22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1362 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2012

De vaste commissie voor Financiën heeft op 18 januari jl. gesproken over het fiche «Verordening en richtlijn op het terrein van accountancy». Hierop heeft de commissie mij verzocht uw Kamer z.s.m., bij voorkeur tijdig vóór het geplande wetgevingsoverleg over het tweede FM-pakket op 6 februari a.s., te informeren over de uitkomsten van de consultatie accountancy en over het definitieve kabinetsstandpunt over de voorstellen van de Europese Commissie.

In het hierboven genoemde fiche heeft het kabinet aangegeven haar definitieve standpunt over de Europese voorstellen te bepalen mede op basis van de in overleg met de AFM en de NBA gestarte consultatie waarin de door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen op het terrein van de onafhankelijkheid van de accountant publiekelijk worden geconsulteerd. Dit kabinetsstandpunt zal gebruikt worden voor de Nederlandse positie in de onderhandelingen in Brussel die zoals het er nu naar uitziet zullen uitmonden in een rechtstreeks werkende verordening op het terrein van de accountancy.

Uiteraard ben ik bereid om uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de consultatie accountancy, maar met het verwerken van consultatiereacties is altijd enige tijd gemoeid. Daar komt bij dat de ervaring leert dat velen pas op het laatste moment hun reactie indienen. De reactietermijn op deze consultatie is gesteld op 1 februari 2012. Dit betekent dat er onvoldoende tijd rest om u vóór het wetgevingsoverleg op 6 februari a.s. volledig te informeren over de uitkomsten van deze consultatie en het daarop gebaseerde definitieve kabinetsstandpunt. Dit houdt niet tegen dat ik binnen afzienbare tijd aan uw verzoek tegemoet wil komen en dat ik er dan ook naar streef om uw Kamer begin maart te informeren.

Een eerste inventarisatie van de ontvangen consultatiereacties laat overigens zien dat er een breed draagvlak is voor regelgeving die de onafhankelijkheid van de accountant moet vergroten. Zo lijken velen voorstander te zijn van het beperken van dienstverlening die een bedreiging vormt voor de onafhankelijkheid van accountants bij Organisaties van Openbaar Belang. Hierbij wordt in brede zin, zowel bij accountants en ondernemingen als ook bij de gebruikers van door controlecliënten verstrekte informatie en toezichthouders, benadrukt dat aan de controle gerelateerde diensten evenwel mogelijk moeten kunnen zijn. Daarnaast wordt, ook vanuit wetenschappelijke hoek, gesignaleerd dat een al te stringente scheiding tussen de wettelijke controle en overige diensten de kwaliteit van de accountantscontrole nadelig zou kunnen beïnvloeden. Verder valt op dat de in de voorstellen van de Europese Commissie opgenomen verplichte kantorenroulatie in brede zin niet noodzakelijk wordt geacht. Men lijkt daarentegen meer geporteerd voor een verplichte periodieke aanbesteding van de controleopdracht door Organisaties van Openbaar Belang en een meer prominente rol voor de auditcommissie/raad van commissarissen bij de selectie en het evalueren van de controlerend accountant. Ook de Autoriteit Financiële Markten geeft aan dat met deze laatste maatregelen een mogelijke bedreiging van de onafhankelijkheid kan worden ondervangen.

De minister van Financiën, J. C. de Jager

Naar boven