24 077 Drugbeleid

Nr. 355 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2015

Het Nederlandse coffeeshopbeleid is erop gericht de coffeeshops kleiner en beheersbaarder te maken, de aantrekkingskracht op drugstoeristen te verminderen, overlast te beperken en de georganiseerde hennepcriminaliteit te bestrijden. Ik heb hierover onlangs, 11 juni jl., met uw Kamer gesproken. Het kabinetsbeleid wordt onverminderd voortgezet.

Met deze brief bied ik u het rapport «Aantallen coffeeshops in Nederland 2014», aan alsmede het rapport «Coffeeshops, toerisme, overlast en illegale verkoop van softdrugs, 2014»1. Daarnaast zijn tijdens het Algemeen Overleg (AO) (Kamerstuk 24 077, nr. 336) en het VAO coffeeshopbeleid op 16 oktober 2014 (Handelingen II 2014/15, nr. 15, item 14) drie moties aangenomen die zien op het ingezetenencriterium. Bovendien heeft mijn ambtsvoorganger een aantal toezeggingen gedaan en aangegeven uw Kamer hierover voor de zomer te informeren. Een van deze toezeggingen ziet op de voortgang van de intensivering aanpak van georganiseerde (drugs)criminaliteit in Zuid Nederland. Hierover bent u in het AO Georganiseerde Criminaliteit van 17 juni 2015 geïnformeerd. Tot slot bied ik u het Actieprogramma aan dat ik heb ondertekend met België, Frankrijk en Luxemburg2.

Rapport «Coffeeshops in Nederland 2014; aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid 1999–2014»

Het bovengenoemde rapport laat zien dat de daling van het aantal coffeeshops in de afgelopen jaren is doorgezet. Eind 2014 telde Nederland 591 coffeeshops, verspreid over 103 coffeeshopgemeenten. Overigens was de stand van zaken eind maart 2015 dat het aantal verder is gedaald naar 582. Het aantal coffeeshops ligt daarmee voor het eerst sinds de eerste meting in 1999 onder de 600. Vooral in de grootste gemeenten is het aantal coffeeshops gedaald door onder andere sluiting als gevolg van een negatief BIBOB-advies, de handhaving van een afstandscriterium en overtreding van de gedoogcriteria.

Voor de handhaving van de landelijke gedoogcriteria geldt dat bijna alle gemeenten deze criteria in hun beleid hebben opgenomen. Alleen voor het ingezetenencriterium ligt dit aantal lager, onder meer omdat het ingezetenencriterium relatief nieuw is en beleidsstukken van gemeenten nog niet zijn geactualiseerd. Naast de landelijke gedoogcriteria hanteren de meeste gemeenten aanvullende criteria. Zo hebben 95 (92,2%) coffeeshopgemeenten ten minste een vestigingscriterium opgenomen in het coffeeshopbeleid, waarvan het afstandscriterium het vaakste is vastgelegd (84,5%). Daarnaast hebben 93 (90,3%) coffeeshopgemeenten ten minste één bijkomend criterium, niet zijnde een vestigingscriterium, in hun beleid opgenomen zoals criteria gericht op de beheerder en het personeel van de coffeeshop.

Ik acht het van belang het onderzoek naar het aantal coffeeshops en het coffeeshopbeleid een vervolg te blijven geven en zal de tweejaarlijkse meting voortzetten.

Rapport «Coffeeshops, toerisme, overlast en illegale verkoop van softdrugs, 2014»

Adequate en betrouwbare gegevens over criminaliteit en overlast verband houdend met coffeeshops zijn essentieel om een goed beeld te kunnen verkrijgen van het aangescherpte coffeeshopbeleid. Eerdere rapportages aan uw Kamer zagen op de drie zuidelijke provincies. Uit het eerder aan uw Kamer gestuurde rapport «Coffeeshops, toeristen en lokale markt. Evaluatie van het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops» (Kamerstuk 24 077, nr. 320 en bijlage) bleek dat de situatie eind 2013 op de meeste plaatsen relatief rustig en beheersbaar was. Nu het aangescherpte coffeeshopbeleid in 2013 landelijk is uitgerold is het van belang de ontwikkelingen, landelijk, eenvormig in kaart te brengen. Bijgevoegd treft u het op 16 oktober 2014 aan uw Kamer toegezegde onderzoeksrapport «Coffeeshops, toerisme, overlast en illegale verkoop van softdrugs, 2014» aan. Het onderzoek betreft geen studie naar de effecten van het huidige coffeeshopbeleid maar geeft een beeld van de situatie in 2014.

