen.

Ook wordt in het rapport gesteld dat huishoudens met extramurale zorg de dupe worden van het wegvallen van persoonsgebonden budgetten (PGB’s). PGB’s komen voor nieuwe gebruikers van extramurale zorg te vervallen. Voor bestaande gebruikers geldt een overgangssituatie tot 2014. Dit betekent niet dat het recht op zorg vervalt. De zorg zal in natura worden geleverd door zorgkantoren; onder bepaalde voorwaarden kan men in aanmerking komen voor de vergoedingsregeling.

Tot slot stellen de onderzoekers dat de decentralisatie van beleid de belofte in zich houdt dat het beleid doelmatiger en effectiever uitgevoerd kan worden, mits gemeenten beleid mogen integreren, schotten mogen doorbreken en beleidsvrijheid krijgen. Een doelmatige uitvoering dicht bij de burger is primair een verantwoordelijkheid van gemeenten. Uitvoeringsbepalingen van het Rijk die daarbij knellend uitwerken, moeten geïdentificeerd worden.

Visie van het kabinet

De inzet van dit kabinet is te komen tot een nieuwe balans in verantwoordelijkheden tussen burgers en overheid, tussen burgers onderling en tussen overheden onderling. Met de grote decentralisaties (Werken naar Vermogen, AWBZ begeleiding en Jeugdzorg) worden veel taken en verantwoordelijkheden overgeheveld naar gemeenten. Gemeenten staan het dichtst bij de burger en kunnen maatwerk bieden, uitgaande van de mogelijkheden van mensen. Gemeenten kunnen hun participatiebeleid meer vraaggericht inrichten. Het vertrekpunt is daarmee niet meer het aanbod van voorzieningen, maar wat daadwerkelijk nodig is om te participeren.

Gemeenten hebben aangegeven behoefte te hebben aan ondersteuning en coördinatie voor de integrale aanpak. Ook de Tweede Kamer heeft op deze samenwerking en afstemming aangedrongen (motie lid Uitslag c.s.; 2011–2012, 33 000 XVI, nr. 46). Het kabinet wil graag faciliterend optreden en gemeenten in hun verantwoordelijkheid ondersteunen via de individuele implementatietrajecten van de decentralisaties. Voor de taken die de komende jaren naar gemeenten gaan, worden door de departementen – veelal in samenwerking met de VNG en andere stakeholders – zogeheten transitie- of implementatiebureaus ingericht. Die voorzien in het verstrekken van goede voorbeelden, fact sheets, websites en handreikingen en leveren informatie aan relevante partijen om de communicatie richting cliënten vorm te geven.

Verder is in afstemming met onder meer de G4 en G32 een aantal gemeenten (koplopergemeenten) geselecteerd die meerjarig worden gevolgd om als voorbeeld te dienen voor andere gemeenten. Deze koplopergemeenten worden ook benut om eventuele knelpunten tijdig te signaleren. Daarnaast wordt op verschillende wijzen en momenten gemonitord. Ik zie daarbij steeds toe op de samenhang tussen de verschillende maatregelen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

Naar boven