Uit het onderzoek blijkt een verscheidenheid in de mate en vorm van coffeeshop- en softdrugstoerisme, illegale verkoop en aan coffeeshops gerelateerde overlast. In de meeste steekproefgemeenten komen deze fenomenen niet of nauwelijk voor. Het zijn vooral de zuidelijke regio’s waar hogere aantallen worden gemeld en geregistreerd.

Diversiteit blijkt uit de mate waarin het ingezetenencriterium wordt gehandhaafd. Deze verschillen vinden hun verklaring in de prioritering door de lokale driehoek aan de hand van de lokale situatie en de beschikbare capaciteit. Zoals hieronder bij de terugkoppeling over de uitvoering van de moties zal worden toegelicht, heb ik eerder dit jaar aan de burgemeesters met een coffeeshop per brief onderstreept dat het voor een landelijk coherente aanpak van drugstoerisme van belang is dat alle gemeenten met een coffeeshop het ingezetenencriterium opnemen in het lokale coffeeshopbeleid en handhaven. Het is aan gemeenten hieraan opvolging te geven in hun lokale coffeeshopbeleid.

Hoewel er lokale verschillen zijn in toe- en afname van coffeeshop- en softdrugstoerisme en coffeeshopoverlast, is de omvang ervan in 2014 grotendeels hetzelfde gebleven. Qua overlast en illegale verkoop wordt doorgaans weinig verschil ervaren ten opzichte van 2013. Ik constateer dat de situatie over het algemeen stabiel is.

Uitvoering moties ingezetenencriterium

Tijdens het VAO coffeeshopbeleid op 16 oktober 2014 zijn de volgende drie moties aangenomen:

  • 1. De Kamer constateert dat tien procent van de coffeeshopgemeenten geen instantie heeft aangewezen voor de handhaving van wet- en regelgeving. Zij verzoekt de regering om bij gemeenten er op aan te dringen dat zij een handhavende instantie aanwijzen en ook daadwerkelijk handhaven (Kamerstuk 24 077, nr. 326).

  • 2. De Kamer constateert dat de aanscherping van het Belgische drugsbeleid kan leiden tot een verhoogde aantrekkingskracht van Nederlandse coffeeshops op drugstoeristen. Zij vraagt de regering daarom bij gemeenten te bevorderen om naast het ingezetenencriterium extra maatregelen te nemen om drugstoerisme tegen te gaan (Kamerstuk 24 077, nr. 327).

  • 3. De Kamer verzoekt de regering te bevorderen dat coffeeshopgemeenten het ingezetenencriterium in hun lokale coffeeshopbeleid opnemen en de naleving hiervan handhaven (Kamerstuk 24 077, nr. 331).

Ter uitvoering van deze moties heb ik bij de burgemeesters van de 103 gemeenten met een coffeeshop bij brief benadrukt dat het voor een landelijk coherente aanpak van drugstoerisme van belang is dat deze gemeenten het ingezetenencriterium opnemen in het lokale coffeeshopbeleid en handhaven. Daarbij heb ik het belang onderstreept van het opnemen van het ingezetenencriterium in het lokale coffeeshopbeleid en het handhavingsarrangement conform het landelijk kader (de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie).

De burgemeesters van de zes gemeenten die begin dit jaar hebben aangegeven het ingezetenencriterium niet op te nemen in het lokale beleid heb ik uitgenodigd voor een gesprek. Alhoewel deze gesprekken nog gaande zijn kan ik u melden dat inmiddels twee gemeenten het ingezetenencriterium gaan opnemen. Eén gemeente bleek het criterium wel al in het lokale beleid te hebben opgenomen. De huidige stand is dat 80 van de 103 coffeeshopgemeenten het ingezetenencriterium hebben opgenomen in het lokale coffeeshopbeleid. Twintig, veelal kleinere, gemeenten hebben aangegeven nog bezig te zijn met het aanpassen van het beleid, maar zijn wel voornemens het ingezetenencriterium op te nemen.

Tot slot heb ik in de brief aan de burgemeesters van de 103 gemeenten met een coffeeshop aandacht gevraagd voor het aangescherpte drugsbeleid in België en de eventuele gevolgen hiervan voor de grensgemeenten in Nederland. Hoewel nog niet duidelijk is hoe het aangescherpte drugsbeleid in België er uit zal gaan zien – zo blijkt mij uit mijn contacten met mijn Belgische ambtgenoot – heeft het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV) in mijn opdracht geïnventariseerd hoe de situatie is bij de twintig gemeenten met een coffeeshop in het grensgebied. Deze gemeenten hebben aangegeven geen toename van drugstoeristen uit België te zien en ook geen overlast of straathandel als gevolg hiervan te ervaren. De grensgemeenten hebben nauwe contacten met hun Belgische buurgemeenten. Voor wat betreft overlast rondom coffeeshops geven deze gemeenten aan dat het ingezetenencriterium een geschikt en toereikend instrument is. Voor wat betreft illegale straathandel hebben deze gemeenten continu zicht op eventuele toename van drugstoeristen en zijn zij voorbereid op een eventuele toename. Vanzelfsprekend zal ik mij voortdurend laten informeren.

Overige toezeggingen

Hieronder wordt u geïnformeerd over de stand van zaken van de tijdens het algemeen overleg van 16 oktober 2014 gedane toezeggingen.

  • 1. Positie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise

    Mijn ambtsvoorganger heeft u toegezegd u te informeren over het feit of de website van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND) weer in gebruik is. Er komt een nieuwe website – het Nationaal Platform Drugs Expertise (NPDE) – die het NND zal vervangen. Deze nieuwe website wordt ondergebracht op een (beveiligde) server van het NFI en zal op korte termijn operationeel zijn. De website wordt beschikbaar voor een selecte groep van drugsexperts die werkzaam zijn binnen de Nationale Politie en samenwerkende organisaties, zoals NFI, Trimbos Instituut, Douane en KMAR.

  • 2. Bevordering Bibob-screening door gemeenten via de RIECs

    Toegezegd is dat via de RIECs zal worden bevorderd dat gemeenten adviesaanvragen indienen bij het landelijk Bureau Bibob indien een vergunning wordt aangevraagd danwel moet worden verlengd voor een coffeeshop. Bestuursorganen maken met betrekking tot coffeeshops reeds veelvuldig gebruik van Bibob. Ik heb in overleg met het Landelijke Informatie en expertisecentrum (LIEC), de RIECs gevraagd hiervan het belang te blijven benadrukken bij gemeenten. Daarnaast zal in 2015 tijdens RIEC-bijeenkomsten aandacht besteed blijven worden aan coffeeshops in relatie tot Bibob.

  • 3. Ontwikkelingen van online drugsverkoop

    Eveneens is u toegezegd dat u wordt geïnformeerd over de ontwikkelingen van de online drugsmarkt. Wat betreft de Nederlandse gebruikersmarkt lijkt het online gedeelte op dit moment slechts een klein deel uit te maken van de totale handel. Het DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem) van het Trimbos-instituut geeft aan, dat van de (potentiële) gebruikers die een drugsmonster lieten testen in 2013 circa 1% aangaf hun drugs online gekocht te hebben. Dit is in 2014 gestegen naar ca. 3%.

    Opsporing van internetcriminaliteit, waaronder online drugshandel, vindt binnen de Nationale Politie plaats binnen alle eenheden. In totaal zijn in het inrichtingsplan Nationale Politie 743 fte belast met het werkterrein digitale expertise. De aankomende periode zal de focus komen te liggen op het verder professionaliseren van de eenheden op het gebied van digitale expertise en cybercrime. Daarnaast geeft het Openbaar Ministerie de internationale samenwerking op dit gebied structureler vorm middels het project ITOM (Illegal Trade on Online Marketplaces). In dit verband wordt internationale opsporing (met betrokkenheid van alle EU- lidstaten en enkele daarbuiten) opgepakt en worden preventieve interventies geoperationaliseerd.

    Op korte termijn start een onderzoek bij het WODC om de online drugsmarkt verder in kaart te brengen.

  • 4. Voortgang van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen teams

    Er zijn begin dit jaar vier nieuwe medewerkers aan de LFO toegevoegd. Ze worden door de zittende collega's opgeleid. Geleidelijk aan gaan zij zelfstandig taken uitvoeren. Het is de verwachting is dat zij eind dit jaar volledig mee zullen draaien.

  • 5. Uitkomsten van de gesprekken met buitenlandse ambtsgenoten over het drugsbeleid

    Tot slot is toegezegd u te informeren over mijn overleggen met mijn ambtgenoten uit België, Frankrijk en Duitsland. Om de criminele drugsnetwerken, inclusief cannabisbendes, aan te pakken heb ik samen met mijn collega’s uit België, Frankrijk en Luxemburg op 16 juni jl een Actieprogramma afgesloten. Bijgevoegd treft u het Actieprogramma aan.

    Ook met de Duitse Bondsregering en de regeringen van de aangrenzende deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen wordt een nauwere samenwerking opgezet op drie specifieke thema’s, waaronder de aanpak van drugscriminaliteit.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Naar boven